← België

J.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 15 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200915.2N.15 Rolnummer: P.20.0535.N Zaak: J. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-06-16 Raadplegingen: 1469 - laatst gezien 2026-06-20 17:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200915.2N.15 Fiches 1 - 3 Wanneer een beslissing bij verstek is gewezen en vatbaar is voor verzet, neemt de termijn om cassatieberoep in te stellen een aanvang bij het verstrijken van de termijn van verzet of, wanneer de beslissing bij verstek is gewezen ten aanzien van de beklaagde of beschuldigde, na het verstrijken van de gewone termijn van verzet, waarbij het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen vijftien dagen na het verstrijken van die termijn, zelfs als het verzet ongedaan wordt verklaard en het verzet in de buitengewone termijn is ingesteld omdat het arrest bij verstek niet aan de persoon van de beklaagde is betekend

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Beslissingen uit hun aard niet vatbaar voor cassatieberoep Vrije woorden: Uitspraak bij verstek in hoger beroep die vatbaar is voor verzet - Verzet in de buitengewone termijn - Ongedaan verzet - Cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak bij verstek en het ongedaan verzet - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 187, §§ 1 en 6, 359 en 424 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Duur, begin en einde Vrije woorden: Uitspraak bij verstek in hoger beroep die vatbaar is voor verzet - Verzet in de buitengewone termijn - Ongedaan verzet - Cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak bij verstek en het ongedaan verzet - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 187, §§ 1 en 6, 359 en 424 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Strafzaken - Uitspraak bij verstek in hoger beroep die vatbaar is voor verzet - Verzet in de buitengewone termijn - Ongedaan verzet - Cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak bij verstek en het ongedaan verzet - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 187, §§ 1 en 6, 359 en 424 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de conclusie P.20.0535.N Conclusie van advocaat-generaal B. De Smet: “Het cassatieberoep tegen de uitspraak bij verstek en de uitspraak van ongedaan verzet”.
  1. Eiser stelde op dezelfde datum (11 mei 2020) cassatieberoep in tegen een arrest van het hof van beroep te Brussel (10 september 2019) van een veroordeling bij verstek en een arrest van dezelfde kamer (29 april 2019), waarbij het verzet ongedaan werd verklaard, wegens een onverantwoorde afwezigheid van eiser tijdens de procedure op verzet (art. 187, §6, 2° Sv.). a) Het cassatieberoep tegen het verstekarrest
  2. Het Wetboek van Strafvordering bevat geen specifieke bepaling over de termijn om cassatieberoep in te stellen tegen een veroordeling in laatste aanleg gewezen bij verstek waarbij het verzet ongedaan werd verklaard, wegens een niet te verantwoorden afwezigheid van de beklaagde tijdens de verstekprocedure of de procedure op verzet. De veroordeling uitgesproken bij verstek blijft na ongedaan verzet onaangetast (art. 187, §4, en 208 Sv.). De vraag rijst of de beklaagde de inhoudelijke beslissing bij verstek kan aanvechten in cassatie na de uitspraak of betekening van het arrest van ongedaan verzet.
  3. Het Hof oordeelde in vorige eeuw dat de termijn waarover de beklaagde beschikt om cassatieberoep in te stellen tegen een veroordeling bij verstek dezelfde is als deze die geldt om het arrest van ongedaan verzet in cassatie te betwisten
(1). Er werd geen specifiek onderscheid gemaakt tussen het aantekenen van verzet in de gewone termijn, 15 dagen na de dag van betekening van de verstekbeslissing in tweede aanleg (art. 187, §1 Sv.), en het verzet in de buitengewone termijn, uiterlijk tot verjaring van de straf uitgesproken bij verstek. Deze buitengewone termijn komt toe aan de beklaagde aan wie de veroordeling op strafgebied niet in persoon is betekend, en loopt vanaf de dag na de kennisname van de betekening (art. 187, §1 Sv.)
