← België

L. contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 11 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200611.1N.2 Rolnummer: F.19.0022.N Zaak: L. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2022-03-31 Raadplegingen: 1332 - laatst gezien 2026-06-18 21:22 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200611.1N.2 Fiches 1 - 2 Het gebruik door de administratie van onrechtmatig verkregen bewijs dient te worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces; behoudens wanneer de wetgever ter zake in bijzondere sancties voorziet, kan het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken slechts worden geweerd indien de bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht, of indien dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt; de belastingrechter kan bij die afweging onder meer rekening houden met één of meer van volgende omstandigheden: het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid, de weerslag ervan op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm wordt beschermd, het al dan niet opzettelijk karakter van de door de overheid begane onrechtmatigheid en de omstandigheid dat de ernst van de inbreuk veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - BELASTINGZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Onrechtmatig verkregen bewijs - Toelaatbaarheidsvoorwaarden Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: Belastingschuld - Bewijsmiddelen - Onrechtmatig verkregen bewijs - Toelaatbaarheidsvoorwaarden Fiche 3 De belastingrechter is niet gebonden door hetgeen door de strafrechter is beslist ter zake de toelaatbaarheid van het overgelegde bewijsmateriaal, maar dient aan de hand van de onder 1° en 2° weergegeven criteria zelfstandig te oordelen over de bruikbaarheid ervan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Strafzaken Vrije woorden: Door de strafrechter onrechtmatig bevonden bewijs - Aanwending voor de fiscale rechtbank - Bruikbaarheid - Criteria Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor Fiscaal Recht [T.F.R.] - 2020, nr. 592, p. 1095-
  1. - BRYS, Kristof; Noot'Antigoon en de KB Lux-zaak, een neverending story' Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] - 2021, nr. 7, p. 583-
  2. - VANDEN BRANDE, Joke; Note'De ene boom is de andere niet' Tekst van de conclusie F.19.0022.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
  3. Situering 1.
  4. De betwisting betreft een aanslag in de personenbelasting met betrekking tot het aanslagjaar
  5. Eiser stond vermeld op de microfiches die de fiscale administratie had bekomen in het kader van het KB-Lux-dossier en kreeg dienvolgens een vraag om inlichtingen, waaraan hij evenwel geen gevolg verleende. Dit was de aanleiding voor de fiscale administratie om een strafklacht in te dienen bij het parket Kortrijk op 16 februari 2000, waarna een gerechtelijk onderzoek volgde. De litigieuze aanslag met belastingverhoging van 50% werd gevestigd als gevolg van de inzage door de fiscale administratie van dit strafdossier, waarbij aanwijzingen van belastingontduiking werden vastgesteld, namelijk de niet-aangifte van roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong. 1.
  6. Eiser voerde voor de appelrechter in essentie aan dat ook de bewijsgaring die gebeurde in het kader van dat gerechtelijk onderzoek te Kortrijk op klacht van de fiscale administratie niet in aanmerking kan genomen worden als geldig bewijsmateriaal voor de bestreden taxatie. Niet enkel gaf het besmette gerechtelijk onderzoek inzake KB-Lux aanleiding tot deze klacht, bovendien is bij definitief vonnis van de correctionele rechtbank te Kortrijk dd. 25 oktober 2011 geoordeeld dat ook de bewijsgaring in het gerechtelijk onderzoek op klacht van de fiscale administratie lastens eiser strijdig is met het recht op een eerlijk proces. Volgens eiser dringt deze beslissing van de correctionele rechter waarbij hij ontslagen werd van rechtsvervolging zich op aan de fiscale rechter bij wie de zaak later aanhangig wordt gemaakt en kan het in de strafzaak verzamelde bewijs niet dienen ter ondersteuning van de betwiste aanslag. Het hof van beroep te Gent volgde de stelling van eiser evenwel niet en bevestigde bij arrest dd. 12 juni 2018 het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge dd. 13 september 2016 waarbij werd geoordeeld dat de administratie op regelmatige wijze kennis heeft genomen van de stukken van het strafdossier en dat de taxatie gebaseerd is op het resultaat van de huiszoeking tijdens het gerechtelijk onderzoek, zonder dat daarbij werd gesteund op de resultaten van het besmette onderzoek. Eiser komt op tegen dit arrest en voert in zijn verzoekschrift een middel tot cassatie aan.
