← België

ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200625.1N.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200625.1N.5 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200625.1 Rolnummer: C.18.0144.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2021-12-06 Raadplegingen: 1726 - laatst gezien 2026-06-20 17:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200625.1N.5 Fiche 1 De vrijheid om enige economische activiteit naar keuze uit te oefenen en de vrijheid van ondernemen omvatten de vrijheid van mededinging die slechts aan beperkingen kan worden onderworpen bij wet of overeenkomst, waarbij de wet niet voorziet in een concurrentieverbod voor een bestuurder van een vennootschap

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ECONOMIE Vrije woorden: Vrijheid van koophandel en nijverheid - Vrijheid van mededinging - Beperkingen - Bestuurder van een vennootschap - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wetboek 28 februari 2013 van economisch recht - 28-02-2013 - Artt. II.3 en II.4 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiches 2 - 3 De loyauteitsplicht van een bestuurder van een vennootschap tot niet-mededinging met de vennootschap, die volgt uit de verplichting om het mandaat van bestuurder van een vennootschap te goeder trouw uit te voeren, neemt een einde bij het beëindigen van het mandaat van bestuurder, tenzij anders is overeengekomen en onverminderd het verbod tot het stellen van dagen van oneerlijke mededinging
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - Algemeen Vrije woorden: Uitvoering te goeder trouw - Mandaat van bestuurder - Loyauteitsplicht - Duur - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1134, derde lid, en 1135 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Vrije woorden: Mandaat van bestuurder - Uitvoering - Loyauteitsplicht - Duur - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1134, derde lid, en 1135 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Annotaties Publicaties: Revue Générale de Droit Civil Belge [RGDC] - SERVAIS, Magali; Note 'Friction entre libre concurrence et exécution de bonne foi des conventions: la Cour de cassation fixe les limites de l'obligation de non-concurrence' - 2021, n° 2, p. 79-
  1. Nieuw Juridisch Weekblad [NJW] - 2021, nr. 438, p. 194-199 (noot) 211-212 (arrest). - DE GEYTER, Sarah; Noot'Niet-concurrentieverbintenis van bestuurders. Tijdens en na de beëindiging van hun bestuursmandaat' Tekst van de conclusie C.18.0144.N Conclusie van advocaat-generaal E. Herregodts: Situering Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende.
  2. Verweerster, die actief is in de verzekeringsbemiddeling, werd opgericht door tweede eiser, derde eiseres en Stefaan Janssens. Zij werd aanvankelijk bestuurd door tweede eiser en Stefaan Janssens en vanaf eind 2010 door deze laatste en de managementvennootschap van tweede eiser, te weten eerste eiseres.
  3. Tweede en derde eisers verkochten hun aandelen in verweerster aan Stefaan Janssens. De eigendomsoverdracht vond plaats op 1 juli
  4. Tijdens een buitengewone algemene vergadering van verweerster werd akte genomen van het ontslag van eerste eiseres als zaakvoerster van verweerster. Eerste eiseres bleef daarna nog prestaties leveren voor verweerster, waarvoor zij een maandelijkse vergoeding ontving.
  5. Gevoerde onderhandelingen met het oog op de overname door tweede en derde eisers van de volledige verzekeringsportefeuille van verweerster, werden door tweede en derde eisers beëindigd op 5 november 2016, waarna vierde eiseres, een door tweede en derde eisers inmiddels opgerichte vennootschap die de verzekeringsmakelaardij als maatschappelijk doel heeft, in december 2016 een aanvang nam met haar activiteiten.
  6. Verweerster dagvaardde eisers voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, zetelend in kort geding, wegens vermeende onrechtmatige concurrentie.
  7. Bij beschikking van 16 juni 2017 legde de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen, zetelend in kort geding, naar wie de zaak was verwezen, het verbod op aan eisers om gedurende een periode van één jaar vanaf de betekening van de beschikking de natuurlijke personen of rechtspersonen die op 5 november 2016 klant waren van verweerster, rechtstreeks dan wel via een aangestelde of lasthebber of via enige verbonden onderneming op welke wijze dan ook te benaderen met de bedoeling om of met als gevolg met deze klanten een klantenrelatie aan te gaan, dan wel met de bedoeling om of met als gevolg dat met deze klanten door een derde, in het bijzonder vierde eiseres, een klantenrelatie aangegaan wordt, dit alles onder verbeurte van een dwangsom. Aan vierde eiseres (de vermelding van “verweerders” is duidelijk een verschrijving) werd bevolen een gedetailleerd afschrift van haar klantenlijst en een overzicht van de verzekeringspolissen per klant neer te leggen ter griffie.
