← België

K. contra C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200604.1N.19 Rolnummer: C.19.0371.N Zaak: K. contra C. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-04-13 Raadplegingen: 1176 - laatst gezien 2026-06-18 17:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.19 Fiche De verrijking is niet ongerechtvaardigd wanneer zij steunt op de wil van de verarmde voor zover deze ertoe strekte een definitieve vermogensverschuiving in het voordeel van de verrijkte tot stand te brengen, wat onder meer kan blijken uit de bedoeling de verrijkte te begunstigen, het speculatieve oogmerk of de omstandigheid dat de verarmde uitsluitend of hoofdzakelijk in zijn eigen belang handelde

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERRIJKING ZONDER OORZAAK Vrije woorden: Niet ongerechtvaardigde verrijking - Definitieve vermogensverschuiving ten voordele van de verrijkte - Wil van de verarmde - Eigen belang - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking Annotaties Publicaties: Journal des tribunaux [JT] - LELEU, Yves-Henri; Note' La volonté, cause d'enrichissement injustifié entre partenaires affectifs, dans la jurisprudence récente de la Cour de cassation.' - 2020, n° 6823, p. 558-
  1. Rechtskundig Weekblad [RW] - VAN THIENEN, Annette: Noot 'Ongerechtvaardigde verrijking: het Hof van Cassatie schenkt klare wijn' - 2020-21, nr. 26, p. 1028-
  2. Tekst van de conclusie C.19.0371.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
  3. Feiten en procedure Verweerder wenste te investeren in het onroerend goed dat eigendom was van eiser, teneinde dit om te vormen tot een handelszaak met vier woongelegenheden. De investeringen zouden gebeuren door middel van een bvba waarvan een deel van de aandelen werden overgedragen aan verweerder, die ook als mede zaakvoerder werd aangesteld. Wegens te hoge kosten ging het project uiteindelijk niet door en werden de aandelen terug overgedragen aan eiser. Intussen had verweerder aan eiser een bedrag van 21.000 euro overgemaakt en betaalde hij ook de onroerende voorheffing voor het betrokken onroerend goed. Verweerder vorderde van eiser terugbetaling. Nadat die vordering door de eerste rechter was afgewezen als ongegrond, verklaarden de appelrechters de vordering gegrond wegens de verrijking zonder oorzaak. De appelrechters oordelen dat uit de feitelijke omstandigheden en het tijdsverloop blijkt dat de betalingen gebeurden in het kader van het onroerend project en eiser niet betwist dat verweerder wilde investeren in het onroerend goed, maar dit project nooit werd gerealiseerd zodat door de betalingen van verweerder aan eiser het vermogen van eiser is verrijkt en het vermogen van verweerder is verarmd zonder enige economische of morele rechtvaardiging hiervoor en verweerder recht heeft op teruggave er van. Eiser komt tegen dit arrest van 18 maart 2019 van het hof van beroep te Antwerpen op met één middel.