  7. Bespreking van het enig middel (…) TWEEDE ONDERDEEL 2.
  8. In het tweede onderdeel voert eiser aan dat de appelrechter het gezag van het strafrechtelijk gewijsde van het vonnis van de correctionele rechtbank te Kortrijk van 25 oktober 2011 miskent door het vonnis a quo te bevestigen waarbij het fiscaal verhaal van eiser ongegrond werd verklaard tegen de op 21 december 2010 ingekohierde betwiste supplementaire aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar
  9. (Schending van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van het strafrechtelijk gewijsde) Volgens eiser is de betwiste supplementaire aanslag immers evenzeer, zoals de strafvordering voor dezelfde niet aangegeven buitenlandse inkomsten bij de KB-Lux, gesteund op de onrechtmatige herkomst van de bewijsstukken die de aanleiding hebben gegeven tot de zaak waarin het vonnis van 25 oktober 2011 werd gewezen. In dat vonnis besliste de correctionele rechtbank te Kortrijk dat het recht van eiser op een eerlijk proces is geschonden, dat de oneerlijkheid van de bewijsverkrijging en de herhaalde schendingen van de rechten van verdediging in de KB-Lux-zaak dermate ernstig zijn dat dit noodzakelijkerwijze ook het bewijs dat daaruit voortvloeit, aantast en dat alle bewijsmiddelen zijn aangetast, zodat er geen bewijsmiddelen ter beoordeling overblijven. 2.
  10. De beslissing van de strafrechter over de strafvordering raakt de openbare orde. Hieruit werd afgeleid dat deze beslissing gezag van gewijsde erga omnes heeft
(1). Algemeen wordt aanvaard dat het gezag erga omnes een algemeen rechtsbeginsel is
(2). Het gezag van gewijsde in strafzaken kleeft alleen aan datgene wat de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft geoordeeld met betrekking tot het bestaan van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten, met inachtneming van de gronden waarop die beslissing noodzakelijkerwijze steunt
(3). 2.5. Over de toelaatbaarheid van het gebruik van "onrechtmatig verkregen bewijs" in fiscale zaken oordeelde uw Hof in een arrest van 22 mei 2015 het volgende: "De fiscale wetgeving bevat geen algemene bepaling die het gebruik verbiedt van onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van een belastingschuld en zo, daartoe gronden aanwezig zijn, voor het opleggen van een verhoging of een boete. Het gebruik door de administratie van onrechtmatig verkregen bewijs dient te worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces. Behoudens wanneer de wetgever ter zake in bijzondere sancties voorziet, kan het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken slechts worden geweerd indien de bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht, of indien dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt. De rechter kan bij die afweging onder meer rekening houden met één of meer van volgende omstandigheden: het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid, de weerslag ervan op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm worden beschermd, het al dan niet opzettelijk karakter van de door de overheid begane onrechtmatigheid en de omstandigheid dat de ernst van de inbreuk veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt."