  8. Recht doend op het hoger beroep van eisers en het incidenteel beroep van verweerster tegen voormelde beschikking, verklaarde het hof van beroep te Antwerpen bij arrest van 9 november 2017 het incidenteel beroep van verweerster ongegrond en het hoger beroep van eisers slechts zeer beperkt gegrond, met name in de mate dat werd beslist dat het bij beschikking van 16 juni 2017 opgelegde verbod zou verstrijken op 5 november
  9. In een tijdige en regelmatige voorziening in cassatie komen eisers, met één middel met drie onderdelen, op tegen dit arrest. Bespreking
  10. Eisers komen met hun middel op tegen het oordeel van de appelrechters dat eerste eiseres na 30 juni 2016 nog bestuurdersprestaties leverde voor verweerster, zodat zij tot 5 november 2016 feitelijk zaakvoerder daarvan was en tegen de beslissing dat eisers na 5 november 2016 gedurende één jaar gehouden waren door een concurrentieverbod, dat zij hebben geschonden. Eerste onderdeel
  11. Eisers voeren met hun onderdeel twee grieven aan.
  12. Zij voeren aan dat de appelrechters de bewijskracht van de stukken 6, 8 en 19 van verweerster schenden door van deze stukken een uitlegging te geven die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Krachtens de vaste rechtspraak van uw Hof betreft de miskenning van de bewijskracht van een akte de uitleg van de bewoordingen ervan, eventueel in samenhang met de stukken naar dewelke die akte verwijst. Ze betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de door hem uitgelegde akte maakt
(1). De appelrechters oordelen dat uit de stukken 19, 6 en 8 van verweerster het bewijs kan worden afgeleid dat de eerste eiseres prima facie na 30 juni 2016 nog bestuurdersprestaties leverde voor verweerster die verder reikten dan louter de behartiging van verzekeringsdossiers met uitsluiting van taken van beheer. Hierdoor hebben de appelrechters geen uitleg gegeven van de bewoordingen van die akten, maar hebben zij uit deze akten, gelezen in hun onderlinge samenhang, bepaalde feitelijke gevolgen afgeleid. Eisers voeren met hun grief aan dat de appelrechters die gevolgen niet uit voornoemde stukken hadden mogen afleiden. Nu deze grief geen verband houdt met de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, komt het mij voor dat het onderdeel in zoverre het een schending aanvoert van de voormelde artikelen, niet ontvankelijk is.
  1. Met een tweede grief voeren eisers de miskenning aan door de appelrechters van de bewijskracht van de stukken 6 en 8 van verweerster doordat zij oordelen dat deze uitgaan van tweede eiser als zaakvoerder van verweerster, daar waar uit de vermeldingen in deze akten blijkt dat tweede eiser de zaakvoerder was van eerste eiseres. De aangevoerde grief heeft geen invloed op de wettigheid van de beslissing van de appelrechters. Deze oordelen zoals zij hadden moeten doen indien zij de aangevoerde miskenning van de bewijskracht van akten niet hadden begaan. Het onderdeel vertoont in zoverre mijns inziens dan ook geen belang, zodat het in zoverre eveneens niet ontvankelijk voorkomt. Tweede onderdeel
  2. Volgens eisers is het oordeel van de appelrechters dat zij na 5 november 2016 en gedurende één jaar vanaf dan, door een niet-concurrentieverplichting waren gehouden, in strijd met de artikelen 1134, derde lid en 1135 Burgerlijk Wetboek en met het principe van de vrijheid van handel en nijverheid, vervat in het Decreet D’allarde en thans bepaald in de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van Economisch Recht (kortweg “WER”).
