id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 11 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200911.1N.10 Rolnummer: C.19.0280.N Zaak: E. contra PDG-PROJECTS gcv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Overige Invoerdatum: 2022-07-05 Raadplegingen: 745 - laatst gezien 2026-06-18 22:53 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200911.1N.10 Fiches 1 - 2 Heeft de gerechtsdeurwaarder krachtens artikel 14 van de Betekeningsverordening het beroepen vonnis aan de eiseres betekend door verzending van het betekeningsexploot en de daarin vermelde stukken onder aangetekende omslag met ontvangstbevestiging naar het adres van de eisers in Nederland, dan volgt hieruit dat Nederland de aangezochte lidstaat is, zodat, krachtens artikel 9, eerste lid van voormelde Verordening de datum van betekening de datum is waarop de betekening overeenkomstig het Nederlandse recht is geschied
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 - Aangezochte lidstaat - Betekening - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 - 13-11-2007 - Artt. 9, eerste, tweede en derde lid, en 14 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - IN HET BUITENLAND Vrije woorden: Aangezochte lidstaat - Betekening - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 - 13-11-2007 - Artt. 9, eerste, tweede en derde lid, en 14 Annotaties Publicaties: Limburgs Rechtsleven [Limb.Rechtsl.] - VANHELMONT, Pros; Noot 'De moeilijke spagaat van de grensoverschrijdende betekening: de dubbele toepasselijke wet en de dubbele datum' - 2021, nr. 1, p. 3-
- Tekst van de conclusie C.19.0280.N Conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier: Situering
- Bij vonnis van 27 april 2011 verklaarde de rechtbank van koophandel te Hasselt het verzet ontvankelijk van eiseres tegen een vonnis van dezelfde rechtbank van 2 februari 2011, dat eiseres, op vordering van de rechtsvoorganger van verweerster, bij verstek veroordeelde tot betaling van een geldsom, meer intresten. Alvorens verder recht te doen werd de toestand van eiseres en verweerster voorlopig geregeld door eiseres te veroordelen tot het consigneren van een bedrag van 250.000 euro en de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis van 2 februari 2011 op te schorten. Een gerechtsdeskundige werd aangesteld.
- De voormelde rechtbank verzond bij vonnis van 5 maart 2013 de behandeling van de gegrondheid van het verzet van eiseres naar de rol en verklaarde haar tussenvordering tegen Drieskens Dubois NV en tegen TDE BVBA ontvankelijk doch ongegrond.
- Bij vonnis van 21 februari 2017 gaf de rechtbank van koophandel Antwerpen, afdeling Hasselt, verweerster akte van haar gedinghervatting, verklaarde zij het verzet van eiseres ongegrond, verleende zij akte aan verweerster van haar eisuitbreiding, verklaarde zij deze toelaatbaar en grotendeels gegrond en, opnieuw recht doende, veroordeelde zij eiseres tot betaling aan verweerster van een bedrag van 599.086,89 euro meer intresten. De tegenvordering van eiseres (de vermelding “PDG-PROJECTS” in het beschikkend gedeelte van het vonnis betreft duidelijk een verschrijving) werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard.
- Eiseres legde op 25 juli 2017 een verzoekschrift neer ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen, waarmee zij hoger beroep aantekende tegen de vonnissen van 5 maart 2013 en 21 februari
- Dit hoger beroep werd gericht tegen verweerster en tegen Drieskens Dubois NV.
