id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200907.3N.11 Rolnummer: C.17.0709.N Zaak: C. contra M. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-05-18 Raadplegingen: 666 - laatst gezien 2026-06-16 08:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.11 Fiche 1 Uit de redactie van artikel 348-11 Burgerlijk Wetboek en de wetsgeschiedenis volgt dat wanneer de moeder van het kind weigert in de adoptie toe te stemmen of haar toestemming intrekt en niet blijkt dat zij zich niet meer om het kind heeft bekommerd of de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht, de adoptierechter de weigering om toestemming te verlenen slechts als onverantwoord kan weren, rekening houdend met het belang van het kind, wanneer het gaat om een nieuwe adoptie of wanneer het gaat om de adoptie van het kind of het adoptief kind van een echtgenoot, van een samenwonende partner of van een voormalige partner ten aanzien van wie een gemeenschappelijk ouderlijk engagement bestaat
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ADOPTIE Vrije woorden: Ouder - Weigering - Intrekking toestemming - Onverantwoord karakter - Voorwaarden - Belang van het kind - Gevolg Fiches 2 - 3 Er wordt aangevoerd dat artikel 348-11 Burgerlijk Wetboek de artikelen 22 en 22bis Grondwet schendt in zoverre die wetsbepaling de adoptierechter slechts toelaat geen rekening te houden met de weigering van de moeder van het kind om in de adoptie toe te stemmen in het geval waarin zij zich niet meer om haar kind heeft bekommerd of wanneer zij de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht, en het de adoptierechter aldus niet mogelijk maakt, in het geval dat het kind een week na zijn geboorte werd geplaatst bij de persoon van wie het verzoek tot adoptie uitgaat en het sindsdien gedurende meer dan 18 maanden in diens gezin is opgegroeid, de weigering van de moeder om in de adoptie toe te stemmen te weren, omdat het in die omstandigheden niet in het belang van het kind is het te onttrekken aan de stabiele omgeving waarin het opgroeit; er is grond tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt artikel 348-11 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 20 februari 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek betreffende de adoptie, de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet, in zoverre het de adoptierechter slechts toelaat, behalve in de in het tweede lid bepaalde gevallen, geen rekening te houden met de weigering van de moeder van het kind om in de adoptie toe te stemmen in het geval waarin zij zich niet meer om haar kind heeft bekommerd of wanneer zij de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht, en het de adoptierechter aldus niet mogelijk maakt, in het geval dat het kind kort na zijn geboorte werd geplaatst bij de persoon van wie het verzoek tot adoptie uitgaat en het sindsdien gedurende lange tijd in diens gezin is opgegroeid, de weigering van de moeder om in de adoptie toe te stemmen te weren, omdat het in die omstandigheden niet in het belang van het kind zou zijn het te onttrekken aan de omgeving waarin het opgroeit?"
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ADOPTIE Vrije woorden: Weigering - Intrekking toestemming - Ouder - Onverantwoord karakter - Omstandigheden - Onderscheid - Belang van het kind - Schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet - Prejudiciële vraag Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Adoptie - Weigering - Intrekking toestemming - Ouder - Onverantwoord karakter - Omstandigheden - Onderscheid - Belang van het kind - Schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet Fiches 4 - 5 Er wordt aangevoerd dat artikel 348-11 Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre het een onderscheid maakt tussen het geval waarin een ouder weigert toe te stemmen in de adoptie van het kind, in welk geval de rechter het belang van het kind niet mag beoordelen, en het geval waarin een andere persoon die wettelijk verplicht is zijn toestemming te geven, weigert toe te stemmen in de adoptie van het kind, in welk geval de rechter wel rekening dient te houden met het belang van het kind; er is grond tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt artikel 348-11 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 20 februari 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek betreffende de adoptie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een onderscheid maakt tussen het geval waarin een ouder weigert toe te stemmen in de adoptie van het kind, in welk geval de adoptierechter in de regel het belang van het kind niet mag beoordelen, en het geval waarin een andere persoon die wettelijk verplicht is zijn toestemming te geven, weigert toe te stemmen in de adoptie van het kind, in welk geval de adoptierechter wel rekening dient te houden met het belang van het kind?" Thesaurus CAS: ADOPTIE Vrije woorden: Weigering - Intrekking toestemming - Ouder - Ander persoon - Onverantwoord karakter - Onderscheid - Belang van het kind - Schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet - Prejudiciële vraag Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Adoptie - Weigering - Intrekking toestemming - Ouder - Ander persoon - Onverantwoord karakter - Onderscheid - Belang van het kind - Schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet Tekst van de conclusie C.17.0709.N Conclusie van advocaat-generaal H. Vanderlinden:
- Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel gewezen op 17 oktober
- Door eiser wordt er één middel aangevoerd.