  3. De appelrechters hebben, op grond van een nawerking van de goede trouw, een verbod opgelegd aan een bestuurder (aanvankelijk de tweede eiser en vervolgens diens managementvennootschap, de eerste eiseres) van een vennootschap (verweerster), om gedurende een beperkte tijd (één jaar) na het einde van de bestuurdersovereenkomst met die vennootschap te concurreren door de uitoefening van een concurrerende activiteit in een nieuw opgerichte vennootschap (vierde eiseres), waarin de bestuurder (tweede eiser) als zaakvoerder is benoemd. De rechtsvraag die zich stelt, is of een postcontractuele niet-concurrentieverbintenis kan worden afgeleid uit de verplichting om overeenkomsten te goeder trouw uit te voeren, vervat in de artikelen 1134, derde lid, en 1135 Burgerlijk Wetboek, wanneer in een overeenkomst geen uitdrukkelijk niet-concurrentiebeding is opgenomen. Er wordt algemeen aanvaard dat de goede trouw een aanvullende werking heeft, krachtens dewelke het de rechter toegelaten is om bij een leemte in het contract, en zelfs los van enig interpretatieprobleem, bijkomende verplichtingen (positieve en negatieve) aan de contractpartijen op te leggen, buiten de contractuele plichten die reeds in het contract werden bepaald of die aan het contract, ingevolge zijn aard, worden toegevoegd krachtens de wet of het gebruik. De aanvullende verplichtingen worden dus niet gesteund op de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen. Artikel 1135 Burgerlijk Wetboek vormt een concretisering van deze aanvullende werking van de goede trouw. Het bepaalt immers dat het contract niet alleen verbindt tot hetgeen daarin uitdrukkelijk is bepaald, maar ook tot alle gevolgen die door de billijkheid, het gebruik of de wet aan de verbintenis, volgens de aard ervan, worden toegekend. De aanvullende werking van de goede trouw houdt voor partijen de verplichting in om loyaal samen te werken met het oog op de goede afloop van de overeenkomst. Zij moeten niet alleen met hun eigen belangen rekening houden, maar ook met de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. De goede trouw legt aan partijen aldus een gedragsregel op
(2). Deze loyauteitsplicht, voortvloeiende uit de aanvullende werking van de goede trouw, kan in bepaalde gevallen impliciete niet-concurrentieverbintenissen doen ontstaan, ook al bestaat er geen uitdrukkelijk niet-concurrentiebeding
(3). Zo rust ook op de bestuurders of zaakvoerders van een vennootschap een impliciete niet-concurrentieverbintenis, die haar grondslag vindt in de verplichting tot uitvoering van de bestuurdersovereenkomst te goeder trouw. Deze verbintenis houdt in dat de bestuurders of zaakvoerders noch een bestuursmandaat, aandeelhouderschap of tewerkstelling in een concurrerende onderneming mogen aanvaarden noch zelf een concurrerende activiteit mogen opstarten
(4). De vraag rijst evenwel of zulke impliciete niet-concurrentieverbintenis voor de bestuurder of zaakvoerder van een vennootschap, voortvloeiende uit de verplichting om de bestuurdersovereenkomst te goeder trouw uit te voeren krachtens de artikelen 1134, derde lid, en 1135 Burgerlijk Wetboek, kan voortbestaan na de beëindiging van de overeenkomst. Gelet op de huidige stand van de rechtsleer en het wetsvoorstel van 3 april 2019 tot invoeging van boek 5 “Verbintenissen” in het nieuw Burgerlijk Wetboek dient deze vraag mijns inziens bevestigend te worden beantwoord. In de rechtsleer wordt aangenomen dat na het einde van de overeenkomst geen juridische leegte (“néant juridique”) ontstaat, maar zogenaamde postcontractuele verbintenissen kunnen bestaan
(5). Die verbintenissen kunnen in twee categorieën worden opgedeeld. Enerzijds kunnen zij gericht zijn op het verleden. Zij verzekeren dan de “vereffening” van de toestand die de overeenkomst tussen de partijen heeft doen ontstaan (bv. postcontractuele restitutieverplichting na de vernietiging of ontbinding van de overeenkomst). Anderzijds kunnen de postcontractuele verbintenissen gericht zijn op de toekomst. Zij houden in dat geval een daadwerkelijke verlenging in van de contractuele verhouding tussen partijen. Bepaalde toekomstgerichte verbintenissen bestonden reeds tijdens de duur van het contract en worden verlengd na het einde van het contract (zoals de niet-concurrentieverbintenis), terwijl andere net ontstaan na de beëindiging van de overeenkomst