(2). 4. Uit deze rechtspraak kon men afleiden dat aan een arrest van ongedaan verzet een termijn is verbonden om dubbel cassatieberoep in te stellen, tegen zowel de einduitspraak bij verstek als de sanctie van ongedaan verzet. De termijn van cassatieberoep van 15 dagen (art. 359 Sv.) loopt dan vanaf de dag na de betekening van het arrest waarbij het verzet ongedaan wordt verklaard, indien het ongedaan verzet bij verstek is uitgesproken
(3). De afwezige beklaagde heeft belang bij dit dubbel cassatieberoep. Indien hij zijn cassatieberoep zou beperken tot het arrest dat het verzet ongedaan verklaart, kan het Hof alleen nagaan of de sanctie van ongedaan verzet wettig is toegepast en is het zonder rechtsmacht om de wettigheid van het verstekarrest te beoordelen
(4). 5. In latere arresten heeft het Hof het dubbel cassatieberoep binnen dezelfde termijn van 15 dagen na de betekening van het arrest van ongedaan verzet beperkt tot beklaagden die binnen de gewone termijn van art. 187, §1 Sv. verzet hebben ingesteld tegen de veroordeling in tweede aanleg bij verstek
(5). Het cassatieberoep tegen de verstekbeslissing moet bovendien worden ingesteld ten laatste samen met het cassatieberoep tegen de beslissing van ongedaan verzet
(6). 6. Het aspect van de gewone termijn van verzet is vervat in artikel 424 Wetboek van Strafvordering over de termijn van het cassatieberoep tegen een verstekbeslissing. Wanneer de beklaagde of beschuldigde bij verstek is veroordeeld, en deze veroordeling vatbaar is voor verzet, neemt de termijn om tegen deze veroordeling cassatieberoep in te stellen een aanvang bij het verstrijken van de gewone termijn van verzet (art. 424 Sv.). Het Hof oordeelde dat deze regel onverkort geldt als het verzet ongedaan wordt verklaard
(7). 7. De beklaagde aan wie de veroordeling in tweede aanleg bij verstek niet in persoon is betekend, en pas van die veroordeling kennis krijgt nadat de gewone termijn van verzet is verstreken, kan dus na de betekening van het ongedaan verzet geen ontvankelijk cassatieberoep meer instellen tegen de veroordeling bij verstek. Uitzondering is het geval van het ontbreken van (de akte van) betekening of van een onregelmatige betekening (vb. op een fout adres) van deze verstekbeslissing. De gewone termijn van verzet loopt dan niet
(8)en een ingesteld cassatieberoep is dan voorbarig
(9). Zolang de verstekbeslissing niet regelmatig wordt betekend, kan de beklaagde verzet in de gewone termijn instellen tegen deze beslissing, tot 15 dagen na de dag van regelmatige betekening. In deze zaak is de verstekbeslissing in tweede aanleg regelmatig betekend en stelde de beklaagde pas verzet in nadat de gewone termijn voor dit rechtsmiddel was verstreken. 8. Artikel 424 Wetboek van Strafvordering over de verstekbeslissing vatbaar voor verzet maakt geen onderscheid tussen de wijzen van betekening van de verstekbeslissing (art. 32-40 Ger. W.). De termijn van cassatieberoep van 15 dagen, na het verstrijken van de gewone termijn van verzet (art. 424 Sv.), geldt ook voor beklaagden aan wie de verstekbeslissing in tweede aanleg niet in persoon is betekend
(10). Men zou tegen deze (strikte) interpretatie van art. 424 Sv. kunnen inbrengen dat de sanctie van ongedaan verzet inhoudt dat de veroordeling bij verstek haar volle rechtskracht herwint
(11). Na de gewone termijn van verzet en de termijn van hoger beroep is een veroordeling bij verstek (ook in tweede aanleg) uitvoerbaar (art. 187, §2, 203 en 205 Sv.), tot het moment waarop de straf uitgesproken bij verstek vervalt door verjaring (art. 187, §1 Sv.) of het moment waarop het verzet aangetekend in de buitengewone termijn ontvankelijk wordt verklaard en uitmondt in een nieuwe beslissing over de grond van de zaak (art. 187, §4 Sv.). Ongedaan verzet houdt in dat het verzet weliswaar ontvankelijk is, maar geen aanleiding heeft tot een nieuwe beoordeling, wegens een onverantwoorde afwezigheid van de eiser op verzet tijdens de verstekprocedure (art. 187, §6, 1° Sv.) of tijdens de procedure op verzet (art. 187, §6, 2° Sv.)
(12).