- Het hof van beroep van Antwerpen oordeelde aangaande het bestreden vonnis van 21 februari 2017 in zijn tussenarrest van 14 november 2018: “(...) (Het bestreden eindvonnis van 21 februari 2017) werd betekend op 26 mei en op 28 juni 2017”. en tevens: “In de authentieke betekeningsakte van 26 mei 2017 vermeldt gerechtsdeurwaarder Bert Vandebergh dat hij het bestreden vonnis aan (eiseres) heeft betekend op 26 mei 2017 door overmaking onder aangetekende omslag met bericht van ontvangst op het postkantoor voor de verzending aan Twaelf Provinciën V Incasso en Gerechtsdeurwaarders, met verzoek over te gaan of te doen overgaan tot betekening aan (eiseres), en op dezelfde datum door verzending onder aangetekende omslag met bericht van ontvangst naar het adres van (eiseres) van een kopie van het exploot en van de stukken daarin vermeld, conform artikel 14 van de Verordening (EG) nr. 1393/
- (…) Artikel 14 van Verordening (EG) n. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken laat toe om gerechtelijke stukken rechtstreeks over de post toe te zenden aan zich in een andere lidstaat bevindende personen. Krachtens artikel 40 Gerechtelijk Wetboek wordt de betekening geacht te zijn verricht door de afgifte van de akte aan de postdienst tegen ontvangstbewijs in de vormen die in dat artikel worden bepaald. Uit de voorliggende stukken blijkt niet dat het bestreden vonnis op 26 mei 2017 aan (eiseres) werd betekend door verzending onder aangetekende omslag met bericht van ontvangst.” Het hof van beroep te Antwerpen heropende de debatten teneinde verweerster toe te laten het bewijs bij te brengen van de verzending onder aangetekende omslag met bericht van ontvangst van het bestreden vonnis van 21 februari
- Bij zijn arrest van 13 februari 2019 stelde het hof van beroep te Antwerpen vast dat het betekeningsexploot en de daarin vermelde stukken onder aangetekende omslag met bericht van ontvangst aan eiseres, op 26 mei 2017 door gerechtsdeurwaarder Omerus aan de postdiensten werden overgemaakt tegen ontvangstbewijs. Het hof oordeelde dat de termijn om hoger beroep in te stellen bijgevolg was verstreken op 25 juli 2017, datum van de neerlegging van het verzoekschrift tot hoger beroep van eiseres, zodat dit hoger beroep laattijdig is en niet toelaatbaar.
- In een tijdige en regelmatige voorziening in cassatie komt eiseres met één middel op tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen van 14 november 2018 en 13 februari
- De aangevochten beslissing en het middel van eiseres
- Eiseres komt op tegen de beslissing van de appelrechters dat het betekeningsexploot (van het vonnis van 21 februari 2017) met de daarin vermelde stukken, op 26 mei door gerechtsdeurwaarders Omerus onder aangetekende omslag met bericht van ontvangst naar eiseres werd verzonden en bijgevolg de termijn om hoger beroep in te stellen (tegen het vonnis van 21 februari 2017) was verstreken toen eiseres op 25 juli 2017 hoger beroep instelde, zodat dit hoger beroep laattijdig is en derhalve niet toelaatbaar. Eiseres voert aan dat niet naar recht is verantwoord het oordeel van de appelrechters dat het voor de betekening door de officiële postdienst met ontvangstbewijs voldoende is dat de aangetekende verzending met ontvangstbewijs werd aangeboden aan de bestemmeling en dat een effectieve en daadwerkelijke ontvangst van de stukken door de bestemmeling nadat deze stukken eerder correct werden aangeboden, niet wordt vereist, zonder evenwel vast te stellen dat in casu de aangetekende brief die door gerechtsdeurwaarders Omerus op 26 mei 2017 aan eiseres werd verzonden, correct werd aangeboden aan eiseres. Volgens eiseres schenden de appelrechters met hun oordeel artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet, de artikelen 9 en 14 van Verordening 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, de artikelen 32, 40, 53bis, 55 en 1051 Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 45, 46, 47, 50 en 56 van het Nederlands Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 6.1 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdediging. Eiseres voert aan dat de beslissing van de appelrechters dat het hoger beroep laattijdig is, alleszins niet naar recht verantwoord is op grond van de vaststelling in het bestreden arrest van 14 november 2018 dat het beroepen vonnis (van 21 februari 2017) tevens op 28 juni 2017 werd betekend, aangezien het hoger beroep dateert van 25 juli 2017 en dus werd ingesteld binnen de termijn van één maand en vijftien dagen na 28 juni
