← België

ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200604.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200604.4 Rolnummer: C.18.0345.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-04-13 Raadplegingen: 947 - laatst gezien 2026-06-18 21:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 2 De vraag naar onsplitsbaarheid rijst enkel wanneer in een meerpartijengeschil één of meer partijen verstek laten gaan of wanneer daarin hoger beroep, cassatieberoep of een verzoek tot herroeping van het gewijsde wordt ingesteld, zodat een rechter in eerste aanleg de partijen niet kan verplichten een derde in het geding te betrekken op grond van de regels van de onsplitsbaarheid van het geschil

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONSPLITSBAARHEID (GESCHIL) Vrije woorden: Meerpartijengeschil - Onsplitsbaarheid - Toepassingsvoorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 31 en 811 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Vrije woorden: Meerpartijengeschil - Onsplitsbaarheid - Betrekking van een derde in het geding - Bevoegdheid van de rechter - Omvang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 31 en 811 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.4 2020-06-04 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.4 2020-06-04 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.4 2020-06-04 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.4 2020-06-04 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.4 2020-06-04 C.18.0345.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier 1. Feiten en procedure Tussen eiseres enerzijds en eerste verweerster en haar vooroverleden echtgenoot anderzijds werd een onderhandse koopovereenkomst gesloten met betrekking tot een aantal percelen landbouwgrond. Deze overeenkomst bepaalde onder meer dat de notariële akte zal worden verleden op eerste verzoek van de meest gerede partij binnen een termijn van vier maanden. Om uiteindelijk de notariële verkoopakte te kunnen laten verlijden stelde eiseres een procedure in voor de rechtbank van eerste aanleg maar deze werd enkel ingesteld tegen eerste verweerster. Eerste verweerster vorderde bij tegeneis de nietigheid dan wel de ontbinding van de overeenkomst om reden dat de notariële akte niet werd verleden binnen de erin voorziene termijn. De tegeneis werd afgewezen en de hoofdeis gedeeltelijk gegrond verklaard. Eerste verweerster tekende tegen dit vonnis hoger beroep aan en hangende dit hoger beroep liet eiseres overgaan tot dagvaarding in gedwongen tussenkomst van de erfgenamen van de vooroverleden echtgenoot van eerste verweerster teneinde hen het arrest bindend te doen verklaren. De appelrechters wierpen ambtshalve op dat het geschil over het bestaan van een verkoop van een onroerend goed ten aanzien van de verkopers een onsplitsbaar karakter heeft en van meet af aan de aanwezigheid in het geding vereist van alle bij de verkoopovereenkomst betrokken partijen. Zij wijzen om die reden de wederzijdse vorderingen die eiseres en eerste verweerster tegen elkaar formuleren af als niet ontvankelijk. Tegen dit arrest van 19 februari 2018 van het hof van beroep te Antwerpen voert eiseres in een tijdige en regelmatige voorziening één middel aan. In het tweede onderdeel van dit middel voert eiseres aan dat de regels inzake onsplitsbaarheid enkel betrekking hebben op situaties waarin één of meerdere partijen verstek laten gaan, bij het instellen van een rechtsmiddel of een verzoek tot herroeping van gewijsde maar niet van toepassing zijn in het stadium van het inleiden van de vordering. Tevens voert eiseres onder verwijzing naar artikel 811 Ger.W. aan dat de rechter niet ambtshalve kan bevelen dat een derde in het geding wordt betrokken. Eerste verweerster voert in de memorie van antwoord aan dat dit onderdeel, dat opkomt tegen de onontvankelijk verklaring van een vordering, bij gebrek aan belang als niet-ontvankelijk voorkomt nu de redenen van het arrest, ongeacht de gebruikte bewoordingen, voldoende zijn om de vordering ongegrond te verklaren. Uw Hof
(1)oordeelt evenwel dat ook al is het Hof bevoegd een foutieve reden van een bestreden beslissing te vervangen door de rechtsgrond waarmee die beslissing naar recht wordt verantwoord, het niet zonder buiten zijn bevoegdheid te treden de beslissing zelf kan wijzigen. De opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid beoogt aldus een niet-toegelaten substitutie van dispositief en kan om die reden niet worden aangenomen.
  1. Bespreking Het onderdeel raakt enerzijds aan de regels van de onsplitsbaarheid en anderzijds aan de autonomie van de partijen in het civiele geding. 2.