- Het eerste onderdeel. a. Probleemstelling. De problematiek in het eerste onderdeel betreft de toepassing van artikel 348-11, tweede en derde lid, Burgerlijk Wetboek. Het betreft de vraag onder welke voorwaarden de rechter over de weigering van toestemming tot adoptie, door de moeder van het kind, kan heenstappen. Inzonderheid gaat het erom of, behalve wanneer het gaat om een nieuwe adoptie of om de adoptie van het kind of van het adoptief kind van een echtgeno(o)t(e), van een samenwonende partner of van een voormalige partner ten aanzien van wie een gemeenschappelijk ouderlijk engagement bestaat, de weigering van de oorspronkelijke ouder slechts terzijde kan worden geschoven indien deze ouder zich niet meer om het kind heeft bekommerd of de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht. Dan wel, dat in dat geval, tevens toepassing dient gemaakt te worden van het derde lid van het artikel en de rechter het belang van het kind dient in acht te nemen om het rechtmatig karakter van de weigering te beoordelen. Het standpunt van eiser tot cassatie is dat de rechter -zelfs indien de ouder zich bekommerd heeft om het kind en het niet in gevaar heeft gebracht op het vlak van gezondheid, veiligheid of zedelijkheid en buiten de in het tweede lid, van artikel 348-11 Burgerlijk Wetboek opgesomde gevallen- toch over de weigering kan heenstappen op grond van het criterium in het derde lid van hetzelfde wetboek, zijnde de toetsing van het onverantwoord karakter van de weigering aan het belang van het kind. b. Beoordeling. Ter zake deel ik het standpunt van eiser niet. Ik meen dat het van een verkeerde rechtsopvatting uitgaat. De vraag is wanneer het criterium "onverantwoord" van het artikel 348-11 Burgerlijk Wetboek dient te worden toegepast bij de beoordeling van een weigering van een adoptie. Om die vraag te beantwoorden dient men de wetsgeschiedenis van deze bepaling in ogenschouw te nemen. Vóór de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie
(1)was dit geregeld in het (oud) artikel 353, §1 Burgerlijk Wetboek. Deze bepaling luidde als volgt: "§
- Wanneer een toestemming vereist door artikel 348 wordt geweigerd, kan de rechtbank de adoptie uitspreken, indien zij deze weigering onverantwoord acht. Gaat de weigering echter uit van beide ouders of van de ouder aan wie de bewaring van het kind is toevertrouwd, dan kan de rechtbank de adoptie behalve wanneer het gaat om een nieuwe adoptie, slechts uitspreken indien degene die weigert toe te stemmen, zich niet om de te adopteren persoon heeft bekommerd of diens gezondheid, veiligheid of zedelijkheid in gevaar heeft gebracht." Uit deze bepaling kwam naar voor dat weigering tot adoptie van de ouder(s), die de bewaring hadden over het kind, slechts ter zijde kon geschoven worden wanneer er sprake was van het in gevaar brengen van de gezondheid, veiligheid of zedelijkheid van het kind. Deze voorwaarde gold evenwel niet wanneer het ging om een nieuwe adoptie. In dit laatste geval, of indien de weigering echter uitging van bijvoorbeeld de voogd of de ouder die niet de bewaring had over het kind, dan was de toetssteen het al dan niet onverantwoord karakter van de weigering. Ingevolge de voormelde wet van 2003 werd het aspect van het voormelde oud artikel 353, §1 thans geregeld in artikel 348-