  1. De sanctie van ongedaan verzet in tweede aanleg geeft aan de veroordeling bij verstek een definitief karakter, behoudens tijdig cassatieberoep. De verstekbeslissing in tweede aanleg krijgt bij ongedaan verzet volle uitwerking, ongeacht het feit of het verzet in de gewone of in de buitengewone termijn is aangetekend. Door het ongedaan verzet ‘herleeft’ de bij verstek uitgesproken veroordeling. Op het eerste zicht is het logisch dat de beklaagde van het ongedaan verzet gebruik kan maken om, voor het eerst, cassatieberoep in te stellen tegen de veroordeling bij verstek.
  2. Daar staat tegenover, zoals het Hof aangaf op 25 april 2017, dat de wetsbepaling over het cassatieberoep tegen een verstekbeslissing (art. 424 Sv.) geen onderscheid maakt tussen de latere beslissing van gedaan verzet (met inhoudelijke beoordeling) of ongedaan verzet
(13). Het beginpunt van de termijn van cassatieberoep indien nog verzet mogelijk is (het einde van de gewone termijn van verzet) hangt ook niet af van de wijze van betekening van het verstekvonnis aan de beklaagde (in persoon of niet)
(14). Evenmin is in art. 424 Sv. bepaald dat de bij verstek veroordeelde beklaagde een tweede kans krijgt om cassatieberoep in te stellen tegen het verstekarrest omdat dit arrest ‘herleeft’ of volle rechtskracht krijgt op moment van het ongedaan verzet
(15). 11. De beklaagde die in tweede aanleg bij verstek is veroordeeld moet er dus mee rekening houden dat als de termijn van gewoon verzet is verstreken en zijn verzet ongedaan wordt verklaard, hij de verstekbeslissing in cassatie niet meer kan aanvechten. Het feit dat de verstekbeslissing hem niet in persoon is betekend, is daarbij niet van belang
(16).
  1. Het uitsluiten van cassatieberoep tegen de verstekbeslissing na het ongedaan verklaren van verzet in de buitengewone termijn ligt niet voor de hand als de veroordeling bij verstek in tweede aanleg, zoals in deze zaak, is betekend aan de procureur des Konings (art. 40, tweede lid, Ger. W.). Door deze wijze van betekening slinken de kansen van de beklaagde om hetzij binnen de vijftien dagen na het einde van de gewone termijn van verzet ontvankelijk cassatieberoep in te stellen tegen het verstekarrest (art. 424 Sv.), hetzij om in de gewone termijn verzet in te stellen zonder cassatieberoep, met als garantie dat bij ongedaan verzet er nog cassatieberoep openstaat tegen de veroordeling bij verstek.
  2. Ook al is dit niet expliciet vervat in art. 424 Sv., de termijn van 15 dagen om cassatieberoep in te stellen tegen een veroordeling bij verstek, te rekenen vanaf het verstrijken van de gewone termijn van verzet, is bedoeld voor beklaagden die deze beslissing niet aanvechten door verzet
(17). Men kan van een beklaagde die verzet instelt in de gewone termijn moeilijk verwachten dat hij uit voorzichtigheid ook cassatieberoep instelt tegen dezelfde beslissing, na het verstrijken van de gewone termijn, en een memorie met cassatiemiddelen indient er nog geen uitspraak is op verzet. Het cassatieberoep is immers doelloos, zonder voorwerp, indien de appelrechters het verzet ontvankelijk verklaren en de zaak opnieuw beoordelen, binnen de perken van de akte van verzet (art. 187, §4 Sv.)
(18). Ontbreekt er verzet binnen de gewone termijn, dan volgt uit art. 424 Sv. dat de veroordeling bij verstek alleen vatbaar is voor cassatieberoep binnen de termijn van 15 dagen, te rekenen vanaf de dag na het einde van de gewone termijn van verzet
(19). Het feit dat het verzet als ongedaan wordt afgewezen maakt geen verschil uit.
  1. Er lijkt mij geen reden te zijn om af te wijken van vermelde rechtspraak (voetnoot 5) over het niet-ontvankelijk cassatieberoep tegen de veroordeling bij verstek ingesteld samen met het cassatieberoep tegen de beslissing om het verzet in de buitengewone termijn ongedaan te verklaren. De beklaagde die niet binnen de gewone termijn verzet kon instellen tegen een veroordeling bij verstek in tweede aanleg, beschikt over kansen om deze beslissing in cassatie aan te vechten. Kennisname van de verstekbeslissing na de gewone termijn van verzet verleent de beklaagde het recht verzet in de buitengewone termijn in te stellen, om via dit rechtsmiddel een proces op tegenspraak voor dezelfde rechtsinstantie te bekomen (art. 187, §1 Sv.).