  4. Bespreking 2.
  5. De vordering uit verrijking zonder oorzaak is een billijkheidsvordering die ertoe strekt ongerechtvaardigde vermogensverschuivingen ongedaan te maken
(1). Een vermogensverschuiving op zich is dus geen probleem, wel dat dit gebeurt zonder reden en dit patrimoniaal onevenwicht een verstoring van ons rechtsverkeer kan veroorzaken
(2). Rechtspraak en rechtsleer zijn het er over eens dat de toepassing van deze rechtsfiguur aan de voorwaarden is onderworpen dat er een verrijking is bij de ene, een verarming bij de andere, een correlatie tussen beide, de vermogensverschuiving zonder oorzaak is en er geen mogelijkheid is om een rechtsvordering in te stellen op een andere rechtsgrond. 2.2. Het is vaak, en dit is ook te dezen het geval, de interpretatie van het begrip “gebrek aan oorzaak” die voor discussie en verwarring zorgt. Een vermogensverschuiving is zonder oorzaak wanneer er geen rechtsgrond is voor de verarming van de ene partij en de verrijking van de andere
(3), met andere woorden een vermogensverschuiving kan krachtens dit algemeen rechtsbeginsel ongedaan gemaakt worden wanneer zowel de verrijking als de correlatieve verarming niet door enige rechtsgrond gerechtvaardigd zijn
(4). Degene die zijn vordering tot terugbetaling grondt op het bestaan van een verrijking zonder oorzaak, moet de voorwaarde van het ontbreken van een oorzaak van de verrijking en van de verarming aantonen
(5). Een oorzaak voor de verarming of voor de verrijking kan gevonden worden in de wet, in een overeenkomst, in een onrechtmatige daad of in een rechterlijke beslissing, maar ook in een natuurlijke verbintenis
(6). Uw Hof heeft in een aantal arresten geoordeeld dat ook de wil
(7)van de verarmde zelf een (subjectieve) oorzaak kan zijn voor een vermogensverschuiving, met als gevolg dat terugvordering of vergoeding op grond van de verrijking zonder oorzaak onmogelijk wordt. Gezien “de wil van de verarmde” een zeer rekbaar begrip is
(8)heeft Uw Hof in zijn rechtspraak hiervan terecht een werkbaar criterium gemaakt. 2.3. Waar bij arrest van 19 januari 2009
(9)nog vrij algemeen werd geoordeeld dat “de verrijking niet zonder oorzaak is wanneer de vermogensverschuiving haar oorsprong vindt in de eigen wil van de verarmde”, werd er in de hier aan voorafgaande conclusie van het openbaar ministerie op gewezen dat de aard en de strekking van dit recht op verhaal wordt bepaald door de relatie die er bestaat tussen eiser en verweerder en het meer bepaald van belang is te weten met welke wil verweerder is opgetreden. Indien verweerder de “animus donandi” had, de bedoeling had het geld aan eiser te schenken als liberaliteit, dan is er voor verweerder geen verhaalsrecht. Indien verweerder presteerde met de “animus solvendi”, dus enkel met de bedoeling te betalen, maar niet met de bedoeling te schenken als liberaliteit, kan verweerder zich steunen op de “actio de in rem verso” om terugbetaling te verkrijgen van eiser. In beide gevallen ligt dus een eigen initiatief, een eigen wil van de verarmde aan de basis van de betaling, maar slechts in het tweede geval zal beroep kunnen gedaan worden op de vermogensverschuiving zonder oorzaak. Het Hof oordeelde dan ook dat waar de tijdelijke terbeschikkingstelling van de gelden wel een oorzaak had, namelijk de hulpvaardigheid, de verarmde niet de wil had een vermogensverschuiving tot stand te brengen, zodat het bedrag van de tijdelijk ter beschikking gestelde gelden dan ook op grond van het algemeen rechtsbeginsel van de verrijking zonder oorzaak mocht worden teruggevorderd. Bij arresten van 23 oktober 2014
(10)(F) en 9 juni 2017
(11)(N) bevestigde Uw Hof het criterium van de wil van de verarmde maar preciseerde het, in lijn met voormeld arrest van 19 januari 2009, dat daartoe vereist is dat de verarmde de wil had een definitieve vermogensverschuiving ten voordele van de verrijkte tot stand te brengen. De loutere wil van de verarmde volstaat dus niet. Opdat de wil van de verarmde kan worden beschouwd als een oorzaak of rechtvaardiging voor een vermogensverschuiving, dient te worden nagegaan of de vermogensverschuiving niet alleen vrijwillig tot stand kwam, maar ook met het doel om ze definitief te maken. De eigen wil van de verarmde slaat dus niet op het vrijwillig stellen van een handeling maar op de wil om effectief een definitieve vermogensverschuiving tot stand te brengen
(12). Een beoordeling door de feitenrechter van de concrete feiten en de concrete wil van de verarmde is hierbij uiteraard cruciaal waarbij het Hof nagaat of uit de onaantastbaar in feite gedane vaststellingen van de appelrechter de wil tot definitieve vermogensverschuiving wettig kon worden afgeleid. Vrijgevigheid, het speculatief oogmerk en het eigen belang van de verarmde worden vaak in aanmerking genomen als uitingen van de wil tot definitieve vermogensverschuiving
