id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 juni 2020 ECL
Art. 447
, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Laster - Schorsing - Onderzoek naar de waarachtigheid van de beweerde feiten - Onderzoeksgerecht - Buitenvervolgingstelling - Voorwaarden Wettelijke bepalingen:
Art. 447
, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Buitenvervolgingstelling - Laster - Onderzoek naar de waarachtigheid van de beweerde feiten - Kwaadwillig opzet - Beoordeling - Voorwaarden Wettelijke bepalingen:
Art. 447
, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Laster - Onderzoek naar de waarachtigheid van de beweerde feiten - Schorsing van de vordering - Onderzoeksgerechten - Kwaadwillig opzet - Beoordeling - Voorwaarden Wettelijke bepalingen:
Art. 447
, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor strafrecht [T.Strafr.] - 2021, nr. 2, p. 79-
- - DE BOCK, Erik; Noot'De onderzoeksgerechten en de schorsingsexeptie van art. 447, derde lid Sw' Tekst van de conclusie ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2 2020-06-30 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2 2020-06-30 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2 2020-06-30 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2 2020-06-30 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2 2020-06-30 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2 2020-06-30 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2 2020-06-30 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2 2020-06-30 P.20.0322.N Advocaat-generaal Bart De Smet heeft in hoofdzaak gezegd: "De schorsing van de strafvordering wegens laster, tijdens de regeling der rechtspleging, tot de uitspraak over de waarachtigheid van het strafbaar feit dat lasterlijk kan zijn (artikel 447, derde lid, Strafwetboek)".
- Eiseres, burgerlijke partij, voert aan dat de kamer van inbeschuldigingstelling de strafvordering wegens laster had moeten opschorten, conform artikel 447, derde lid, Strafwetboek, tot er uitspraak is over de waarachtigheid van de strafbare feiten aangehaald door inverdenkinggestelde S. in de media.
- Opdat er sprake kan zijn van laster, moeten volgende constitutieve bestanddelen verenigd zijn: 1°het in zijn eer krenken van een persoon of die persoon blootstellen aan de openbare verachting, 2°de intentie om iemands reputatie te schaden (kwaadwillig opzet) en 3°het beschuldigen van een persoon in het openbaar van een concreet strafbaar of tuchtrechtelijk feit waarvan men het bewijs niet levert, waarbij de wet het bewijs van dat strafbaar feit toelaat (art. 443 Sw.)
(1). 3. Uit de voorliggende stukken blijkt niet dat het gerechtelijk onderzoek naar het onderliggend misdrijf van valsheid in geschriften al is afgerond. Artikel 447, derde lid, Strafwetboek, bepaalt: "Indien het ten laste gelegde feit het voorwerp is van een strafvervolging of een aangifte waarover nog geen uitspraak is gedaan, wordt de vordering wegens laster geschorst tot het definitief vonnis of tot de eindbeslissing van de bevoegde overheid"
(2). In afwachting van de definitieve uitspraak over het onderliggend niet bewezen feit, dat de verdachte van laster voor waar hield
(3), schorst de strafrechter gelast met laster zijn beslissing op, voor zover het achterliggende feit voorwerp is van een strafvordering of een aangifte waarover nog onderzoek loopt
(4). 4. Uit de verplichting voor de vonnisrechter om de strafvordering wegens laster te schorsen
(5)kan echter geen verbod worden afgeleid voor de onderzoeksgerechten om hetzelfde te doen, hun oordeel uit te stellen tot er klaarheid is over het achterliggende feit. Artikel 447, derde lid, Strafwetboek, geldt voor de ‘vordering wegens laster' en maakt daarbij geen onderscheid tussen onderzoeksgerechten en vonnisgerechten. Beide instanties zijn zonder rechtsmacht om zelf de waarachtigheid te beoordelen van een onderliggend feit, waarover de tuchtrechtelijke overheid of een andere strafrechtelijke instantie uitspraak moet doen
(6).
- Mij komt voor dat de bestreden beslissing niet steunt op de betwiste overweging dat de schorsingsgrond van art. 447, derde lid, Sw., alleen van toepassing is op "de procedure voor de vonnisgerechten". Het middel dat alleen opkomt tegen dit onderdeel kan aldus niet tot cassatie leiden. De appelrechters gaven correct aan dat het onderzoeksgerecht kan beslissen de strafvordering op te schorten indien het noodzakelijk of nuttig is de einduitspraak af te wachten van het onderliggend feit, voorwerp van laster (p. 8). Deze overweging sluit aan bij de bewoordingen en het doel van artikel 447 Strafwetboek, dat erop gericht is tegenstrijdige beslissingen over de waarachtigheid van het onderliggend strafbaar feit te vermijden.
- Niets belet het onderzoeksgerecht meteen te beslissen over de bezwaren wegens laster indien niet het bewijs van het onderliggend feit de kern vormt van de discussie, maar wel een ander essentieel bestanddeel van laster, zoals het kwaadwillig opzet. Bij gebrek aan een kwaadwillige bedoeling maakt het weinig uit of de achterliggende feiten waar of vals zijn, omdat er uiteindelijk geen veroordeling wegens laster mogelijk is
(7). Schorsing van de vordering wegens laster heeft dan weinig zin.
- Als reden om de strafvordering wegens laster uiteindelijk niet op te schorten nam de appelrechter aan dat elke aanwijzing ontbreekt dat verweerder S. handelde met het oogmerk te schaden (p. 8). Daarbij is rekening gehouden met onder meer 1°het optreden van verweerder als persverantwoordelijke en lid van het stadsbestuur dat strafklacht tegen eiseres had ingediend en 2°de voorwaardelijke wijs van de uitspraken van verweerder, zoals ‘aanwijzingen' en ‘we vermoeden' en ‘de overeenkomst zou geantidateerd zijn'. Met deze redenen is het bestreden arrest naar recht verantwoord.