(4)Aldus introduceerde Uw Hof de Antigoon-doctrine uit het strafrecht ook in het fiscaal recht. Auteur DE RAEDT meent dat het “zozeer indruist”-criterium, “net als het criterium van het eerlijk proces, behoorlijk vaag (is). (…) Nu de fiscalist voor de invulling van het criterium van het eerlijk proces nog kan teruggrijpen naar de rechtspraak in strafzaken en invulling die aan dit criterium daar werd gegeven, tast hij in het duister wat betreft het criterium van het behoorlijk bestuur”
(5). Deze auteur meent dat het antwoord op de vraag wat onder dit criterium moet worden begrepen in Nederland moet worden gezocht, in de rechtspraak van de Hoge Raad, waar Uw Hof “zijn mosterd immers (lijkt) te hebben gehaald”. DE TROYER en VANDENBERGHE merken op dat de toepassing van de criteria aangereikt door Uw Hof in het arrest van 22 mei 2015 een concrete feitelijke afweging vergen door de rechter en dat in de praktijk de vraag rijst of deze afweging in fiscale zaken even streng (of even mild) zal zijn als in strafzaken en of een strafrechtelijke uitspraak al dan niet gevolgen heeft voor een fiscaal geschil dat gebaseerd is op de informatie die de fiscus uit de strafzaak heeft verkregen. Ook deze auteurs wijzen in dit verband naar de rechtspraak van de Nederlandse Hoge Raad
(6). In een arrest van 20 maart 2015
(7)heeft de Nederlandse Hoge Raad een soortgelijke rechtsvraag beantwoord als deze die thans voorligt, namelijk wat de betekenis is voor de fiscale rechter van het oordeel van de strafrechter over onrechtmatig verkregen bewijs en de bruikbaarheid ervan. De Hoge Raad oordeelde als volgt: “2.6.1 Indien sprake is van een onherroepelijke beslissing van de strafrechter over de (on)rechtmatigheid van de bewijsgaring en de bruikbaarheid van dat bewijs in een strafzaak, kan de vraag rijzen welke betekenis aan die rechterlijke beslissing toekomt bij de beoordeling van de bruikbaarheid van datzelfde bewijs in een belastingzaak. 2.6.2 Voor zover het gaat om de vaststelling van feiten die van belang zijn om de rechtmatigheid van de bewijsgaring te beoordelen, moet worden vooropgesteld dat de belastingrechter met inachtneming van het in fiscale zaken toepasselijke procesrecht zelfstandig dient te beoordelen welke feiten als vaststaand kunnen worden aangenomen. Hij is daarom niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter over hetzelfde feitencomplex, zelfs niet als aan hem dezelfde bewijsmiddelen ter beschikking staan als aan de strafrechter. 2.6.3 Voor zover het gaat om de juridische vraag of de bewijsgaring in een strafzaak, gelet op de vaststaande feiten, onrechtmatig is geweest, is de belastingrechter evenmin gebonden aan het (onherroepelijke) oordeel van de strafrechter, ook niet indien de strafrechter daarbij van dezelfde feiten is uitgegaan. Wel komt in dit opzicht een bijzonder gezag toe aan het ten aanzien van de belanghebbende gegeven oordeel van de strafrechter, die bij uitstek geroepen is tot beantwoording van dit soort rechtsvragen. Indien de belastingrechter – uitgaande van dezelfde feiten – afwijkt van het oordeel van de strafrechter – met betrekking tot de onrechtmatigheid van de bewijsgaring, dient hij in zijn uitspraak de redenen voor die afwijking te vermelden. 2.6.4 Voor zover het gaat om de vraag of onrechtmatige bewijsgaring tijdens een strafrechtelijk onderzoek ertoe dient te leiden dat van het aldus verkregen bewijs geen gebruik mag worden gemaakt, is de belastingrechter niet gebonden aan een (onherroepelijk) oordeel van de strafrechter in de desbetreffende strafzaak, reeds omdat de belastingrechter voor bewijsuitsluiting een ander beoordelingskader dient te hanteren (zie hiervoor onder 2.5.2). 2.6.5 Het hiervoor in 2.6.1 tot en met 2.6.4 overwogene geldt zowel voor het bewijs met betrekking tot een belastingaanslag als voor het bewijs ten aanzien van een fiscale bestuurlijke boete. 2.6.6 Uit het voorgaande vloeit voort dat zich de situatie kan voordoen dat voor de onderbouwing van een belastingaanslag en van een daarmee eventueel samenhangende fiscale boete gebruik wordt gemaakt van bewijsmateriaal dat door de strafrechter voor bewijsdoeleinden onbruikbaar is verklaard. In verband met de verschillen tussen het in straf- en belastingprocedures geldende bewijsrecht en de uiteenlopende kaders voor de beoordeling van de bruikbaarheid van het voorhanden bewijs in dergelijke procedures, is dat verschil aanvaardbaar. Indien de uitsluiting van het bewijs in de strafzaak heeft geleid tot een vrijspraak, vormt een oordeel van de belastingrechter dat wel op dat bewijs gebaseerd is op zichzelf geen inbreuk op het in artikel 6, lid 2 EVRM neergelegde vermoeden van onschuld. Van een inbreuk op dat vermoeden kan in dit verband eerst sprake zijn indien de uitspraak van de belastingrechter, gelet op de bewoordingen daarvan, twijfel oproept over de juistheid van hetgeen de verdachte in de strafzaak werd verweten (vgl. EHRM 12 juli 2013 Allen tegen Verenigd Koninkrijk, nr. 25424/09, par. 124 en 126 en EHRM 23 oktober 2014, Melo Tadeu tegen Portugal, nr. 27785/10, par. 66).”
