id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200907.3N.10 Rolnummer: C.17.0576.N Zaak: B. contra B. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-05-02 Raadplegingen: 946 - laatst gezien 2026-06-16 04:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.10 Fiche Het aangaan door de beide echtgenoten samen van een lening bestemd voor het verwerven, het in stand houden of het verbeteren van een eigen goed van een van hen, geeft op zich aanleiding tot vergoeding door het eigen vermogen van de betrokken echtgenoot aan het gemeenschappelijk vermogen; de door beide echtgenoten geleende bedragen vallen immers in het gemeenschappelijk vermogen en worden vervolgens aangewend ten behoeve van het eigen vermogen; door het aangaan van de lening heeft een onmiddellijke verarming van het gemeenschappelijk vermogen plaats, aangezien dit vermogen wordt bezwaard door de uit de lening voortvloeiende schuld en het eventuele saldo van de lening bij de vereffening-verdeling op het passief van de gemeenschap zal moeten worden ingeschreven
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Het Hof komt hiermee terug op zijn arrest van 28 november
- (Cass. 28 november 2013, AR C.12.0523.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131128.1, AC 2013, nr. 639, met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL) Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - ALGEMEEN Vrije woorden: Vergoedingsregeling - Echtgenoot - Eigen onroerend goed - Echtgenoten - Gezamenlijke lening - Vergoeding - Omvang - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1408, 1432 en 1435 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Annotaties Publicaties: RW-Rechtskundig weekblad - 2020-21, nr. 37, p. 1452-
- - VAN THIENEN, Annette; Noot'Vergoedingsrecht van het gemeenschappelijk vermogen voor een door beide echtgenoten aangegane lening ten behoeve van het eigen vermogen' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2021, nr. 5, p. 428-
- - VERLOOY, Beatrice; Noot'Vergoeding door een echtgenoot voor een lening aangegaan door beide echtgenoten samen om een eigen onrorend goed te verkrijgen, in stand te houden of te verbeteren' T.Fam.-Tijdschrift voor familierecht - 2021, nr. 9, p. 246-
- - VOET, Lise; Noot'De verkrijking, instandhouding of verbetering van een eigen goed met door beide echtgenoten geleend geld: het geleende kapitaal moet volledig worden vergoed' JLMB-Revue de jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles - 2021, n° 37, p. 1671-
- - SAUVAGE, Jim; Note'La récompense en cas de remboursement par le patrimoine commun de l'emprunt contracté conjointement pour un bien propre' T.Not.-Tijdschrift voor notarissen - 2021, nr. 1, p. 67-
- - DE WULF, Christian; Noot'Vergoeding i.v.m. de opname van door de gemeenschap geleende gelden door een echtgenoot en door die echtgenoot besteed voor de verwerving van een eigen goed' RTDF-Revue trimestrielle de droit familial - 2022, n° 4, p. 886-
- - RENCHON, Jean-Louis; Note sous cassation. Tekst van de conclusie C.17.0576.N Conclusie van advocaat-generaal H. Vanderlinden:
- Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het hof van beroep te Brussel gewezen op 21 februari
- Door eiseres wordt er één middel aangevoerd.
- Probleemstelling. In haar enig cassatiemiddel komt eiseres op tegen de waardering door de appelrechter van de vergoeding die het eigen vermogen van eiseres verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen wegens de verwerving en verbetering van een eigen goed tijdens het huwelijk van partijen. Eiseres had immers tijdens het huwelijk 4/5de verworven van een onroerend goed, waarvan zij reeds voor 1/5de eigenaar was, en waaraan zij tevens verbeteringswerken heeft uitgevoerd. De verwerving van het goed en de verbeteringswerken werden gefinancierd door een hypothecaire lening die beide echtgenoten gezamenlijk hebben aangegaan op 9 december
- De appelrechter heeft, het standpunt van de instrumenterende notaris bijtredend, geoordeeld dat aangezien een gemeenschappelijke lening werd aangegaan om 4/5de van de woning te financieren, het integrale bedrag van het geleende kapitaal aanleiding geeft tot vergoeding overeenkomstig de artikelen 1432-1435 Burgerlijk Wetboek. Het standpunt van eiseres dat enkel de effectieve betalingen van deze lening door het gemeenschappelijk vermogen tijdens het stelsel aanleiding geven tot vergoeding overeenkomstig artikel 1432-1435 Burgerlijk Wetboek, zodat het eigen vermogen van eiseres bijgevolg enkel vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen voor de tijdens het huwelijk gedane afbetalingen, werd aldus verworpen. Volgens eiseres is deze beslissing niet naar recht verantwoord en worden hierdoor de artikelen 1408, eerste gedachtestreepje, 1432 en 1435 Burgerlijk Wetboek, evenals artikel 1278, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek geschonden.