(6). De rechtsleer erkent dat impliciete postcontractuele verbintenissen, waaronder de impliciete niet-concurrentieverbintenis, hun grondslag vinden in de overeenkomst zelf, namelijk in de verplichting om die overeenkomst te goeder trouw uit te voeren
(7). Hieruit volgt dat ook uit de bestuurdersovereenkomst nog impliciete postcontractuele verbintenissen voortvloeien op grond van de loyauteitsplicht, zoals de niet-concurrentieverbintenis. Het betreft een zuiver contractuele plicht met uitwerking na de overeenkomst, op grond van een zekere “nawerking” van de verplichting om de overeenkomst te goeder trouw uit te voeren
(8). In navolging van deze rechtsleer wordt ook in artikel 5:117 van het wetsvoorstel van 3 april 2019 tot invoeging van boek 5 “Verbintenissen” in het nieuw Burgerlijk Wetboek aangenomen dat na het einde van de overeenkomst postcontractuele verbintenissen en bedingen kunnen bestaan. Zo wordt in lid 1 bepaald dat “de beëindiging van het contract geen gevolgen heeft voor de verbintenissen en bedingen die, gelet op de bedoeling van de partijen en op de grond van tenietgaan, zijn bestemd om van toepassing te blijven.” Lid 2 bepaalt bovendien dat “de wet, de goede trouw of de gebruiken ook verbintenissen kunnen opleggen na het einde van het contract”
(9). Bepaalde auteurs menen weliswaar dat de impliciete niet-concurrentieverbintenis op grond van de loyauteitsplicht sowieso een einde neemt na de beëindiging van de bestuurdersovereenkomst. De contractuele aard van de loyauteitsplicht zou immers impliceren dat zij niet pre- of postcontractueel kan spelen
(10). Deze opvatting miskent evenwel mijns inziens dat bepaalde contractuele verbintenissen nog verder uitwerking kunnen hebben na het einde van de overeenkomst. De bron van die verbintenissen blijft de overeenkomst zelf, met name de verplichting om die overeenkomst te goeder trouw uit te voeren. Uit het bovenstaande volgt dat een impliciete niet-concurrentieverbintenis voor de bestuurder of zaakvoerder van een vennootschap, voortvloeiend uit de verplichting om de bestuurdersovereenkomst te goeder trouw uit te voeren krachtens de artikelen 1134, derde lid, en 1135 Burgerlijk Wetboek, kan voortbestaan na het einde van de bestuurdersovereenkomst, op grond van een nawerking van voornoemde verplichting tot uitvoering te goeder trouw. Het komt mij voor dat in zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat uit de verplichting om de overeenkomst te goeder trouw uit te voeren geen impliciete postcontractuele niet-concurrentieverbintenis voor de bestuurder of zaakvoerder kan worden afgeleid, omdat de verplichting tot uitvoering van de overeenkomst te goeder trouw enkel van toepassing is tijdens het bestaan van de overeenkomst, het faalt naar recht. 14. De bepalingen die zich verzetten tegen een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van ondernemen, zijn van openbare orde
(11). Het beginsel van vrijheid van beroep, handel en nijverheid heeft als doel enerzijds de concurrentie en de goede werking van de markt te beschermen en, anderzijds, de loyauteit tussen ondernemingen te vrijwaren door foutieve handelingen, die een ongeoorloofd gebruik van de vrije concurrentie uitmaken, te verbieden
(12). De vraag rijst of het afleiden van een postcontractuele niet-concurrentieverbintenis uit de verplichting om een overeenkomst te goeder trouw uit te voeren krachtens de artikelen 1134, derde lid, en 1135 Burgerlijk Wetboek, verenigbaar is met het beginsel van vrijheid van beroep, handel en nijverheid, zoals vervat in de artikelen 7 van het Decreet d’Allarde van 2 - 17 maart 1791 en in artikel II.3 WER. Volgens bepaalde rechtsleer houdt de impliciete niet-concurrentieverbintenis voor de bestuurder of zaakvoerder van een vennootschap op grond van de verplichting tot uitvoering van de overeenkomst te goeder trouw, op bij de beëindiging van de bestuurdersovereenkomst, aangezien beperkingen op de vrijheid van beroep, handel en nijverheid restrictief geïnterpreteerd moeten worden
