← België

K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200609.2N.2 Rolnummer: P.20.0217.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2021-10-07 Raadplegingen: 819 - laatst gezien 2026-06-19 01:59 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.2 Fiche Voor het toepassingsgebied van de regeling over de installatie en het gebruik van een controleapparaat in een trekker bestemd voor het wegvervoer van goederen, behoudens vrijstelling, is de bestemming van het voertuig voor het vervoer van goederen bepalend en dus niet het gegeven of op het ogenblik van de verplaatsing van dit voertuig op voor openbaar gebruik toegankelijke wegen dit voertuig ook daadwerkelijk werd gebruikt voor het vervoer van goederen; de omstandigheid dat gelet op het gebruik van handelaarskentekenplaten het voertuig niet had mogen worden gebruikt voor het wegvervoer van goederen is niet relevant

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Vrije woorden: Voertuig bestemd voor het vervoer van goederen - Controleapparaat - Gebruik van handelaarskentekenplaten - Gevolg Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegverkeer - 20-12-1985 - Art. 3.1 - 36 Link Justel databank 19851220-36 Verordening 561/2006/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer - 15-03-2006 - Art. 4,
  1. a)en
  2. b)- 35 Link Justel databank 20060315-35 Tekst van de conclusie P.20.0217.N Conclusie van advocaat-generaal B. De Smet: “De toepassing van art. 13 EEG-Verordening 3821/85 over het toezicht op het correcte gebruik van het controleapparaat (tachograaf) en de bestuurderskaart in het wegvervoer, thans art. 32 EU-Verordening 165/2014, op een trekker voorzien van een buitenlandse handelaarsplaat waarmee geen goederen worden vervoerd” Beklaagden P.K. (eiser I) en NEBIM USED TRUCKS BV (eiser II), met als raadsman Mr. F. VANDEN BOGAERDE, hebben tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 14 januari 2020. 1. Voorgaanden Het betreft het tweede cassatieberoep van partijen in deze zaak. Op 1 februari 2016 werd te Antwerpen de bestuurder tegengehouden van een geleende trekker merk Scania met oplegger
(1). De trekker heeft een maximaal toegelaten massa (MTM) van meer dan 7,5 ton, was aangekocht van een bedrijf in Moeskroen, had een Nederlandse handelaarsplaat toegekend aan eiseres II en was uitgerust met een digitale tachograaf. De politie stelde vast dat de bestuurderskaart niet in dit controleapparaat was ingevoerd. De bestuurder (H.P.) deelde mee dat hij vergeten was zijn bestuurderskaart in te voeren in de tachograaf (p. 10 bestreden vonnis). Eiser I, directeur van Nebim Used Trucks BV, werkgever van bestuurder H.P. en houder van de handelaarsplaat (p. 9), verklaarde dat de bestuurder (geen partij in deze zaak) weet dat hij de tachograaf moet gebruiken ondanks het feit dat hij dit niet verplicht is bij het voeren van een handelaarskenteken. Hij stelde ‘truckdealer’ te zijn, niet verplicht te zijn een tachograaf te gebruiken, omdat er alleen met handelaarsplaten wordt gereden (p. 10 bestreden vonnis). Eisers worden vervolgd op grond van volgende samengevoegde tenlastelegging(en), oorspronkelijk onderverdeeld in A en B, hen ter kennis gebracht door de arbeidsauditeur te Gent dd. 6 november 2019: “Te Antwerpen, gerechtelijk arrondissement Antwerpen en elders in de Europese Unie, op 1 februari 2016, Met inbreuk op artikel 13 van de Verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer, ten aanzien van een bestuurder die moest rijden met een voertuig dat was uitgerust met een aan bijlage 1 B beantwoordend controleapparaat, nagelaten te hebben toe te zien op de juiste werking en het juist gebruik van het controleapparaat en van de bestuurderskaart, thans en met ingang van 1 maart 2016 met inbreuk op artikel 32, sub. 1 van de Verordening (EU) nr. 165/2014 van 4 februari 2014 betreffende de tachografen in het wegvervoer, er niet voor gezorgd te hebben dat de digitale tachografen en bestuurderskaarten correct werden gebruikt (feit strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van 8 dagen tot 6 maanden en/of een geldboete van 50 tot 10.000 euro, krachtens artikel 18, § 1 van het KB van 14 juli 2005 houdende uitvoering van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer, thans en met ingang van 26 oktober 2016 artikel 46 van het KB van 17 oktober 2016 inzake de tachograaf en de rij- en rusttijden, beiden juncto artikelen 1 en 2, § 1 van de Wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg). Eisers werden op 28 mei 2018 door de correctionele rechtbank te Antwerpen veroordeeld op grond van deze tenlastelegging(en) tot een geldboete van 200€ (eiser I) en 500€ deels met uitstel 3 jaar (eiser II). Op 19 maart 2019 heeft uw Hof deze veroordeling in tweede aanleg verbroken, op cassatieberoep van beide eisers, en de zaak verwezen naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, behalve voor het onderdeel dat eiseres II buiten zaken stelt als burgerrechtelijk aansprakelijke partij. Uw Hof oordeelde dat de bepalingen van de Verordening 3821/85 slechts als overgangsmaatregelen blijven gelden, voor zover ze zijn vervangen door bepalingen van de EU-Verordening 165/2014, die uitvoeringshandelingen vereisen (RO7) en verder (RO9): “Uit het voorgaande volgt dat vanaf 2 maart 2016 de aan eisers met de tenlasteleggingen A en B opgedragen verplichtingen zijn vastgesteld in artikel 32.1 Verordening (EU) nr. 165/2014, bepaling die wat betreft deze verplichting als dusdanig geen verdere uitvoering behoeft. Het bestreden vonnis dat anders oordeelt, is niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond”. Op 14 januari 2020 werd de veroordeling van eisers bevestigd door het bevoegde rechtscollege waarnaar de zaak na cassatie is verwezen. 2. Strafbaarstelling De feiten omschreven in de telastlegging vormen een inbreuk op artikel 13 EEG-Verordening nr. 3821/85
(2), zoals toepasselijk tot 2 maart 2016. De verplichting toe te zien als bestuurder of werkgever op de werking van de tachograaf is thans opgenomen in artikel 32.1 EU-Verordening 165/2014, met dezelfde strekking
(3). Inbreuk op de EEG-Verordening 3821/85 werd ten tijde van de feiten bestraft met artikel 18 KB 14 juli 2005 (BS 26 juli 2005), dat voor de strafmaat een verwijzing inhoudt naar artikel 2 Wet van 18 februari 1969
(4). Vermeld KB is opgeheven bij KB van 17 oktober 2016 (BS 24 oktober 2016), dat uitvoering geeft aan de nieuwe strafbaarstelling van artikel 32.1 EU-Verordening 165/2014, en voor de straftoemeting eveneens verwijst naar artikel 2 Wet van 18 februari 1969. De motivering (p. 11-16) over de toepassing van de artikelen artikel 13 EEG-Verordening 3821/85 en artikel 18 KB 14 juli 2005 op het moment van de feiten is naar mijn mening naar recht verantwoord. Op dit punt voeren eisers niet langer betwisting. De in het bestreden vonnis oplegde straffen zijn wettig en afdoende gemotiveerd. De toepasselijke verjaringstermijn van 5 jaar is niet bereikt
(5). 3. Samenstelling van de correctionele rechtbank In de procedure die leidde tot het arrest van 19 maart 2019 van uw Hof
(6)wierpen eisers op geen van de rechters van de correctionele rechtbank te Antwerpen behoorde tot de arbeidsrechtbank of houder was van een attest van het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (IGO) van een gevolgde opleiding over arbeidsrecht, in strijd met de artikelen 76 en 78 Gerechtelijk Wetboek. Uw Hof verwierp dit middel, met verwijzing naar het arrest 162/18 van het Grondwettelijk Hof van 22 november 2018 over een prejudiciële vraag met een identiek voorwerp. Het bestreden vonnis van 14 januari 2020 is gewezen door de correctionele rechtbank waarvan één van de drie rechters behoort tot de arbeidsrechtbank van Oost-Vlaanderen. De strafvordering is voor de appelrechters ingesteld door de arbeidsauditeur Oost-Vlaanderen. De gevolgde procedure is correct verlopen. Op dit punt voeren eisers geen betwisting.
  1. Middel in cassatie Als enig middel werpen eisers een schending op van de artikelen 149 Grondwet, 195 Wetboek van Strafvordering en 2.
