id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 17 juni 2020 ECL
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Verzet - Ongedaan verzet - Recht te verschijnen - Recht zich te verdedigen - Afstand - Ongedaan verzet - Kennis van de dagvaarding - Wettige reden van verschoning - Omvang Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN PROCESHANDELING Vrije woorden: Strafzaken - Onderzoek ter terechtzitting - Recht te verschijnen - Recht zich te verdedigen - Verzet - Ongedaan verzet - Kennis van de dagvaarding - Wettige reden van verschoning - Omvang Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 8 - 10 Het begrip ?wettige reden van verschoning' bevat die gevallen die geen overmacht uitmaken en waarin de verzetdoende partij kennis had van de dagvaarding, maar een reden aanvoert waaruit blijkt dat haar afwezigheid niet was ingegeven door de wens afstand te doen van haar recht om te verschijnen en zich te verdedigen, dan wel om zich te onttrekken aan het gerecht; die afstand of die wil kan niet alleen blijken uit een expliciete beslissing van de verzetdoende partij, maar ook worden afgeleid uit het feit dat die partij zonder redelijke verantwoording niet opdaagt of niet aanwezig blijft op de rechtszitting waarop zij behoorlijk is opgeroepen, terwijl zij voldoende de gevolgen van die beslissing kon inschatten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Strafzaken - Ongedaan verzet - Kennis van de dagvaarding - Wettige reden van verschoning - Recht zich te verdedigen - Recht te verschijnen - Afstand - Onttrekking aan het gerecht - Afwezigheid op de terechtzitting - Behoorlijke oproeping - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Verzet - Ongedaan verzet - Kennis van de dagvaarding - Wettige reden van verschoning - Recht zich te verdedigen - Recht te verschijnen - Afstand - Onttrekking aan het gerecht - Afwezigheid op de terechtzitting - Behoorlijke oproeping - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN PROCESHANDELING Vrije woorden: Strafzaken - Onderzoek ter terechtzitting - Recht te verschijnen - Recht zich te verdedigen - Verzet - Ongedaan verzet - Kennis van de dagvaarding - Wettige reden van verschoning - Afwezigheid op de terechtzitting - Behoorlijke oproeping - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 11 - 13 De rechter kan het verzet ongedaan verklaren van een partij die tijdens de behandeling van haar zaak de rechtszitting heeft verlaten en dus heeft geweigerd haar verdediging te voeren wegens de verwerping van haar verzoek tot uitstel; daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het enkele feit dat dit verzoek bedoeld was om die partij in staat te stellen een wrakingsverzoek in te dienen, ook al strekt een dergelijk verzoek in principe tot de vrijwaring van het recht op een eerlijk proces en het recht op de behandeling van de zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Strafzaken - Ongedaan verzet - Kennis van de dagvaarding - Wettige reden van verschoning - Wrakingsverzoek - Verzoek tot uitstel - Verlaten van de rechtszitting - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Strafzaken - Wrakingsverzoek - Verzoek tot uitstel - Verlaten van de rechtszitting - Verzet - Ongedaan verzet - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Wrakingsverzoek - Verzoek tot uitstel - Verlaten van de rechtszitting - Verzet - Ongedaan verzet - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 14 Uit artikel 440, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek volgt dat een advocaat voor alle proceshandelingen die hij stelt in een zaak waarin hij zijn cliënt voor de strafrechter vertegenwoordigt, wordt geacht op te treden binnen de perken van het mandaat dat die cliënt hem heeft verleend; dat vermoeden kan niet worden weerlegd
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM en Cass. 3 juni 2020, AR P.20.0302.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200603.2F.5, AC 2020, nr. 354. Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Strafzaken - Onderzoek ter terechtzitting - Vertegenwoordiging - Proceshandelingen - Mandaat - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 440, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 15 - 16 De artikelen 848 tot 850 Gerechtelijk Wetboek die de ontkentenis van proceshandelingen regelen, zijn niet van toepassing op zaken die worden behandeld volgens de rechtspleging georganiseerd door het Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM en Cass. 3 juni 2020, AR P.20.0302.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200603.2F.5, AC 2020, nr. 354; GwH 22 februari 2018, arrest 21/2018, www.const-court.be. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Strafzaken - Ontkentenis van proceshandelingen - Advocaat - Vertegenwoordiging - Mandaat - Grenzen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 848, 849 en 850 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Strafzaken - Onderzoek ter terechtzitting - Vertegenwoordiging - Mandaat - Ontkentenis van proceshandelingen - Grenzen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 848, 849 en 850 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie P.19.1223.N Conclusie van advocaat-generaal B. De Smet “Het ongedaan verzet ingevolge de beslissing van advocaten die een afwezige beklaagde vertegenwoordigen om achteraan in de zaal plaats te nemen en aldus verstek te laten, na het afwijzen van hun verzoek tot uitstel om een wrakingsverzoek in te dienen. Over de beoordeling van het begrip ‘wettige reden van verschoning’ (art. 187§6, 1° Sv.) en de toerekening van een mogelijke fout van de advocaat van de afwezige beklaagde aan zijn cliënt.”
- Beklaagde H.D., bijgestaan door Mr. Raf Verstraeten, heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen 1°het verstekarrest van het hof van beroep te Brussel van 1 april 2019 (arrest I) en 2°het arrest van ongedaan verzet van hetzelfde rechtscollege van 18 november 2019 (arrest II).
- Eiser werd op 26 februari 2016 in eerste aanleg veroordeeld wegens feiten van valsheid in geschriften (A), fiscale valsheid in geschriften (B.2), niet-aangifte van belastbare inkomens in de personenbelasting (C.3) en witwassen (D). Het hof van beroep te Brussel verklaarde bij tussenarrest van 29 oktober 2018 het hoger beroep van eiser en van het openbaar ministerie ontvankelijk en oordeelde dat de strafvordering niet is vervallen door verjaring. De appelrechters namen ook standpunt in over het weren van conclusies van eiser in de procedure in eerste aanleg, de invloed van het overschrijden van de redelijke termijn op de strafvordering (ze blijft ontvankelijk) en het voegen van stukken uit andere strafdossiers. De zaak werd voor behandeling ten gronde vastgesteld op 3 december 2018 en op vraag van zijn toenmalige raadsman (die eiser vertegenwoordigde) uitgesteld naar de zitting van 25 februari 2019, voor het opstellen van conclusies namens eiser.
