← België

N. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 15 september 202

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - EINDARREST Vrije woorden: Beslissing van de jury - Motivering - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 7 Uit de artikelen 6.1.

EVRM en 334, eerste lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat het arrest van het hof van assisen de voornaamste redenen en overwegingen moet bevatten die de jury van de schuld of onschuld van de beschuldigde hebben overtuigd, zonder dat het college op alle neergelegde conclusies moet antwoorden, met vermelding van de redenen waarom op elk van de aan de juryleden gestelde vragen positief of negatief is geantwoord

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Hof van assisen - Vrijspraak - Voornaamste redenen tot staving van de beslissing - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 334, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering Vrije woorden: Hof van assisen - Vrijspraak - Onbevoegdheid te oordelen over de burgerlijke vordering - Motivering - Voornaamste redenen tot staving van de beslissing - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 334, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Vrijspraak - Onbevoegdheid te oordelen over de burgerlijke vordering - Motivering - Voornaamste redenen tot staving van de beslissing - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 334, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 8 - 9 Bij vernietiging van het arrest van het hof van assisen dat uitspraak doet over de burgerlijke vordering wordt de zaak verwezen naar de rechtbank van eerste aanleg

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Strafzaken - Burgerlijke rechtsvordering - Burgerlijke partij Vrije woorden: Hof van assisen - Vrijspraak - Geen cassatieberoep ingesteld door het openbaar ministerie - Arrest inzake de burgerlijke rechtsvordering - Cassatieberoep ingesteld door de burgerlijke partij - Vernietiging - Verwijzing naar de rechtbank van eerste aanleg - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 435, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - STRAFZAKEN Vrije woorden: Burgerlijke rechtsvordering - Burgerlijke partij - Hof van assisen - Vrijspraak - Geen cassatieberoep ingesteld door het openbaar ministerie - Arrest inzake de burgerlijke rechtsvordering - Cassatieberoep ingesteld door de burgerlijke partij - Vernietiging - Verwijzing naar de rechtbank van eerste aanleg - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 435, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor Gezondheidsrecht [T.Gez.] - DE HERT, Marc; Noot 'Twijfel over de schuld van een arts die euthanasie heeft uitgevoerd, en die aanleiding heeft gegeven tot diens vrijspraak, moet gemotiveerd worden' - 2020-2021, nr. 4, p. 336-340. Tijdschrift voor Gezondheidsrecht [T.Gez.] - DE HERT, Marc; Noot 'Twijfel over de schuld van een arts die euthanasie heeft uitgevoerd, en die aanleiding heeft gegeven tot diens vrijspraak, moet gemotiveerd worden' - 2020-2021, nr. 4, p. 336-340. De Juristenkrant [Juristenkrant] - VANWALLEGHEM, Pim; Noot 'Alzheimer van de verdachte is geen reden om geen proces te houden.' - 2020, nr. 416, p. 3. - - Tekst van de conclusie P.20.0240.N Conclusie van advocaat-generaal B. De Smet: “Cassatieberoep van de burgerlijke partij tegen arresten van het hof van assisen (art. 359 en 412 Sv.)”.
  1. a)Grondslag van de cassatieberoepen 1. Verweerders werden vrijgesproken van de beschuldiging: “(als dader of mededader) Opzettelijk, met het oogmerk te doden, een doodslag gepleegd te hebben gepleegd op T.N., door middel van stoffen die min of meer snel de dood kunnen teweegbrengen, op welke wijze die stoffen ook aangewend of toegediend zijn (artikelen 66, 392, 393 en 397 Strafwetboek)”. 2. De raadsman van eiseressen S.N. en L.N. en eisers G.N. en B.N., nabestaanden van T.N., heeft op 17 februari 2020 cassatieberoep ingesteld tegen vier beslissingen in een zaak voor het hof van assisen te Oost-Vlaanderen: het arrest I van 12 december 2019 van de preliminaire zitting (met arrestnummer 2019/25), het arrest II van 31 januari 2020 van vrijspraak van verweerders (met arrestnummer 2020/3), het arrest III van 12 februari 2020 waarbij de onbevoegdheid werd vastgesteld om te oordelen over de burgerlijke vordering (met arrestnummer 2020/4) en de beslissing IV van 17 februari 2020 (proces-verbaal van de terechtzitting) waarbij geen toelating werd verleend om de akte van burgerlijke partijstelling van eiser G.N. voor te lezen.
  2. b)Het cassatieberoep tegen het arrest (I) van de preliminaire zitting 3. Artikel 278, §4 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tegen een arrest van de preliminaire zitting over het opstellen van de getuigenlijst geen rechtsmiddel openstaat
(1). Alleen tegen het preliminair arrest over onregelmatigheden, verzuimen, nietigheden en gronden van verval of niet-ontvankelijkheid van de strafvordering staat cassatieberoep open, samen met de eis tegen het eindarrest (artikel 278bis Wetboek van Strafvordering, ingevoegd door artikel 46 Wet 5 mei 2019, BS 24 mei 2019).