  2. Het is aan de beklaagde om erop te letten dat hij na kennisname van de dagvaarding deelneemt aan het strafproces in hoger beroep of zich door een advocaat laat vertegenwoordigen, behoudens overmacht of wettige reden van verschoning (art. 187, §6, 1° Sv.), vervolgens dat hij binnen de juiste termijn en vormvereisten verzet aantekent (art. 187, §5 Sv.) en behoudens overmacht
(20)zelf of via zijn advocaat deelneemt aan het debat voor de rechter op verzet (art. 187, §6, 2° Sv.). Als aan alle voorwaarden is voldaan, heeft het verzet als effect dat de verstekbeslissing vervalt, haar rechtskracht verliest (art. 187, §4, en 208 Sv.). In de plaats komt een nieuwe, inhoudelijke beslissing op verzet, die voor de eiser op verzet geen verzwaring van zijn toestand mag inhouden (relatieve werking van het verzet)
(21). Tegen deze beslissing op verzet kan de beklaagde middelen in cassatie aanvoeren, binnen een termijn van 15 dagen na de uitspraak of na de betekening van de uitspraak, naar gelang de eindbeslissing op verzet op tegenspraak of bij verstek is uitgesproken (art. 423 en 424 Sv.)
(22). 16. De beklaagde kan ook verstekprocedures vermijden, zeker na een veroordeling in eerste aanleg waarvan hij kennis heeft, door zijn woonplaats tijdig aan het gerecht te melden of een gekozen elektronisch adres mee te delen, zodat hij tijdig kennis krijgt van rechterlijke beslissingen (artt. 32quater/1 en 35 Ger.W. en art. 29 Wet 20 juli 1990 in geval van invrijheidstelling). Verder kan de beklaagde steeds de wettigheid aanvechten van de eindbeslissing van ongedaan verzet. Indien de beslissing van ongedaan verzet niet naar recht is verantwoord, bekomt de beklaagde na cassatie met verwijzing een nieuw proces, over de grond van de zaak. Tenslotte kan de termijn van 15 dagen voor het instellen van cassatieberoep na het verstrijken van de gewone termijn van verzet (art. 424 Sv.) worden verlengd met de termijnen van art. 55 Ger.W., voor het geval het bestreden arrest is betekend aan de woonplaats van eiser in het buitenland
(23), of wegens omstandigheden van overmacht
(24).
  1. Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het bij verstek gewezen arrest van 10 september 2019 geldig is betekend aan het openbaar ministerie op 18 september 2019, gelet op de mededeling conform art. 40 Ger.W. op het bestreden arrest (laatste blad). De akte is geldig aan het openbaar ministerie betekend aangezien het beroepen vonnis en de akte van hoger beroep van de raadsman van eiser (Mr. S.) geen gekende woon-of verblijfplaats vermelden.
  2. Het verzet van eiser van 12 februari 2020 is dus aangetekend in de buitengewone termijn, met als gevolg dat het cassatieberoep ingesteld op 11 mei 2020 tegen het verstekarrest laattijdig en bijgevolg niet-ontvankelijk is. Aangezien de eerste betekening van het verstekarrest van 18 september 2019 rechtsgeldig is, doet de tweede betekening van dit arrest aan beklaagde persoonlijk, in de gevangenis, op 12 februari 2020 geen nieuwe termijn lopen om verzet in te stellen in de gewone termijn. Mij lijkt er geen reden te zijn om het cassatieberoep wegens overmacht toch ontvankelijk te verklaren. b) Het cassatieberoep tegen het arrest van ongedaan verzet
  3. Eiser komt op tegen de beslissing om zijn verzet ingesteld in de buitengewone termijn af te wijzen als ongedaan wegens het feit dat eiser en zijn advocaat afwezig bleven op de vastgestelde terechtzitting van maandag 16 maart 2020, ondanks behoorlijke oproeping. Volgens eiser hadden de appelrechters wegens de Covid 19-crisis moeten ingaan op de vraag tot uitstel per fax aan hen gericht op zondagavond 15 maart 2020, en moest de raadsman van eiser zich op 16 maart 2020 niet naar het gerechtsgebouw verplaatsen om uitstel te vragen, gelet op een brief van de stafhouder OBFG van 15 maart 2020 dat “de verzoeken tot uitstel kunnen worden verzocht zonder dat de advocaten zich dienen te verplaatsen”. Volgens eiser is de behandeling van de zaak zonder enige tegenspraak, met als resultaat ongedaan verzet, in strijd met het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM), het recht op een effectief rechtsmiddel (art. 13 EVRM) en de wetsbepaling over het verzet (art. 187 Sv.).