- Op de zitting van 25 februari 2019 namen de toenmalige raadslieden van eiser plaats achteraan de zittingszaal, nadat het hof van beroep had beslist hun verzoek tot uitstel van behandeling af te wijzen, bedoeld om een wrakingsverzoek in te dienen tegen twee raadsheren die van de zaak kennis namen. De zaak werd bij verstek afgehandeld en leidde tot arrest I, waarbij de veroordeling werd bevestigd en onder meer een gevangenisstraf van 18 maanden met uitstel werd opgelegd. Op 29 april 2019 tekende eiser verzet aan tegen dit arrest, dat werd betekend aan zijn woonplaats in het buitenland. Tegelijk stelde eiser een eerste maal cassatieberoep in tegen arrest I, gevolgd door een akte van afstand zonder berusting. Uw Hof heeft op 10 september 2019 akte van afstand verleend
(1).
- Bij arrest II van 18 november 2019 heeft het hof van beroep te Brussel, 15e kamer, het verzet ontvankelijk doch ongedaan verklaard, op grond van art. 187, §6, 1° Sv. De appelrechters verwierpen het verweer van eiser in conclusie dat de afwezigheid van eiser en zijn toenmalige advocaten tijdens het debat een wettige reden van verschoning uitmaakt. Op 27 november 2019 werd namens eiser cassatieberoep ingesteld tegen beide arresten. A) Het cassatieberoep tegen het verstekarrest (I)
- Als eerste middel, eerste onderdeel, voert eiser aan dat de appelrechters ten onrechte een vraag tot uitstel hebben geweigerd, om reden dat het lijkt te zijn ingegeven door louter dilatoire doeleinden, bedoeld om een wrakingsverzoek tegen twee raadsheren in te dienen, en de zaak meteen ten gronde hebben behandeld. De appelrechters hebben aldus eisers recht ontnomen een wrakingsverzoek in te dienen, wat nochtans essentieel is voor hun recht op een onpartijdige rechter. Volgens eiser is de strafrechter in beginsel verplicht een kort uitstel toe te staan indien een partij voor de sluiting der debatten daartoe een verzoek formuleert om ter griffie een wrakingsverzoek tegen hem in te dienen. Arrest I dient te worden vernietigd wegens schending van art. 6.
- EVRM en van artikelen 2, 833, 836, 837 en 838 Gerechtelijk Wetboek en wegens miskenning van het algemeen beginsel van het recht van verdediging en het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter.
- Beoordeling. Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat eiser werd vertegenwoordigd door zijn toenmalige advocaat op de zittingen voor de appelrechters op 19 september 2016, 18 december 2017, 3 december 2018 en 25 februari
- Op de laatste zitting diende de toenmalige advocaat een handgeschreven conclusie in met de vraag een uitstel toe te kennen, om een verzoekschrift neer te leggen tot wraking van raadsheren G.D.C en B.D.G, zonder in dit stuk een reden tot wraking te vermelden. In het proces-verbaal van de terechtzitting noteerde de griffier dat de toenmalige advocaat van eiser ook mondeling geen reden voor wraking wou opgeven. Na tussenkomst van de stafhouder, en de mededeling van de toenmalige advocaat dat hij in openbare zitting de gronden tot wraking niet wou toelichten, verklaarde de voorzitter dat de zaak verder in openbare terechtzitting wordt behandeld. Volgens de griffier hebben de toenmalige raadslieden van eiser de pleittafel verlaten om achteraan in de zittingszaal plaats te nemen, waarbij zij geen antwoord gaven op de vraag van de voorzitter of zij als raadslieden van eiser het debat volgden, of louter als publiek in de zittingszaal aanwezig waren.
- In het bestreden arrest I werd aangenomen dat 1°de vraag om de behandeling van de zaak uit te stellen “lijkt ingegeven door louter dilatoire doeleinden”, 2°de advocaten van eiser niet wilden toelichten wat de reden van een nog in te dienen verzoekschrift tot wraking “dan wel zou kunnen zijn”, 3°een ontvankelijke wraking op grond van een incident voor het tussenarrest van 29 oktober 2018 in de actuele stand van het geding niet mogelijk lijkt, 4°een grond tot wraking met betrekking tot dit tussenarrest had moeten voorgedragen zijn zodra eiser hiervan op de hoogte was, wat in de huidige stand van het geding niet meer mogelijk was, gezien eiser zich eraan diende te verwachten dat het hof na het tussenarrest de zaak in dezelfde samenstelling verder zou behandelen, 5°de grond tot wraking volgens de advocaten van eiser slechts bestaat ten opzichte van twee raadsheren en dus geen verband lijkt te houden met vermeld tussenarrest en 6°er zich sinds het tussenarrest geen enkel zittingsincident kon voordoen dat aanleiding tot wraking zou kunnen geven, aangezien op de terechtzitting van 3 december 2018 alleen een conclusietermijn en rechtsdag is vastgesteld.
- Met deze redenen konden de appelrechters wettig beslissen dat het verzoek tot uitstel lijkt te zijn “ingegeven door louter dilatoire doeleinden” en konden zij de zaak bij verstek afhandelen, na te hebben vastgesteld dat de advocaten van de afwezige eiser ‘zich terugtrokken van de balie’ en eiser op de terechtzitting niet langer vertegenwoordigden. Het feit dat het verzoek tot uitstel was gericht op het indienen van een wrakingsverzoek tegen twee raadsheren in de zaak, en eiser dus aangaf dat zijn recht op een onpartijdige rechter niet langer was gewaarborgd, belet de appelrechters niet dit verzoek als dilatoir af te wijzen, als een vertragingsmanoever te bestempelen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Als eerste middel, tweede onderdeel, stelt eiser dat de appelrechters door het verzoek tot uitstel van de zaak af te wijzen, zelf hebben geoordeeld over het voorgenomen wrakingsverzoek, in strijd met de artikelen 837 en 838 Gerechtelijk Wetboek, die ook gelden in strafzaken.