(8)Wat het gezag van gewijsde betreft van het oordeel van de strafrechter over de bruikbaarheid van het bewijs ten aanzien van de fiscale rechter wanneer deze te oordelen heeft over de belastingheffing en de daarmee eventueel samenhangende fiscale boete/belastingverhoging, meen ik dat aansluiting kan worden gezocht bij de benadering van de Hoge Raad: Ook in de Belgische rechtsorde heeft het oordeel van de strafrechter m.i. geen gezag van gewijsde voor de fiscale rechter omdat het te hanteren beoordelingskader en de belangenafweging in de strafzaak en in de belastingzaak verschillend zijn. De Hoge Raad licht dit verschillende beoordelingskader als volgt toe in randnummer 2.5.2. van het hoger vermeld arrest van 20 maart 2015: “(…) de taak van (…) de belastingrechter (is) bij het vaststellen dan wel beoordelen van besluiten op grond van de belastingwetgeving niet vergelijkbaar met de taak van de strafrechter ten aanzien van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal. Uitsluiting van dergelijk bewijsmateriaal is in een belastingzaak immers in het algemeen geen aangewezen en evenredige maatregel om rechtmatig optreden van de met opsporing en vervolging van strafbare feiten belaste ambtenaren te stimuleren (…)” HEYVAERT en WUYLENS merken op m.b.t. de Belgische rechtsorde dat het fiscaal recht en het strafrecht dan wel beiden van openbare orde zijn, maar er toch duidelijke verschillen zijn tussen beide rechtstakken: “Ze dienen verschillende maatschappelijke waarden en worden door verschillende rechtsnormen en beginselen beheerst. De rechten van verdediging en het rechtvaardigheidsgevoel kunnen niet op dezelfde wijze worden ingevuld. Het slachtoffer – de staat of een andere overheid – verdient in fiscalibus minder bescherming en dus kan ongeoorloofd bewijs tegen de fiscale zondaar er minder makkelijk door de beugel. Het is dan ook verkieslijk om de Antigoon-leer in fiscale zaken strakker in te vullen.”
(9)De door te voeren belangenafweging is in het fiscaal recht en in het strafrecht inderdaad verschillend. Het strafrechtelijke beoordelingskader voor nietigverklaring en uitsluiting van bewijselementen voorzien in artikel 32 VTsv verschilt van het fiscaalrechtelijke beoordelingskader voor de bewijsuitsluiting zoals ontwikkeld in het arrest van Uw Hof dd. 22 mei 2015 en dat mede een toetsing inhoudt van de beginselen van behoorlijk bestuur. Dat de fiscale rechter en de strafrechter omwille van dit verschillend beoordelingskader niet steeds hetzelfde gevolg aan een onrechtmatigheid kunnen verbinden, en dus tot een autonome beoordeling van de bewijsuitsluiting moeten kunnen overgaan, kan worden geïllustreerd door de voorbeelden die MAUS aanhaalt. Zo kunnen verklaringen die tijdens een fiscale controle onder dwang (van een administratieve sanctie bijvb.) van de belastingplichtige werden verkregen in het kader van de meewerkverplichting, nadien wegens een schending van het zwijgrecht niet dienen als basis voor een strafrechtelijke veroordeling. Omgekeerd kan rechtmatig verkregen strafrechtelijk bewijs in fiscale zaken ook als onrechtmatig worden geweerd (bijvb. bij schending door de fiscale administratie van de formele voorwaarden om inzage te krijgen van een strafdossier).
(10)Gelet op zowel de verschillende belangenafweging die dient te gebeuren als op het verschillende beoordelingskader voor de bewijsuitsluiting, lijkt het mij dan ook dat de beslissing van de strafrechter waarbij deze oordeelt dat in het kader van een strafonderzoek onrechtmatig verkregen bewijs moet worden geweerd omdat het recht van de beklaagde op een eerlijk proces geschonden is, geen gezag van gewijsde heeft ten aanzien van de fiscale rechter. 2.