- Beoordeling. Artikel 1432 Burgerlijk Wetboek, in de versie zoals toepasselijk voor de wijziging ervan bij wet van 22 juli 2018, bepaalt dat elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd is ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen. Artikel 1435 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de vergoeding niet kleiner mag zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. Indien de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter gediend hebben tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is en indien het vervreemde goed vervangen is door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed. Artikel 1408, eerste gedachtestreepje, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de schulden, aangegaan door beide echtgenoten gezamenlijk of hoofdelijk, gemeenschappelijk zijn. Artikel 1278, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terugwerkt tot op de dag waarop de vordering is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste vordering is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet. In de conclusie bij het arrest van uw Hof van 28 november 2013
(1)werd reeds uiteengezet dat, met betrekking tot de vraag hoe de vergoedingen, verschuldigd door het eigen vermogen aan het gemeenschappelijk vermogen, moeten worden begroot wanneer de verkrijging, instandhouding of verbetering van een eigen goed wordt gefinancierd door een door beide echtgenoten aangegane lening, twee benaderingen mogelijk zijn. Volgens een eerste benadering geeft het feit zelf dat de gemeenschap een schuld aangaat ter financiering van een eigen goed, aanleiding tot vergoeding. Het aangaan van deze lening en de betaling van de prijs met het geleende geld, dat normaal in het gemeenschappelijk vermogen zou vallen, veroorzaken in deze stelling de vermogensverschuiving van het gemeenschappelijk naar het eigen vermogen. Dit impliceert dat het eigen vermogen vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen ten belope van het volledig ontleende bedrag, ook al is er op het ogenblik van de ontbinding nog een openstaand saldo
(2). In een tweede benadering gaat men er van uit dat niet het aangaan van de lening en de betaling van de prijs met het geleende geld het feit is dat de vermogensverschuiving van het gemeenschappelijk naar het eigen vermogen veroorzaakt, maar wel de effectieve afbetaling van deze lening. Bijgevolg is het eigen vermogen bij de ontbinding van het stelsel slechts vergoeding verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen ten belope van de effectieve betalingen die tijdens het stelsel zijn verricht met gemeenschappelijke gelden
(3). De keuze voor de eerste of de tweede benadering is in de praktijk van belang indien de vergoeding waarop het gemeenschappelijk vermogen aanspraak maakt, dient te worden geherwaardeerd met toepassing van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek. Indien de lening niet volledig werd afbetaald, zoals in dit dossier het geval is, zal de geherwaardeerde vergoeding immers hoger zijn in de eerste benadering dan in de tweede benadering
(4). Uw Hof nam in zijn arrest van 28 november 2013 standpunt in overeenkomstig de tweede benadering
(5). Het Hof oordeelde immers dat uit de artikelen 1432, 1435 en 1408, eerste gedachtestreepje, Burgerlijk Wetboek en uit artikel 1278, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek volgt dat wanneer beide echtgenoten samen een lening aangaan om een eigen onroerend goed van een van hen te verkrijgen, in stand te houden of te verbeteren, enkel de effectieve betalingen van deze lening door het gemeenschappelijk vermogen tijdens het stelsel, aanleiding geven tot vergoeding overeenkomstig artikel 1432 en 1435 Burgerlijk Wetboek. De appelrechters die, impliciet maar zeker, oordelen dat ook wanneer het gemeenschappelijk vermogen tijdens de werking van het stelsel niet het volledig bedrag van de lening aangegaan voor de financiering van een eigen goed afbetaalt, de verarming van het gemeenschappelijk vermogen toch overeenstemt met het integrale bedrag van het geleende kapitaal, schenden aldus de vermelde wetsbepalingen. Op dit arrest kwam evenwel felle kritiek vanwege de auteurs die menen dat het aangaan van de lening en de betaling van de overnameprijs met het geleende geld het feit is dat aanleiding geeft tot vergoeding overeenkomstig artikel 1432 en 1435 Burgerlijk Wetboek
