id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 11 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200611.1N.10 Rolnummer: F.19.0081.N Zaak: MDM nv contra BELGISCHE STAAT fod Financiën Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2020-06-15 Raadplegingen: 381 - laatst gezien 2026-06-19 23:16 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200611.1N.10 Fiche Uit de artikelen 35, 39, eerste lid, en 41, § 1, eerste lid, KB van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen volgt dat wanneer de inbreng van een schuldvordering in hoofde van een inbrenggenietende vennootschap wordt gewaardeerd aan de nominale waarde van de schuldvordering, de in ruil ontvangen aandelen in hoofde van de inbrengende vennootschap eveneens aan de nominale waarde van de schuldvordering moeten worden gewaardeerd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - ALGEMEEN. GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS Vrije woorden: Kapitaalsverhoging door inbreng schuldvordering - Waardering van de schuldvordering bij de inbrenggenieter - Waardering van de in ruil verkregen aandelen bij de inbrenger - Symmetrie - Vereiste Wettelijke bepalingen: KB 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen - 30-01-2001 - Artt. 35, 39 en 41 - 30 ELI link Pub nr 2001009091 Tekst van de conclusie F.19.0081.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen: (...)
- Bespreking van het enig middel 2.
- In het enig middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 35, 39, eerste lid en 41, §1, eerste lid van het Koninklijk Besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen, voor zoveel als nodig in samenhang gelezen met de primauteit van het boekhoudrecht op het fiscaal recht zoals blijkt uit de artikelen 183, 184, 184ter, in het bijzonder §3, en 185 van het WIB92 in de versie zoals van toepassing voor het aanslagjaar
- Eiseres laat gelden dat wanneer een vennootschap een schuldvordering bezit op een verlieslatende vennootschap, derwijze dat deze schuldvordering een economische waarde heeft die lager is dan de nominale waarde, de in het middel als geschonden aangevoerde bepalingen toelaten dat bij een inbreng van dergelijke vordering in het kapitaal van de verlieslatende vennootschap, deze laatste haar kapitaal wordt verhoogd met de nominale waarde van haar schuld jegens de schuldeiser. Daarbij is het volgens eiseres niet vereist dat de inbrengende en de inbrenggenietende vennootschap de ingebrachte schuldvordering op dezelfde wijze waarderen. Een asymmetrische waardering zou mogelijk zijn, zodat de inbrenggenietende vennootschap de inbreng mag waarderen aan nominale waarde en de inbrengende vennootschap de in ruil voor de inbreng ontvangen aandelen mag waarderen aan economische waarde (met name het verschil tussen de nominale waarde van de schuldvordering en de reeds geboekte waardeverminderingen op deze vordering). De appelrechter die vaststelt dat het kapitaal van de inbrenggenietende vennootschap ingevolge de inbreng van de schuldvordering steeg met de nominale waarde van de schuldvordering, en oordeelt dat eiseres derhalve de in ruil ontvangen aandelen had moeten waarderen tegen dezelfde nominale waarde in plaats van tegen economische waarde gekoppeld aan een minderwaarde op de schuldvordering, verantwoordt zijn beslissing derhalve niet naar recht; aldus eiseres. 2.
- Krachtens artikel 35 KB/W. Venn., zoals ten dezen van toepassing, wordt elk actiefbestanddeel gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde en voor dat bedrag in de balans opgenomen, onder aftrek van de desbetreffende afschrijvingen en waardeverminderingen, onverminderd de toepassing van de artikelen 29, 57, 67, 69, 71, 73 en
- Onder aanschaffingswaarde wordt verstaan: of de aanschaffingsprijs zoals bepaald in artikel 36, of de vervaardigingsprijs zoals bepaald in artikel 37, of de inbrengwaarde zoals bepaald in artikel
- Krachtens artikel 39, eerste lid, KB/W.Venn., zoals ten deze van toepassing, stemt de inbrengwaarde overeen met de bedongen waarde van de inbreng. Krachtens artikel 41, §1, eerste lid, KB/W.Venn., zoals ten dezen van toepassing, stemt de aanschaffingswaarde van deelnemingen of aandelen ontvangen als vergoeding voor inbrengen die niet bestaan in contanten of die voortkomen uit de omzetting van vorderingen, overeen met de conventionele waarde van de ingebrachte goederen en waarden of van de omgezette vorderingen. Als evenwel die conventionele waarde lager is dan de marktwaarde van de ingebrachte goederen en waarden of van de omgezette vorderingen, dan stemt de aanschaffingswaarde overeen met de hogere marktwaarde. 2.