  2. Verordening 561/2006 inzake voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, ook gekend als “Verordening inzake rij- en rusttijden”. Eisers stellen dat er in de gecontroleerde trekker geen tachograaf moest geïnstalleerd zijn, om diverse redenen: 1°de bestuurder reed rond met een geleend voertuig met een Nederlandse handelaarsplaat, 2°er werden geen goederen vervoerd, 3°er mochten door het gebruik van handelaarsplaten geen goederen met de trekker worden vervoerd, 4°eiser II is geen transportonderneming maar een onderneming die vrachtwagens verkoopt; 5°de trekker met handelaarsplaten is geen voertuig bestemd voor wegvervoer van goederen en 6°eisers waren niet-onderworpen aan de Verordening 561/06 inzake rij- en rusttijden, zodat de strafbaarstelling van art. 13 EEG-Verordening 3821/85 niet van toepassing is. Eisers stellen dat de appelrechters de Verordeningen 3821/85 en 561/2006 op twee manieren schenden. Vooreerst gaan zij, minstens impliciet, ervan uit dat de aangekochte of geleende trekker zelf een ‘vervoerd goed’ is, terwijl die trekker slechts een vervoersmiddel is, die zelfs geen goederen mocht vervoeren, vanwege de handelaarsplaat. Eisers verzoeken uw Hof volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie: “Kan een voertuig waarmee geen goederen worden vervoerd en mogen worden vervoerd op zichzelf beschouwd worden als een ‘vervoerd goed’, zodat rijden met dergelijk voertuig te beschouwen is als “wegvervoer bestemd voor vervoer van goederen”, dat onder toepassingsgebied valt van de Verordeningen 3821/85, 165/14 en 561/06?” Over het tweede punt stellen eisers dat de vraag of het aangekochte voertuig ‘bestemd is’ voor vervoer van personen of goederen irrelevant is, aangezien voor de strafbaarheid alleen is vereist dat het vervoer zelf, vastgesteld op het moment van de feiten, dus de vervoersbeweging
(7), een vervoer van goederen of personen is, onderworpen aan de tachograaf-verplichting.
  1. Beoordeling van het middel 5.
  2. Over toepassing van artikel 3 EU-Verordening 561/2006 Het middel geeft niet aan hoe en waarom het bestreden vonnis een schending inhoudt van de artikelen 149 Grondwet en 195 Wetboek van Strafvordering. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet-ontvankelijk. Anders dan eisers aanvoeren, hebben de appelrechters niet gesteld of impliciet aangenomen dat de aangekochte trekker een vervoerd goed is. Zij namen aan (p. 18-19) dat de vastgestelde situatie, namelijk vervoer van een trekker Scania van Moeskroen naar Nederland, door verplaatsing zelf van de trekker niet onder de uitzondering valt van artikel 3, g) EU-Verordening 561/2006, luidend als volgt: “voertuigen die op de weg worden beproefd met het oog op de technische ontwikkeling, reparatie of onderhoud, en nieuwe of vernieuwde voertuigen die nog niet in gebruik zijn genomen”
(8). De appelrechters oordeelden (p.19) op dit punt dat 1°er geen sprake was van een proefrit, 2°de trekker reeds was aangekocht en dus niet moest worden getest, 3°het niet gaat om een nieuw of vernieuwd voertuig dat nog niet in gebruik zou zijn genomen, maar wel om een trekker die reeds in gebruik is genomen, gezien men ervoor koos de trekker zelfstandig te verplaatsen en 4°vermelde uitzondering geldt enkel voor voertuigen die geen wegvervoer van goederen of personen zouden verrichten. Vervolgens stelden de appelrechters (p. 18-19) dat uit de lijst van uitzonderingen van artikel 3 EG-Verordening 561/2006
(9)nergens blijkt dat een voertuig met een handelsplaat zou zijn vrijgesteld van de verplichting tot gebruik van de digitale tachograaf
(10). Met deze redenen hebben de appelrechters dus niet gesteld, zelfs niet impliciet, dat de gebruikte trekker zelf een vervoerd goed is, dat zou vrijgesteld zijn van de tachograafplicht. Wel is aangenomen dat de trekker onderhevig is aan de verplichting gebruik te maken van de tachograaf en bestuurderskaart. In zoverre berust het middel gesteund op artikel 2.
  1. EG-Verordening 561/06 op een onvolledige lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag. De appelrechters hebben aangenomen (p. 18): “Deze keuze (nl. de verplaatsing van het goed door het voertuig zelf te laten gebeuren) kan echter geen invloed hebben op de al dan niet verplichting van het gebruik van de tachograafschijf” en verder “Relevanter is om na te gaan of de situatie zoals deze zich heeft voorgedaan, effectief onder één van de uitzonderingen zoals voorzien in artikel 3 van de Verordening (EG) nr. 561/2006 valt”, waarna de appelrechters, tot het oordeel kwamen dat: “Uit deze lijst van uitzonderingen blijkt nergens dat een voertuig met een handelaarsplaat zou zijn vrijgesteld van de verplichting tot het gebruik van de digitale tachograaf” (p. 19). Met deze redenen hebben de appelrechters voldoende geantwoord op eisers verweer over de onjuiste toepassing van EG-Verordening 561/
  2. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 5.