(6). Deze tweede benadering impliceert immers dat het saldo van de lening die beide echtgenoten gezamenlijk hebben aangegaan, bij de ontbinding van het huwelijksstelsel een eigen schuld is van de vergoedingsplichtige echtgenoot. Nochtans bepaalt artikel 1408, eerste gedachtestreepje, Burgerlijk Wetboek expliciet dat de schulden, aangegaan door de beide echtgenoten, gezamenlijk of hoofdelijk, gemeenschappelijk zijn. De voorstanders van deze benadering verantwoorden dit door bij de kwalificatie van een schuld een onderscheid te maken tussen enerzijds, de kwalificatie van de schuld in de verhouding van de echtgenoten ten aanzien van de schuldeisers (obligatio) en anderzijds, de kwalificatie van de schuld in de verhouding tussen de echtgenoten onderling (contributio). De artikelen 1406 tot 1414 Burgerlijk Wetboek regelen in deze benadering enkel de verhouding van de echtgenoten ten aanzien van de schuldeiser
(7), terwijl de artikelen 1432 tot 1436 Burgerlijk Wetboek betrekking hebben op de verhouding tussen echtgenoten onderling. Op die manier kan een schuld gemeenschappelijk zijn ten aanzien van de schuldeisers maar, bij de ontbinding van het huwelijksstelsel, eigen zijn in de verhouding tussen echtgenoten. Om te bepalen of een schuld eigen of gemeenschappelijk is in de onderlinge verhouding tussen echtgenoten, moet dan worden nagegaan welk vermogen de finale begunstigde is van de schuld. In het geval beide echtgenoten aldus een lening aangaan voor de verwerving door één van hen van een eigen goed, is deze schuld overeenkomstig artikel 1408, eerste gedachtestreepje, Burgerlijk Wetboek aldus gemeenschappelijk ten aanzien van de bank doch, in de verhouding tussen echtgenoten, eigen aan de echtgenoot die eigenaar is van het goed omdat enkel het eigen vermogen van deze echtgenoot hieruit voordeel heeft getrokken en aldus de finale begunstigde is van de schuld
(8). Het gevolg hiervan is dat, bij de bewerkingen van vereffening en verdeling van het huwelijksstelsel tussen echtgenoten, deze schuld niet moet worden ingeschreven op het passief van het gemeenschappelijk vermogen en dat enkel de effectieve afbetalingen van deze leningschuld door het gemeenschappelijk vermogen recht geven op vergoeding ten voordele van het gemeenschappelijk vermogen. Gelet op de arresten van uw Hof van 24 februari en 18 maart 2011
(9)impliceert deze tweede benadering ook een zeer complexe berekening van de herwaardering van de vergoeding, indien een eigen onroerend goed, dat werd gefinancierd door een gezamenlijke lening, inmiddels een waardevermeerdering heeft ondergaan (artikel 1435 Burgerlijk Wetboek)
(10). In de voormelde arresten van 24 februari en 18 maart 2011 was de vraag aan de orde of het gemeenschappelijk vermogen, wanneer het een door een echtgenoot voor het huwelijk aangegane lening voor het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een eigen goed afbetaalt, aanspraak kan maken op een geherwaardeerde vergoeding met toepassing van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek. Het Hof beantwoordde deze vraag positief en oordeelde dat, indien een echtgenoot voor het huwelijk een lening heeft aangegaan om een eigen onroerend goed te verkrijgen, in stand te houden of te verbeteren, de afbetaling van die lening door het gemeenschappelijk vermogen tijdens het huwelijk krachtens artikel 1435 Burgerlijk Wetboek leidt tot een vergoeding gelijk aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, daar het gemeenschappelijk vermogen rechtstreeks heeft bijgedragen tot het verkrijgen, in stand houden of verbeteren van het goed. Ook indien een echtgenoot voor het huwelijk een lening heeft afgesloten tot overname van aandelen en de echtgenoten vervolgens tijdens het huwelijk een kredietovereenkomst sluiten ter herfinanciering van deze lening –dit zijn de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het arrest van 18 maart 2011– is herwaardering met toepassing van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek mogelijk omdat de latere kredietovereenkomst de echtgenoot-eigenaar van de aandelen heeft toegelaten de