- In de rechtsleer zijn over de voorliggende rechtsvraag verschillende standpunten terug te vinden. Volgens een eerste strekking
(1), mede aangekleefd door eiseres, kan de waardering van de inbreng van een schuldvordering in het kapitaal van een vennootschap in hoofde van de inbrengende en in hoofde van de inbrenggenietende vennootschap verschillen: de inbrenggenietende vennootschap kan de inbreng waarderen aan zowel de nominale waarde als de economische waarde (realisatiewaarde) van de vordering, terwijl de inbreng in hoofde van de inbrengende vennootschap steeds moet worden gewaardeerd in functie van de economische waarde (realisatiewaarde) van de ingebrachte vordering. Achterliggende redenering daarbij is dat de inbrengende vennootschap de schuldvordering door de inbreng realiseert. Volgens een tweede strekking
(2)volgt uit de samenlezing van de artikelen 39, eerste lid, KB/W.Venn. (mbt. de waardering in hoofde van de inbrenggenietende vennootschap) - waarin sprake is van ‘bedongen waarde' - en artikel 41, §1, eerste lid KB/W.Venn. (mbt. de waardering in hoofde van de inbrengende vennootschap - waarin sprake is van ‘conventionele waarde' - dat de conventionele waarde bepalend is, zowel voor waardering in hoofde van de inbrengende als in hoofde van de inbrenggenietende vennootschap. Beide waarderingen dienen met elkaar in overeenstemming te zijn. Men gaat daarbij uit van een ‘going concern' idee. Daarbij kan zowel voor de waardering aan nominale waarde als voor de waardering aan economische waarde (realisatiewaarde) worden geopteerd. 2.4. Aansluitende bij deze tweede strekking meen ik dat wanneer de inbreng van een schuldvordering in hoofde van een inbrenggenietende vennootschap wordt gewaardeerd aan de nominale waarde van de schuldvordering, de in ruil ontvangen aandelen in hoofde van de inbrengende vennootschap eveneens aan de nominale waarde van de schuldvordering moeten worden gewaardeerd. Zoals verweerder met reden opwerpt in de memorie van antwoord is het immers de logica zelf dat, waar artikel 39, eerste lid, van het KB/W. Venn. verwijst naar de "bedongen waarde van de inbreng" en artikel 41, §1, eerste lid, van het KB/W. Venn. naar de "conventionele waarde van de omgezette vordering", deze betrekking hebben op dezelfde waarde, m.n. die welke de partijen zijn overeengekomen voor de betrokken transactie, in casu de waarde die in de inbrengakte werd bepaald. Ten aanzien van eenzelfde inbrengverrichting is deze waarde voor de beide partijen dezelfde. De stelling van eiseres dat de omzetting van een schuldvordering in kapitaal een "speciaal geval" zou zijn en dat een asymmetrische waardering vanuit bedrijfseconomisch standpunt de meest logische benadering zou zijn, overtuigt niet. Dit is mogelijk de meest logische benadering wanneer men een liquidatiescenario op het oog heeft, waarbij men de inbrenggenietende vennootschap gaat beschouwen als een op zeker ogenblik stilstaand vermogen. Evenwel dient er bij de toepassing van de waarderingsregels te worden vanuit gegaan dat de onderneming haar bedrijf zal voortzetten
(3). Het KB W. Venn. laat m.i. geen ruimte voor een asymmetrische waardering. Het stond de partijen bij de inbreng principieel vrij om de transactie te waarderen aan nominale dan wel aan economische waarde