  1. In de memorie is geen concrete grief geformuleerd tegen het arrest I van de preliminaire zitting. De memorie bevat slechts een weergave van het bestreden arrest, waarbij meerdere personen niet als getuige zijn opgeroepen. Het cassatieberoep gericht tegen arrest I is bijgevolg niet-ontvankelijk, bij gebrek aan nauwkeurigheid.
  2. De vraag of verklaringen van een getuige ter terechtzitting kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding of het onderzoek naar de moraliteit van de beschuldigde is overigens een feitenkwestie, die niet in cassatie kan worden aangevochten. c) Het cassatieberoep tegen het arrest (II) van vrijspraak
  3. Arrest II bevat als reden voor de vrijspraak van verweerder 1 J.V.H. “Euthanasie is in België gelegaliseerd op grond van een expliciete machtiging buiten het Strafwetboek. De Wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie bepaalt in artikel 3§1 dat de arts die euthanasie toepast geen misdrijf pleegt indien hij er zich voorafgaandelijk van verzekerd heeft dat alle voorwaarden vervuld zijn en hij de door deze wet bepaalde procedure heeft nageleefd. Bij de toetsing van de voorwaarden en procedure zoals bepaald in de euthanasiewet besluit het hof dat er redelijke twijfel bestaat in hoofde van J.V.H. dat hij deze niet zou hebben nageleefd. Het gevoerde onderzoek laat niet toe met de in de wet vereiste zekerheid vast te stellen of er op deze in de wet voorgeschreven voorwaarden of procedure inbreuken werden begaan door J.V.H. Twijfel speelt in het strafrecht in het voordeel van de beschuldigde. Verklaart J.V.H. derhalve vrij van bovenvermelde tenlastelegging”. De gerechtskosten werden geheel ten laste gelegd van de Belgische Staat.
  4. Tegen de vrijspraak van verweerders 2 en 3 is geen grief aangevoerd.
  5. In een eerste onderdeel (p. 12) is aangevoerd dat het arrest van vrijspraak van 31 januari 2020 (arrestnummer 2020/3) niet de concrete redenen aangeeft waarom er twijfel is in hoofde van verweerder
  6. Bovendien belet de ‘abstracte motivering’ omtrent de vrijspraak eisers de beslissing van de jury te begrijpen en uw Hof zijn wettigheidscontrole uit te oefenen.
  7. Behoudens de hypothese van verzet door de beschuldigde berecht bij verstek, kunnen arresten van het hof van assisen alleen worden bestreden door het rechtsmiddel van cassatie (artikel 355 Wetboek van Strafvordering). De burgerlijke partij kan alleen cassatieberoep instellen tegen de beschikkingen betreffende haar burgerlijke belangen (artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering). In geen geval kan de burgerlijke partij de vernietiging vorderen van een beschikking van vrijspraak of van een arrest van ontslag van rechtsvervolging (artikel 412 Wetboek van Strafvordering). Alleen het onderdeel van de beslissing waarbij de burgerlijke partij tot schadevergoeding wordt veroordeeld boven wat de beschuldigde als eis formuleerde kan op vordering van de burgerlijke partij worden vernietigd (artikel 412 Wetboek van Strafvordering). In de wetsbepaling over het gemotiveerd arrest van vrijspraak (artikel 338 Wetboek van Strafvordering) is niets bepaald over het cassatieberoep van de burgerlijke partij
(2). 10. Men kan aanvoeren dat de burgerlijke partij die in een assisenzaak wil opkomen tegen een vrijspraak, alleen cassatieberoep kan instellen tegen het latere arrest, waarbij haar eis tot schadevergoeding is afgewezen wegens onbevoegdheid (artikel 348 Wetboek van Strafvordering)
(3). Het cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van vrijspraak is dan niet-ontvankelijk. Uw Hof oordeelde reeds in die zin
(4). Ook voor de hervorming van het hof van assisen (Wet 21 december 2009, BS 11 januari 2010) gold als regel dat de burgerlijke partij niet in cassatie kan opkomen tegen de beslissing van vrijspraak na uitspraak van de rechtsprekende jury
(5). 11. In andere arresten oordeelde het Hof dat de burgerlijke partij een dubbel cassatieberoep kan instellen, tegen het arrest van vrijspraak en dat van onbevoegdheid te oordelen over de burgerlijke vordering
(6). Uw Hof heeft, alleen op eis van de burgerlijke partij, de vrijspraak van de beschuldigde vernietigd wegens een motiveringsgebrek in de mate dat die beslissing als grondslag dient voor de burgerlijke rechtsvordering
(7). 12. Mijn voorkeur gaat uit naar de eerste visie, van het niet-ontvankelijk cassatieberoep tegen het arrest van vrijspraak
(8), aangezien de jury als taak heeft te oordelen over de strafvordering, die alleen door het openbaar ministerie wordt uitgeoefend
(9). De uitspraak van de jury over schuldvragen leidt tot een gemotiveerd arrest van veroordeling (artikel 337 Wetboek van Strafvordering) of vrijspraak (artikel Wetboek van Strafvordering. Na dit arrest volgt een afzonderlijke procedure zonder jury over de burgerlijke belangen (artikelen 348 Wetboek van Strafvordering en 119, §1 Gerechtelijk Wetboek). De jury oordeelt niet over de burgerlijke vordering