- Beoordeling. De door eiser aangevochten motieven houden geen verband met de beoordeling van een voorgenomen wrakingsverzoek. Het gaat enkel over de beoordeling van een vraag tot uitstel met als doel een wrakingsverzoek in te dienen tegen twee raadsheren van de zetel. In die context konden de appelrechters nagaan of er op het eerste zicht redenen voorhanden waren om een wraking tegen twee raadsheren in te dienen. Mij lijkt de beslissing over het uitstel naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
- In een tweede middel werpt eiser op dat de misdrijven valsheid in geschriften (tenlasteleggingen A1 tot en met A4) in het buitenland zijn gepleegd, en de appelrechters zich ten onrechte bevoegd verklaarden, omdat eiser in België werd aangetroffen bij een huiszoeking op 13 juni 2006, terwijl de voorwaarde van “in België wordt gevonden” geldt op het moment van het instellen van de strafvordering, op 10 mei
- Hierdoor is artikel 12 V.T. Sv. geschonden.
- Beoordeling. Behoudens enkele uitzonderingen, die in deze zaak niet van toepassing zijn, kan de beklaagde met de Belgische nationaliteit alleen worden vervolgd voor misdrijven gepleegd in het buitenland wanneer hij in België wordt gevonden, gelet op artikelen 7 en 12 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering
(2). Aan deze voorwaarde moet zijn voldaan op het moment van het instellen van de strafvordering
(3). Daarbij volstaat het dat de verdachte zich na het plegen van het misdrijf, en ten laatste op het moment van het instellen van de strafvordering, in België is gevonden.
- De appelrechters namen aan dat eiser in de gehele incriminatieperiode 1995-2008 van tenlastelegging C.
- (ontduiking personenbelasting) in België verbleef (p. 16-17), de Belgische nationaliteit heeft, en in een woning in Knokke is aangetroffen op 13 juni 2006 (p. 10). Op grond van die redenen, die wegens het ontbreken van een conclusie geen verdere toelichting vergen, is het bestreden arrest I op het punt van rechtsmacht voor de tenlasteleggingen A1 tot en met A.4 naar recht gemotiveerd. Het middel kan niet worden aangenomen.
- Als derde middel voert eiser aan dat de appelrechters voor de tenlasteleggingen A1 tot en met A4 een veroordeling uitspraken wegens valsheid in geschriften, zonder vast te stellen dat aan alle constitutieve bestanddelen van deze misdaad is voldaan, ook bij afwezigheid van een conclusie van eiser. Zo is nergens vermeld of de documenten vermeld in deze tenlasteleggingen authentieke of openbare geschriften zijn, dan wel bank-of handelsgeschriften of private geschriften zijn, die zich aan het openbaar vertrouwen opdringen. Bijgevolg zijn de artikelen 193 en 196 Strafwetboek geschonden.
- Beoordeling. Bij afwezigheid van een conclusie op dit punt, moet de rechter die een veroordeling uitspreekt niet uitdrukkelijk aangeven dat alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf zijn gerealiseerd, met een concrete motivering per bestanddeel
(4). Het volstaat dat vonnisrechter de voornaamste redenen aangeeft waarom hij de tenlastelegging al dan niet bewezen verklaart
(5). In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Verder bevatten bladzijden 2 tot 4 van het verstekarrest I een omschrijving van de tenlastelegging valsheid in geschriften, in de bewoordingen van de strafwet, aangevuld met feitelijke gegevens, zoals het verhullen van de werkelijke begunstigden van een commissieloon. De appelrechters hebben eiser schuldig geacht aan tenlasteleggingen A1 tot en met A4 over commissielonen van ‘project F.’ op basis van een reeks feitelijke argumenten, vermeld in bladzijden 13 tot 16, onder meer door aan te nemen dat de vermelde valse documenten dienen om eiser te onttrekken aan zijn belastingplicht. Het bestreden arrest is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. B) Het cassatieberoep tegen arrest II over het ongedaan verzet.
- Als eerste middel voert eiser aan dat de appelrechters zijn verzet tegen arrest I ten onrechte ongedaan hebben verklaard, om reden dat eisers voormalige advocaten hebben beslist hem niet langer te vertegenwoordigen, toen op de zitting van 25 februari 2019 (verstekprocedure) een uitstel werd geweigerd om tegen twee raadsheren van de Kamer een wrakingsverzoek in te dienen.
- In een eerste onderdeel wordt opgeworpen dat de appelrechters een “wettige reden van verschoning” hadden moeten aannemen, omdat de afwezigheid van verweer op vermelde zitting niet was ingegeven door de wil zich aan het gerecht te onttrekken of afstand te doen van zijn recht op verdediging. Met ‘onttrekken aan het gerecht’ wordt de situatie bedoeld van een beklaagde die is gevlucht of alleszins zijn werkelijke verblijfplaats tracht te verhullen om zich aldus onvindbaar te maken voor de rechterlijke autoriteiten. De appelrechters hebben niet vastgesteld dat eiser zich aan het gerecht wou onttrekken. Zij konden uit hun vaststellingen niet redelijkerwijze afleiden dat de afwezigheid van eiser en zijn toenmalige raadslieden op vermelde terechtzitting niet was ingegeven door een wettige reden van verschoning.
- In een tweede onderdeel geeft eiser aan dat de vraag van zijn toenmalige advocaten tot uitstel gerechtvaardigd was, omdat zij aangaven een wrakingsverzoek in te dienen tegen twee raadsheren die van de zaak kennis namen. Wanneer advocaten van de afwezige beklaagde de zittingszaal verlaten als gevolg van een beslissing van de strafrechter ‘die de wil om zich te verdedigen fnuikt’, is de afwezigheid van de verdediging gerechtvaardigd door een wettige reden van verschoning, omdat men er niet kan van uitgaan de afwezigheid en zijn advocaten door hun afwezigheid impliciet afstand inhoudt van hun recht om te verschijnen en zich te verdedigen. Een partij die de terechtzitting verlaat nadat ze tevergeefs een uitstel vroeg om tegen de strafrechter een wrakingsverzoek in te dienen heeft de blijvende wil zich te verdedigen. De afwezigheid van de verdediging diende in die omstandigheden te worden opgevat als een uitoefening van het recht zich te verdedigen, niet als een afstand van dit recht. Aldus zouden artikel 187, §6, 1°, en 208 Wetboek van Strafvordering en artikel 6 EVRM zijn geschonden en de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter zijn miskend.