(13). Zo wordt aangenomen dat de rechter de wil tot definitieve vermogensverschuiving kan afleiden uit het eigenbelang van de verarmde partner om jarenlang kosteloos te mogen verblijven in de woning van de partner waarin renovatiewerken op zijn of haar kosten waren verricht en hij of zij zo mee bijdroeg aan het eigen comfort. Hetzelfde geldt ingeval de verarmde partner door middel van de vermogensverschuiving speculeerde om een bepaald resultaat te bereiken, zoals de instandhouding of heropleving van de relatie. 2.4. Deze toets van de wil tot definitieve vermogensverschuiving werd door de rechtsleer als bijzonder nuttig en werkbaar criterium positief onthaald, zeker in het kader van geschillen tussen partners die bij het beëindigen van hun relatie tot terugvordering overgingen. Dit criterium liet toe een toekomstig element in rekening te brengen meer bepaald of de verarmde de wil had om de vermogensverschuiving ook in de toekomst, dus definitief, te laten toekomen aan de verrijkte ongeacht wat er zou gebeuren na het ogenblik waarop de vermogensverschuiving tot stand kwam. Ook in het ontworpen artikel 5.138 van het nieuw Burgerlijk wetboek, waar niet langer wordt gesproken van de verrijking zonder oorzaak maar van de “ongerechtvaardigde verrijking” verduidelijkt het tweede lid dat de wil van de verarmde een grond kan vormen die de actio de in rem verso kan verhinderen, op voorwaarde dat de verarmde een definitieve vermogensverschuiving ten gunste van de verrijkte tot stand heeft willen brengen
(14). 2.5. Bij arrest van 12 oktober 2018
(15)oordeelde Uw Hof evenwel dat de verarming niet zonder oorzaak is zodra zij haar oorsprong vindt in de behartiging van het eigen belang door de verarmde. Eiser steunt zich op dit arrest door aan te voeren dat de appelrechters hebben vastgesteld dat de verarming van verweerder minstens deels haar oorsprong vindt in de behartiging van het eigen belang van verweerder en derhalve niet zonder oorzaak is. Met dit arrest lijkt het toetsingscriterium van de wil tot definitieve vermogensverschuiving te verdwijnen en wordt het eigen belang een criterium op zich. In de rechtsleer wordt er terecht op gewezen dat de verregaande veronderstelling
(16)dat de vordering op grond van verrijking zonder oorzaak moet worden afgewezen van zodra een eigenbelang van de verarmde op het ogenblik van de totstandkoming van de vermogensverschuiving zelf is bewezen, een mogelijke uitholling van het toepassingsgebied van de verrijking zonder oorzaak zou kunnen inhouden
(17). In de regel houdt immers eenieder bij een transactie in min of meerdere mate zijn eigen belang voor ogen. Voor zover uit het arrest dient afgeleid te worden dat het eigenbelang van de verarmde meteen de wil tot definitieve vermogensverschuiving impliceert, dan zal dit mijns inziens pas het geval zijn indien het eigenbelang de enige of kennelijk dominante reden is om de vermogensverschuiving tot stand te brengen. Wie aldus handelt kan immers bezwaarlijk beweren dat hij de daaruit volgende vermogensverschuiving niet definitief wilde tot stand brengen
(18). De vraag is bijgevolg niet louter of een wil met als onderliggende intentie het eigen belang, de vermogensverschuiving kan rechtvaardigen, maar wel of er een voldoende rechtvaardigende wil met die onderliggende intentie aanwezig is waardoor de vermogenstransfer een onomkeerbaar karakter heeft
(19). Slechts indien de verarmde uitsluitend of hoofdzakelijk in zijn eigen belang handelde en het voordeel voor de verrijkte slechts een bijkomstigheid was is de verarming niet zonder oorzaak en wordt de terugvordering problematisch
(20). Hetzelfde geldt voor het speculatief oogmerk en de ermee gepaard gaande risico-aanvaarding als onderliggende intentie van de wil om de handeling te stellen. 2.6. De appelrechters oordelen dat de betalingen door verweerder werden gedaan met het oog op investering in het onroerend goed, dat dit project nooit werd gerealiseerd en het vermogen van eiser dus zonder enige economische of morele rechtvaardiging is verrijkt en het vermogen van verweerder verarmd. Zij oordelen, op grond van de feitelijke gegevens die zij vaststellen en in lijn met wat voorafgaat, naar recht verantwoord dat er geen hoofdzakelijke of uitsluitende wil voorligt tot definitieve vermogensverschuiving ten voordele van verweerder, hetzij uit speculatief oogmerk hetzij uit hoofdzakelijk of uitsluitend eigen belang en verweerder dus recht heeft op teruggave. Het middel kan bijgevolg niet worden aangenomen. Conclusie: verwerping. _____________________________
(1)Cass. 17 november 1983, AR 6857, AC 1983, nr. 149.