(10), hoewel haar beslissing over schuld een zwaar impact heeft op deze vordering, beslecht door alleen magistraten van het hof van assisen. 13. Het onderscheid is eerder academisch van aard. Ook in de visie waarbij de burgerlijke partij geen ontvankelijk cassatiemiddel tegen de vrijspraak kan instellen, heeft uw Hof aangegeven dat het gebrek aan motivering van het arrest van vrijspraak de nietigheid meebrengt van het arrest over de onbevoegdheid te oordelen over de burgerlijke vordering
(11). De burgerlijke partij kan het arrest van vrijspraak niet rechtstreeks in cassatie aanvechten, zelfs niet alleen op burgerlijk vlak, maar wel onrechtstreeks, door cassatieberoep in te stellen tegen het latere arrest over de burgerlijke vordering. Aangezien het arrest van onbevoegdheid te oordelen over de burgerlijke vordering (artikel 348 Wetboek van Strafvordering) geheel steunt op het arrest van vrijspraak (artikel 338 Wetboek van Strafvordering), kan het Hof niet anders dan na te gaan of de vrijspraak naar recht is verantwoord
(12). Het enige wat niet is toegelaten, is dat de burgerlijke partij alleen cassatieberoep instelt tegen het arrest van vrijspraak, gelet op artikel 412 Wetboek van Strafvordering. 14. Bij vrijspraak door de bevoegde strafrechter houdt cassatie van de afwijzing van de burgerlijke rechtsvordering in dat de verwijzingsrechter dient te onderzoeken of de tenlastelegging bewezen is, maar de vrijspraak op strafgebied blijft hoe dan ook behouden
(13). d) Het cassatieberoep tegen het arrest (III) van onbevoegdheid inzake de burgerlijke belangen. 15. De burgerlijke partij kan cassatieberoep instellen tegen een arrest van het hof van assisen zonder jury, dat haar burgerlijke vordering afwijst op grond van een vrijspraak van de jury (artikelen 348, 359 en 412 Wetboek van Strafvordering). Dit arrest over de burgerlijke vordering is nietig wanneer het enkel gemotiveerd is door het arrest van vrijspraak dat geen melding maakt van de voornaamste redenen die tot deze beslissing hebben geleid
(14).
  1. Het bestreden arrest III stelt dat: “verklaart zich niet bevoegd te statueren over de eis van de burgerlijke partijen gelet op de vrijspraak van J.V.H, F.D.G. en G.T Laat de gebeurlijke kosten gevallen aan de zijde van de burgerlijke partijen ten hunnen laste”.
  2. Tegen de vrijspraak van verweerders 2 en 3 is geen grief aangevoerd. In zoverre is het cassatieberoep niet-ontvankelijk, bij gebrek aan nauwkeurigheid.
  3. Eisers voeren aan, wat betreft verweerder 1, dat het arrest niet de voornaamste redenen van de beslissing van de jury vermeldt (eerste onderdeel) en de redenen van vrijspraak van verweerder 1 niet overeenstemmen met de redenen van vrijspraak van verweerder 2 (tweede onderdeel).
  4. Artikel 334 Wetboek van Strafvordering, eerste lid, bepaalt: “Zonder dat het moet antwoorden op alle neergelegde conclusies, formuleert het college de voornaamste redenen van de beslissing van de jury”
(15). De minister van Justitie gaf aan dat door deze verruimde motiveringsplicht uw Hof een ruimere controle kan uitvoeren dan vroeger het geval was, voor de Wet van 21 december 2009, toen het volstond de schuldvraag met ‘ja’ of ‘neen’ te beantwoorden
(16). 20. Uw Hof oordeelde over deze motiveringsplicht: “de door dat artikel vereiste motivering houdt in dat het arrest de redenen bevat die de jury van de schuld of onschuld van de beschuldigde hebben overtuigd, met vermelding van de concrete redenen waarom op elke vraag ja of neen is geantwoord”
(17). De vereiste van nauwkeurige motivering geldt dus voor alle beslissingen van de jury, ook de vrijspraak
(18). Zowel de beschuldigde, de burgerlijke partij en de publieke opinie moeten aan de hand van de motivering over schuld of onschuld in staat zijn de beslissing van de jury te begrijpen
(19). 21. Het onvermogen van het openbaar ministerie om in een mondelinge procedure de schuld te bewijzen, moet door het college (beroepsmagistraten en jury) gepreciseerd worden
(20). Het begrip ‘voornaamste redenen’ laat wel enige beoordelingsmarge
(21). Indien het college een geheel van redenen aanhaalt, met onder meer de motivering dat verschillende getuigenissen aantonen dat de beschuldigde zijn emoties niet onder controle had, is het niet nodig de identiteit van deze getuigen te vermelden
(22). Er is bij vrijspraak ook geen motivering vereist over elk bewijselement à charge dat door de vervolgende partij is aangehaald ter terechtzitting of in een conclusie is vermeld
(23). Indien een partij verschillende, van elkaar afwijkende verklaringen heeft afgelegd, moet het college ook niet motiveren waarom zij een bepaalde verklaring geloofwaardig acht, en een andere niet