- Beoordeling van beide onderdelen. Op bladzijden 10 en 11 van bestreden arrest II oordeelden de feitenrechters dat het verstek te wijten was aan eiser, die de bedoeling had zich niet te verdedigen en zich aan het gerecht te onttrekken. De eerste reden van zich niet willen verdedigen stemt niet noodzakelijk overeen met de reden van zich willen onttrekken aan het gerecht of zich voor het gerecht onvindbaar willen maken, door het verhullen van de werkelijke verblijfplaats. In zoverre het eerste onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. In zoverre het eerste onderdeel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de vonnisrechter, en uw Hof zou verplichten tot een onderzoek van feiten, is het niet-ontvankelijk.
- In zoverre het tweede onderdeel is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde onwettigheid in het eerste middel, eerste onderdeel, tegen arrest I (over het weigeren van een verzoek tot uitstel), is het niet-ontvankelijk.
- Er bestaat geen algemeen en onbeperkt recht op uitstel van de zaak
(6). Wanneer de raadslieden van een afwezige beklaagden beslissen om na afwijzing van hun verzoek tot uitstel niet meer aan de debatten deel te nemen, kan de zaak bij verstek worden afgehandeld
(7). In tegenstelling tot de regeling voor 29 februari 2016
(8), heeft de afwezige beklaagde die ontvankelijk verzet aantekent tegen een veroordeling bij verstek, niet steeds recht op een (tweede) behandeling van de zaak, voor hetzelfde rechtscollege. Op grond van 187, §6, 1° Wetboek van Strafvordering, ingevoegd door art. 83 Wet 5 februari 2016 (BS 19 februari 2016), dient de strafrechter het verzet ongedaan te verklaren als tegelijk aan volgende voorwaarden is voldaan: 1°de beklaagde of zijn advocaat verschijnt op de zitting na verzet, 2°het staat vast dat de beklaagde kennis had van de dagvaarding voor de zitting die leidde tot een veroordeling bij verstek en 3°de beklaagde maakt geen gewag van overmacht of een wettige reden van verschoning om zijn afwezigheid te rechtvaardigen
(9). Door ongedaan verzet wordt de veroordeling bij verstek definitief, herwint de verstekbeslissing haar volle kracht, tenzij daartegen nog een rechtsmiddel openstaat
(10). Deze wetsbepaling heeft als doel misbruik van de procedures verstek en verzet tegen te gaan en het rechtsmiddel van verzet uit te sluiten voor beklaagden die kennis hadden van de dagvaarding, maar om strategische redenen verstek laten gaan (zoals het rekken van de procedure bij nakende verjaring van de strafvordering)
(11). 23. Het begrip ‘wettige reden van verschoning’, niet nader toegelicht in art. 187, §6, 1° Sv., dient te worden geïnterpreteerd in het licht van rechtspraak van het Europees Hof te Straatsburg
(12). Het gaat om een reden die geen overmacht uitmaakt (een onvoorzienbare en onoverkomelijke hindernis, die elke schuld van de betrokkene uitsluit
(13)), maar aanvaardbaar is om afwezigheid in de verstekprocedure te rechtvaardigen, en de rechter op verzet dus toelaat de grond van de zaak te behandelen
(14). 24. Het Grondwettelijk Hof stelde dat het begrip “wettige reden van verschoning” neerkomt op gevallen “die geen overmacht uitmaken en waarin de verzetdoende partij kennis had van de dagvaarding, maar een reden aanvoert waaruit blijkt dat haar afwezigheid niet was ingegeven door de wens om afstand te doen van haar recht om te verschijnen en zich te verdedigen, noch om zich te onttrekken aan het gerecht”
(15). De nieuwe regeling over ongedaan verzet, als gevolg van ongerechtvaardigde afwezigheid van eiser op verzet tijdens de verstekprocedure (art. 187, §6, 1° Sv.), werd niet door het Grondwettelijk Hof vernietigd. Het Hof oordeelde dat het begrip “wettige reden van verschoning” voldoende duidelijk en rechtszeker is, en geen afbreuk doet aan het wettigheidsbeginsel van art. 12 G.W.
(16)25. Uw Hof oordeelde dat een “wettige reden van verschoning” die gevallen omvat die geen overmacht uitmaken, waarvoor enig begrip kan worden opgebracht
(17), en waarin de verzetdoende partij kennis had van de dagvaarding, maar een reden aanvoert waaruit blijkt dat haar afwezigheid niet was ingegeven door de wens afstand te doen van haar recht om te verschijnen en zich te verdedigen, noch om zich te onttrekken aan het gerecht
(18). De intentie niet deel te nemen aan het proces kan blijken uit het feit dat een partij zonder redelijke verantwoording niet opdaagt of de zittingszaal verlaat, op een moment dat de zaak nog niet in beraad is genomen, terwijl deze partij de gevolgen van haar verstek voldoende kon inschatten
(19). De rechter op verzet oordeelt daarover onaantastbaar, met wettigheidscontrole door uw Hof, waarbij uw Hof nagaat of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet te verantwoorden zijn
(20).
- Het feit dat de toenmalige advocaten van eiser hem op een zitting niet langer vertegenwoordigden, na weigering van een uitstel op hun verzoek, gericht op het indienen van een wrakingsverzoek, belet de strafrechter niet het verzet tegen een veroordeling bij verstek ongedaan te verklaren, ook al is een dergelijk verzoek in beginsel bedoeld om de rechten van verdediging te vrijwaren. In zoverre beide onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen zij naar recht.