  4. Beoordeling. Artikel 187, §6, 2° Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het verzet als ongedaan wordt beschouwd ‘indien de eiser in verzet nogmaals verstek laat gaan bij zijn verzet, en dat in alle gevallen, ongeacht de redenen voor de opeenvolgende verstekken en zelfs indien het verzet reeds ontvankelijk werd verklaard’.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat eiser verzet aantekende in de gevangenis op 12 februari 2020 en regelmatig werd opgeroepen voor de zitting van 17 februari
  6. Hij ondertekende deze oproeping op 12 februari
  7. Op deze eerstkomende zitting in de zin van art. 187§3 Sv. bleven eiser en zijn advocaat afwezig. Het dossier van de rechtspleging bevat geen verzoek tot uitstel van eiser of zijn advocaat. In zijn memorie vermeldt eiser in cassatie geen reden voor de afwezigheid op deze (eerste) terechtzitting.
  8. De appelrechters hebben ondanks dit tweede verstek de zaak uitgesteld naar de zitting van 16 maart
  9. Op 4 maart 2020 werd eiser in kennis gesteld van deze nieuwe rechtszitting. Met ingang op vrijdag 13 maart 2020 werden tal van verplaatsingen en activiteiten verboden om redenen van volksgezondheid, om de verspreiding van het Covid-19 virus tegen te gaan (MB 13 maart 2020, BS 13 maart 2020). Verplaatsingen naar rechtbanken en hoven zijn niet opgenomen in de lijst van verboden verplaatsingen. De lijst van verboden niet-essentiële verplaatsingen werd uitgebreid door het MB van 18 maart 2020 (BS 18 maart 2020) en, wat betreft zittingen voor specifieke rechtscolleges, door het KB nr. 3 van 9 april 2020 (BS 9 april 2020).
  10. Uit de stukken aangehaald door eiser (bericht stafhouder van 15 maart 2020 en de beschikking van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel van 16 maart 2020) kan niet worden afgeleid dat strafprocessen waarbij de beklaagde en zijn advocaat afwezig blijven automatisch of ambtshalve worden uitgesteld, om redenen van volksgezondheid. Van de strafrechtscolleges te Brussel werd wel verwacht soepel om te gaan met een verzoek tot uitstel van behandeling van de zaak.
  11. Het faxbericht gericht aan de voorzitter van de 13e kamer van het hof van beroep te Brussel van zondagavond 15 maart 2020 is niet toegevoegd aan het dossier van de rechtspleging van het hof van beroep. Uit geen enkel element blijkt dat de appelrechters op het moment van behandeling van de zaak (16 maart 2020, voormiddag) kennis hadden van het verzoek tot uitstel van eiser. Mij komt voor dat de appelrechters niet verplicht waren een tweede uitstel toe te staan, aangezien (opnieuw) niemand voor de eiser verscheen, en met de nodige voorzichtigheid hebben gehandeld. De zaak werd immers op 16 maart 2020 in beraad genomen voor uitspraak op 29 april
  12. In deze ruime periode van beraad had de raadsman van eiser kunnen informeren naar het resultaat van de zitting van 16 maart 2020 en een verzoekschrift kunnen indienen tot heropening der debatten
(25). 25. In zijn arrest 148/2017 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat overmacht de strafrechter belet om het verzet ongedaan te verklaren wegens afwezigheid van de eiser op verzet en zijn advocaat op een vastgestelde zitting
(26). De raadsman van eiser had ruimschoots de gelegenheid om een verzoekschrift in te dienen tot heropening der debatten, waarbij het begin van de ‘Corona-crisis’ of de gedeeltelijke ‘lockdown’ vanaf 13 maart 2020 kon worden aangevoerd als overmacht, te beoordelen door de appelrechters. 26. Om na te gaan of een proces eerlijk is verlopen, moet het proces in zijn geheel worden beoordeeld. Mij lijkt dat eiser voldoende kansen kreeg om op twee vastgestelde zittingen en zelfs tijdens het beraad (periode 12 februari 2020 tot 29 april 2020) zijn verweer te voeren, de sanctie van ongedaan verzet te vermijden. Toepassing van het ongedaan verzet overeenkomstig art. 187, §6, 2° Sv. is gelet op al deze elementen verenigbaar met de rechten van verdediging. Het middel kan aldus niet worden aangenomen. Er zijn geen ambtshalve middelen in cassatie. Mijn advies is verwerping van de cassatieberoepen. ________________________________________
(1)Cass. 16 januari 1980, AC 1979-80, nr. 297; Cass. 10 april 1973, AC 1972-73, 797; Cass. 15 juni 1970, AC 1970, 964. Zie hierover R. DECLERCQ, Pourvoi en cassation en matière répressive, Bruylant, 2015, p. 191; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2017, 1564.