(24). 22. Het arrest van vrijspraak van verweerder 1 is niet concreet gemotiveerd, en bevat enkel een algemene verwijzing naar de voorwaarden van de Euthanasiewet, de redelijke twijfel en het gevoerde onderzoek dat niet tot de bij wet vereiste zekerheid leidde. Dergelijke motivering lijkt mij de toets van artikel 334 Wetboek van Strafvordering. niet te doorstaan. In een zaak waar de beschuldigde was vrijgesproken wegens louter verwijzing naar ‘redelijke twijfel’, oordeelde het Hof als volgt, bij arrest van 29 september 2010: “Vermits het hier een abstracte formulering betreft die op alle zaken van toepassing is, volstaat alleen de verwijzing naar twijfel of het gebrek aan twijfel niet om de gezworenen in staat te stellen te voldoen aan hun plicht om verantwoording af te leggen van hun beslissing, reikt die formulering de partijen de gegevens niet aan om die beslissing, in het licht van de gegevens van de zaak, begrijpelijk te maken, en stelt zij het Hof niet in staat een werkelijk toezicht uit te oefenen, aangezien het hof van assisen uitspraak doet in eerste en laatste aanleg, de jury uitspraak doet op grond wat zij op de rechtszitting heeft gehoord en gezien, en de wet een beknopte maar reële motivering van die beslissing heeft gewild om de schijn van een willekeurige justitie te vermijden”
(25). Op basis van deze motivering heeft uw Hof het arrest van vrijspraak op burgerlijk vlak en het arrest over de burgerlijke rechtsvordering vernietigd. 23. In een andere zaak kwam het hof van assisen tot vrijspraak met als motivering dat na rijp beraad “elk element, dat afzonderlijk à charge wordt beschouwd, ook à décharge kan worden geïnterpreteerd” en dat “er twijfel bestaat die de beschuldigde moet ten goede komen”. Uw Hof oordeelde dat deze summiere motivering niet beantwoordt aan de eisen van artikel 6.1 EVRM en artikel 334 Wetboek van Strafvordering
(26). Ook een eenvoudige verwijzing naar de elementen van het strafdossier of het gevoerde onderzoek kan niet volstaan als motivering van schuld of onschuld
(27).
  1. De beslissing van onbevoegdheid om te oordelen over de burgerlijke vordering van eisers (arrest III), geheel gesteund op de beslissing van vrijspraak van verweerder 1 wegens redelijke twijfel, is om deze redenen niet naar recht verantwoord. Het middel is dan ook gegrond. e) Aanduiding van de verwijzingsrechter
  2. In geval het Hof het arrest III over het afwijzen van de burgerlijke vordering inzake verweerder 1 verbreekt, al dan niet samen met het arrest II van vrijspraak van verweerder 1 beperkt op burgerlijk gebied, is het niet duidelijk naar welk rechtscollege de zaak moet worden verwezen. Eiser verzoekt uw Hof het arrest 2020/4 van het hof van assisen Oost-Vlaanderen inzake de burgerlijke belangen te vernietigen en de zaak te verwijzen naar hetzelfde hof van assisen, anders samengesteld (p. 20 memorie).
  3. Artikel 435, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, ingevoegd door art. 37 Wet 14 februari 2014 (BS 27 februari 2014) bepaalt: “Wanneer de vernietiging evenwel enkel het arrest van het hof van assisen betreft in zoverre dit uitspraak doet over de burgerlijke belangen, wordt de zaak verwezen naar een rechtbank van eerste aanleg. De rechters die eerder kennis genomen hebben van de zaak kunnen geen kennis nemen van deze verwijzing”. Mij lijkt er geen bezwaar te zijn deze bepaling toe te passen, voor zover uw Hof het cassatieberoep van de burgerlijke partij tegen het arrest van vrijspraak niet-ontvankelijk verklaart. Men kan uit de bewoordingen van artikel 435, tweede lid, Wetboek van Strafvordering afleiden dat verwijzing naar de rechtbank van eerste aanleg geldt voor elke vernietiging van een arrest van het hof van assisen over de burgerlijke belangen, ongeacht de onderliggende beslissing van de rechtsprekende jury (vrijspraak of veroordeling). De algemene strekking van deze bepaling (vroeger artikel 429, vierde lid, Wetboek van Strafvordering
(28)) doet sommige auteurs besluiten dat bij cassatie van de beslissing van het hof van assisen louter op burgerlijk gebied de verdere afhandeling van de burgerlijke belangen toekomt aan de rechtbank van eerste aanleg
(29). Mij lijkt deze visie ook te gelden als een vrijspraak de grondslag vormt van het latere arrest over de burgerlijke belangen. 27. Bij gebrek aan cassatieberoep van het openbaar ministerie is de vrijspraak door het hof van assisen voor verweerder 1 definitief verworven
(30). Er is dan ook geen reden dat na cassatie verweerder 1 terug dient te verschijnen voor het hof van assisen, temeer daar de burgerlijke vordering nooit aan een jury wordt voorgelegd (artikel 348 Wetboek van Strafvordering en artikel 119, §1 Gerechtelijk Wetboek). Verwijzing naar de rechtbank van eerste aanleg heeft als voordeel dat er geen voorafgaande procedure moet worden gevoerd over de samenstelling van het hof van assisen, anders samengesteld en zonder jury. Daar staat tegenover dat hoger beroep mogelijk is tegen de beslissing van de verwijzingsrechter