- De appelrechters hebben hun oordeel over ongedaan verzet gesteund op onder meer volgende gegevens: 1° Eiser was door zijn advocaat vertegenwoordigd op drie eerdere zittingen voor deze van 25 februari 2019
(21), 2° op de vierde zitting van 25 februari 2019 gingen zij niet in op een verzoek tot uitstel, om een wrakingsverzoek in te dienen, waarvan de appelrechters bij verstek oordeelden dat het verzoek tot uitstel van de zaak leek ingegeven door louter dilatoire doeleinden, 3°de bewering van eiser op verzet dat er een hoge graad van vijandschap zou bestaan tussen zijn advocaat en twee raadsheren wegens een andere zaak, vanwege een conflict in een andere zaak, wordt met geen enkel stuk aannemelijk gemaakt en mist elke geloofwaardigheid en 4°het afgewezen verzoek tot uitstel had als enkele bedoeling zich niet te hoeven verdedigen over de grond van de zaak en zich te onttrekken aan het gerecht. Met deze redenen is het bestreden arrest II naar recht verantwoord. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. 28. In de procedure op verzet gaf de huidige advocaat van eiser in een conclusie toelichting bij het incident op de zitting van 25 februari 2019 (verstekprocedure) en de reden van het wrakingsverzoek (p. 6). Het wrakingsverzoek vindt volgens deze raadsman zijn oorsprong in een eerder conflict ter zitting in een andere zaak tussen de toenmalige advocaat van eiser en twee van de raadsheren van de 15e kamer, waartegen de toenmalige advocaat een wrakingsverzoek wou indienen. In dat eerder conflict zouden deze raadsheren een tuchtklacht hebben ingediend tegen de toenmalige advocaat, in zijn hoedanigheid van plaatsvervangend magistraat. Pas op de zitting van 25 februari 2019 wist de toenmalige advocaat van eiser met zekerheid in welke samenstelling de 15e kamer van het hof van beroep te Brussel zou zetelen, zodat hij pas op dat moment een wrakingsverzoek kon instellen, “gelet op de rechtspraak van het Hof van Cassatie dat een wrakingsverzoek kennelijk onontvankelijk is-met alle potentiële gevolgen van dien- wanneer het is gericht tegen een niet-zetelende magistraat”
(22).
- Over het beweerde ‘eerder conflict’ tussen de voormalige advocaat van eiser en twee raadsheren van het hof van beroep te Brussel en over de tuchtklacht uitgaande van deze raadsheren werd in de conclusie ingediend tijdens de procedure op verzet geen concrete toelichting gegeven (zoals notitienummers, data of processtukken). Mij lijkt de memorie in cassatie op dit punt evenmin duidelijkheid te brengen. Uit de conclusie en de memorie blijkt overigens niet of de toenmalige advocaten van eiser op vermelde zitting van 25 februari 2019 een wrakingsverzoek ter griffie hebben ingediend en wat daarvan het resultaat was. De appelrechters namen aan dat: ”de bewering dat de raadsheren wegens een incident of conflict op een terechtzitting een tuchtklacht zouden hebben ingediend tegen de genoemde advocaat, in zijn hoedanigheid van plaatsvervangend raadsheer, wordt met geen enkel stuk aannemelijk gemaakt en mist elke geloofwaardigheid” (p. 10). Met deze motivering is afdoende geantwoord op het in conclusie geformuleerde verweer over de reden van het gevraagde uitstel in de verstekprocedure. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.
- Er is enige gelijkenis met de zaak waarin uw Hof uitspraak deed op 3 april
- In deze zaak had de verdediging de appelrechters verzocht de ‘instructiezitting’ te beperken tot de vordering van het openbaar ministerie en voor het overige de zaak uit te stellen, zodat zij de zaak zou kunnen pleiten. De appelrechters wezen dit verzoek af, waarop de beklaagde en zijn advocaat de zittingszaal verlieten. Tegen de veroordeling bij verstek werd verzet aangetekend en de verdediging wierp op dat haar afwezigheid in de verstekprocedure een wettige reden van verschoning uitmaakt. De appelrechters verklaarden het verzet ongedaan, op basis van art. 187, §6, 1° Sv., om reden dat de wetgever misbruiken in de verstekprocedure wou tegengaan en het aantekenen van verzet onmiddellijk na het verstekarrest niet bewijst dat de beklaagde geen bedoeling had zich aan het gerecht te onttrekken. Uw Hof verbrak deze uitspraak omdat de appelrechters geen rekening hielden met de omstandigheid dat de verdediging onmiskenbaar te kennen had gegeven zich voor het hof van beroep te willen verdedigen en om die reden had verzocht over een bijkomende termijn te mogen beschikken, om te antwoorden op de vordering van het openbaar ministerie
(23).
- In de zaak die thans voorligt, is de context verschillend, aangezien de appelrechters uit een reeks feitelijke vaststellingen (zoals het niet toelichten van een wrakingsverzoek om uitstel van de zaak te bekomen) uitdrukkelijk hebben geoordeeld dat het verweer van eiser op de terechtzitting van 25 februari 2019 (verstekprocedure) “werd opgeworpen met de enkele bedoeling zich niet te hoeven verdedigen over de grond van de zaak en zich te onttrekken aan het gerecht” (p. 10). Over de gerechtskosten oordeelden de appelrechters dat het verstek aan eiser te wijten was (p. 11). Mij lijkt dat de appelrechters met deze redenen hun beslissing van ongedaan verzet naar recht hebben beantwoord. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.
- Als tweede middel, eerste onderdeel, komt eiser op tegen het oordeel van de appelrechters dat de beslissing van zijn toenmalige advocaten, die hem vertegenwoordigden, om verstek te laten is genomen namens eiser “die hiervan, met de bijstand van zijn advocaten, voldoende de gevolgen kon inschatten”. Eiser voert aan dat hij niet op de hoogte was van het initiatief van zijn advocaten. Hij heeft dit standpunt in zijn conclusie voor de appelrechters nauwkeurig en uitvoerig toegelicht, aangegeven dat de beslissing van zijn toenmalige advocaten om niet aan het debat deel te nemen voor hem overmacht minstens een wettige reden van verschoning uitmaakt. De motivering in het bestreden arrest II over dit punt is ontoereikend. Hierdoor zijn artikelen 149 Grondwet, 440 Gerechtelijk Wetboek en 187§6 Wetboek van Strafvordering geschonden.