(2)C. VAN DEN WYNGAERT, Ph. TRAEST en S. VANDROMME, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu, 2017, 1364; V. VEREECKE, “Het onderscheid tussen kennisname van de betekening en kennisname van de dagvaarding bij verzet in strafzaken”, RABG 2018, 59; K. VEECKMANS, “Buitengewoon verzet: een adequaat rechtsmiddel?”, N.C. 2019, 17.
(3)Cass. 16 januari 1980, AC 1979-80, nr. 297; Cass. 10 april 1973, AC 1972-73, 797. Zie J. DE CODT, “Les fins de non-recevoir du pourvoi en matière répressive », in Liber amicorum Jean du Jardin, Kluwer, 2001, 183.
(4)Cass. 12 mei 1998, AR P.97.0439.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980512.12, AC 1998, nr. 245; Cass. 4 januari 1994, AR P.93.1289.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940104.11, AC 1994, nr. 5; Cass. 18 oktober 1988, AC 1988-89, nr. 96. Zie R. DECLERCQ, Cassation en matière répressive, Bruylant, 2006, 159; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 1272, 1282 en 1286; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2017, 1564; L. DECREUS, conclusie in de zaak Cass. 13 maart 2018, AR P.17.0365.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.7, AC 2018, nr. 181; B. DE SMET, Verstek en verzet in strafzaken, Larcier-Intersentia, 2020, 197-198.
(5)Cass. 17 juni 2020, AR P.19.1223.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200617.2N.3, AC 2020, nr. 407 met concl. OM, www.juridat.be (impliciet, betrof een dubbel cassatieberoep met verzet ingesteld in de gewone termijn en een akte van afstand van het cassatieberoep tegen het verstekarrest); Cass. 19 december 2018, AR P.18.0421.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181219.3, AC 2018, nr. 725 met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas.; Cass. 13 maart 2018, AR P.17.0365.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.7, AC 2018, nr. 181 met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS; Cass. 25 april 2017, P.16.1164.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170425.7, AC 2017, nr. 285; Cass. 4 december 2001, AR P.00.0603.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011204.12, AC 2001, nr. 669; Zie F. VAN VOLSEM, “Cassatieberoep in strafzaken na Potpourri II”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, é.
(6)Cass. 13 maart 2018, AR P.17.0365.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.7 AC 2018, nr. 181 met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS.
(7)Cass. 19 december 2018, AR P.18.0421.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181219.3, AC 2018, nr. 725 met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas., www.juridat.be en Cass. 25 april 2017, AR P.16.1164.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170425.7 AC 2017, nr. 285.
(8)Cass. 9 maart 2016, AR P.15.1679.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160309.3, AC 2016, nr. 168; Cass. 6 oktober 2004, AR P.04.0719.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041006.6, AC 2004, nr. 459; Cass. 12 juni 1984, AC 1983-84, 1343; Cass. 14 maart 1979, AC 1978-79,
  1. Zie R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 1258; L. ARNOU, “Het laten van verstek en het aantekenen van verzet in strafzaken. Een hoogmis van het recht op een eerlijk proces en de rechten van verdediging”, in Na rijp beraad. Liber amicorum Michel Rozie, Intersentia, 2014, 6; D. VANDERMEERSCH, “Les voies de recours après la loi Pot-pourri II”. In La loi Pot-pourri II. Un an après, Larcier, 2017,
  2. Zie ook art. 47bis Ger.W. Over de regelmatigheid van betekening van akten in strafzaken zie F. VAN VOLSEM, “Over de wijzen van betekening in strafzaken in het algemeen en aan een in een buitenlandse gevangenis opgesloten beklaagde in het bijzonder”, RABG 2010, 427-436.