- In zijn oorspronkelijke versie luidde deze laatste bepaling als volgt: "Ingeval een persoon die overeenkomstig de artikelen 348-2 tot 348-7 in de adoptie moet toestemmen, dit weigert te doen, kan de adoptie op verzoek van de adoptant, van de adoptanten of van het openbaar ministerie toch worden uitgesproken indien de rechtbank van oordeel is dat de toestemming op onverantwoorde wijze is geweigerd. Wanneer evenwel de vader of de moeder van het kind weigert in de adoptie toe te stemmen, kan de rechtbank, behalve wanneer het gaat om een nieuwe adoptie, de adoptie pas uitspreken wanneer na een grondig maatschappelijk onderzoek gebleken is dat deze persoon zich niet meer om het kind heeft bekommerd of de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht." In het tweede lid is er een duidelijke wijziging, in de zin dat het aspect bewaring van het kind, in hoofde van de ouders geen rol meer speelt wanneer het de toestemming tot adoptie betreft
(2). Feit is evenwel dat er reeds op dat ogenblik een discussie bestond in de rechtsleer betreffende de vraag of de beide leden van artikel 348-11 een zelfstandig bestaan leiden dan wel cumulatief zijn
(3)-
(4). In dat laatste geval zou een weigering altijd getoetst worden aan het criterium of deze onverantwoord is. De bepaling, zoals ze ingevoerd werd in 2003, maakte het voorwerp uit van diverse procedures voor het Grondwettelijk Hof. Dit betreft de arresten van 12 juli 2012 (93/2012) en 25 juni 2015 (93/2012). Telkenmale werd er geoordeeld dat de bepaling ongrondwettelijk was. Deze rechtspraak heeft aanleiding gegeven tot een tussenkomst van de wetgever door de wet van 20 februari 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, betreffende de adoptie. Het tweede lid van artikel 348-11 wordt gewijzigd en er wordt een derde lid toegevoegd. In zijn huidige versie luidt deze bepaling als volgt: "Ingeval een persoon die overeenkomstig de artikelen 348-2 tot 348-7 in de adoptie moet toestemmen, dit weigert te doen, kan de adoptie op verzoek van de adoptant, van de adoptanten of van het openbaar ministerie toch worden uitgesproken indien de familierechtbank van oordeel is dat de toestemming op onverantwoorde wijze is geweigerd. Wanneer evenwel de vader of de moeder van het kind weigert in de adoptie toe te stemmen, kan de rechtbank de adoptie pas uitspreken wanneer na een grondig maatschappelijk onderzoek gebleken is dat deze persoon zich niet meer om het kind heeft bekommerd of de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht, behalve wanneer het gaat om een nieuwe adoptie of wanneer het gaat om de adoptie van het kind of van het adoptief kind van een echtgeno(o)t(e), van een samenwonende partner of van een voormalige partner ten aanzien van wie een gemeenschappelijk ouderlijk engagement bestaat. Om het onverantwoorde karakter te beoordelen van de weigering om toestemming te verlenen, houdt de rechtbank rekening met het belang van het kind." De omstandigheden, in het tweede lid, waar de rechter over de weigering van de ouder kan heenstappen heeft een significante uitbreiding gekend. Benevens de nieuwe adoptie gaat het tevens "wanneer het gaat om de adoptie van het kind of van het adoptief kind van een echtgeno(o)t(e), van een samenwonende partner of van een voormalige partner ten aanzien van wie een gemeenschappelijk ouderlijk engagement bestaat." De twee arresten van het Grondwettelijk Hof hadden zeer specifieke situaties voor ogen. Dit blijkt uit de analyse die de wetgever deed in het kader van het tot stand brengen van de huidige regelgeving. In het amendement