- Beoordeling. Zoals aangegeven door J. Huysmans, wordt de verhouding tussen de verdachte en zijn advocaat in een strafprocedure beheerst door twee fundamentele beginselen: 1°het principe van de eenheid van verdediging, wat inhoudt dat proceshandelingen van de advocaat in beginsel toerekenbaar zijn aan de procespartij, en 2°het beginsel dat de advocaat van de beklaagde geen zelfstandige procespartij is, maar slechts een van de beklaagde afgeleide positie heeft
(24). Wat betreft het eerste beginsel, bepaalt artikel 440, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek: “De advocaat verschijnt als gevolmachtigde van de partij zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving eist”. Hieruit volgt een weerlegbaar vermoeden dat een advocaat bij proceshandelingen optreedt binnen de perken van het mandaat van zijn cliënt
(25). 34. Behoudens tegenbewijs, mag de strafrechter ervan uitgaan dat het optreden van een advocaat op de terechtzitting overeenstemt met de opdracht die zijn cliënt hem opdroeg
(26). Het feit dat de cliënt niet zelf aanwezig was, zijn advocaat hem dus vertegenwoordigde, doet hieraan geen afbreuk. Het tweede beginsel over de “verdediging” als partij houdt in dat de verdachte de koers bepaalt, uiteindelijk beslist hoe zijn verweer wordt gevoerd, als “leidinggevende partij”(dominus litis)
(27). Proceshandelingen van een advocaat zijn dus in beginsel toerekenbaar aan de beklaagde die hij vertegenwoordigt, zodat de beklaagde negatieve procedurele gevolgen van deze proceshandeling moet ondergaan
(28), zoals ongedaan verzet wegens een onverantwoorde beslissing van de advocaat niet aan het debat in de verstekprocedure deel te nemen. 35. De toerekening van het optreden van een advocaat, als lasthebber, aan zijn cliënt, de beklaagde, is geen automatisme, maar een feitenkwestie, waarover de vonnisrechter onaantastbaar oordeelt. Uw Hof oordeelde meermaals dat als de bij verstek veroordeelde beklaagde problemen aanvoert met zijn advocaat, die hem op een zitting had moeten vertegenwoordigen, de vonnisrechter het verzet niet ongedaan mag verklaren, enkel om reden dat fouten van een advocaat aan zijn cliënt toerekenbaar zijn
(29). Steeds moet worden nagegaan of afwezigheid van de beklaagde en zijn advocaat is ingegeven door de wil van de beklaagde afstand te doen van zijn recht op verdediging of zich aan het gerecht te onttrekken. Nalatigheid van de beklaagde in de communicatie met zijn advocaat of omgekeerd is op zich onvoldoende als reden om de opgeworpen ‘wettige reden van verschoning’ af te wijzen en aldus het verzet ongedaan te verklaren wegens afwezigheid van de beklaagde en zijn advocaat op een vastgestelde zitting, waarop de zaak is behandeld
(30).
- Over het verweer in conclusie over de afwezigheid van een mandaat aan de advocaat om niet langer aan de debatten deel te nemen, hebben de appelrechters geoordeeld, met verwijzing naar art. 440 Ger.W., dat: 1° de toenmalige advocaten van eiser bij aanvang van de terechtzitting van 25 februari 2019 aangaven dat zij eiser vertegenwoordigden, 2° hun opdracht eiser te vertegenwoordigen niet wordt betwist, 3° de toenmalige advocaten van eiser wettelijk vermoed zijn een regelmatige lastgeving te hebben bekomen voor alle initiatieven die zij in naam van eiser hebben genomen, dus ook voor het gevraagde uitstel en de beslissing verstek te laten, 4° eiser niet aannemelijk maakt dat hij het mandaat van zijn advocaten zou hebben beperkt tot het pleiten over de grond van de zaak en 5° eiser niet aannemelijk maakt dat hij zijn advocaten zou hebben opgedragen onder geen beding-welke wending de behandeling van de zaak op de terechtzitting ook zou nemen- de zaak te laten uitstellen of verstek te laten gaan.
- Met deze redenen gaven de appelrechters antwoord op het in eisers conclusie geformuleerde verweer dat de initiatieven van zijn toenmalige advocaten hem niet kunnen worden toegerekend en voor hem een reden van overmacht of een wettige reden van verschoning uitmaken. De appelrechters namen ook aan dat het verweer over een reden tot wraking, om de afwezigheid tijdens een pleitzitting te rechtvaardigen, “werd opgeworpen met de enkele bedoeling zich niet te hoeven verdedigen over de grond van de zaak en zich te onttrekken aan het gerecht” (p. 10). In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor uw Hof geen bevoegdheid heeft, en is het niet-ontvankelijk.
- Als tweede middel, tweede onderdeel, werpt eiser op dat de appelrechters hebben nagelaten om aan de hand van alle concrete gegevens, zoals het onoordeelkundig handelen van zijn toenmalige advocaten, te beoordelen of eiser zich voor zijn verstek kan beroepen op overmacht of een wettige reden van verschoning. De appelrechters konden uit hun vaststellingen niet redelijkerwijze afleiden dat de afwezigheid van eiser en zijn advocaten op de zitting van 25 februari 2019 niet was ingegeven door een situatie van overmacht of een wettige reden van verschoning. Volgens eiser sluit art. 440 Ger.W. niet uit dat onoordeelkundig optreden of nalatigheden van advocaten, ook al zijn ze gesteld binnen hun mandaat en zijn ze principieel toerekenbaar aan hun cliënt, voor hun cliënt een situatie van overmacht of een wettige reden van verschoning kunnen uitmaken. Door dit aspect niet in rekening te brengen, hebben de appelrechters de artikelen 149 Grondwet, 440 Gerechtelijk Wetboek en 187, §6 Wetboek van Strafvordering geschonden.
- Beoordeling. De appelrechters hebben niet geoordeeld dat de voormalige advocaten van eiser bij het laten van verstek onoordeelkundig hebben gehandeld of een nalatigheid hebben begaan. In zoverre het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest II, mist het feitelijke grondslag.
- Zoals hoger aangegeven, hebben de appelrechters wettig geoordeeld dat de handelswijze van de voormalige advocaten van eiser op de zitting van 25 februari 2019, waarop de zaak werd behandeld en in beraad werd genomen, geen overmacht of wettige reden van verschoning oplevert, zodat zijn verzet ongedaan is op grond van art. 187, §6, 1° Wetboek van Strafvordering. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Besluit Er is geen noodzaak tot het aanvoeren van ambtshalve middelen in cassatie. Advies: Verwerping. ________________________
(1)Cass. 10 september 2019, AR P.19.0765.N, arrest niet gepubliceerd.
(2)M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012, 91-111; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2017, 1446-1481; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, Gompel&Svacina, 2019, 855-856.