aandelen te behouden. Met deze arresten kwam aldus een einde aan de discussie in de rechtsleer of in dergelijk geval de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen wel hebben “gediend tot” het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van het eigen goed in de zin van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek en vingen de voorstanders van een strikte interpretatie van dit artikel in die zin dat dat in dergelijk geval enkel sprake is van de betaling door het gemeenschappelijk vermogen van een eigen schuld (de voorhuwelijkse lening) en niet van het verwerven, in stand houden of verbeteren van een eigen goed met gemeenschapsgelden, aldus bot
(11). Om te bepalen of herwaardering met toepassing van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek mogelijk is, dient bijgevolg te worden nagegaan wat de finale bestemming is van de gelden die in het vergoedingsplichtige vermogen zijn gevallen. Ook al worden deze gelden aangewend om een lening af te betalen, dan belet dit niet dat herwaardering mogelijk is indien de lening heeft gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed. Bijgevolg is herwaardering aan de orde indien een eigen onroerend goed, dat werd gefinancierd met gemeenschapsgelden, inmiddels een waardevermeerdering heeft ondergaan. Naast het feit dat, voor de berekening van de vergoeding ten gunste van het gemeenschappelijk vermogen, elke maandelijkse afbetaling moet worden opgesplitst tussen het kapitaal en de intresten
(12), komt het mij dan ook voor dat vervolgens, om de maandelijkse afbetalingen van een gezamenlijk aangegane lening te herwaarderen, elke maand moet worden bepaald welke meerwaarde het onroerend goed heeft verkregen in vergelijking met de maand voordien, wat de berekening van deze vergoeding zeer complex maakt. Hoewel auteur I. De Stefani
(13)stelt dat het onderscheid tussen obligatio en contributio bij de kwalificatie van een schuld zijn oorsprong vindt in het gemeen verbintenissenrecht, meen ik samen met auteur J.-L. Renchon
(14)dat deze stelling over de kwalificatie van een schuld op basis van het onderscheid tussen obligatio en contributio niet blijkt uit de duidelijke bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Uit deze bepalingen kan niet worden afgeleid dat een schuld die de wetgever overeenkomstig de artikelen 1406 tot 1414 Burgerlijk Wetboek kwalificeert als gemeenschappelijk, zou kunnen worden geherkwalificeerd als een eigen schuld in de verhouding tussen echtgenoten op het ogenblik van de ontbinding van het huwelijksstelsel. Indien integendeel een schuld bij het aangaan ervan door de wetgever wordt gekwalificeerd als een gemeenschappelijke schuld, blijft deze schuld gemeenschappelijk, ook bij de ontbinding van het huwelijksstelsel. De kwalificatie die de wetgever aan de schuld geeft is met andere woorden definitief en kan niet plots wijzigen bij de ontbinding van het huwelijksstelsel
(15). Evenmin blijkt uit de voorbereidende werken van de wet van 14 juli 1976 dat het de bedoeling was van de wetgever om dergelijk onderscheid te maken. Waar de eerste voorbereidende werken dit onderscheid tussen obligatio en contributio nog hebben gemaakt
(16), werd vervolgens immers beslist om het eigen of gemeenschappelijk karakter van schulden en de verhaalsrechten van de schuldeisers te behandelen in twee afzonderlijke paragrafen en om het aspect van de vergoedingsrekeningen te behandelen bij de ontbinding van het stelsel
(17). Wat dat betreft schrijft J. Hambye, vicevoorzitter van de Commissie voor de Justitie van de Senaat, in zijn boek over de hervorming van het huwelijksvermogensrecht in 1976, het volgende:
(18)“Section II. Des droit des créanciers 161. – Abandon de la distinction entre obligation et contribution à la dette. La loi a abandonné la distinction classique entre obligation et contribution aux dettes, que proposaient tant le projet du gouvernement (art. 122 à 139) que les amendements WIGNY (art. 18 à 29, 58 à 61). Elle a réglé d’une part les droits des créanciers contre chacun des trois patrimoines et prévu dans le cadre de la liquidation du régime au chapitre des récompenses, les comptes à établir entre ces patrimoines dès lors que l’un a payé ce qui est la charge d’un autre.?