  3. Over de term ‘voertuig bestemd voor het vervoer van goederen’ Dat het gaat om wegvervoer, staat in deze zaak niet ter discussie. De vraag rijst enkel of een trekker onder de definitie valt van ‘wegvervoer bestemd voor het gebruik van goederen’
(11). Artikel 3.1. EEG-Verordening 3821/85
(12), toepasselijk op het moment van de feiten, bepaalt over het wegvervoer: “Het controleapparaat moet zijn geïnstalleerd en worden gebruikt in voertuigen die bestemd zijn voor het vervoer over de weg van personen of van goederen, en die in een Lidstaat zijn ingeschreven, met uitzondering van de voertuigen vermeld in artikel 4 en 14 lid 1 van Verordening 3820/85.” Deze situaties van uitzondering in EEG-Verordening 3820/05
(13)zijn opgeheven en vervangen door andere uitzonderingen, vermeld in het op 1 februari 2016 toepasselijke en door de appelrechters beoordeelde artikel 3 EG-Verordening 561/06
(14). Artikel 3.1. van de thans geldende EU-Verordening 165/2014
(15)bepaalt over het wegvervoer: “De tachografen worden geïnstalleerd en gebruikt in voertuigen, bestemd voor het vervoer van personen of goederen over de weg, die in een lidstaat zijn ingeschreven en waarop Verordening (EG) 561/06 van toepassing is”. Artikel 2.1. EG-Verordening 561/06, ingeroepen door eisers als cassatiemiddel, bepaalt over het wegvervoer: “Deze verordening is van toepassing op wegvervoer
  1. a)van goederen waarbij de toegestane maximummassa van de voertuigen, dat van de aanhangwagens of opleggers inbegrepen, meer dan 3,5 ton bedraagt of
  2. b)van personen door voertuigen die zijn gebouwd of permanent zijn toegerust om meer dan negen personen, de bestuurder daaronder begrepen, te kunnen vervoeren en die daartoe zijn bestemd”. Op deze regel bevat artikel 3 Verordening 561/06 enkele uitzonderingen, onderzocht door de appelrechters, die volgens uw Hof strikt moeten worden geïnterpreteerd, in het licht van de doelstellingen van EG-Verordening 561/2006
(16). Deze doelstellingen werden door de appelrechters beoordeeld (p. 19). Bij twijfel over vrijstelling van de tachograaf moet worden onderzocht of de doelstellingen van de Verordening 561/2006 zijn bedreigd
(17). Het Hof van Justitie oordeelde dat EG-Verordening nr. 561/2006, zoals onder meer uit artikel 1 ervan blijkt, tot doel heeft de voorwaarden voor concurrentie in de wegvervoersector te harmoniseren en de arbeidsomstandigheden en verkeersveiligheid te verbeteren, welke doelstellingen met name tot uiting komen in de verplichting om voertuigen in het wegvervoer in beginsel uit te rusten met een goedgekeurde tachograaf, teneinde te kunnen controleren of de rij en rusttijden van de bestuurders in acht worden genomen
(18). EG-Verordening 561/2006 bepaalt geen specifieke uitzondering voor het gebruik van een trekker waaraan een handelsplaat is verbonden
(19), zoals correct in het bestreden vonnis is aangenomen (p. 19). Het begrip ‘wegvervoer” is in artikel 4 EG-Verordening 561/2006 gedefinieerd als “iedere verplaatsing die geheel of gedeeltelijk over voor openbaar gebruik toegankelijke wegen plaatsvindt, in lege of beladen toestand, door een voertuig bestemd voor het vervoer van personen of goederen”. De term ‘voertuig’ is in artikel 4 EG-Verordening 561/2006 omschreven als “motorrijtuig, trekker, aanhangwagen of oplegger of een combinatie van deze voertuigen”. “Trekker” is in artikel 4.b EG-Verordening 561/2006 gedefinieerd als: “ieder voertuig, in het bijzonder gebouwd voor het trekken, duwen of in beweging brengen van aanhangwagens, opleggers, werktuigen of machines, dat zich op eigen kracht over de weg beweegt, niet zijnde een voertuig dat zich permanent langs spoorstaven beweegt”. Uit het geheel van toepasselijke voorschriften, correct weergegeven in het bestreden vonnis, volgt dat het gebruik van de tachograaf, en controle op de werking ervan, verplicht is bij gebruik van een bepaald voertuig (trekker) dat bestemd is voor het vervoer van goederen over de weg en is ingeschreven in een EU-lidstaat, onder