(3)Cass. 7 juni 2011, AR P.11.0172.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110607.6, AC 2011, nr. 384; Cass. 30 mei 2007, AR P.07.0216.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070530.3, AC 2007, nr. 282. Zie ook T. VANDER BEKEN, Forumkeuze in het internationaal strafrecht, Antwerpen, Maklu, 1990, 90; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012, 1447; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, 819; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2017, 107.
(4)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, 718-719; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2017, 1362; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, Gompel&Svacina, 2019, 1333-1335.
(5)Cass. 18 juni 2019, AR P.19.0216.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190618.1, AC 2019, nr. 375; Cass. 13 november 2018, AR P.18.0787.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.7, AC 2018, nr. 630; Cass. 23 oktober 2012, AR P.12.0300.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121023.7, AC 2012; nr. 555, RW 2013-14, 501; Cass. 6 juni 2012, AR P.11.0902.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120605.3, AC 2012, nr. 361; Cass. 8 juni 2011, AR P.11.0570.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110608.4, AC 2011, nr. 391 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.. Zie L. HUYBRECHTS, “Dubieuze vonnissen vermijden”, in Na rijp beraad. Liber amicorum Michel Rozie, Antwerpen, Intersentia, 2014, 251-274; J. VERBIST en Ph. TRAEST, “Cassatiemiddelen in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Antwerpen, Intersentia, 2014, 108.
(6)Vb. Cass. 6 februari 2008, AR P.07.1497.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080206.5, AC 2008, nr. 87; Cass. 24 september 2004, AR P.04.0705.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040914.2, AC 2004, nr. 404. Zie L. HUYBRECHTS en M. ROZIE, “De rechten van verdediging bij de behandeling van de zaak ten gronde”, N.C. 2008, nr. 404; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2017, 1178.
(7)Cass. 26 juni 1990, AR 3844, AC 1989-90, nr. 629.
(8)Over de vroegere regeling, die toeliet dat een partij steeds de debatten kon verlaten, om daarna een proces op verzet te bekomen, mits ontvankelijk verzet, zie L. ARNOU, “Het laten van verstek en het aantekenen van verzet in strafzaken. Een hoogmis van het recht op een eerlijk proces en de rechten van verdediging”, in Na rijp beraad. Liber amicorum Michel Rozie, Antwerpen, Intersentia, 2014, 1-18.
(9)M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2017, 1475-1478; K. DE BACKER, “Het verzet in strafzaken: een verdere verruiming van de wettige reden van verschoning door het Hof van Cassatie”, N.C. 2019, 548-553; O. MICHIELS en G. FALQUE, Principes de la procédure pénale, Brussel, Larcier, 2019, 502-508; V. VEREECKE, “Wettige reden ter verschoning bij ongedaanverklaring van het verzet in strafzaken”, R.A.B.G. 2019, 665-675.
(10)Cass. 25 januari 2017, AR P.16.1126.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.9, AC 2017, nr. 55, R.D.P. 2017, 737, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 18 november 2003, AR P.03.0937.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031118.18, AC 2003, nr. 576; Cass. 6 juni 1995, RW 1995-96, 568 noot L. VAN OVERBEKE; Cass. 18 oktober 1988, AR 2317, AC 1988-89, nr. 96. Zie ook M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012, 1009; D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Antwerpen, Intersentia, 2013, 172-173; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, 1438; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, Brugge, Die Keure, 2014, 241; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2017, 1475; O. MICHIELS en G. FALQUE, Principes de la procédure pénale, Brussel, Larcier, 2019, 508.
(11)Wetsontwerp van 23 oktober 2015 houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, doc 54 1418/001, p. 73-76, www.dekamer.be
(12)EHRM 7 mei 2001, Medenica t/Zwitserland; EHRM 1 maart 2006, Sejdovic t/Italië, §82 en 86; EHRM 1 maart 2011, Faniel t/België, §26, EHRM 22 mei 2012, Idalov t/Rusland, §173 en 177, EHRM 12 februari 2015, Saunder t/Kroatië, §78 www.echr.coe.int. Zie A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Antwerpen, Intersentia, 2019, 284-315.
(13)Cass. 19 december 2017, AR P.17.1340.N, AC 2017, nr. 718. Zie alg. over overmacht in het strafprocesrecht J. MEESE, “Overmacht in het strafprocesrecht”, in Overmacht, Antwerpen, Intersentia, 2015, 149-169.
(14)T. DE MEESTER, “Rechtsmiddelen”, in Potpourri II- Strafrecht en strafprocesrecht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 122-129; S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (“Potpourri II”) (eerste deel), RW 2016-17, 1405-1411, A. WINANTS, “Potpourri II: de nieuwe regels inzake verstek en verzet in strafzaken”, N.C. 2016, 333-339; Ph. TRAEST en J. MEESE, « De rechtsmiddelen verzet en hoger beroep: actualia », in Strafrecht en strafprocesrecht: doel of middel in een veranderende samenleving, Kluwer, 2017, 537-542; D. VANDERMEERSCH, “Les voies de recours après la loi Potpourri II”, in La loi Pot-Pourri II. Un ans après, Brussel, Larcier, 2017, 243-248; J. MAES, L. AUGUSTYNS en H. BERCKMOES, Actualia strafprocesrecht en Potpourri II, Antwerpen, Intersentia, 2017, 51-54; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2017, 1476-1478; M. ALIE, “Caractère avenu de l’opposition: lueur d’espoir face à une appréciation souveraine laissée pour compte? », R.D.P. 2018, 922-932; O. MICHIELS, “Petite discussion sur les thèmes de l’opposition non avenue et du droit d’assister en personne à son procès”, R.D.P. 2018, 1014-1024; K. DE BACKER, “Het verzet in strafzaken: een verdere verruiming van de wettige reden van verschoning door het Hof van Cassatie”, N.C. 2019, 549-553; S. LAMBERIGTS, « Ongedaan verzet: eigen schuld, dikke bult? », T. Strafr. 2019, 235-242; O. MICHIELS en G. FALQUE, Principes de la procédure pénale, Brussel, Larcier, 2019, 502-508; C. VAN DEN WYNGAERt, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, Gompel&Svacina, 2019, 1414, V. VEREECKE, “Wettige reden van verschoning bij ongedaanverklaring van het verzet in strafzaken”, R.A.B.G. 2019, 665-671.