- Volgens eiseres schenden de appelrechters met hun vaststelling de artikelen 55 en 1051 Gerechtelijk Wetboek. Bespreking
- In de voorliggende zaak vond betekening van het beroepen vonnis van 21 februari 2017 aan eiseres plaats door rechtstreekse verzending door een Belgische gerechtsdeurwaarder van een aangetekende brief met ontvangstbewijs naar het adres van eiseres in Nederland, overeenkomstig artikel 14 van Verordening 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken
(1), kortweg “Betekeningsverordening”. De vraag rijst welke datum als datum van betekening van dit vonnis aan eiseres in aanmerking moet worden genomen, die de termijn voor eiseres om hoger beroep in te stellen, heeft doen ingaan. 10. Krachtens artikel 9, lid 1, juncto considerans 15 Betekeningsverordening, zoals van toepassing op het geschil, wordt de datum van betekening bepaald volgens het recht van de aangezochte lidstaat, in casu het Nederlands recht
(2). Het Nederlands recht heeft uitwerking gegeven aan de Betekeningsverordening in artikel 56 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het vierde lid bepaalt met name dat “wanneer de betekening binnen een bepaalde termijn moet worden verricht, ten aanzien van degene op wiens verzoek de betekening geschiedt, de datum van verzending door de gerechtsdeurwaarder in aanmerking wordt genomen als datum van betekening.” Dit lid geeft aldus uitwerking aan artikel 9, lid 2, Betekeningsverordening krachtens hetwelk “wanneer de betekening of kennisgeving van een stuk overeenkomstig het recht van een lidstaat echter binnen een bepaalde termijn moet worden verricht, de datum die ten aanzien van de aanvrager in aanmerking moet worden genomen, evenwel wordt bepaald door het recht van deze lidstaat.” In de wetsgeschiedenis en de heersende Nederlandse rechtsleer wordt vermeld dat deze regeling een dubbel tijdstip van betekening hanteert, dat zowel geldt voor de verzending op grond van artikel 56 tweede lid (verzending aan de ontvangende instantie) als artikel 56 derde lid (betekening per post) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hoofdregel is dat de betekening pas is voltooid wanneer de betekeningshandeling aan de geadresseerde in de aangezochte lidstaat heeft plaatsgevonden. Hierop wordt een belangrijke uitzondering gemaakt wanneer naar Nederlands recht de betekening binnen een bepaalde termijn moet worden verricht. In dat geval geldt als datum van betekening ten aanzien van de aanvrager, de datum van verzending door de deurwaarder, krachtens voormeld artikel 56, lid 4
(3). Op basis van de hoofdregel wordt derhalve erkend dat, wanneer de betekening per aangetekende post met ontvangstbevestiging is geschied op grond van artikel 14 Betekeningsverordening, ten aanzien van de geadresseerde als datum van betekening de datum geldt waarop hij het stuk ontvangen heeft
(4). In de Nederlandse rechtsleer wordt het geval vermeld waarin (zoals in casu) het stuk op het bekende adres werd aangeboden maar niemand werd aangetroffen die dit stuk in ontvangst kon nemen, terwijl de geadresseerde het stuk evenmin heeft afgehaald. Is de betekening per post in het recht van de aangezochte lidstaat een relatief onbekende rechtsvorm (zoals in Nederland), dan is het strikt genomen onduidelijk op welk moment de betekening overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat is geschied
(5). In het Nederlands procesrecht gebeurt de betekening immers in beginsel doordat de gerechtsdeurwaarder zich naar de geadresseerde begeeft, krachtens de artikelen 45 e.v. Nederlands Wetboek van Burgerlijke Procesvordering, en slechts uitzonderlijk per post
(6). 11. Voor de volledigheid kan worden opgemerkt dat het Belgisch recht eveneens het principe van een dubbele datum hanteert voor grensoverschrijdende betekeningen. Zo oordeelde uw Hof in een arrest van 21 december 2007
(7)inzake het Haags Betekeningsverdrag van 15 november 1965
(8)dat “wanneer een verdrag de wijze regelt waarop gerechtelijke akten worden overgezonden, er, jegens de geadresseerde, betekening geschiedt op het ogenblik dat de akte hem wordt afgegeven.” Uw Hof oordeelde op die grond dat de appelrechters niet vermochten te oordelen dat de betekening was gebeurd op de datum waarop de gerechtsdeurwaarder de uitgifte van het vonnis aangetekend per post had verstuurd, krachtens artikel 40 Gerechtelijk Wetboek. Ten aanzien van de geadresseerde hanteert uw Hof aldus de theorie van de ontvangst van de akte om zijn rechten van verdediging te waarborgen. Tegelijk laat uw Hof verstaan dat ten aanzien van de aanvrager de betekening kan gebeuren op een ander en eerder moment dan de overhandiging van de akte aan de geadresseerde, namelijk op het ogenblik van de verzending