(19)Geen enkele bepaling uit het Burgerlijk Wetboek laat aldus toe dat het tijdens het huwelijk door beide echtgenoten ontleende bedrag wordt gekwalificeerd als een eigen goed van één van de echtgenoten. Integendeel, artikel 1408, eerste gedachtestreepje, Burgerlijk Wetboek bepaalt expliciet dat de schulden, aangegaan door de beide echtgenoten, gezamenlijk of hoofdelijk, gemeenschappelijk zijn. Bovendien komt het door de beide echtgenoten ontleende bedrag terecht in het gemeenschappelijk vermogen en is dit ontleende bedrag bijgevolg gemeenschappelijk, ook indien deze lening tot doel heeft om één der echtgenoten in staat te stellen een eigen onroerend te verwerven of hieraan verbeteringswerken uit te voeren. Bij het aangaan van de lening is aldus sprake van een onmiddellijke verarming van het gemeenschappelijk vermogen omdat de gemeenschap een schuld aangaat die het gemeenschappelijk vermogen bezwaart en blijft bezwaren. In de hypothese dat dit ontleende geld bij voorbeeld niet wordt uitgegeven en blijft staan op een rekening, kan moeilijk worden voorgehouden dat dit behoort tot het eigen vermogen van één der echtgenoten en dat dit bedrag niet moet worden verdeeld onder de echtgenoten op het ogenblik van de ontbinding van het huwelijksstelsel of dat hierop geen beslag kan worden gelegd door de schuldeisers die een verhaalsrecht hebben op de gemeenschappelijke goederen van de echtgenoten. Bijgevolg, indien het ontleende bedrag gemeenschappelijk is, is het dit volledig ontleende bedrag dat verschoven is van het gemeenschappelijk vermogen naar het eigen vermogen van de vergoedingsplichtige echtgenoot met het oog op het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een eigen goed. Het openstaand saldo hiervan dient dan ook, bij de ontbinding van het huwelijksstelsel, te worden ingeschreven op het passief van het gemeenschappelijk vermogen en het gemeenschappelijk vermogen maakt aanspraak op een vergoeding ten belope van het volledige ontleende bedrag. Hoewel auteur I. De Stefani
(20)meent dat uw Hof zich niettemin in de eerder vermelde arresten van 24 februari en 18 maart 2011 impliciet heeft uitgesproken ten gunste van dit onderscheid tussen obligatio en contributio wat betreft de kwalificatie van een schuld, meen ik dat dit niet het geval is. Zoals reeds uiteengezet, hebben deze arresten van uw Hof betrekking op de vraag of het gemeenschappelijk vermogen, wanneer het een door een echtgenoot voor het huwelijk aangegane lening voor de verwerving van een eigen goed afbetaalt, aanspraak kan maken op een geherwaardeerde vergoeding met toepassing van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek. Het Hof heeft in deze arresten enkel geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek moet worden nagegaan wat de finale bestemming is van de bedragen en gelden die in het vergoedingsplichtige vermogen zijn gevallen. Ook al worden deze gelden aangewend om een lening af te betalen, dan belet dit niet dat toepassing kan worden gemaakt van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek indien de lening heeft gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed. Het Hof lijkt mij hier bijgevolg niet bevestigd te hebben dat voor de kwalificatie van