voorbehoud van enkele uitzonderingen, waarvan geen enkele door de appelrechters toepasselijk wordt geacht (p. 18-19). In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. In het verkeer brengen van een trekker bestemd voor het vervoer over de weg van goederen volstaat dus voor de strafbaarstelling van het toen geldende artikel 13 EEG-Verordening 3821/85, thans artikel 32.1 EU-Verordening 165/2014. De vraag of met deze trekker effectief goederen werden vervoerd, is aldus niet relevant. Ook het vervoer over de weg in lege toestand van een trekker valt onder toepassing van EG-Verordening 561/2006
(20). Er anders over oordelen, lijkt me onverenigbaar met de na te streven doelstellingen van verkeersveiligheid en goede arbeidsbescherming (artikel 1 VO 561/2006). Het feit dat met de gebruikte trekker volgens eisers geen goederen mogen worden vervoerd, wegens gebruik van handelaarsplaten, lijkt mij niet van aard iets te wijzigen aan de vereiste van ‘bestemd voor vervoer’ van artikelen 3.1. EEG-Verordening 3821/85 (thans EU-Verordening 165/14) en 4 EG-Verordening 561/06. Ook de niet-gedateerde brief gericht aan persoon T.S. gehecht aan de memorie van eisers over motorvoertuigen-betonpompen (zelfrijdende betonpompen)
(21), voertuigen waarvoor volgens de FOD Mobiliteit en Vervoer geen tachograaf verplicht is, doet niet anders besluiten. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 5.3. De noodzaak tot het stellen van een prejudiciële vraag De prejudiciële vraag voorgesteld in de memorie in cassatie is niet in conclusie voorgelegd aan de appelrechters. Niettemin is er reden om het cassatiemiddel op dit onderdeel als ontvankelijk te beschouwen, omdat de prejudiciële vraag betrekking heeft op de strafbaarheid van de gedraging die aan eisers wordt verweten en aldus de openbare orde raakt
(22). In de voorgestelde prejudiciële vraag wordt om uitlegging verzocht van de begrippen ‘vervoerd goed’ en ‘wegvervoer bestemd voor vervoer van goederen’, in functie van de Verordeningen 3821/85, 165/14 en 561/06. Zoals aangegeven in punt 5.1., hebben de appelrechters (p. 19) niet geoordeeld dat de trekker met handelsplaten zelf een vervoerd goed is, maar wel dat de trekker niet is vrijgesteld van de verplichting gebruik te maken van een tachograaf. Het onderdeel over ‘vervoerd goed’ (punt 4 memorie eisers) berust op een onvolledige lezing van het bestreden vonnis en mist feitelijke grondslag. De voorgestelde prejudiciële vraag die uitgaat van deze onjuiste lezing dient aldus niet te worden gesteld. Wat betreft het tweede punt van het ‘wegvervoer’ (punt 5 memorie eisers) rijst de vraag of de EU-bepalingen over de tachograafplicht voldoende duidelijk zijn, geen uitlegging behoeven. Indien een partij betwisting voert over de uitlegging van een EU-bepaling en een beslissing op dit punt noodzakelijk wordt geacht voor het wijzen van de rechterlijke beslissing, is het de nationale rechtsinstantie die beslist in laatste aanleg gehouden daarover een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie)
(23). Daaruit volgt niet dat elk middel aangevoerd voor uw Hof over de toepassing van een EU-verordening moet worden voorgelegd aan het Hof van Justitie. De noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen is toegelicht in de Aanbevelingen van het Hof van Justitie aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures van 2016
(24). Volgende aanbevelingen lijken mij relevant voor het beantwoorden van het cassatiemiddel: Aanbeveling 3: “…De nationale rechterlijke instantie waarbij een geding aanhangig is, zal de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing dragen. Daarom is het alleen aan haar om aan de hand van de bijzonderheden van elke zaak te beoordelen of een verzoek om een prejudiciële beslissing noodzakelijk is om uitspraak te kunnen doen en of de vragen die zij aan het Hof stelt, relevant zijn”. Aanbeveling 6: “Wanneer een vraag wordt opgeworpen in het kader van een zaak die aanhangig is bij een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hogere voorziening, is deze instantie evenwel verplicht om zich met een verzoek om een prejudiciële beslissing tot het Hof te wenden (zie artikel 267, derde alinea, VWEU), tenzij er ter zake al vaste rechtspraak is of er geen ruimte is voor redelijke twijfel over de juiste uitlegging van de betrokken rechtsregel”. Uit de rechtspraak van uw Hof komt naar voor dat een prejudiciële vraag slechts nodig is als het is gesteund op een ontvankelijk cassatiemiddel