(9). Ook uit het arrest nr. 48 van 29 maart 2006 van het Grondwettelijk Hof, dat betrekking had op de oude Betekeningsverordening nr. 1348/2000, volgt dat artikel 40 Gerechtelijk Wetboek ondergeschikt is aan Europese rechtsinstrumenten, zoals de Betekeningsverordening. Dit arrest betrof een betekening per post in de Bondsrepubliek Duitsland van een Belgische gerechtelijke beslissing, via aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, krachtens (oud) artikel 14, lid 2, Betekeningsverordening nr. 1348/2000. Die betekening vormde het aanvangspunt van de termijn binnen dewelke de persoon aan wie de akte werd betekend een rechtsmiddel diende in te stellen. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat artikel 40, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet in samenhang met artikel 6 EVRM schendt in zoverre het wordt toegepast in geval van een betekening per post verricht met toepassing van artikel 14 van Betekeningsverordening nr. 1348/2000 van 29 mei 2000 in EU-lidstaten die die vorm van betekening enkel middels een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs aanvaarden. Het Grondwettelijk Hof oordeelde immers dat “wanneer een gerechtsdeurwaarder, met toepassing van artikel 14 van de voormelde verordening, in een EU-lidstaat betekent die de betekening per post enkel bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs aanvaardt, in beginsel met zekerheid (kan) worden bepaald wanneer de te betekenen akte aan de woonplaats van de geadresseerde is aangeboden, of wanneer de betrokkene ze daadwerkelijk in ontvangst heeft genomen. De wetgever kan zich in dat geval niet redelijkerwijs op de rechtszekerheid beroepen ter verantwoording van een maatregel die het recht van toegang tot een rechterlijke instantie beperkt van de persoon aan wie de akte wordt betekend” (B.9). Door de wijziging van artikel 14 Betekeningsverordening nr. 1348/2000 door Betekeningsverordening nr. 1393/2007, is de betekening via een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs de uniforme manier geworden om een betekening per post in de EU-lidstaten te verrichten. Door de wijziging van artikel 9 Betekeningsverordening nr. 1348/2000 door Betekeningsverordening nr. 1393/2007, is lid 1 van die bepaling, krachtens hetwelk de datum van betekening wordt bepaald door de aangezochte lidstaat, voortaan ook van toepassing bij de betekening per post krachtens artikel 14 Betekeningsverordening. De datum van de postbetekening wordt ten aanzien van de geadresseerde sinds de inwerkingtreding van die verordening, op 13 november 2008, dus bepaald door de aangezochte lidstaat. De redenering van het Grondwettelijk Hof heeft echter nog gevolgen voor een grensoverschrijdende betekening wanneer België de aangezochte/ontvangende lidstaat is krachtens artikel 9, lid 1, Betekeningsverordening. De meerwaarde van dit arrest ligt in een verdere nationale uitholling van artikel 40 Gerechtelijk Wetboek in fine
(10). Wanneer België de aangezochte lidstaat is in de zin van artikel 9, lid 1, Betekeningsverordening, zullen, bij gebrek aan specifieke bepalingen die verder uitwerking geven aan de Betekeningsverordening (zoals artikel 56 Nederlands Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), voor de datumbepaling van de betekening de regels van het interne procesrecht gelden, met name de artikelen 32 en 53bis Gerechtelijk Wetboek. Krachtens artikel 53bis, 1°, Gerechtelijk wetboek “worden ten aanzien van de geadresseerde, en tenzij de wet het anders bepaalt, de termijnen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving op een papieren drager berekend, wanneer de kennisgeving is gebeurd bij gerechtsbrief of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op zijn verblijfplaats of gekozen woonplaats.” In de memorie van toelichting wordt, analoog aan bovenstaande redenering van het Grondwettelijk Hof, vermeld dat “indien de kennisgeving gebeurt bij gerechtsbrief of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, de afzender (griffie of partij) gemakkelijk over de datum (beschikt) waarop de geadresseerde kennis heeft genomen van de inhoud van de brief of, op zijn minst, over de datum waarop de brief werd aangeboden aan zijn woonplaats, zijn verblijfplaats of zijn gekozen woonplaats: deze datum staat immers op het ontvangstbewijs dat de postdiensten terugzenden naar de afzender. De termijn kan dus, in overeenstemming met het gemeen recht, worden berekend vanaf de dag na die datum, waarbij de zekerheid bestaat dat de geadresseerde kennis heeft genomen of heeft kunnen nemen van de inhoud van de kennisgeving”