een schuld als eigen of gemeenschappelijk, een onderscheid moet worden gemaakt tussen obligatio en contributio. Het eerder vermelde arrest van 28 november 2013 kan daarentegen niet anders worden uitgelegd dan dat het Hof hierbij impliciet is uitgegaan van het onderscheid tussen obligatio en contributio bij de kwalificatie van een schuld als eigen of gemeenschappelijk. Zoals eerder gesteld, vindt deze benadering evenwel geen enkele steun in de wet en in de voorbereidende werken van de wet van 14 juli 1976. Het lijkt mij dan ook aangewezen dat het Hof zijn rechtspraak wijzigt in die zin dat wanneer de verkrijging, instandhouding en/of verbetering van een eigen goed wordt gefinancierd door een door beide echtgenoten aangegane lening, het eigen vermogen bij de ontbinding van het stelsel vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen ten belope van het volledig ontleende bedrag, ook al is er op het ogenblik van de ontbinding nog een openstaand saldo. De beslissing van de appelrechter overeenkomstig dewelke het integrale bedrag van het geleende kapitaal aanleiding geeft tot vergoeding overeenkomstig de artikelen 1432-1435 Burgerlijk Wetboek aangezien de echtgenoten een gemeenschappelijke lening hebben aangegaan om 4/5de van de woning van één van hen te financieren, is derhalve naar recht verantwoord. CONCLUSIE: verwerping. _____________________________
(1)Cass. 28 november 2013, AR C.13.0523.N, AC 2013, nr. 639, met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL.
(2)R. BARBAIX, “Juristen en wiskunde. Het blijft een moeilijk huwelijk, vooral bij echtscheiding” (noot onder Antwerpen 30 april 2014), Not.Fisc.M. 2014, é-236; H. CASMAN, “Actualia huwelijksvermogensrecht”, Not.Fisc.M. 2015,
(238), 248-249; J. LARUELLE, “Précisions sur le montant de la récompense en cas de remboursement d’emprunt” (noot onder Cass. 28 november 2013), Rev.not.b. 2015, 67-72; Y.-H. LELEU, “Liquidation des créances et récompenses au titre d’investissements immobiliers” in H. CASMAN, Y.-H. LELEU en A. VERBEKE, Eigenzinnig familiaal vermogensrecht. 1. Praktijkgericht huwelijksvermogensrecht, Mechelen, Kluwer, 2002,
(45), 69-70; Y.-H. LELEU en J. LARUELLE, “La réévaluation des récompenses encore en question? ” (noot onder Cass. 24 februari 2011 en Cass. 18 maart 2011), Rev.not.b. 2011,
(900), 909-911; Y.-H. LELEU en J. LARUELLE, “Le régime légal” in Y.-H. LELEU (ed.), Droit patrimonial des couples, CUP, Brussel, Larcier, 2015, 63-71; J.-L. RENCHON, “À propos de la détermination du montant des récompenses: une jurisprudence de plus en plus incertaine” (noot onder Cass. 28 november 2013), Rev.trim.dr.fam. 2015, 812-819.
(3)P. DE PAGE en I. DE STEFANI, Les régimes matrimoniaux. Volume 1. Théorie générale du contrat de mariage et régime légal, reeks De Page. Traité de droit civil belge, deel IX, Brussel, Bruylant, 2019, 395-415, 513-516 en 526-534; I. DE STEFANI, “Les récompenses: revalorisation, contribution et lien de causalité”, Act.dr.fam. 2012, 50-61.
(4)Zie wat dat betreft het voorbeeld dat wordt aangehaald in de bijdrage van J. LARUELLE, “Précisions sur le montant de la récompense en cas de remboursement d’emprunt” (noot onder Cass. 28 november 2013), Rev.not.b. 2015,
(67), 71.