  2. Krachtens artikel 811 Ger.W. kunnen hoven en rechtbanken niet ambtshalve bevelen dat een derde in het geding wordt betrokken. Dit artikel is de uiting van de strenge interpretatie van de partijautonomie die in België aangenomen wordt sinds de invoering van het Gerechtelijk Wetboek
(2). In de rechtspraak van uw Hof die dateert van vóór het tot stand komen van het gerechtelijk wetboek, werd aan de rechter wel de macht opgedragen een derde ambtshalve in het geding te betrekken mits deze maatregel nodig bleek voor de oplossing van het geschil en de derde aan de voorwaarden voldeed om tussen te komen. De wetgever nam echter bij het tot stand komen van het gerechtelijk wetboek uitdrukkelijk afstand van deze mogelijkheid omdat deze rechtspraak tot controverse leidde en geen navolging kende bij de lagere rechtbanken. Deze gedwongen ambtshalve tussenkomst werd aanzien als een beperking van het beschikkingsbeginsel, het recht van partijen om zelf de omvang van het geding te bepalen. De mogelijkheid voor de rechter om ambtshalve zelfs voor het eerst in de rechtspleging op hoger beroep derden te betrekken, werd als een ongeoorloofde inperking aanzien van het recht op een dubbele aanleg in hoofde van de betrokken derde
(3). Wat het geding in hoger beroep betreft oordeelt uw Hof dat naast appellant en geïntimeerde, ook de partijen die door de reeds in zake zijnde partijen tot tussenkomst worden gedwongen en de partijen die vrijwillig in het geding in hoger beroep tussenkomen partijen zijn in het geding in hoger beroep, maar dat de hoven en rechtbanken niet kunnen bevelen dat een derde in het geding wordt betrokken. Dienvolgens mag een appèlrechter niet oordelen dat iemand die geen appellant is, niet vrijwillig in het geding in hoger beroep is tussengekomen en niet door een reeds in zake zijnde partij tot tussenkomst is gedwongen, toch partij is in het geding in hoger beroep en niet mag bevelen hem in het geding te betrekken
(4). Het standpunt van de wetgever bij invoering van het Gerechtelijk wetboek was dat partijen vrij zijn de tegenstrevers aan te duiden die zij in de rechtspleging willen betrekken en dit zowel bij de aanvang van het geding als in de loop daarvan
(5). Zij kunnen onder bepaalde voorwaarden een derde tot tussenkomst dwingen krachtens artikel 16, tweede lid Ger.W. of de derde kan vrijwillig tussenkomen krachtens het eerste lid van voormeld artikel. Artikel 811 Ger.W. staat er evenwel aan in de weg dat de rechter die keuzevrijheid zou verstoren hetzij door ambtshalve een derde te betrekken in het civiele geding of partijen te dwingen dit voor hem te doen. Het is de rechter dus ook verboden partijen onder druk te zetten of de rechtspleging te schorsen met het doel een gedwongen tussenkomst uit te lokken, hoewel hij wel, zonder te vervallen in het verbod van artikel 297 Ger.W. om de verdediging van partijen te voeren en hen consult te geven, het recht behoudt partijen te wijzen op de mogelijke betrokkenheid van derden en de heropening van de debatten te bevelen om aan partijen de mogelijkheid te bieden deze derden in het geding te betrekken
(6). Dit sluit aan bij de rol die van de actieve rechter wordt verwacht. In zoverre dit zou aanzien worden als een schijn van vooringenomenheid van de rechter geldt dit eigenlijk voor elk initiatief dat de rechter kan nemen, waarbij het enkele feit van het ambtshalve handelen niet noodzakelijk de onpartijdigheid van de rechter in het gedrang brengt, zolang de rechter zijn handelen redelijk verantwoordt en zich er bij de formulering van die verantwoording voor hoedt de indruk te wekken dat hij ten gronde al zijn beslissing heeft genomen en niet meer zou openstaan voor andersluidende argumenten
(7). 2.2. Tot op heden wijken slechts enkele punctuele wetsbepalingen uitdrukkelijk af van dit fundamenteel verbod, terwijl een aantal andere dit beginsel nuanceren
(8). Eén van de uitzonderingen betreft het onsplitsbare geschil waarvan de contouren aangegeven worden door artikel 31 Ger.W dat bepaalt dat een geschil enkel onsplitsbaar is wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding geeft materieel onmogelijk zou zijn. Deze uitzondering dient bijzonder restrictief te worden ingevuld. Artikel 31 Ger.W. verwijst hierbij uitdrukkelijk naar de artikelen 735, §5, 747, §2, zevende lid, 1053, 1084 en 1135 Ger.W., met andere woorden naar de situatie waarin één of meerdere partijen verstek laten gaan in een onsplitsbaar geschil of wanneer hoger beroep of een voorziening in cassatie wordt ingesteld in een onsplitsbaar geschil of wanneer een verzoek tot herroeping van het gewijsde wordt ingesteld in een onsplitsbaar geschil. Deze beperkte toepassing wordt ook aanvaard in de rechtsleer