(9)Cass. 23 oktober 2012, AR P.12.0138.N, AC 2012, nr. 560 met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER. Zie R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1500-1501; F. VAN VOLSEM, “Cassatieberoep in strafzaken na Potpourri II”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, 230.
(10)Cass. 24 april 2001, AR P.99.0383.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010424.16, AC 2001, nr. 229; Cass. 4 april 2000, AR P.98.0724.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000404.24, AC 2000, nr. 222; Cass. 3 januari 1990, AR 7625, AC 1991, nr. 262; Cass. 1 maart 1988, AC 1987-88, 850; Cass. 16 december 1986, AC 1986-87, 236. Zie J. DE CODT, “Les fins de non-recevoir du pourvoi en matière répressive”, in Liber amicorum Jean du Jardin, Kluwer, 2001, 184; F. VAN VOLSEM, “Cassatieberoep in strafzaken na Potpourri II”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, é; H. VAN BAVEL, “Ontvankelijkheid van de voorziening in cassatie: een update na de wet van 14 februari 2014 en de potpourri II wet van 5 februari 2016”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, 104; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 1281; D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia, 2013, 223; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2014, 1439.
(11)GwH 26 september 2019, arrest 123/2019, www.const-court.be, B.5.2.; Cass. 25 januari 2017, AR P.16.1126.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.9, AC 2017, nr. 55, RDP 2017, 737, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., T. Strafr. 2018, 362 noot E. DE BOCK, en RW 2018-19, 465; Cass. 18 november 2003, AR P.03.0937.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031118.18, AC 2003, nr. 576; Cass. 6 juni 1995, RW 1995-96, 568 noot L. VAN OVERBEKE; Cass. 18 oktober 1988, AR nr. 2317, AC 1988-89, nr. 96; Cass. 24 juli 1986, AR 5257, AC 1985-86, nr. 686. Zie ook M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier, 2012, 1009; D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia, 2013, 223; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1438; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, Die Keure, 2014, 241; S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Potpourri II)”, RW 2015-16, 1405-1408; S. DEPAUW en L. VAN PUYENBROECK, Potpourri II: wijzigingen mbt. Het strafrecht en de strafvordering, Kluwer, 2016, 32; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2017, 1475 en 1478; A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia, 2019, 356-359; O. MICHIELS en G. FALQUE, Principes de la procédure pénale, Larcier, 2019, 508.
(12)S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Potpourri II)”, RW 2015-16, 1405-1408.
(13)Cass. 25 april 2017, AR P.16.1164.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170425.7, AC 2017, nr. 285.
(14)Cass. 14 november 2007, AR P.07.1041.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071114.6, AC 2007, nr. 552; Cass. 24 april 2001, AR P.99.0393.N, AC 2001, nr. 229. Zie F. VAN VOLSEM, “Cassatieberoep in strafzaken na Potpourri II”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, é; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1501; H. VAN BAVEL, “Ontvankelijkheid van de voorziening in cassatie: een update na de wet van 14 februari 2014 en de potpourri II wet van 5 februari 2016”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, 104.
(15)M. NOLET DE BRAUWERE, conclusie op datum in Pas. in de zaak Cass. 19 december 2018, AR P.18.0421.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181219.3, AC 2018, nr. 725, p. 3.
(16)F. VAN VOLSEM, “Cassatieberoep in strafzaken na Potpourri II”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, é.
(17)M. NOLET DE BRAUWERE, conclusie op datum in Pas. in de zaak Cass. 19 december 2018, AR P.18.0421.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181219.3, AC 2018, nr. 725, p. 2.
(18)Cass. 3 december 2003, AR P.03.1242.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031203.9, AC 2003, nr. 617; Cass. 5 juni 1979, AC 1978-79, 1161. Zie R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1448.