(5)Cass. 28 november 2013, oc; Rev.not.b. 2015, 65, noot J. LARUELLE; Rev.trim.dr.fam. 2015, 810, noot J.-L. RENCHON; T.Not. 2014, 464.
(6)Zie onder meer: H. CASMAN, “Actualia huwelijksvermogensrecht”, Not.Fisc.M. 2015,
(238), 248-249; J. LARUELLE, “Précisions sur le montant de la récompense en cas de remboursement d’emprunt” (noot onder Cass. 28 november 2013), Rev.not.b. 2015, 67-72; J.-L. RENCHON, “À propos de la détermination du montant des récompenses: une jurisprudence de plus en plus incertaine” (noot onder Cass. 28 november 2013), Rev.trim.dr.fam. 2015, 812-819.
(7)De artikelen 1406 tot 1408 Burgerlijk Wetboek moeten in deze benadering enkel worden gelezen in functie van de artikelen 1409 tot 1414 Burgerlijk Wetboek die de omvang van het verhaalsrecht van de schuldeisers bepalen. De artikelen 1406 tot 1408 Burgerlijk Wetboek, waarin schulden als eigen of gemeenschappelijk worden gekwalificeerd, zijn niet dienstig om de aard van de schuld te bepalen in de verhouding tussen echtgenoten onderling.
(8)E. BEGUIN, “Le passif” in Y.-H. LELEU en L. RAUCENT (eds.), Huwelijksvermogensstelsels – Hervorming van 1976, Rép.Not., Deel V, Huwelijksvermogensrecht, Boek 2, Brussel, Larcier, 2002, nrs. 795-797 en 812; P. DE PAGE en I. DE STEFANI, Les régimes matrimoniaux. Volume 1. Théorie générale du contrat de mariage et régime légal, reeks De Page. Traité de droit civil belge, deel IX, Brussel, Bruylant, 2019, 395-415, 513-516 en 526-534; I. DE STEFANI, “Les récompenses: revalorisation, contribution et lien de causalité”, Act.dr.fam. 2012, 50-61; S. NUDELHOLC, “Gestion égalitaire du patrimoine commun par les deux époux et recours des créanciers” in X., Regards croisés sur le couple à la lumière des droits québécois et belge, Rev.dr.ULB 2008,
(87), 93 en 105-106.
(9)Cass. 24 februari 2011, AR C.10.0283.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110224.8, AC 2011, nr. 167 en Cass. 18 maart 2011, AR C.10.0087.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110318.10, AC 2011, nr. 213; Act.dr.fam. 2012, 62, noot D. PIGNOLET; Arr.Cass. 2011, 633; www.cass.be; J.T. 2011, 729, noot I. SCHUERMANS en A. VERBEKE; Pas. 2011, 648; R.A.B.G. 2012, 329, noot A. RENIERS; Rev.not.b. 2011, 881, noot Y.-H. LELEU en J. LARUELLE; Rev.trim.dr.fam. 2013, 963; T.Fam. 2011, 190, noot K. BOONE.
(10)J. LARUELLE, “Précisions sur le montant de la récompense en cas de remboursement d’emprunt” (noot onder Cass. 28 november 2013), Rev.not.b. 2015,
(67), 71-72; J.-L. RENCHON, “À propos de la détermination du montant des récompenses: une jurisprudence de plus en plus incertaine” (noot onder Cass. 28 november 2013), Rev.trim.dr.fam. 2015,
(812), 817-819.