- Besluit. Er zijn geen ambtshalve middelen. Mijn advies is verwerping. _________________________
(1)Cass. 20 februari 2013, AR P.12.1629.F, AC 2013, nr.
- Cass. 2 mei 2001, AR P.01.0175.F, AC 2001, nr.
- De vereiste van openbaarheid is toegelicht in art. 444 Sw. en kan bestaan in uitlatingen in openbare bijeenkomsten en plaatsen of uitlatingen in het bijzijn van meerdere personen Zie alg. F. VAN VOLSEM, "Over laster en lasterlijke aangifte en de bewijslast van het waar of vals karakter van de aantijging of de aangifte", R.A.B.G. 2013, 1028-1034; P. ARNOU, "Aanranding van de eer of de goede naam van personen", in Om deze redenen. Liber amicorum Armand Vandeplas, Mys&Breesch, 1994, 49-91; P. MAGNIEN, "Les atteintes portées à l'honneur et à la considération des personnes", in Les infractions. Vol. 2 Les infractions contre les personnes, Larcier, 2010, 751-809; A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de droit pénal spécial, Kluwer, 2018, 589-608.
(2)Zie alg. J. NYPELS, Le Code pénal belge interprété, Bruylant, 1898, III, 250-278; R. VAN STEENBERGHE, "L'action en calomnie et la suspension de la prescription de l'action publique-nouvelle lecture de l'article 447 du Code pénal et brèves critiques de son adaptation récente", R.D.P. 2004, 165-189; A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer, 2010, 273-275; P. MAGNIEN, "Les atteintes portées à l'honneur et à la considération des personnes", in Les infractions. Vol. 2 Les infractions contre les personnes, Larcier, 2010, 778-779; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 81-83.
(3)Over dit aspect van het prejudicieel geschil, het wachten op een einduitspraak van een tuchtrechtelijke of andere strafrechtelijke instantie over het onderliggend feit dat aan de benadeelde van laster wordt verweten, zie J. D'HAENENS, Belgisch strafprocesrecht, Story-Scientia, 1985, 138-139; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 151; J. MEESE, De verjaring van de strafvordering uitgeklaard, Intersentia, 2017, 56-57; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2014, I, 219; C. VAN DEN WYNGAERT, Ph. TRAEST en S. VANDROMME, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu, 2017,
- Tijdens de periode van stilstand, ingevolge de schorsing van de vordering wegens laster en het prejudicieel geschil, is de verjaring van de strafvordering geschorst, Cass. 5 januari 1999, AR P.97.1370.N, AC 1999, nr. 4; Cass. 16 mei 2007, AR P.07.0306.F, AC 2007, 1039, N.C. 2009, 36 en R.D.P. 2007,
- Zie ook P. ARNOU, "Aanranding van de eer of de goede naam van personen", in Om deze redenen. Liber amicorum Armand Vandeplas, Mys&Breesch, 1994, 83.
(4)Cass. 8 januari 2014, AR P.13.0774.F, AC 2014, nr. 10; Cass. 2 mei 2001, AR P.01.0175.F, AC 2001, nr. 249. Zie alg. P. ARNOU, "De Wet van 4 juli 2001 en het prejudicieel geschil inzake laster en lasterlijke aangifte", RW 2001-02, 833-840.
(5)Cass. 20 mei 2014, AR P.13.0592.N, AC 2014, nr. 358, RW 2014-15, 1462; Cass. 16 mei 2007, AR P.07.0306.F, AC 2007, nr. 255; Zie ook A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer, 2010, 273; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier, 2012, 143; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2017, 1305.
(6)Cass. 15 mei 1991, AR nr. 8797, AC 1990-91, nr. 475. Uw Hof oordeelde: "overwegende dat de rechterlijke macht, die bevoegd is om kennis te nemen van de telastleggingen van lasterlijke aangifte, niet tot taak heeft de waarheid van de aantijgingen na te gaan".
(7)A. DE NAUW, "De waarheidsexceptie bij aanranding van de eer en de geode naam en de rechten van de mens", RW 2012-13, p. 10, al. 16: "De omstandigheid dat de aangegeven feiten niet waarachtig blijken te zijn, betekent nog niet dat de verdachte ook handelde met kwaadwillig opzet. De vaststelling van het bestaan van het kwaadwillig opzet dient volledig autonoom te geschieden t.a.v. de beslissing van de bevoegde overheid betreffende de waarachtigheid van de aangegeven feiten". Andere gevallen om de schorsing van art. 447, derde lid, Sw., uit te sluiten, zijn o.a. het feit dat aantijgingen geen publiekelijk karakter hebben, de benadeelde van laster geen klacht indiende, de aantijgingen geen betrekking hebben op een strafrechtelijke of tuchtrechtelijke inbreuk of er geen vervolging mogelijk is wegens het onderliggend misdrijf, zoals verjaring (P. ARNOU, "Aanranding van de eer of de goede naam van personen", in Om deze redenen. Liber amicorum Armand Vandeplas, Mys&Breesch, 1994, 67; P. ARNOU, "De Wet van 4 juli 2001 en het prejudicieel geschil inzake laster en lasterlijke aangifte", RW 2001-02, 834); een andere uitzondering op de schorsing is de gelijktijdige vervolging, waarbij het onderzoeksgerecht zich moet uitspreken over bezwaren wegens het onderliggend strafbaar feit en het feit van laster (Cass. 25 november 2008, AR P.08.0818.N, AC 2008, nr. 660. Zie R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 82). PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200630.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div