(31). 28. Artikel 435 Wetboek van Strafvordering laat de rechtbank van eerste aanleg toe de fout van de verweerder in cassatie (beschuldigde) opnieuw te beoordelen. Bij cassatie op enkele eis van de burgerlijke partij dient de verwijzingsrechter te onderzoeken of de telastlegging bewezen is
(32). Tegenstrijdige beslissingen zijn mogelijk
(33): de vrijspraak op strafgebied, niet vatbaar voor cassatieberoep van de burgerlijke partij, en een schadevergoeding wegens een fout voor hetzelfde feit. Het beoordelen van een fout wegens een feit waarvoor de jury op strafgebied de vrijspraak uitsprak, moet na cassatie van het arrest over de burgerlijke belangen niet noodzakelijk aan het hof van assisen worden voorgelegd, zonder jury. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 435 Wetboek van Strafvordering, valt niet af te leiden dat de verwijzing naar de rechtbank van eerste aanleg alleen zou gelden in geval van veroordeling van de beschuldigde en cassatie van de uitspraak over de schadevergoeding. Het Hof beschikt voor de keuze van de verwijzingsrechter over een ruime beoordelingsmarge
(34). 29. De algemene regel van artikel 435, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, luidt: “in geval van vernietiging verwijst het Hof van Cassatie, indien daartoe aanleiding is, de zaak, hetzij naar een gerecht van dezelfde rang als het gerecht dat de vernietigde beslissing heeft gewezen, hetzij naar hetzelfde gerecht, anders samengesteld”. Men kan aanvoeren, als tegengestelde visie, dat als het arrest van het hof van assisen over de burgerlijke belangen steunt op een vrijspraak die niet naar recht is verantwoord, de zaak terug aan het hof van assisen moet worden voorgelegd, anders samengesteld en zonder jury (artikel 119, §1 Gerechtelijk Wetboek
(35)), als ‘hetzelfde gerecht’, omdat het aspect schuld terug aan bod komt, weliswaar op burgerlijk vlak
(36). De verwijzingsrechter dient niet enkel te oordelen over de schadevergoeding, maar in eerste instantie over de vraag of de verweerder in cassatie een fout heeft begaan in de zin van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek
(37). Het Hof oordeelde in zaken voor de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 435 Wetboek van Strafvordering, op basis van het vergelijkbare oude artikel 429 Wetboek van Strafvordering, dat bij vernietiging van de vrijspraak in zoverre het als grondslag dient voor de burgerlijke vordering, de zaak wordt verwezen naar hetzelfde hof van assisen, ander samengesteld, maar rechtsprekend zonder jury
(38). In deze visie is de verwijzing naar de rechtbank van eerste aanleg beperkt tot cassatie van het arrest over burgerlijke belangen uitgesproken na veroordeling door het hof van assisen
(39). f) Het cassatieberoep tegen het proces-verbaal van de terechtzitting (IV) 30. Het proces-verbaal van de terechtzitting is geen beslissing vatbaar voor cassatieberoep, tenzij daarin uitspraak is gedaan over enig geschil
(40). De beslissing van de voorzitter om de raadsman van eisers niet toe te laten een stuk voor te lezen, namelijk de nota van burgerlijke partijstelling van eiser G.N. (bladzijde 6 PV), kan als een uitspraak over enig geschil worden opgevat. Aldus hebben eisers belang tegen het proces-verbaal van de terechtzitting cassatieberoep in te stellen. 31. Het middel van eisers, eerste en tweede onderdeel, bevat evenwel geen nauwkeurig geformuleerde grief tegen de beslissing van de voorzitter van assisen, vermeld in het bestreden proces-verbaal. Aldus is het middel niet-ontvankelijk. g) Besluit Mijn advies is cassatie van het bestreden arrest III van 20 februari 2020 (arrest assisen Oost-Vlaanderen 2020/4) over de burgerlijke belangen beperkt tot verweerder 1 (J.V.H.), met verwijzing van de zaak een rechtbank van eerste aanleg, door uw Hof aan te duiden, en verwerping van de cassatieberoepen voor het overige. ____________________________________
(1)A. MASSET en D. VANDERMEERSCH, “La loi du 21 décembre 2009 relative à la réforme de la cour d’assises: première lecture critique”, JT 2010, 225-226; L. HUYBRECHTS, “Het cassatieberoep in assisenzaken na de Hervormingswet”, N.C. 2011, 222.
(2)Deze situatie verschilt met de regel dat de beschuldigde cassatieberoep tegen het arrest van veroordeling kan instellen samen met het cassatieberoep tegen het eindarrest (art. 337 Sv.).
(3)M. ROZIE, “De positie van de burgerlijke partij in het hof van assisen”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure, 2011, 769; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1149.
