id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200604.1N.12 Rolnummer: C.19.0070.N Zaak: REFLEXION NV contra NACO NV Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-04-13 Raadplegingen: 836 - laatst gezien 2026-06-18 19:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.12 Fiche 1 Voor derde-medeplichtigheid aan contractbreuk, die de deelneming onderstelt van een derde aan de rechtshandeling die ten grondslag ligt aan de schuldige niet-nakoming van de contractuele verbintenis door een partij terwijl de derde het bestaan van die verbintenis kende of behoorde te kennen, is het niet noodzakelijk dat de derde rechtstreeks met de contractuele schuldenaar heeft gecontracteerd, maar volstaat het dat hij wetens en willens deelneemt aan de niet-nakoming van de verbintenissen door de contractuele schuldenaar
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - T.a.v. derden Vrije woorden: Derde medeplichtigheid aan contractbreuk - Deelneming van de derde aan de niet-nakoming van de contractuele verbintenis - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 Het bestaan van een onderzoeksplicht van de derde en de draagwijdte ervan wordt door de rechter in concreto beoordeeld, rekening houdend met al de omstandigheden van het geval en in het bijzonder met de vertrouwdheid van de derde met de betrokken bedrijfstak en de toegankelijkheid van de informatie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Vrije woorden: Derde medeplichtigheid aan contractbreuk - Deelneming van de derde aan de niet-nakoming van de contractuele verbintenis - Onderzoeksplicht in hoofde van de derde - Draagwijdte - Beoordeling Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.19.0070.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
- Feiten en procedure Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat verweerster met de uitbater van een café een overeenkomst sloot voor het plaatsen van een aantal speelautomaten en in de overeenkomst een exclusiviteitsclausule werd opgenomen. De exclusiviteit hield onder andere in dat de uitbater geen andere gelijkaardige of aanverwante toestellen zou plaatsen of laten plaatsen. De uitbater verbond er zich bovendien toe bij eventuele overdracht van de uitbating aan de overnemer de verbintenissen, vervat in de overeenkomst, op te leggen. Op grond van de feitelijke gegevens die zij vaststellen besluiten de appelrechters dat de uitbater inbreuken gepleegd heeft op de overeenkomst met verweerster door nagelaten te hebben de verbintenissen op te leggen aan de nieuwe uitbaatster, die zijn vriendin was. Gezien deze relatie en de overige feitelijke vaststellingen die een intense samenwerking aantonen, moet de vorige uitbater kennis hebben gehad van de intentie van zijn vriendin om met eiseres een overeenkomst af te sluiten. Zij oordelen dat eiseres kennis had of moest hebben van de contractuele situatie tussen de vorige uitbater en verweerster. Door in die omstandigheden toch te contracteren met de nieuwe uitbater heeft hij bewust meegewerkt aan de contractuele wanprestatie van de uitbater. Tegen dit arrest van 25 oktober 2017 van het hof van beroep te Gent voert eiseres in het enig middel aan dat de appelrechters onterecht besluiten tot haar derde-medeplichtigheid aan contractbreuk nu zij niet vaststellen dat eiseres heeft gecontracteerd met die vorige uitbater of heeft deelgenomen aan diens handeling die ten grondslag ligt van de contractbreuk.
- Bespreking 2.