(5)dat uiteindelijk de huidige wettekst is geworden, kan men bij de verantwoording lezen: "De twee voornoemde arresten van het Hof beogen vrij soortgelijke situaties die worden gekenmerkt door de volgende feitelijke elementen: • meeouderschapsproject opgestart tijdens het huwelijk of de partnerrelatie (medisch begeleide voortplanting); • geboorte van het kind tijdens het samenleven; • adoptieprocedure opgestart tijdens het huwelijk of de relatie; • daadwerkelijke familiale band tussen het kind en de voormalige partner; • weigering door de moeder om toe te stemmen in de adoptie wegens de scheiding." De regelgever meende evenwel dat er een ruimere invulling diende te gebeuren dan die specifieke gevallen die bedoeld werden in de beide arresten van het Grondwettelijk Hof. In de verantwoording van het amendement wordt dan ook vervolgd met: "Het lijkt evenwel moeilijk te zijn de wetswijziging strikt te beperken tot de door het Hof beoogde situatie. Er wordt dan ook voorgesteld de mogelijkheid voor de rechter om de adoptie uit te spreken indien hij van oordeel is dat de toestemming van de vader of van de moeder van het kind op onverantwoorde wijze is geweigerd en om rekening te houden met het belang van het kind om het onverantwoorde karakter te beoordelen van die weigering, uit te breiden tot alle intrafamiliale adopties. De adoptie kan worden uitgesproken indien de rechtbank van oordeel is dat de toestemming van de vader of van de moeder van het kind op onverantwoorde wijze is geweigerd, zulks niet enkel wanneer het gaat om een nieuwe adoptie (zoals thans het geval is), maar ook wanneer het gaat om de adoptie van het kind of van het adoptief kind van een echtgeno(o)t(e), van een samenwonende partner of van een voormalige partner ten aanzien van wie een gemeenschappelijk ouderlijk engagement bestaat." Met hetzelfde amendement werd ook het derde lid van het thans ter discussie staande artikel 348-11 ingevoerd. Dit betreft dus het aspect dat om het onverantwoorde karakter van de weigering te beoordelen rekening wordt gehouden met het belang van het kind. Aan de oorsprong van dit derde lid ligt een opmerking van de Raad van State
(6). Het amendement stelt ter zake: "De invoeging van een derde lid volgt op de opmerking van de afdeling Wetgeving van de Raad van State in advies 59 770/2/V van 12 september 2016: "(...) in het licht van artikel 22bis van de Grondwet, zoals het Grondwettelijk Hof het inzonderheid in de voornoemde arresten heeft geïnterpreteerd - [lijkt het] wenselijk om artikel 348-11, eerste lid (...), van Burgerlijk Wetboek dusdanig aan te vullen dat eruit blijkt dat de onverantwoorde wijze waarvan sprake is aan het einde van die bepaling, de gevallen betreft waarin de weigering tot toestemming in de adoptie het belang van het kind zou schaden"
(7). Het derde lid is derhalve een specificatie dat wat als onverantwoord moet begrepen worden, namelijk datgene is wat het belang van het kind zou schaden. De vraag is thans hoe de wisselwerking tussen de diverse leden van het artikel 348-11 dient beoordeeld te worden. Uit het geheel van de wetsgeschiedenis is het duidelijk dat het aspect onverantwoorde weigering enkel speelt bij de toepassing van het eerste lid van het artikel en wanneer de weigering plaats heeft naar aanleiding van een "nieuwe adoptie of wanneer het gaat om de adoptie van het kind of van het adoptief kind van een echtgeno(o)t(e), van een samenwonende partner of van een voormalige partner ten aanzien van wie een gemeenschappelijk ouderlijk engagement bestaat." Deze stelling vindt ook zijn steun in de hoger aangehaalde arresten van het Grondwettelijk Hof. Dit blijkt uit de overweging B.14 van het arrest van 2012 en overweging B.23 van het arrest van
- Derhalve anders dan wat het onderdeel voorhoudt, staat artikel 358-11 niet toe dat de rechter in alle omstandigheden, in het belang van het kind, over de weigering van de ouder kan heenstappen. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.