(4), doch eens de keuze gemaakt, geldt deze voor beide partijen en dienen daarbij de fiscale consequenties te worden aanvaard
(5). Wanneer de schuldvordering door de inbrenggenietende vennootschap wordt geboekt tegen de nominale waarde, dan wordt de schuld afgeboekt en wordt het kapitaal in dezelfde mate verhoogd. Er moet in dit geval geen uitzonderlijk resultaat worden geboekt, noch door de inbrenggenietende vennootschap, noch door de inbrengende vennootschap. Indien de inbrenggenietende vennootschap daarentegen de vordering waardeert tegen de werkelijke waarde, ontstaat er bij de inbrengende vennootschap een aftrekbaar verlies of een aftrekbare minderwaarde
(6). Uit de stukken waarop Uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat in voorliggend geval de inbrenggenietende vennootschap de schuldvordering heeft gewaardeerd en geboekt tegen de nominale waarde en zij geen uitzonderlijke opbrengst heeft geboekt. Eiseres als inbrengende vennootschap diende derhalve de in ruil ontvangen aandelen te waarderen tegen dezelfde nominale waarde en kon derhalve m.i. geen uitzonderlijke kost (minderwaarde) boeken. 2.
- In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechter de artikelen 35, 39, eerste lid en 41, §1, eerste lid, KB/W.Venn. heeft geschonden door te oordelen dat deze wetsbepalingen zich verzetten tegen een asymmetrische waardering bij inbreng faalt het m.i. naar recht. In zoverre het middel de schending aanvoert van de primauteit van het boekhoudrecht op het fiscaal recht zoals blijkt uit de artikelen 183, 184, 184ter en 185 WIB92 lijkt het mij geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de artikelen 35, 39, eerste lid en 41, §1, eerste lid, KB/W.Venn. en is het m.i. bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- Besluit: Verwerping. ___________________
(1)Zie N. DE BEULE en N. DE LAET, "Inbreng in natura boeken aan marktwaarde bij inbrenger", Fisc.Act. 2010, nr. 44, p.1-4; H. LAMON, Acquisition, financement et cessions d'entreprises, Brussel, Larcier, 2015, 368; K. MORBEE, "Inbreng tegen nominale waarde", TFR 2011, 627-630; In een commentaar op het vonnis in eerste aanleg, W. VANDENBERGHE, "Omzetting van schuldvordering in kapitaal: kan inbrenger aftrekbare minderwaarde boeken?", Fisc.Act. 2018.
(2)Zie CBN-advies 126/18 - Aanschaffingswaarde bij inbreng in natura - 10 mei 2002, Bull.CBN, nr. 47. Zie ook S. VAN CROMBRUGGE, "Kroniek Boekhoudrecht (mei 2010 - april 2011)", TRV 2011, 242-244; S. VAN CROMBRUGGE, "Omzetting schuldvordering in kapitaal: nominale of economische waarde?", Fiscoloog 2018, afl. 1556, 9-10.
(3)Zie Artikel 28, § 1, derde lid KB/W.Venn.
(4)Zie CBN-advies 2011/9 - Invloed van het buitengerechtelijk minnelijk akkoord en de gerechtelijke reorganisatie op de schulden en vorderingen - 6 april 2011.
(5)Zie over de fiscale consequenties de beschouwingen van auteur DILLEN in een commentaar op het in casu bestreden arrest: L. DILLEN, "Omzetting van een niet volledig inbare schuldvordering in kapitaal", Noot bij Gent, 26 februari 2017, TFR, 2019, 660 e.v.
(6)S. VAN CROMBRUGGE, "Omzetting schuldvordering in kapitaal: nominale of economische waarde?", Fiscoloog 2018, afl. 1556, 10. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200611.1N.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200611.1N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div