- Uit de relativiteit van overeenkomsten zoals uitgedrukt in artikel 1165 BW volgt dat de rechten en plichten, de obligatoire gevolgen, die uit een overeenkomst voortvloeien enkel gelden voor contractpartijen en zij van een derde geen nakoming kunnen vorderen van een verbintenis uit overeenkomst waarbij die derde geen partij is. Wat de interne gevolgen betreft blijft de derde dus buiten de werkingssfeer en oefent de overeenkomst rechtstreeks noch onrechtstreeks enige invloed uit op het actief of het passief van een derde
(1). Dat is anders voor de externe gevolgen van een overeenkomst die niet relatief zijn. Het bestaan van een overeenkomst is immers als feit tegenwerpelijk aan derden en kan dus ook gevolgen hebben jegens derden
(2). De tegenwerpbaarheid van het bestaan van de overeenkomst kan niet worden aanzien als een verbondenheid daartoe van de derde, maar op de derde rust wel een zekere onthoudingsplicht. Dat een contractpartij op een bepaalde wijze gehouden is jegens haar medecontractant is immers een feit dat een derde moet respecteren en niet mag miskennen. Zij zullen het bestaan van de overeenkomst in hun rechtssfeer moeten aanvaarden en erkennen en zich er dus van onthouden haar te miskennen. Onrechtstreeks heeft een overeenkomst dus gevolgen voor het gedrag van een derde en kan zijn handelings- en contractvrijheid worden beperkt
(3). 2.2. Hoever deze erkenningsplicht gaat wordt bepaald door het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht. Zoals de appelrechters terecht vaststellen is de derde - medeplichtigheid aan contractbreuk gesteund op artikel 1382 BW en vereist zij het bestaan van een fout, schade en het causaal verband tussen beide. Opdat de buitencontractuele aansprakelijkheid van een derde in het gedrang zou komen moet zijn handelen worden getoetst aan de algemene zorgvuldigheidsnorm waarvan de derde-medeplichtigheid aan andermans contractbreuk een bijzondere toepassing is
(4). Met andere woorden wanneer en onder welke omstandigheden begaat een derde die andermans contractuele rechten miskent een fout? Uw Hof oordeelt
(5)dat de fout in hoofde van de derde kan worden afgeleid uit “enerzijds de kennis die hij had of moest hebben van een bestaande toestand en anderzijds uit de medewerking die hij niettemin aan de contractbreuk verleende” en nog dat “ de derde die zijn medewerking verleent aan een contractbreuk niettegenstaande hij hiervan kennis had of moest hebben, een fout begaat waarvoor hij op grond van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is jegens de benadeelde contractspartij.”
(6)Uw Hof legt dus een duidelijk verband tussen het hebben van kennis van de concrete toestand en het ondanks die kennis niettemin stellen van handelingen die aanleiding geven tot contractbreuk. Die kennis kan een effectieve kennis zijn maar ook een normatieve kennis, hetgeen impliceert dat van de derde redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij weet heeft van de inhoud van de contractuele verhouding
(7). Bij de onderzoeksplicht die ter zake op de derde rust zijn de concrete omstandigheden, zoals zijn hoedanigheid van de derde (professioneel versus “leek”), de aard van zijn rechtsverhouding met de contractanten en zijn kennis van sectorspecifieke gebruiken hierbij van belang
(8). Van een professioneel in de kansspelsector mag bijgevolg verwacht worden dat hij op de hoogte is van gebruiken en vaak in de sector voorkomende contractuele verplichtingen, waaronder dergelijke exclusiviteitsbedingen. De appelrechters hebben ook in die zin geoordeeld door te stellen dat indien eiseres geen effectieve kennis had van de overeenkomst zij deze minstens behoorde te kennen en zij een ernstige nalatigheid heeft begaan die door een normaal voorzichtig en zorgvuldig spelleverancier geplaatst in dezelfde omstandigheden niet zou zijn begaan. 2.3. Eiseres voert evenwel in haar voorziening, los van deze onderzoeksplicht, aan dat enkel de derde die rechtstreeks deelneemt aan de contractbreuk en dus contractueel verbonden is met degene die contractbreuk pleegt, aansprakelijk gesteld kan worden op grond van de theorie van derde-medeplichtigheid aan contractbreuk en verwijst in dit verband naar het arrest van Uw Hof van 29 juni 2012