(13). De vrijheid van beroep, handel en nijverheid zou zich volgens die rechtsleer dus verzetten tegen de aanvaarding van een impliciete postcontractuele niet-concurrentieverbintenis op grond van een nawerking van de goede trouw. Dit is mijns inziens evenwel een te strenge, absolute toepassing van het beginsel van vrijheid van beroep, handel en nijverheid. Of een postcontractuele niet-concurrentieverbintenis nu uitdrukkelijk bedongen is of impliciet in de overeenkomst is vervat, op grond van een nawerking van de verplichting om deze overeenkomst te goeder trouw uit te voeren, zal de rechter de niet-concurrentieverbintenis in elk geval moeten toetsen aan het beginsel van vrijheid van beroep, handel en nijverheid. Hij zal het concurrentieverbod enkel aanvaarden voor zover dit niet strijdig is met dit beginsel. Zo oordeelt uw Hof in vaste rechtspraak inzake een uitdrukkelijk niet-concurrentiebeding dat de artikelen 7 van het Decreet d’Allarde van 2-17 maart 1791 en II.3 WER, “die zich verzetten tegen een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van ondernemen, van openbare orde zijn. Het beding dat een onredelijke beperking van de concurrentie naar voorwerp, territorium of duur oplegt, is bijgevolg nietig. Indien een overeenkomst of een beding strijdig is met een bepaling van openbare orde en bijgevolg nietig is, kan de rechter indien een partiële nietigheid mogelijk is, de nietigheid, behalve als de wet dit verbiedt, beperken tot het met deze bepaling strijdige gedeelte van de overeenkomst of het beding, op voorwaarde dat het voortbestaan van de gedeeltelijk vernietigde overeenkomst of het gedeeltelijk vernietigde beding beantwoordt aan de partijbedoeling”
(14). In zijn conclusie voor het voormelde cassatiearrest van 25 juni 2015 benadrukte advocaat-generaal Th. Werquin dat het essentiële criterium voor de beoordeling van een niet-concurrentiebeding in het licht van de vrijheid van beroep, handel en nijverheid, dat van de evenredigheid is: het concurrentieverbod moet in verhouding staan tot zijn rechtmatig doel, namelijk dat van de bescherming van het cliënteel van de begunstigde. Zo zal een niet-concurrentiebeding dat buitensporig is wat de duur, het territorium of het voorwerp betreft, niet langer gerechtvaardigd zijn in het licht van het rechtmatige doel van de bescherming van de begunstigde. De rechter zal deze evenredigheid met het rechtmatig doel van het niet-concurrentiebeding soeverein in feite moeten afwegen volgens de concrete omstandigheden van de zaak
(15). Het lijkt mij dat de rechter inzake een impliciete postcontractuele niet-concurrentieverbintenis, afgeleid uit de verplichting om de overeenkomst te goeder trouw uit te voeren, een gelijkaardige afweging zal moeten maken tegen het beginsel van vrijheid van beroep, handel en nijverheid. Hij zal een dergelijke niet-concurrentieverbintenis slechts kunnen aanvaarden voor zover zij geen onredelijke beperking van de concurrentie naar voorwerp, territorium of duur inhoudt. Zo zal de reikwijdte van de postcontractuele niet-concurrentieverbintenis bepaald worden door de werkelijk uitgeoefende activiteiten van de vennootschap
(16). De duur van de postcontractuele niet-concurrentieverbintenis zal in feite bepaald worden door de omvang van het concurrentiële voordeel dat de bestuurder uit zijn voormalig bestuursmandaat put. De postcontractuele niet-concurrentieverbintenis zal aldus langer duren wanneer een zaakvoerder in rechtstreeks contact stond met zijn klanten
(17). Daarnaast houdt de nawerking van het concurrentieverbod op grond van de goede trouw nauw verband met de nawerking van de discretieplicht van de bestuurder of zaakvoerder. Zo mag de bestuurder na de beëindiging van zijn mandaat niet met de vennootschap concurreren door gebruikmaking van informatie die hij krachtens zijn discretieplicht niet mocht bekendmaken. Hij zal dus niet mogen proberen klanten af te werven van de vennootschap door gebruik te maken van specifieke kennis die hij als bestuurder van die bepaalde vennootschap heeft opgedaan