(2)E. NORDIN, De wil als oorzaak van een vermogensverschuiving: het onderscheid tussen hulpvaardigheid en vrijgevigheid, RW 2009-2010, 1084.
(3)Cass. 10 mei 2012, AR C.10.0707.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120510.9, AC 2012, nr. 291.
(4)Cass. 7 juni 2019, AR C.18.0523.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190607.5, AC 2019, nr. 357.
(5)Cass. 5 januari 2018, AR C.16.0183.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180105.1, AC 2018, nr. 8.
(6)M. AERTS, Het belang van het eigenbelang versterkt? Over de verrijking zonder oorzaak en feitelijke samenwoners, T. Fam. 2019/2, p.38 en de verwijzingen aldaar.
(7)Voor het eerst Cass. 15 september 1960, AC 1961, p. 45.
(8)R. DEKKERS, Handboek, III, p. 206.
(9)Cass. 19 januari 2009, AR C.07.0575.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090119.1, AC 2009, nr. 43.
(10)Cass.23 oktober 2014, AR C.14.0207.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141023.6, AC 2014, nr. 634: « L’enrichissement n’est pas sans cause lorsqu’il trouve sa cause dans la volonté de l’appauvri, pour autant que celui-ci ait eu la volonté d’opérer un glissement de patrimoine définitive en faveur de l’enrichi ».
(11)Cass. 9 juni 2017, AR C.16.0382.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170609.3, AC 2017, nr. 379.
(12)A. VAN THIENEN, “Verrijking zonder oorzaak bij feitelijke samenwoning: in eigen belang gedane zaken nemen geen keer”, noot onder Cass. 12 oktober 2018, RW 2018-19, 1667.
(13)M. AERTS, Het belang van het eigenbelang versterkt? Over de verrijking zonder oorzaak en feitelijke samenwoners, noot onder Cass. 12 oktober 2018, T. Fam. 2019/2, p. 40, nr. 9.
(14)Omdat deze hypothese heel wat controverse heeft doen ontstaan, codificeert het voorstel de definitie die het Hof van Cassatie geeft (noot Cass. 23 oktober 2014, Pas. 2014, 2328, RGD.C./T.B.B.R. 2015, blz. 559, noot J. Lambrechts, J.L.M.B. 2016, blz. 834).
(15)Cass. 12 oktober 2018, AR C.18.0084.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181012.4, AC 2018, nr. 550.
(16)M. AERTS, Het belang van het eigenbelang versterkt? Over de verrijking zonder oorzaak en feitelijke samenwoners, noot onder Cass. 12 oktober 2018, T. Fam. 2019/2, p.42, nr. 14.
(17)A. VAN THIENEN, “Verrijking zonder oorzaak bij feitelijke samenwoning: in eigen belang gedane zaken nemen geen keer”, noot onder Cass. 12 oktober 2018, RW 2018-19, 1668.
(18)A. VAN THIENEN, “Verrijking zonder oorzaak bij feitelijke samenwoning: in eigen belang gedane zaken nemen geen keer”, noot onder Cass. 12 oktober 2018, RW 2018-19, 1668.
(19)C. DE WULF, “Rechtsherstel voor verschuivingen van vermogen bij het einde van het huwelijk en het einde van de samenwoning”, Brugge, Die Keure, 2017, 247.
(20)Zie J.F. ROMAIN, “La notion de la cause justificative dans l’enrichissement sans cause et le mobile altruiste de l’appauvri”, noot onder Cass. 19 januari 2009, RCJB, 2012, p. 119-120, nr. 44. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200604.1N.19 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.19 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090119.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120510.9 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141023.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170609.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180105.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181012.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190607.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.