(19)Cass. 19 december 2018, AR P.18.0421.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181219.3, AC 2018, nr. 725 met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas.; Cass. 25 april 2017, AR P.16.1164.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170425.7, AC 2017, nr. 285; Cass. 4 december 2001, AR P.00.0603.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011204.12, AC 2001, nr. 669; Zie ook: M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2014, 1439-1440.
(20)Cass. 21 december 2017, arrest 148/2017, B.39.3, www.const-court.be Zie A. WINANTS, “Verzet in strafzaken na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 21 december 2017”, N.C. 2018, 41-42.
(21)W. DE PAUW, “Hebben de afwezigen gelijk? Enkele bedenkingen bij de relatieve werking van de devolutieve kracht van het verzet in strafzaken”, in Na rijp beraad. Liber amicorum Michel Rozie, Intersentia, 2014, 139-141.
(22)Tegen een beslissing op verzet is geen verzet meer mogelijk (art. 187, §8, en 208 Sv.). Indien de beslissing op verzet bij verstek is uitgesproken, loopt de termijn voor het instellen van cassatieberoep daarom vanaf de dag na de betekening van deze beslissing; zie J. DE CODT, “Les fins de non-recevoir du pourvoi en matière répressive”, in Liber amicorum Jean du Jardin, Kluwer, 2001, 166, 183 en 185; F. VAN VOLSEM, “Cassatieberoep in strafzaken na Potpourri II”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, é; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2017, 1564-1565.
(23)Art. 3 KB nr. 301 van 30 maart 1936; Cass. 20 juni 1990, AR nr. 8358, AC 1989-90, nr. 612. Zie F. VAN VOLSEM, “Cassatieberoep in strafzaken na Potpourri II”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, 230-231; R. DECLERCQ, Cassation en matière répressive, Bruylant, 2006, 155; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 1281; D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia, 2013, 223; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2014, 1437; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1501.
(24)J. DE CODT, “Les fins de non-recevoir du pourvoi en matière répressive”, in Liber amicorum Jean du Jardin, Kluwer, 2001, 183; F. VAN VOLSEM, “Cassatieberoep in strafzaken na Potpourri II”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, 227-228; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2014, 1437; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1499.
(25)Over het verzoekschrift tot heropening der debatten om na het in beraad nemen van de zaak de sanctie van ongedaan verzet te vermijden, zie S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie”, RW 2015-16, 1406, met verwijzing naar Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer 2015-16, nr. 1418/001, p. 81. Over het verzoek tot heropening der debatten in strafzaken zie alg. R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 865 en 1104-1105.
(26)GwH 21 december 2017, arrest 148/2017, www.const-court.be, BS 12 januari 2018, overweging B.39.3, tweede en derde alinea: “Het kan worden verantwoord dat een afwezigheid ter terechtzitting met meer gestrengheid wordt beoordeeld ten aanzien van een partij die reeds verstek heeft laten gaan en die door verzet aan te tekenen zelf het initiatief heeft genomen om vanwege het rechtscollege dat bij verstek heeft geoordeeld, een nieuwe beslissing na een contradictoir debat te verkrijgen. Bovendien geldt ook in dat geval het algemene rechtsbeginsel dat de gestrengheid van de wet in geval van overmacht kan worden gemilderd, waarvan de bestreden wet niet is afgeweken. Zoals ook in de parlementaire voorbereiding wordt bevestigd, kan het verzet bijgevolg niet als ongedaan worden beschouwd indien de afwezigheid van de verzetdoende partij in de verzetsprocedure door overmacht kan worden gerechtvaardigd (Parl. St., 2015- 2016, DOC 54-1418/001, p. 81, en DOC 54-1418/005, pp. 110-111)”. Over de uitzondering van overmacht bij het ongedaan verzet wegens een onverantwoorde afwezigheid van de eiser en zijn advocaat na verzet (art. 187, §6, 2° Sv.) zie S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie”, RW 2015-16, 1406-1407; T. DE MEESTER, “Beperkingen van het recht op verzet” in Potpourri II-Strafrecht en strafprocesrecht, Intersentia, 2016, 129; D. VANDERMEERSCH, “Les voies de recours après la loi Pot-pourri II” in La loi Pot-pourri II. Un an après, Larcier, 2017, 244. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200915.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200915.2N.15 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940104.11 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980512.12 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000404.24 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010424.16 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011204.12 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031118.18 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031203.9 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041006.6 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071114.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160309.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.9 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170425.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181219.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200617.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.