(9). Bovendien was het de bedoeling van de wetgever om door de regels van de onsplitsbaarheid materieel onverenigbare uitspraken te vermijden. Er moet voor de toepassing van dit artikel dus meer dan één beslissing zijn waarvan de gezamenlijke tenuitvoerlegging materieel onmogelijk wordt. Bij de inleiding van een geding is er, onder het voorbehoud dat voordien nog geen uitspraak werd gedaan over dezelfde vordering - wat te dezen niet het geval blijkt te zijn-, immers geen sprake van een andere, mogelijks onverenigbare uitspraak door een ander rechtscollege. De leer van de onsplitsbaarheid kan dus niet worden toegepast op de problematiek van de inleiding van het geding waarbij niet alle partijen betrokken zijn
(10). 2.3. De beslissing van de appelrechters om in de gegeven omstandigheden de wederzijdse vorderingen die eiseres en eerste verweerster tegen elkaar formuleren als niet ontvankelijk af te wijzen komt excessief voor
(11). Het Belgisch recht kent niet de "exceptio pluralis litisconsortium" die inhoudt dat de eis niet kan worden toegewezen omdat de eisende partij de eis niet alleen had moeten instellen maar samen met één of meer anderen, of niet tegen de gedaagde alleen had moeten instellen maar tegen de gedaagde met één of meer anderen. Bovendien schendt deze beslissing de artikelen 31 en 811 Ger.W. Het tweede onderdeel komt gegrond voor. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Conclusie: vernietiging met verwijzing. __________________________
(1)Cass. 28 september 2007, AR C.06.0180.F, AC 2007, nr. 441.
(2)B. ALLEMEERSCH, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Antwerpen, Intersentia, 2007, nrs. 45-48.
(3)B. ALLEMEERSCH, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Antwerpen, Intersentia, 2007, nr. 46.
(4)Cass. 18 mei 1998, AR S.97.0159.N, AC 1998, nr. 262.
(5)B. ALLEMEERSCH, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Antwerpen, Intersentia, 2007, nr. 5.
(6)Zie Cass. 3 april 2006, AR C.04.0079.N- C.04.0080.N, AC 2006, nr. 189.
(7)B. ALLEMEERSCH, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Intersentia, 2007, 174.
(8)Voor een overzicht zie B. ALLEMEERSCH, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Intersentia, 2007, 169-172.
(9)E. BREWAEYS, "Samenhang en onsplitsbaarheid: ingrediënten voor een eenpansgerecht", in J. FLO (ed.), Smaakmaker in het procesrecht, Antwerpen, Intersentia, 2016, nr. 31: "In het gerechtelijk recht heeft de onsplitsbaarheid belang indien een van de partijen betrokken in het geding verstek laat gaan of bij het aanwenden van de rechtsmiddelen."; A. FETTWEIS, Handboek van gerechtelijk recht, II, Bevoegdheid, Antwerpen, Standaard, 1971, nr. 204; T. TANGHE, "Een vordering tot vernietiging van een meerpartijenovereenkomst: alle contractpartijen in het geding betrekken?" (noot onder Rb. Hasselt 13 augustus 2010), TBBR 2012,
(504)nr. 5; C. VAN REEPINGHEN, Rapport sur la réforme judiciaire, I, Brussel, MB, 1964, p. 52 ("Le problème n'a dès lors été réglé qu'en matière de défaut et, d'une façon générale, au niveau des voies de recours"). Vgl.: E. KRINGS, "Het ambt van de rechter bij de leiding van het rechtsgeding", RW 1983, 345; A. FETTWEIS, "L'indivisibilité du litige en droit judicaire privé", JT 1971, 271.
(10)B. ALLEMEERSCH, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Antwerpen, Intersentia, 2007, nr. 51; A. FETTWEIS, Handboek van gerechtelijk recht, II, Bevoegdheid, Antwerpen, Standaard, 1971, nr. 204; T. TANGHE, "Een vordering tot vernietiging van een meerpartijenovereenkomst: alle contractpartijen in het geding betrekken?" (noot onder Rb. Hasselt 13 augustus 2010), TBBR 2012,
(504)nr. 5.
(11)J. VAN COMPERNOLLE en G. DE LEVAL, "L'appel du jugement en matière d'indivisibilité, J.T. 2011, 85-88
(87)met verwijzingen aldaar. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200604.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251016.1N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.