(25), niet berust op een onjuiste rechtsopvatting
(26)en het voorwerp van die vraag slechts kan worden opgelost door uitlegging van een EU-bepaling
(27). Verder oordeelde uw Hof dat wanneer een vraag over toepassing van een EU-bepaling wordt opgeworpen in het kader van een zaak die aanhangig is bij een rechtscollege dat oordeelt in laatste instantie, dit rechtscollege verplicht is om zich met een verzoek om een prejudiciële beslissing te wenden tot het Hof van Justitie conform artikel 267 al. 3 VWEU, tenzij ter zake al vaste rechtspraak is ontstaan of er geen ruimte is voor redelijke twijfel over de juiste uitlegging van de betrokken rechtsregel
(28). Een klare EU-bepaling (acte clair) behoeft geen verdere toelichting via een prejudiciële vraag
(29). Het komt mij voor dat het ingeroepen artikel 2 VO 561/2006 een duidelijke EU-norm is gelet op de eraan verbonden klare definities van ‘wegvervoer’, ‘voertuig’ en ‘trekker’ (artikel 4 EG-VO 561/2006), relevant in deze zaak. De door eisers geformuleerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie moet aldus niet worden gesteld. In zoverre faalt het middel naar recht. Besluit Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping. ______________________________
(1)Zie syntheseconclusie van eisers dd. 30 januari 2018 voor de correctionele rechtbank te Antwerpen, p. 7.
(2)Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer, Publ. L-370/8 van 31 december 1985, www.eur-lex.eu.
(3)Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, Publ. L-60/1 van 28 februari 2018, www.eur-lex.eu.
(4)Zie alg. B. SPRIET, “Herhaling bij transportmisdrijven inzake rij- en rusttijden en tachograaf”, T. Strafr. 2000, 141-144; D. TORFS, “Een stand van zaken betreffende de regeling van de rij- en rusttijden op gemeenschapsrechtelijk, strafrechtelijk en sociaalrechtelijk vlak”, in Oriëntatie Sociaal recht-Personeelsbeleid, oktober 2000, 185-199; J.P. BOGAERT, “Kroniek van rechtspraak. Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB L 370 van 31 december 1985), Periode 1996-2006”, T. Strafr. 2007, 153-177; F. VANDEN BOGAERDE, “Le transport routier- Les temps de conduite et de repos”, in Droit pénal de l’Entreprise, 2011, 135-142 en 275-281; E. VAN DEN HEUVEL, “Rij- en rusttijden-Tachograaf”, in Postal Memorialis, Kluwer, 2014, R 120; 356 p.
(5)Op dit punt zie Cass. 18 november 2009, AR P.09.1023.F, AC 2009, nr. 677, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091118.4.
(6)Cass. 19 maart 2019, AR P.18.0865.N, AC 2019, nr. 167 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190319.7. Over de samenstelling van de correctionele rechtbank in zaken van sociaal strafrecht volgens art. 78 Ger.W. in de versie voor art. 56 Wet 19 oktober 2015, BS 22 oktober 2015, zie Cass. 18 december 2007, AR P.07.0958.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071218.2, AC 2007, nr. 642, R.D.P. 2008, noot J. HUBIN, T. Strafr. 2008, 207 noot J. BOGAERT; Cass. 8 oktober 2008, AR P.08.0720.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081008.3, AC 2008, nr. 533, R.D.P. 2009, 85 noot G. RANIERI. Zie ook P. VERCAUTEREN, “Exclusieve bevoegdheid van de ‘sociale strafkamers’ in gemengde gemeenrechtelijke-sociaalrechtelijke strafzaken”, RW 2011-12, 273-275; E. VAN DOOREN, “Rechters in het sociaal strafrecht”, RABG 2019, 195-201.
(7)Over de vervoersbeweging als criterium voor de tachograafplicht zie I. ARNAUTS, “Het begrip ‘rijtijd’ in de Europese rij- en rusttijdenreglementering”, T. Strafr. 2000, 274-278.