(11). Wanneer België de aangezochte lidstaat is in de zin van artikel 9, lid 1, Betekeningsverordening, zal voor de datum van betekening ten aanzien van de geadresseerde dus in beginsel de datum in aanmerking worden genomen waarop hij de akte heeft ontvangen of, minstens, heeft kunnen ontvangen
(12). Bepaalde rechtsleer neemt bovendien aan dat wanneer het ontvangstbewijs niet per kerende werd teruggezonden en de gerechtsdeurwaarder dus geen bewijs heeft ontvangen waarop de datum van aanbieding aan de geadresseerde met zekerheid kan worden vastgesteld, toepassing moet worden gemaakt van artikel 53bis, 2°, Gerechtelijk Wetboek. Dit artikel bepaalt dat wanneer de kennisgeving gebeurt per aangetekende of gewone brief, de termijn ten aanzien van de geadresseerde begint te lopen vanaf de derde werkdag die volgt op de dag waarop de brief werd overhandigd aan de postdiensten, behoudens tegenbewijs door de geadresseerde. Op die datum wordt hij immers geacht kennis te hebben kunnen nemen van de akte
(13). 12. Het komt mij voor dat in casu verweerster in haar memorie van antwoord verkeerdelijk toepassing maakt van voormeld artikel 53bis, 2°, Gerechtelijk Wetboek om de datum van de betekening van het beroepen vonnis aan eiseres en het aanvangspunt van de beroepstermijn voor eiseres te bepalen. Toepassing van die bepaling zou immers inhouden dat het recht van de verzendende instantie wordt toegepast, terwijl uit het bovenstaande blijkt dat, krachtens de verwijzingsregel van artikel 9, lid 1, Betekeningsverordening, het recht van de aangezochte lidstaat van toepassing is op de datum van de betekening, dit is het recht van de lidstaat van vestiging van diegene aan wie wordt betekend
(14). Niet het Belgisch recht, maar wel het Nederlands recht (dit is het recht van de aangezochte EU-lidstaat) moet derhalve worden toegepast om de datum van betekening te bepalen. krachtens artikel 9, lid 1, Betekeningsverordening. In het eindarrest van 13 februari 2019 zijn de appelrechters mijns inziens echter niet of minstens onvoldoende duidelijk. Enerzijds lijken zij als hoofdoverweging de datum van verzending van de akte door de gerechtsdeurwaarder op 26 mei 2017 als datum van betekening in aanmerking te nemen, die de beroepstermijn ten aanzien van de eiseres doet lopen, dit in overeenstemming met hun tussenarrest van 14 november 2018, waarin zij naar artikel 40 Gerechtelijk Wetboek verwijzen. Deze redenering is echter onjuist. Anderzijds overwegen de appelrechters – mijns inziens terecht en zonder dienaangaande door het middel te worden bekritiseerd – dat het volgens het Nederlandse recht voldoende is dat de aangetekende zending met ontvangstbewijs correct aan de geadresseerde werd aangeboden, zodat hij de akte kon ontvangen, in het geval dat de geadresseerde de aangetekende zending niet heeft afgehaald en die werd geretourneerd. Zij lijken hier dus naar de datum van de correcte aanbieding aan de geadresseerde te verwijzen, namelijk naar de datum waarop de geadresseerde de akte kon ontvangen, als datum van betekening die de beroepstermijn doet ingaan. In het licht van het bovenstaande lijkt dit laatste mij weliswaar correct te zijn, doch de appelrechters stellen de datum van correcte aanbieding aan de geadresseerde, waarop hij kennis kon nemen van de stukken, niet vast. Het arrest bevat dus niet de vaststellingen in feite op grond waarvan uw Hof het hem opgedragen wettigheidstoezicht kan uitoefenen. Ik meen dan ook dat de appelrechters, door te oordelen dat eiseres het hoger beroep op 25 juli 2017 laattijdig heeft ingesteld, artikel 149 Grondwet schenden
(15). De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Conclusie: Vernietiging met verwijzing. ________________________________
(1)Artikel 14 Betekeningsverordening bepaalt: “Elke lidstaat kan de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken aan in een andere lidstaat verblijvende personen rechtstreeks door postdiensten doen verrichten bij aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging of op gelijkwaardige wijze”.