(18). De appelrechters hebben de postcontractuele niet-concurrentieverbintenis mijns inziens op een correcte wijze afgewogen tegen het beginsel van vrijheid van beroep, handel en nijverheid, in het licht van bovenstaande criteria. Enerzijds beperken zij de reikwijdte van het concurrentieverbod tot de werkelijk uitgeoefende activiteit van verweerster, namelijk de verzekeringsbemiddeling. Anderzijds bepalen zij de duur van het verbod (één jaar vanaf het einde van de bestuurdersovereenkomst op 5 november 2016) in functie van het grote concurrentiële voordeel dat eerste en tweede eisers hebben geput uit hun bestuursmandaat in verweerster. Zij waren immers grotendeels verantwoordelijk voor het aanwerven en behouden van cliënteel en eerste eiseres heeft na haar formele zaakvoerderschap in verweerster nog een feitelijk zaakvoerderschap waargenomen waarbij zij instond voor het dagelijks bestuur. Deze afweging lijkt mij in overeenstemming te zijn met het beginsel van de vrijheid van beroep, handel en nijverheid. Bovendien blijkt uit de vaststellingen van de appelrechters dat de inbreuken op het concurrentieverbod door eisers reeds ingebed waren in de overeenkomst zelf. Tweede en derde eisers hadden reeds op 10 oktober 2016 – dit is vóór de beëindiging van het feitelijk zaakvoerderschap van eerste eiseres in verweerster op 5 november 2016 – een vennootschap met een concurrerende activiteit (vierde eiseres) opgericht en tweede eiser als zaakvoerder van die nieuwe vennootschap benoemd. Daarnaast werden in februari 2016 – dit is op een ogenblik dat eerste eiseres nog formeel zaakvoerder was van verweerster – de maritieme verzekeringen van Nederlandse klanten op verzoek van tweede eiser opgezegd bij de verweerster en rechtstreeks verzekerd bij Ava verzekeringen. Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt eveneens dat de postcontractuele inbreuken op het concurrentieverbod nauw verband houden met de schending van de discretieplicht. De appelrechters stellen immers vast dat na de beëindiging van de bestuurdersovereenkomst op 5 november 2016 rond de 245 klanten van verweerster naar vierde eiseres overstapten door toedoen van eerste en tweede eisers, die gebruik hebben gemaakt van specifieke informatie die zij krachtens hun discretieplicht niet mochten bekendmaken. In het licht van het bovenstaande kan naar ik meen worden besloten dat het onderdeel naar recht faalt, in zoverre het ervan uitgaat dat het beginsel van vrijheid van beroep, handel en nijverheid zich er in elk geval tegen verzet dat uit de verplichting om een overeenkomst te goeder trouw uit te voeren, een impliciete postcontractuele niet-concurrentieverbintenis wordt afgeleid. Derde onderdeel Eerste subonderdeel 15. Eisers voeren aan dat de appelrechters hun oordeel dat zij de niet-cooncurrentieverbintenis waartoe zij gehouden waren, hebben geschonden, niet regelmatig met redenen hebben omkleed (schending van de motiveringsplicht opgelegd door artikel 149 Grondwet). In hun beroepsconclusie stellen eisers bij de uiteenzetting van de feiten dat tweede en derde eisers op 10 oktober 2016 vierde eiseres hebben opgericht met het oog op de overdracht van de portefeuille van verweerster, en dat verweerster dit wist (p. 11, waarnaar het subonderdeel verwijst). Ook in het kader van hun grief dat de eisers niet gehouden waren tot een niet-concurrentieverplichting na de beëindiging van hun bestuurdersovereenkomst met verweerster, beweren zij dat vierde eiseres louter werd opgericht om de overdracht van de portefeuille van verweerster naar eisers te regelen, en niet om verweerster te beconcurreren (p. 38). Eisers voeren hieromtrent evenwel geen afzonderlijk middel aan in het kader van hun bespreking in rechte. Zij voeren louter een argument aan ter staving van hun verweer dat zij niet gehouden waren tot een niet-concurrentieverplichting na de beëindiging van de bestuurdersovereenkomst met verweerster, zodat de appelrechters hierop niet moesten antwoorden. Volgens vaste rechtspraak van uw Hof houdt artikel 149 Grondwet de verplichting in om vonnissen en arresten met redenen te omkleden en te antwoorden op “de regelmatig aangevoerde middelen”. De appelrechters dienen dus enkel te antwoorden op grieven die een afzonderlijk verweer vormen