(8)Over deze vrijstelling van de tachograaf, ingevoerd omdat de tachograaf meestal niet kan worden ingebouwd in voertuigen die alleen maar dienen voor proefritten, zie F. VANDEN BOGAERDE, “Le transport routier - Les temps de conduite et de repos”, in Droit pénal de l’Entreprise, 2011, 141.
(9)Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad, Publ. L-102/1 van 11 april 2006, www.eur-lex.europa.eu. Zie hierover J.P. BOGAERT, “Rij- en rusttijden”, in Wegverkeer. Duiding, Larcier, 2016, 252-253.
(10)Artikel 3 EG-Verordening 561/2006 bepaalt: “Deze verordening is niet van toepassing op wegvervoer door:
  1. a)voertuigen die gebruikt worden voor geregelde diensten van personenvervoer over een traject van niet meer dan 50 km; abis) voertuigen of combinaties van voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 7,5 ton die gebruikt worden voor het vervoer van materiaal, uitrusting of machines die de bestuurder nodig heeft voor de uitoefening van zijn beroep en die enkel binnen een straal van 100 km rond de vestigingsplaats van de onderneming worden gebruikt en op voorwaarde dat het besturen van het voertuig niet de hoofdactiviteit van de bestuurder is;
  2. b)voertuigen waarvan de toegestane maximumsnelheid niet meer dan 40 km per uur bedraagt;
  3. c)voertuigen van, of zonder bestuurder gehuurd door, de strijdkrachten, civiele bescherming, brandweer en korpsen voor de handhaving van de openbare orde voor zover het vervoer plaatsvindt in het kader van de taak waarmee deze organen zijn belast en onder hun controle valt;
  4. d)voertuigen, met inbegrip van voertuigen gebruikt bij niet-commerciële vervoersoperaties met betrekking tot humanitaire hulp, die gebruikt worden in noodsituaties of voor reddingsoperaties;
  5. e)speciaal voor medische doeleinden gebruikte voertuigen;
  6. f)voertuigen die speciaal zijn uitgerust voor reparaties en wegslepen, binnen een straal van 100 km rond hun standplaats;
  7. g)voertuigen die op de weg worden beproefd met het oog op de technische ontwikkeling, reparatie of onderhoud, en nieuwe of vernieuwde voertuigen die nog niet in gebruik zijn genomen;
  8. h)voertuigen of een combinatie van voertuigen die worden gebruikt voor niet-commercieel goederenvervoer en waarvan de toegestane maximummassa niet meer dan 7,5 ton bedraagt;
  9. i)commerciële voertuigen die krachtens de wetgeving van de lidstaat waar ermee wordt gereden een historisch statuut hebben, en die voor niet-commercieel vervoer van personen of goederen worden gebruikt.
(11)In eisers memorie is op p. 1 gesteld: “Enig middel: wegvervoer bestemd voor vervoer van goederen?’.
(12)Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer, Publ. L-370/8 van 31 december 1985, www.eur-lex.eu.
(13)Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, Publ. L-370/1 van 31 december 1985, www.eur-lex.europa.eu.
(14)Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad, Publ. L-102/1 van 11 april 2006, www.eur-lex.europa.eu. Voor een toelichting van deze Verordening door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit zie www.mobilit.belgium.be/nl/weg/transport/rij-en-rusttijden.
(15)Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, Publ. L-60/1 van 28 februari 2018, www.eur-lex.eu.
(16)Cass. 11 februari 2014, AR P.13.1473.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140211.4, AC 2014, nr. 108, RO 3 (ivm. voertuigen bestemd voor rioleringswerken); Cass. 25 april 2017, AR P.16.0449.N, AC 2017, nr. 282 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170425.2 (ivm. voertuigen bestemd voor het vervoer van levende dieren van boerderijen naar plaatselijke markten of omgekeerd) Over de stikte interpretatie van de vrijstellingen op de tachograafplicht, vanuit de nagestreefde doeleinden van art. 1 Verordening 561/06 inzake verkeersveiligheid, reglementering van arbeidstijden, eerlijke concurrentie in de transportsector, zie D. TORFS, “Een stand van zaken betreffende de regeling van de rij- en rusttijden op gemeenschapsrechtelijk, strafrechtelijk en sociaalrechtelijk vlak”, in Oriëntatie Sociaal recht-Personeelsbeleid, oktober 2000, 186; E. VAN DEN HEUVEL, “Rij- en rusttijden-Tachograaf”, in Postal Memorialis, Kluwer, 2014, R 120, p. 104.