(4)Cass. 11 februari 2015, AR P.14.1637.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150211.6, AC 2015, nr. 100; Cass. 17 maart 2010, AR P.09.1741.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100317.8, AC 2010, nr. 191, R.D.P. 2010, 827 met concl. van advocaat-generaal R. LOOP op datum in Pas., J.L.M.B. 2010, 1712 noot P. MONVILLE; Cass. 10 februari 2010, AR P.09.1697.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100210.4, AC 2010, nr. 94;. Zie R. VERSTRAETEN en H. DEMEDTS, “De cassatieprocedure in strafzaken na de wet van 14 februari 2014: brengt vernieuwing ook verbetering?”, N.C. 2015, 361; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1146 en 1149.
(5)Cass. 17 november 2009, AR P.09.0903.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091117.8, AC 2009, nr. 673; Cass. 30 oktober 2002, AR P.02.0975.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021030.6, AC 2002, nr. 575; Cass. 15 februari 1978, AC 1978, 714; Cass. 18 september 1950, AC 1951, I, 1; Zie F. HELIE, Traité de l’instruction criminelle, Brussel, Bruylant, 1869, VI, 778; S. SASSERATH, Traité pratique de la cour d’assises, Ed. P. Van Fleteren, 1919, p. 337; F. THIRY, Cours de droit criminel, Luik, Ed. Ch. Desoer, 1909, 606; R. VAN ROYE, Manuel de la partie civile, Lib. Jud. P. Pée, 1945, 510; Le Chevalier BRAAS, Précis de procedure pénale, Bruylant, 1951, II, p. 1036, 1074 en 1081; C.J. VANHOUDT, Strafvordering, Story-Scientia, 1976, II, 349.
(6)Cass. 22 april 2014, AR P.13.1999.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140422.6, AC 2014, nr. 295, R.A.B.G. 2014, 927, N.C. 2014, 313 noot J. DE HERDT; Cass. 29 september 2010, AR P.10.0705.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100929.6, AC 2010, nr. 562, N.C. 2011, 253 noot L. GYSELAERS. Zie L. HUYBRECHTS, “Het cassatieberoep in assisenzaken na de Hervormingswet”, N.C. 2011, 222; R. VERSTRAETEN en H. DEMEDTS, “De cassatieprocedure in strafzaken na de wet van 14 februari 2014: brengt vernieuwing ook verbetering?”, N.C. 2015, 361.
(7)Cass. 22 april 2015, AR P.15.0118.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150422.5, AC 2015, nr. 271; Cass. 22 april 2014, AR P.13.1999.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140422.6, AC 2014, nr. 295 R.A.B.G. 2014, 927, N.C. 2014, 313 noot J. DE HERDT; Cass. 29 september 2010, AR P.10.0705.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100929.6, AC 2010, nr. 562, N.C. 2011, 253 noot L. GYSELAERS.
(8)In die zin zie ook M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier, 2012, 940-941; R. VERSTRAETEN en H. DEMEDTS, “De cassatieprocedure in strafzaken na de wet van 14 februari 2014: brengt vernieuwing ook verbetering?”, N.C. 2015, 361; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2017, 1441.
(9)R. VERSTRAETEN en H. DEMEDTS, “De cassatieprocedure in strafzaken na de wet van 14 februari 2014: brengt vernieuwing ook verbetering?”, N.C. 2015, 360.
(10)R. DECLERCQ, “Het hof van assisen veroordeeld”, in Om deze redenen. Liber amicorum Armand Vandeplas, Mys&Breesch, 1994, 108.
(11)Cass. 11 februari 2015, AR P.14.1637.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150211.6, AC 2015, nr. 100; Cass. 17 maart 2010, AR P.09.1741.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100317.8, AC 2010, nr. 191, R.D.P. 2010, 827 met concl. van advocaat-generaal R. LOOP op datum in Pas., J.L.M.B. 2010, 1712 noot P. MONVILLE;.
(12)A. MASSET en D. VANDERMEERSCH, “La loi du 21 décembre 2009 relative à la réforme de la cour d’assises: première lecture critique”, JT 2010, 231.
(13)F. VAN VOLSEM, “Beoordeling van het cassatieberoep in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia, 2014, 201; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1670 en 1683.
(14)Cass. 17 maart 2010, AR P.09.1741.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100317.8, AC 2010, nr. 191, R.D.P. 2010, 827 met concl. van advocaat-generaal R. LOOP op datum in Pas., J.L.M.B. 2010, 1712 noot P. MONVILLE; Cass. 29 september 2010, AR P.10.0705.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100929.6, AC 2010, nr. 562, N.C. 2011, 254; Cass. 11 februari 2015, AR P.14.1637.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150211.6, AC 2015, nr. 110. Zie L. HUYBRECHTS, “Het cassatieberoep in assisenzaken na de Hervormingswet”, N.C. 2011, 226; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 1130.
(15)Over de motiveringsplicht in assisenzaken zie L. HUYBRECHTS, “Strafrechtelijke motiveringsplicht in de branding. Over de motiveringsplicht i.v.m. feit en schuld”, N.C. 2012, 114-115; M. DE SWAEF, “Het hof van assisen in recente cassatierechtspraak”, in Na rijp beraad. Liber amicorum Michel Rozie, Intersentia, 2014, 158. Over de opdracht van het ‘college’ zie C. MAES en S. VANTHIENEN, “Het hof van assisen 2.0. Succesvolle reboot of herhaalde systemcrash?”, in Publiekrechtelijke Kronieken, 2018, 232-256.