  1. Bij vonnis van 25 oktober 2011 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk vastgesteld en geoordeeld dat: * het hof van beroep te Brussel in zijn arrest van 10 december 2010 heeft geoordeeld dat de onderzoeksrechter in de KB-Lux-zaak op ernstige wijze zijn verplichtingen heeft geschonden en niet heeft gewaakt over de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyauteit waarmee ze verzameld waren; dat meer bepaald de werkelijke omstandigheden waarin de bewijzen werden verzameld bewust verborgen werden gehouden en scenario’s werden georganiseerd waardoor bewijsmiddelen “witgewassen” konden worden; * de rechtbank pas door voorlegging door (eiser) van het arrest van 10 december 2010 volledig ingelicht werd over de onrechtmatige herkomst van de bewijsstukken die de aanleiding zijn voor de strafzaak tegen eiser; * rekening houdend met alle voorgaande elementen het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM geschonden is; * de oneerlijkheid van de bewijsverkrijging en de herhaalde schendingen van de rechten van verdediging in de KB-Lux zaak dermate ernstig zijn dat dit noodzakelijkerwijze ook het bewijs dat daaruit voortvloeit aantast; * het bewijs enkel en alleen voortkomt uit microfiches afkomstig uit de KB-Lux- zaak; * aangezien alle bewijsmiddelen zijn aangetast en er geen bewijsmiddelen overblijven, dit noodzakelijkerwijze moet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering. 2.
  2. Het komt mij voor dat de appelrechter die met de redenen vermeld supra onder 2.2 oordeelt dat de in het kader van het strafonderzoek vergaard bewijsmateriaal door verweerder kan worden aangewend ter ondersteuning van de betwiste aanslag, ook al werd bij voormeld vonnis van 25 oktober 2011 geoordeeld dat de bewijsgaring strijdig is met het recht op een eerlijk proces en dat het om die reden moet worden geweerd, het gezag van het strafrechtelijke gewijsde van dit vonnis niet miskent. Het onderdeel kan m.i. niet worden aangenomen. (…)
  3. Besluit: Verwerping. ____________________________
(1)M. FRANCHIMONT, A. JACOBS, A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2009, p. 1001; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2010, nr. 3353 p. 1366; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu, 2007, nr. 2209 p. 1042.
(2)Zie o.a.: Cass. 19 november 1985, Arr.Cass. 1985-86, 386.
(3)Cass. 23 oktober 2015, AR C.15.0108.N, AC 2015, nr. 624, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151023.5.
(4)Cass. 22 mei 2015, AR F.13.0077.N, AC 2015, nr. 335, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150522.8.
(5)S. DE RAEDT, “Het “zozeer indruist” – criterium in de fiscale Antigoonleer” in Goed Vaderschap Liber amicorum Antoine Doolaege, Larcier, Gent, 2017, p. 76-77.
(6)I. DE TROYER en VANDENBERGHE L., “Bevestiging van de toepassing van de Antigoondoctrine in het fiscaal recht”, noot bij Cass. 22 mei 2015, RW, 2015-2016, nr. 37, 1463.
(7)Hoge Raad, 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643
(8)De Hoge Raad bevestigde deze rechtspraak in een arrest dd. 8 november 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1715) waarin het onder randnummer 3.5.9 oordeelde dat “(…) dat de belastingrechter zelfstandig, zonder gebonden te zijn aan in een strafgeding te maken afwegingen, dient te oordelen over de bruikbaarheid van hetgeen hem als bewijsmateriaal is voorgelegd (…)”
(9)A. HEYVAERT en A. WUYLENS, “Fiscale bewijsgaring met schending van beroepsgeheim: onrechtmatig bewijs of onrechtmatig verkregen bewijs?”, TFR, nr. 530, 817.
(10)Zie over het spanningsveld tussen het strafrechtelijk zwijgrecht en de fiscale meerwerkverplichting: M. MAUS, Handboek fiscaal strafrecht, Brugge, die Keure, 2010, p.163 e.v. Zie p. 293 voor de aangehaalde voorbeelden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200611.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200611.1N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150522.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151023.5 ECLI:NL:HR:2015:643 ECLI:NL:HR:2019:1715 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.