(17)F. VANDEN BOGAERDE, “Le transport routier - Les temps de conduite et de repos”, in Droit pénal de l’Entreprise, 2011, 139.
(18)HvJ 7 februari 2019, zaak NK, C 231/18, ECLI:EU:C:2019:103, punt 18; HvJ 7mei 2020, C-96/19, zaak VO tegen Bezirkshauptmannschaft Tulln, ECLI:EU:C:2020:353, www.curia.europa.be.
(19)Over de vrijstellingen van de tachograafplicht F. VANDEN BOGAERDE, “Le transport routier - Les temps de conduite et de repos”, in Droit pénal de l’Entreprise, 2011, 135 en 275-281 en J.P. BOGAERT, “Rij- en rusttijden”, in Wegverkeer. Duiding, Larcier, 2016, 252-253, 285-287 en 304-310.
(20)D. TORFS, “Een stand van zaken betreffende de regeling van de rij- en rusttijden op gemeenschapsrechtelijk, strafrechtelijk en sociaalrechtelijk vlak”, in Oriëntatie Sociaal recht-Personeelsbeleid, oktober 2000, 185; E. VAN DEN HEUVEL, “Rij- en rusttijden-Tachograaf”, in Postal Memorialis, Kluwer, 2014, 94.
(21)Over deze uitzondering van betonpompen, kraanauto’s en maaidorsers zie E. VAN DEN HEUVEL, “Rij- en rusttijden-Tachograaf”, in Postal Memorialis, Kluwer, 2014, R 120, p. 97.
(22)Op dit punt van openbare orde zie B. MAES, Cassatiemiddelen naar Belgisch recht, Gent, Mys&Breesch, 1993, 266-267.
(23)Verdrag van Lissabon, 13 december 2007, PubL. 7 juni 2016, C-202/1, www.eur-lex.europa.eu.
(24)Aanbevelingen van het Hof van Justitie aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures, PubL. 25 november 2016, C 439-01, Document 32016H1125
(01)www.eur-lex.europa.eu.
(25)Cass. 12 januari 2016, AR P.15.0514.N, AC 2016, nr. 22, RO 35, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160112.2.
(26)Cass. 11 februari 2014, AR P.13.1473.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140211.4, AC 2014, nr. 108, RO 3; Cass. 8 november 2011, AR P.10.1747.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111108.5, AC 2011, nr. 601, RO 10.
(27)Cass. 21 februari 2011, AR C.09.0436.N, AC 2011, nr. 151, RO 17, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121102.7.
(28)Cass. 11 maart 2015, AR P.14.1677.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150311.3, AC 2015, nr. 183 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.. Zie ook Cass. 19 mei 2016, AR C.13.0256.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160519.2, AC 2016, nr. 330 met concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM; Cass. 7 november 2016, AR C.15.0206.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161107.2, AC 2016, nr. 623 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER, RO3, over het niet-stellen van een prejudiciële vraag over de ompakking van een farmaceutisch product; Cass. 25 april 2017, AR P.16.0449.N, AC 2017, nr. 282 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170425.2 over een voorgestelde prejudiciële vraag over toepassing van de vrijstelling 6 n) Verordening 561/2006 voor vervoer van levende dieren van boerderijen naar plaatselijke markten of omgekeerd op het vervoer van levende dieren naar slachthuizen.
(29)Over deze theorie van ‘acte clair’ zie K. LENAERTS, Europees procesrecht, Maklu, 2003, 87; P. PESCATORE, “L’interprétation du droit communautaire et la doctrine de l’acte clair”, in Etudes de droit communautaire européen 1962-2007, Bruylant, 2008, 357-380; A. MASSON, Droit communautaire, Larcier, 2009, T. CORTHAUT, “Help! Een prejudiciële vraag? Een eerste hulpdoos bij prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie”, in Het recht van de Europese Unie en de Belgische rechter, Bruylant, 2016, 115-142
(119); K. LENAERTS, en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Intersentia, 2017, 644-647, met telkens verwijzing naar HvJ 6 oktober 1982, CILFIT, zaak 283/81, (ECLI:EU:C:1982:267), www.curia.europa.eu. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200609.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071218.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081008.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091118.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111108.5 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121102.7 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140211.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150311.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160112.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160519.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161107.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170425.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190319.7 ECLI:EU:C:1982:267 ECLI:EU:C:2019:103 ECLI:EU:C:2020:353 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.