(2)Dit artikel betreft immers een verwijzingsregel: L. SAMYN, De uitdagingen van het Europees (internationaal) procesrecht voor het Belgisch procesrecht, diss. Universiteit Antwerpen, 2013, nrs. 135-136.
(3)Kamerstukken II 2000/01, 27 748, nr. 3, p. 11, MvT; A. VAN MIERLO, “Artikel 56” in A. VAN MIERLO, C. VAN NISPEN en M. POLAK (eds.), Tekst Commentaar Burgerlijke rechtsvordering, Deventer, Kluwer, 2012, 209; L. STRIKWERDA, “Grensoverschrijdende betekening” in Internationale incasso van geldvorderingen, Antwerpen, Maklu, 2011, 31.
(4)M. FREUDENTHAL, “Artikel 56” in Commentaar op Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 2014, C.3 en C.5; A. KNIGGE en M. ZILINSKY, “Artikel 56” in Groene Serie burgerlijke rechtsvordering, 2013, aant. 5.
(5)A. KNIGGE en M. ZILINSKY, “Artikel 56” in Groene Serie burgerlijke rechtsvordering, 2013, aant. 5 in fine.
(6)A.S. RUEB en E. GRAS, Compendium van het burgerlijk procesrecht, Deventer, Kluwer, 2013, 99; H.J. SNIJDERS, C.J.M. KLAASSEN en G.J. MEIJER, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer, Kluwer, 2017, nr. 136.
(7)Cass. 21 december 2007, AR C.06.0155.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071221.2, AC 2007, nr. 660, met concl. van advocaat-generaal Th. WERQUIN op datum in Pas..
(8)Verdrag van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke stukken in burgerlijke zaken en handelszaken, opgemaakt te ’s Gravenhage, goedgekeurd bij de wet van 24 januari 1970, van toepassing tot 31 mei 2001, dag waarop Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, kortweg “Betekeningsverordening nr. 1348/2000”, van toepassing werd.
(9)P. GIELEN en L. VANFRAECHEM, “Betekening” in B. ALLEMEERSCH en T. KRUGER (eds.), Handboek Europees burgerlijk procesrecht, Antwerpen, Intersentia, 2015, 243, nr. 39; L. SAMYN, De uitdagingen van het Europees (internationaal) procesrecht voor het Belgisch procesrecht, diss. Universiteit Antwerpen, 2013, nr. 152.
(10)L. SAMYN, De uitdagingen van het Europees (internationaal) procesrecht voor het Belgisch procesrecht, diss. Universiteit Antwerpen, 2013, nr. 153.
(11)MvT, Parl. St., Kamer, 2003-04, doc. 51, nr. 1309/001, 6-7.
(12)L. SAMYN, De uitdagingen van het Europees (internationaal) procesrecht voor het Belgisch procesrecht, diss. Universiteit Antwerpen, 2013, 144, nr. 155.
(13)P. GIELEN en L. VANFRAECHEM, “Betekening” in B. ALLEMEERSCH en T. KRUGER (eds.), Handboek Europees burgerlijk procesrecht, Antwerpen, Intersentia, 2015, 243-244, nr. 39.
(14)In casu Nederland; zie P. VANHELMONT, “Peren verkopen in Nederland…omwegen via Europa en Wenen” (noot onder Antwerpen 30 september 2013), Limburgs Rechtsleven 2014, 127; I. BAMBUST, “La Cour de Justice face à l’article 8 du Règlement 1348/2000”, PB 2006, 18.
(15)Zie Cass. 7 december 2001, AR C.99.0442.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011207.5, AC 2001, nr. 681 en Cass. 19 oktober 2000, AR C.00.0164.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001019.7, AC 2000, nr. 562; H. BOULARBAH, P. GÉRARD en J.-F. VAN DROOGHENBROECK, Pourvoi en cassation en matière civile, Brussel, Bruylant, 2011, nr. 555. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200911.1N.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200911.1N.10 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001019.7 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011207.5 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071221.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div