- Tweede onderdeel. In het tweede onderdeel verzoekt eiser uw Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Eiser stelt dat het huidige artikel 348-11 Burgerlijk Wetboek de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met de artikelen 8 EVRM en 3 van het Internationaal verdrag van de rechten van het kind, schendt zo het de adoptierechter enkel toestaat om over de weigering van de ouders heen te stappen in de in het artikel voorziene, stringente, omstandigheden maar niet toestaat om rekening te houden met het belang van het kind in het algemeen zoals er is het niet kunnen onderzoeken of het wegnemen van een kind uit een stabiele omgeving waarin het meer dan 18 maanden is opgegroeid ernstige gevolgen zou hebben voor het emotioneel en psychologisch welzijn van het kind. Ik meen dat op het verzoek van eiser dient te worden ingegaan. De hoger aangehaalde arresten van het Grondwettelijk Hof hadden betrekking op specifieke omstandigheden die vreemd zijn aan de huidige problematiek. Conclusie: Het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag stellen: "Schendt artikel 348-11 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 20 februari 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek betreffende de adoptie, de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de adoptierechter slechts toelaat, behalve in de in het tweede lid bepaalde gevallen, geen rekening te houden met de weigering van de moeder van het kind om in de adoptie toe te stemmen in het geval waarin zij zich niet meer om haar kind heeft bekommerd of wanneer zij de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht, en het de adoptierechter aldus niet mogelijk maakt, in het geval dat het kind een week na zijn geboorte werd geplaatst bij de persoon van wie het verzoek tot adoptie uitgaat en het sindsdien gedurende meer dan 18 maanden in diens gezin is opgegroeid, de weigering van de moeder om in de adoptie toe te stemmen te weren, omdat het in die omstandigheden niet in het belang van het kind is het te onttrekken aan de omgeving waarin het opgroeit?" De nadere uitspraak verder aan te houden. ________________________________
(1)BS 16 mei 2003.
(2)Wetsontwerp tot hervorming van de adoptie, Parl.St. Kamer, 2000-01, nr. 50K1366/001, 31-32. Zie ook: A. ELEN, "Stiefouderadoptie: de oorspronkelijke ouder die alimentatie betaalt maar het contact verhinderd ziet, bekommert zich om het kind" (noot onder Antwerpen 7 november 2011), T.Fam. 2012, p. 161.
(3)De beide leden zijn autonoom: R. DEKKERS en A. WYLLEMAN, Handboek burgerlijk recht, Deel I. Personenrecht. Familierecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 286-287; P. SENAEVE, Compendium van het personen- en familierecht, Leuven, Acco, 2011, 313; F. SWENNEN, Het personen- en familierecht, Antwerpen, Intersentia, 2012, 310; G. VERSCHELDEN, Handboek Belgisch familierecht, Brugge, die Keure, 2010, 241.
(4)Een cumulatieve toepassing van de beide leden: C. CASTELEIN, "Grondvoorwaarden voor adoptie" in P. SENAEVE en F. SWENNEN, (eds.), De hervorming van de interne en internationale adoptie, Antwerpen, Intersentia, 2006, 113-119.
(5)Amendement nr. 13 (S. BECQ c.s.) op het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 348-11 van het Burgerlijk Wetboek, aangaande de weigering door de moeder of de vader om toe te stemmen in de adoptie, Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-1152/005, 14-15.
(6)Adv. RvS van 12 september 2016, nr. 59.770/2/V, Parl.St. Kamer 2015-16, nr. 54-1152/001, 15.
(7)Amendement nr. 13 (S. BECQ c.s.) op het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 348-11 van het Burgerlijk Wetboek, aangaande de weigering door de moeder of de vader om toe te stemmen in de adoptie, Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-1152/005, 14-15. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200907.3N.11 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div