(11)Zie hierover onder meer: K. BOONE, “Het venijn zit in de staart: over de herwaardering van vergoedingen in gemeenschapsstelsels” (noot onder GwH 16 september 2010, Cass. 24 februari 2011 en Cass. 18 maart 2011), T.Fam. 2011, 199-202; Y.-H. LELEU, Le droit patrimonial des couples, CUP, Luik, Anthemis, 2011, p. 105-110; Y.-H. LELEU en J. LARUELLE, “La réévaluation des récompenses encore en question?” (noot onder Cass. 24 februari 2011 en Cass. 18 maart 2011), Rev.not.b. 2011, 900-914; D. PIGNOLET, “La revalorisation des récompenses au sens de l’article 1435 du Code civil” (noot onder Cass. 24 februari 2011 en Cass. 18 maart 2011), Act.dr.fam. 2012, 70-74; A. RENIERS, “Herfinanciering van een eigen schuld tijdens het huwelijk en het verwerven van een goed vóór het huwelijk: oorzakelijk verband of niet?” (noot onder Cass. 24 februari 2011 en Cass. 18 maart 2011), R.A.B.G. 2012, 349-351; L. ROUSSEAU, “Les récompenses: la fin des controverses?” in E. BEGUIN en J.-L. RENCHON, Liber Amicorum Jean-François Taymans, Larcier, Brussel, 2013,
(339), 345-349; I. SCHUERMANS en A.-L. VERBEKE, “La revalorisation des récompenses (article 1435 du Code civil)” (noot onder Cass. 24 februari 2011 en Cass. 18 maart 2011), J.T. 2011, 721-724.
(12)Enkel het kapitaal komt immers in aanmerking voor vergoeding ten voordele van het gemeenschappelijk vermogen: Cass. 18 maart 2011, AR C.10.0087.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110318.10., o.c.
(13)I. DE STEFANI, “Les récompenses: revalorisation, contribution et lien de causalité”, Act.dr.fam. 2012,
(50), 54-55.
(14)J.-L. RENCHON, “À propos de la détermination du montant des récompenses: une jurisprudence de plus en plus incertaine” (noot onder Cass. 28 november 2013), Rev.trim.dr.fam. 2015,
(812), 816.
(15)Zie in dezelfde zin: R. DEKKERS en H. CASMAN, Handboek burgerlijk recht. Deel IV. Huwelijksstelsels. Erfrecht. Giften, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2010, nr. 137, 91; W. PINTENS, C. DECLERCK, J. DU MONGH en K. VANWINCKELEN, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2010, nr. 330, 191; I. SCHUERMANS en A.-L. VERBEKE, “La revalorisation des récompenses (article 1435 du Code civil)” (noot onder Cass. 24 februari 2011 en Cass. 18 maart 2011), J.T. 2011,
(721), 722. Zie ook de verwijzingen naar andere rechtsleer in Y.-H. LELEU en J. LARUELLE, “La réévaluation des récompenses encore en question? ” (noot onder Cass. 24 februari 2011 en Cass. 18 maart 2011), Rev.not.b. 2011,
(900), 910 (voetnoot 27).
(16)Parl.St., Senaat, 1965-66, Doc nr. 281, 11-13 (art. 18-29).
(17)Verslag namens de Commissie voor de justitie uitgebracht door de heer HAMBYE, Parl.St., Senaat, B.Z. 1974, nr. 683/2, 38.
(18)J. HAMBYE, Régimes matrimoniaux – la réforme de 1976, Brussel, Larcier, 1977, 96.
(19)Vrij vertaald: “Afdeling II. Rechten van de schuldeisers 161. – Einde van het onderscheid tussen obligatio en contributio met betrekking tot de schuld De wet heeft het klassieke onderscheid tussen obligatio en contributio voor de kwalificatie van een schuld, zoals voorgesteld in het regeringsvoorstel (art. 122 tot 139) en in de amendementen WIGNY (art. 18 tot 29, 58 tot 61), verlaten. Enerzijds werden de verhaalsrechten van de schuldeisers op de drie vermogens geregeld en anderzijds werd in het kader van de vereffening van het huwelijksstelsel voorzien in het hoofdstuk van de vergoedingsrekeningen, aangezien het ene vermogen heeft betaald wat ten laste is van het andere vermogen.”
(20)I. DE STEFANI, “Les récompenses: revalorisation, contribution et lien de causalité”, Act.dr.fam. 2012,
(50), 54-56. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200907.3N.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.10 citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110224.8 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110318.10 precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131128.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div