(19). Het komt mij dan ook voor dat het subonderdeel niet kan worden aangenomen. Derde subonderdeel 16. Eisers voeren aan dat de appelrechters bij hun oordeel dat eisers het concurrentieverbod hebben geschonden waartoe zij gehouden waren, de bewijskracht van stuk 18 van verweerster hebben geschonden, door er iets in te lezen dat er niet in voorkomt (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek). Zij stellen dat er in dit stuk (bestaande uit drie documenten) nergens sprake is van een opzegging van de maritieme verzekeringen op uitdrukkelijk verzoek van tweede eiser, noch van enige concurrentie vanwege eisers en dat dit stuk daarvan dus niet het bewijs levert. Verweerster voert in haar memorie van antwoord terecht aan dat de beslissing dat eerste en tweede eisers prima facie de niet-concurrentieverplichting (of het concurrentieverbod) miskenden, wordt geschraagd door zelfstandige redenen die niet worden aangevochten of bekritiseerd en die volstaan om het beschikkend gedeelte van het arrest wettelijke te rechtvaardigen. De appelrechters stelden immers vast dat tweede en derde eisers op 10 oktober 2016 een nieuwe vennootschap, vierde eiseres, hebben opgericht, die een met verweerster concurrerende activiteit van verzekeringsbemiddeling voert en waarin tweede eiser tot zaakvoerder werd benoemd, dat er in de periode van 20 december 2016 tot 21 februari 2017 niet minder dan 245 mandaten van verweerster naar vierde eiseres overstapten en dat vierde eiseres een personeelslid van verweerster, na jarenlange tewerkstelling, op 18 november 2016, plots als vennoot heeft aangeworven. Het komt mij dan ook voor dat het derde subonderdeel gericht is tegen een overtollig motief, zodat het, conform de rechtspraak van uw Hof
(20), bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is. Tweede en vierde subonderdeel
  1. Het tweede subonderdeel is, net als het vierde subonderdeel, afgeleid uit de in het tweede onderdeel mijns inziens tevergeefs aangevoerde schending van de artikelen 1134, derde lid, en 1135 Burgerlijke Wetboek en II.
  2. en II.4 WER, zodat deze beide subonderdelen niet ontvankelijk voorkomen. Conclusie: Verwerping. _______________________________
(1)Bv. Cass. 5 mei 2017, AR F.15.0146.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170505.2, AC 2017, nr. 312; Cass. 26 mei 2015, AR P.14.0414.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.1, AC 2015, nr. 343; Cass. 26 april 2011, AR P.10.1972.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110426.2, AC 2011, nr. 278.
(2)Zie voor de erkenning van de aanvullende werking: Cass. 22 juni 1978, RW 1978-79, 1438 en RCJB 1980, 322; S. STIJNS, Leerboek verbintenissenrecht, 1, Brugge, die Keure, 2005, 61, nr. 82; W. VAN GERVEN en A. VAN OEVELEN, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2015, 98; P. VAN OMMESLAGHE, Droit des obligations, I, Brussel, Bruylant, 2010, 176-177, nr. 99.
(3)D. MERTENS, Bescherming van cliënteel, Antwerpen, Intersentia, 2011, nr. 211; M. VANSTEENBEECK, “Concurrentieclausules” in G.L. BALLON e.a. (eds.), Contractuele clausules, Gemeenrechtelijke clausules, Antwerpen, Intersentia, 2013, 888.
(4)Ibid., 890-891; H. BRAECKMANS en R. HOUBEN, Handboek vennootschapsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2012, 304-305, nr. 558; D. VAN GERVEN, Rechtspersonen, Deel I in Beginselen van Belgisch privaatrecht, IV, Mechelen, Kluwer, 2007, 167, nr. 66; B. FERON en J. MEUNIER, “La ‘double casquette’ de l’administrateur de société anonyme”, JT 2000, 697; D. WILLERMAIN, “Les ‘corporate opportunities’ (notamment au sein des groupes de sociétés)”, TBH 2005, 463).
(5)L. CORNELIS en V. SAGAERT, “Hoofdstuk 9. Postcontractuele bedingen” in S. STIJNS en K. VANDERSCHOT (eds.), Contractuele clausules rond de (niet-)uitvoering en de beëindiging van contracten, Antwerpen, Intersentia, 2006, 291, nr. 1; M. FONTAINE, “Obligations ‘survivant au contrat’ dans les contrats internationaux”, DPCI 1984, 7-27; P. WÉRY, Droit des obligations, 1, Brussel, Larcier, 2011, 950, nr. 1025.
(6)M. FONTAINE, “Obligations ‘survivant au contrat’ dans les contrats internationaux”, DPCI 1984, 9 en 15; P. WÉRY, Droit des obligations, 1, Brussel, Larcier, 2011, 950, nr. 1025 en 952, nrs. 1027-1028.