(15)GwH 21 december 2017, arrest 148/2017, www.const-court.be, B.35.2. zie M.A. BEERNAERT en D. VANDERMEERSCH, “La Cour constitutionnelle recadre le législateur ‘pot pourri II’: l’arrêt 148/2017 du 21 décembre 2017”, J.T. 2018, p. 86; R. VILAIN en W. YPERMAN, “Grondwettelijk Hof van 21 december 2017: it came like a wrecking ball”, N.C. 2018, 10-12; E. DELHAISE en O. NEDERLANDT, “Légiférer coûte que coûte?”, R.D.P. 2018, 546-549; A. WINANTS “Verzet in strafzaken na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 21 december 2017”, N.C. 2018, 40; S. LAMBERIGTS, « Ongedaan verzet: eigen schuld, dikke bult? », T. Strafr. 2019, 237-239; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, Gompel&Svacina, 2019, 1413.
(16)GwH 21 december 2017, arrest 148/2017, www.const-court.be, B.35.2., N.C. 2018, 86.
(17)Cass. 25 april 2017, AR P.17.0066.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170425.5, AC 2017, nr. 286 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER, N.C. 2017, 1413.
(18)Cass. 8 oktober 2019, AR P.19.0636.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.3, AC 2019, nr. 508; Cass. 17 september 2019, AR P.18.1192.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190917.1, AC 2019, nr. 461; Cass. 25 juni 2019, AR P.19.0229.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 3 april 2019, AR P.19.0032.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190403.1, AC 2019, nr. 206 met concl. in hoofdzaak van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., N.C. 2019, 548 noot K. DE BACKER; Cass. 27 februari 2019, AR P.18.0982.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190227.1, AC 2019, nr. 123; Cass. 23 januari 2019, AR P.18.0530.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190123.11, AC 2019, nr. 40; Cass. 6 juni 2018, AR P.18.0404.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180606.4, AC 2018, nr. 360 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., J.L.M.B. 2018, 1440; Cass. 9 mei 2018, AR P.17.1114.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180509.2, AC 2018, nr. 297; Cass. 27 februari 2018, AR P.17.1074.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.6, AC 2018, nr. 130, met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS N.C. 2018, 309 en noot E. DE ROOS, T. Strafr. 2018, 240 noot T. D.;
(19)Cass. 25 juni 2019, AR P.19.0229.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 25 juni 2019, AR P.19.0482.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190625.4, arrest niet gepubliceerd.
(20)Cass. 8 oktober 2019, AR P.19.0636.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.3, AC 2019, nr. 508; Cass. 10 september 2019, AR P.19.0330.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 25 juni 2019, AR P.19.0482.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190625.4, arrest niet gepubliceerd; Cass. 30 januari 2019, AR P.18.0502.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190130.5, AC 2019, nr. 57; Cass. 21 maart 2018, AR P.17.1062.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180321.11, AC 2018, nr. 196; Cass. 9 mei 2018, AR P.17.114.F, AC 2018, nr. 297; Cass. 19 december 2017, AR P.17.0340.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171219.2, AC 2017, nr. 718.
(21)De inleidingszitting van 19 september 2016, de zitting van 18 december 2017 waarop de zaak was behandeld en in beraad genomen en de zitting van 3 december 2018 waarop na tussenarrest van 29 oktober 2019 nieuwe conclusietermijnen en een nieuwe rechtsdag werden vastgesteld.
(22)In de conclusie voor de appelrechters verwijst de raadsman van eiser naar “Cass. 8 januari 2002, AR P.01.1672.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020108.6, AC 2002, nr. 710” (p. 6).
(23)Cass. 3 april 2019, AR P.19.0032.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190403.1, AC 2019, nr. 206 met concl. in hoofdzaak van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., N.C. 2019, 548 noot K. DE BACKER, “Het verzet in strafzaken: een verdere verruiming van de wettige reden van verschoning door het Hof van Cassatie”.
(24)J. HUYSMANS, “Procesmisbruik door de verdediging in de strafprocedure: een contradictio in terminis?”, RW 2016-17, 802-815.
(25)Vb. Cass. 8 maart 2018, AR C.17.0394.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180308.4, AC 2018, nr. 164. Zie ook J. STEVENS en I. VANDEVELDE, “Commentaar bij art. 440 Ger.W.”, in Commentaar gerechtelijk recht, Kluwer, 2010, 1-15 (in het bijzonder p. 14, wat betreft de toerekening van fouten van de advocaat aan zijn cliënt).
(26)In die zin zie Cass. 25 juni 2019, AR P.19.0482.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190625.4, AC 2019, nr. 399, ro.5.
(27)J. HUYSMANS, “Procesmisbruik door de verdediging in de strafprocedure: een contradictio in terminis?”, RW 2016-17, 804-806.
(28)J. HUYSMANS, “Procesmisbruik door de verdediging in de strafprocedure: een contradictio in terminis?”, RW 2016-17, 806.
(29)Cass. 3 april 2019, AR P.19.0032.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190403.1, AC 2019, nr. 206, N.C. 2019, 548 noot K. DE BACKER; Cass. 27 februari 2019, AR P.18.0982.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190227.1, AC 2019, nr. 123, T. Strafr. 2019, 662; Cass. 29 januari 2019, AR P.18.1046.N, R.A.B.G. 2019, 662 noot V. VEREECKE, T. Strafr. 2019 664;
(30)Cass. 6 juni 2018, AR P.18.0404.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180606.4, AC 2018, nr. 360 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., J.L.M.B. 2018, 1440; Cass. 27 februari 2018, AR P.17.1074.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.6, AC 2018, nr. 130, N.C. 2018, 309 met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS en noot E. DE ROOS, T. Strafr. 2018, 240 noot T. D.. Zie ook O. MICHIELS en G. FALQUE, Principes de la procédure pénale, Brussel, Larcier, 2019, 506-507. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200617.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200617.2N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020108.6 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031118.18 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040914.2 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070530.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080206.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110607.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110608.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120605.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121023.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.9 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170425.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171219.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180308.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180321.11 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180509.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180606.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190123.11 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190130.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190227.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190403.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190618.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190625.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190917.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200603.2F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div