(16)Wetsontwerp van 28 oktober 2009 tot hervorming van het hof van assisen, Verslag namens de Commissie Justitie, Parl. St. Kamer 2009-10, Doc 52 2127/08, p. 7, www.dekamer.be
(17)Cass. 29 september 2010, AR P.10.0705.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100929.6, AC 2010, nr. 562, N.C. 2011, 253 noot L. GYSELAERS.
(18)A. MASSET en D. VANDERMEERSCH, “La loi du 21 décembre 2009 relative à la réforme de la cour d’assises: première lecture critique”, JT 2010, 226; R. VERSTRAETEN en L. GYSELAERS, “De wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen”, in Themis 3. Strafrecht en strafprocesrecht, Cahier 57, Die Keure, 2010, nr. 43.
(19)Over het aspect publieke opinie Cass. 16 maart 2011, AR P.11.0017.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110316.3, AC 2011, nr. 203; EHRM 13 januari 2009 en 16 november 2010, Taxquet t/België, RO 42 en 90, EHRM 10 januari 2013, arresten Legillon t/Frankrijk, Fraumens t.Frankrijk, Agnelet t/Frankrijk, Voica t/Frankrijk en Oulahcene t/Frankrijk, www.echr.coe.int, T. Strafr. 2013, 125 (samenvatting), J.L.M.B. 2013, 192 noot J. VAN MEERBEECK; N.C. 2013, 367 (Agnelet). Zie ook L. HUYBRECHTS, “Geen verplichting tot motivering van beslissingen van volksjury’s; maar beslissingen moeten begrijpelijk zijn voor het publiek en de beschuldigde. Geen lijk, geen moord?”, N.C. 2013, 374-375. Over het arrest Taxquet en de motiveringsplicht zie F. VAN VOLSEM, “De strafrechter moet ook bij afwezigheid van een conclusie een schuldigverklaring of vrijspraak motiveren: een concrete motivering is vereist, maar ze mag beknopt zijn”, R.A.B.G. 2013, 18-19; D. VANDERMEERSCH, “L’appréciation de la preuve et la motivation du verdict de culpabilité”, in la réforme de la cour d’assises, Anthemis, 2011, 115-134; J. VAN MEERBEECK, “L’impact en droit belge de la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l’homme en matière de motivation des décisions de justice”, in la réforme de la cour d’assises, Anthemis, 2011, 25-47; R. VERSTRAETEN en L. GYSELAERS, “De grensoverschrijdende en jury-ondermijnende impct van Taxquet/Belgique”, in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Intersentia, 2010, 597-618; E. DE BOCK, “Het arrest Taxquet en de motivering van het verdict van het hof van assisen”, RW 2008-09, 1272-1276..
(20)L. GYSELAERS, “When in doubt, give reasons. Over de motivering van een assisenvrijspraak”, N.C. 2011, 255.
(21)L. KENNES, “Les réformes récentes et à venir du jugement des affaires criminelles”, in Actualités de droit penal et de procedure pénale, Anthémis, 2019, 165-166 en 174-175.
(22)Cass. 16 maart 2011, AR P.11.0017.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110316.3, AC 2011, nr. 203; Cass. 25 oktober 2016, AR P.16.0834.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161025.1, AC 2016, nr. 601.
(23)Cass. 31 januari 2018, AR P.17.1058.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180131.1, AC 2018, nr. 67.
(24)Cass. 30 maart 2011, AR P.10.1940.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110330.6, AC 2011, nr. 237 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., J.L.M.B. 2011, 1513 noot A. MASSET.
(25)Cass. 29 september 2010, AR P.10.0705.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100929.6, AC 2010, nr. 562, N.C. 2011, 253 noot L. GYSELAERS. Zie ook L. HUYBRECHTS, “Het cassatieberoep in assisenzaken na de Hervormingswet”, N.C. 2011, 222; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 1127; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1145.
(26)Cass. 11 februari 2015, AR P.14.1637.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150211.6, AC 2015, nr. 100.
(27)L. HUYBRECHTS, “Strafrechtelijke motiveringsplicht in de branding. Over de motiveringsplicht i.v.m. feit en schuld”, N.C. 2012, 127, met verwijzing naar Cass. 8 juni 2011, AR P.11.0570.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110608.4, AC 2011, nr. 391 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas. (over de motiveringsplicht in correctionele zaken en ‘de voornaamste redenen’ van een beslissing over schuld of onschuld).
(28)Het hof van Cassatie verwijst de zaak als volgt: “… Naar een andere rechtbank van eerste aanleg dan die waartoe de onderzoeksrechter behoorde, indien het arrest en het onderzoek alleen vernietigd worden ten aanzien van de beschikkingen die burgerlijke belangen betreffen”.