(7)L. CORNELIS en V. SAGAERT, “Hoofdstuk 9. Postcontractuele bedingen” in S. STIJNS en K. VANDERSCHOT (eds.), Contractuele clausules rond de (niet-)uitvoering en de beëindiging van contracten, Antwerpen, Intersentia, 2006, 292, nr. 5; M. FONTAINE, “Obligations ‘survivant au contrat’ dans les contrats internationaux”, DPCI 1984, 9-10 en 22-23; P. WÉRY, Droit des obligations, 1, Brussel, Larcier, 2011, 950-951, nrs. 1025 en 1026.
(8)S. DE DIER en A. VAN BEVER, “Zo zijn we niet getrouwd. Over de loyaliteitsplicht van werknemer en bestuurder”, Jura Falconis 2008-09, 346 en 356.
(9)Parl.St., Kamer, 2018-2019, doc. 54, nr. 3709/001, 137-138 en 309.
(10)H. DE WULF, Taak en loyauteitsplicht van het bestuur in de naamloze vennootschap, Antwerpen, Intersentia, 2002, 406-407, nr. 654 en 468, nr. 754; in dezelfde zin: H. DE WULF en S. DE GEYTER, “Rechten en plichten van bestuurders: een overzicht van de algemene juridische beginselen” in L. VAN DEN BERGHE en T. BAELDEN (eds.), Vademecum van de bestuurder, Kluwer, 2007, 136.
(11)Cass. 9 september 2019, AR C.18.0521.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190909.3, AC 2019, nr. 447; Cass. 14 september 2017, AR C.16.0354.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170914.2, AC 2017, nr. 468; Cass. 25 juni 2015, AR C.14.0008.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150625.11, AC 2015, nr. 444; Cass. 23 januari 2015, AR C.13.0579.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150123.3, T.B.H. 2016, nr. 4, p. 187-198.
(12)Zie Y. NINANE en G. DE PIERPONT, “La clause de non-concurrence” in Het verbintenissenrecht in het leven van de onderneming, Brugge, die Keure, 2017, 149.
(13)B. TILLEMAN, Bestuur van vennootschappen, Brugge, die Keure, 2005, 97, nr. 141.
(14)Cass. 9 september 2019, AR C.18.0521.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190909.3 AC 2019, nr. 447; Cass. 14 september 2017, AR C.16.0354.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170914.2, AC 2017, nr. 468; Cass. 25 juni 2015, AR C.14.0008.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150625.11, AC 2015, nr. 444 met concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN op datum in Pas.; Cass. 23 januari 2015, AR C.13.0579.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150123.3, T.B.H. 2016, nr. 4, 187-198.
(15)Zie hierover ook M. SERVAIS, “La proportionnalité comme unique condition de validité des clauses de non-concurrence?”, JT 2016, 505.
(16)B. TILLEMAN, Bestuur van vennootschappen, Brugge, die Keure, 2005, 96, nr. 139; M. VANSTEENBEECK, “Concurrentieclausules” in G.L. BALLON e.a. (eds.), Contractuele clausules, Gemeenrechtelijke clausules, Antwerpen, Intersentia, 2013, 891.
(17)N. HALLEMEESCH, “Recht op cliënteel als grondslag voor een post-contractuele niet-concurrentieverbintenis van vennootschapsbestuurders”, DAOR 2014, 106.
(18)Bv. klantenlijsten of bedrijfsspecifieke knowhow; zie H. DE WULF en S. DE GEYTER, “Rechten en plichten van bestuurders: een overzicht van de algemene juridische beginselen” in L. VAN DEN BERGHE en T. BAELDEN (eds.), Vademecum van de bestuurder, Kluwer, 2007, 137; S. DE DIER en A. VAN BEVER, “Zo zijn we niet getrouwd. Over de loyaliteitsplicht van werknemer en bestuurder”, Jura Falconis 2008-09, 356, vn. 195.
(19)Zie S. MOSSELMANS, Rechterlijke motivering anno 2010, Gent, Larcier, nr. 72.
(20)Cass. 21 juni 2011, AR C.10.0024.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110627.2, AC 2011, nr. 414. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200625.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200625.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110426.2 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110627.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150123.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150625.11 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170505.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170914.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190909.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.