(9)waarin geoordeeld werd dat “derde-medeplichtigheid de deelneming impliceert van een derde aan de rechtshandeling die ten grondslag ligt aan de niet-nakoming van de contractuele verbintenis”. Eiseres gaat er dienvolgens van uit dat de appelrechters hadden moeten vaststellen dat eiseres met de uitbater die contractbreuk heeft gepleegd had gecontracteerd, hetgeen zij niet hebben gedaan. Evenwel rijst de vraag of die rechtstreekse deelneming enkel kan bestaan ingeval van een contractuele band tussen de derde- medeplichtige en de contractuele schuldenaar en het niet de voorkeur verdient hieraan een ruimere interpretatie te geven. In die zin kan een derde aansprakelijk zijn wegens derde-medeplichtigheid aan contractbreuk wanneer hij op enigerlei wijze deelneemt of meewerkt aan de schuldige niet-nakoming door een partij van haar contractuele verbintenissen terwijl hij het bestaan van deze verbintenissen kende of behoorde te kennen maar zonder dat vereist is dat de derde rechtstreeks met de schuldenaar heeft gecontracteerd. In zijn conclusie voor het geciteerde arrest van 29 juni 2012
(10)wees advocaat-generaal Thierry Werquin er reeds, en mijns inziens terecht, op dat een mogelijke derde medeplichtigheid zich niet beperkt tot een directe medewerking van de derde met degene die contractueel gebonden is maar de derde ook op een indirecte manier aansprakelijk kan zijn als derde medeplichtige indien hij op welke wijze dan ook meewerkt aan de wanuitvoering van een contractuele verbintenis. De derde is dan medeplichtig als hij door een handeling te stellen, met kennis van zaken deelneemt aan het begaan van een contractuele fout door de schuldenaar. De handeling van deelneming moet dus kunnen worden aangemerkt als een handeling die bijgedragen heeft tot de onrechtmatige verbreking van de overeenkomst door de schuldenaar. Hiertoe is het evenwel niet noodzakelijk dat de derde rechtstreeks heeft gecontracteerd met de schuldige. 2.4. De appelrechters oordelen dat eiseres kennis had of moest hebben van de contractuele situatie tussen de vorige uitbater en verweerster. Zij wijzen in dit verband op de relatie tussen de huidige en de vroegere uitbater en de intense samenwerking tussen hen, maar ook op de hoedanigheid van eiseres als professioneel in de kansspelsector waardoor zij zeker op de hoogte moet zijn van de exclusiviteitsclausule in dergelijke contracten, minstens had zij zich ter plaatse, dan wel via de Kansspelcommissie of de Kruispuntbank der ondernemingen dienen te informeren over de concrete situatie. Door in die omstandigheden toch te contracteren met de nieuwe uitbater heeft eiseres bewust meegewerkt aan de contractuele wanprestatie van de uitbater die hierbij een aanzienlijk belang had nu het voor de uitbater(s) voorbehouden aandeel in de opbrengst in de overeenkomst met eiseres veel hoger was dan in de overeenkomst met verweerster. De appelrechters die op die gronden aannemen dat eiseres, die niet enkel kennis had of behoorde te hebben van de contractuele verplichtingen van de uitbater maar ook actief heeft bijgedragen tot het verbreken van het contract, verantwoorden hun beslissing dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan derde-medeplichtigheid aan contractbreuk naar recht. Het middel dat kan niet worden aangenomen. Conclusie: verwerping. __________________________
(1)S. STIJNS en F. VAN LIEMPT, “Derde-medeplichtigheid aan andermans contractbreuk”, in De raakvlakken tussen de contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid, Die Keure, 2010, 173-174.
(2)S. STIJNS en F. VAN LIEMPT, “Derde-medeplichtigheid aan andermans contractbreuk”, in De raakvlakken tussen de contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid, Die Keure, 2010, 172.
(3)N. CARETTE en V. WITHOFS, “Gevolgen voor derden van de overeenkomst”, in Handboek verbintenissenrecht, T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, eds, Intersentia, 2019, 655.
(4)N. CARETTE en V. WITHOFS, “Gevolgen voor derden van de overeenkomst”, in Handboek verbintenissenrecht, T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, eds, Intersentia, 2019, 655.
(5)Cass. 22 april 1983, AR nr. 3612, Arr.Cass. 1982-83, nr. 462.
(6)Cass. 12 oktober 2012, AR C.11.0692.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121012.3, AC 2012, nr. 527.
(7)N. CARETTE en V. WITHOFS, “Gevolgen voor derden van de overeenkomst”, in Handboek verbintenissenrecht, T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, eds, Intersentia, 2019,658.
(8)E. VERJANS, “Enkele vragen naar aanleiding van een casus over derde-medeplichtigheid aan contractbreuk in de kansspelsector”, R.D.C-T.B.H., 2014/2, p. 170-176.
(9)Cass. 29 juni 2012, AR C.11.0522.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120629.2, AC 2012, nr. 427.
(10)Concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN op datum in Pas. vóór Cass. 29 juni 2012, AR C.11.0522.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120629.2, AC 2012, nr. 427. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200604.1N.12 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.12 citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120629.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121012.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div