(29)F. HELIE, Traité de l’instruction criminelle, Bruylant, 1869, VI, 784-785; G. BELTJENS, Encyclopédie du droit criminel belge, Bruylant, 1903, 135; S. SASSERATH, Code de la Cour d’assises et lois spéciales, Lebegue, 1931, 77; Le Chevalier BRAAS, Précis de procédure pénale, Bruylant, 1951, II, 1089; C.J. VANHOUDT, Strafvordering, Story-Scientia, 1976, 359; M. ROZIE, “De positie van de burgerlijke partij in het hof van assisen”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure, 2011, 769-770; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, 2014, p. 1150, nr. 2903 eerste zin, F. DERUYCK en Y. VAN LANDEGHEM, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, Die Keure, 2020, p. 290.
(30)R. DECLERCQ, Cassation en matière répressive, Bruylant, 2006, 619; T. DECAIGNY, “De gevolgen van een arrest van het Hof van Cassatie en de relatie tot andere hogere rechtscolleges”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia, 2014, 244.
(31)M. ROZIE, “De positie van de burgerlijke partij in het hof van assisen”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure, 2011, 770; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1150.
(32)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1683. Zie ook Cass. 8 januari 2015, AR C.13.0267.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150108.2, AC 2015, nr. 14 over de bevoegdheid van de burgerlijke rechter na cassatie met verwijzing en Cass. 13 februari 2006, AR C.04.0454.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060213.6, AC 2006, nr. 92 met concl. van eerste advocaat-generaal J.F. LECLERCQ.
(33)F. VAN VOLSEM, “Beoordeling van het cassatieberoep in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia, 2014, 201; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 1295; R. DECLERCQ, Cassation en matière répressive, Bruylant, 2006, 619; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1679 en 1683; L. DE GRYSE, “Omvang van cassatie”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, 429.
(34)De toelichting van het nieuwe artikel 435 Sv. is beperkt tot: “In het ontworpen artikel 435 van het Wetboek van strafvordering krijgt het Hof van Cassatie een ruime beoordelingsvrijheid met betrekking tot het gerecht waarnaar de zaak verwezen wordt, na een beslissing tot vernietiging van de bestreden beslissing. Het wetsvoorstel beoogt de verouderde bepalingen van het Wetboek van strafvordering, die betrekking hebben op de verwijzing na vernietiging, te vereenvoudigen” (Toelichting bij art. 37 van Amendement 6 Dhr. VASTERAVENDTS en c.s. m.b.t. het Wetsvoorstel met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie in strafzaken, 16 juli 2013, Parl. St. Senaat, doc 5-1832/3n, zitting 16 juli 2013 (www.senate.be), hernomen door de Minister van Justitie bij de bespreking van de artikelen 28 tot 43 Wetsontwerp met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie in strafzaken, zitting 23 januari 2014, Parl. St. Kamer 53 3062/003, p. 15, www.dekamer.be
(35)Over de samenstelling van het hof van assisen L. GYSELAERS, Hof van Assisen. De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, Kluwer, 2012, 37-42.
(36)R. VERSTRAETEN en H. DEMEDTS, “De cassatieprocedure in strafzaken na de wet van 14 februari 2014: brengt vernieuwing ook verbetering?”, N.C. 2015, 383.
(37)L. HUYBRECHTS, “Het cassatieberoep in assisenzaken na de Hervormingswet”, N.C. 2011, 227-228; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1683; R. VERSTRAETEN en H. DEMEDTS, “De cassatieprocedure in strafzaken na de wet van 14 februari 2014: brengt vernieuwing ook verbetering?”, N.C. 2015, 383; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2017, 1441.
(38)Cass. 22 april 2014, AR P.13.1999.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140422.6, AC 2014, nr. 295 R.A.B.G. 2014, 927, N.C. 2014, 313 noot J. DE HERDT; Cass. 29 september 2010, AR P.10.0705.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100929.6, AC 2010, nr. 562, N.C. 2011, 253 noot L. GEYSELAERS, JT 2010, 613; Cass. 17 maart 2010, AR P.09.1741.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100317.8, AC 2010, nr. 191, R.D.P. 2010, 827 met concl. advocaat-generaal R. LOOP op datum in Pas., J.L.M.B. 2010, 1712 noot P. MONVILLE. Zie tevens L. HUYBRECHTS, “Het cassatieberoep in assisenzaken na de Hervormingswet”, N.C. 2011, 227-228; M. ROZIE, “De positie van de burgerlijke partij in het hof van assisen”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure, 2011, 769; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1150; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2017, 1440-1441; O. MICHIELS en G. FALCQUE, Principes de procédure pénale, Larcier, 2019, 544.
(39)Vb. Cass. 23 november 1964, AC 1965, 299. Zie ook concl. van advocaat-generaal R. LOOP op datum in Pas. in de zaak Cass. 17 maart 2010, AR P.09.1741.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100317.8, AC 2010, nr. 191; R. VERSTRAETEN en H. DEMEDTS, “De cassatieprocedure in strafzaken na de wet van 14 februari 2014: brengt vernieuwing ook verbetering?”, N.C. 2015, 383.
(40)Cass. 18 januari 2005, AR P.04.1225.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050118.25, AC 2005, nr.
  1. Zie R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014,
  2. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200915.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200915.2N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021030.6 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050118.25 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060213.6 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091117.8 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100210.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100317.8 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100929.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110316.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110330.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110608.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140422.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150108.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150211.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150422.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161025.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180131.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.