← België

BELGISCHE STAAT FOD FINANCIEN contra H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200925.1N.1 Rolnummer: F.18.0003.N Zaak: BELGISCHE STAAT FOD FINANCIEN contra H. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2022-03-29 Raadplegingen: 1777 - laatst gezien 2026-06-19 02:42 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.1 Fiches 1 - 2 Belastingen zijn van openbare orde; bijgevolg dient de rechter zelf, zowel in feite als in rechte, te beslissen over het bestaan van de belastingschuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen worden gesteld; hij is niet gebonden door de juridische gronden waarop het bestuur zich bij het vestigen van de aanslag baseerde en moet bijgevolg uitspraak doen over de gronden die het bestuur voor het eerst voor hem aanvoert ter verantwoording van de heffing; hij kan tevens eigen juridische gronden aanvoeren om de aanslag te wettigen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Wijziging door de administratie van een aangifte Vrije woorden: Bericht van wijziging - Motivering - Gerechtelijke procedure - Nieuwe rechtsgronden aangevoerd door de administratie - Taak van de rechter Thesaurus CAS: OPENBARE ORDE Vrije woorden: Fiscale wetgeving - Bericht van wijziging - Motivering - Gerechtelijke procedure - Nieuwe rechtsgronden aangevoerd door de administratie - Taak van de rechter Tekst van de conclusie F.18.0003.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
  1. Situering De betwisting betreft 2 aanslagen in de personenbelasting op naam van verweerders voor respectievelijk de aanslagjaren 2010 en
  2. De belastingadministratie herkwalificeerde de verhuring van het handelsfonds van eerste verweerder aan de BVBA H. naar het toekennen van een bedrijfsleidersbezoldiging bij toepassing van artikel 344, §1, WIB
  3. Er werd door verweerders bezwaar ingediend tegen de gevestigde aanslagen. Wegens het uitblijven van de beslissing van de directeur der belastingen werd het geschil op 21 januari 2014 door verweerders aanhangig gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. De eerste rechter oordeelde bij vonnissen dd. 9 februari 2015 dat eiser ten onrechte toepassing had gemaakt van artikel 344, §1, WIB92 en besliste tot ontheffing van de litigieuze aanslagen. Bij arrest van 31 mei 2016 oordeelde het hof van beroep te Gent dat de herkwalificatie van de verhuring van het handelsfonds naar het toekennen van een bedrijfsleidersbezoldiging niet mogelijk is omdat beide kwalificaties geen gelijksoortige gevolgen hebben. De appelrechters wijzen er in dit verband onder meer op dat een verhuring bepaalde specifieke gevolgen heeft zoals verplichtingen qua onderhoud en herstelling die niet terug te vinden zijn bij het toekennen van een bedrijfsleidersbezoldiging. Zij beslissen dan ook dat de bestreden aanslagen, die als enige rechtsgrond de herkwalificatie in toepassing van artikel 344, §1 WIB92 hebben, op onwettige motieven steunen. Een bijkomend onderzoek naar de mogelijkheid om de aanslagen op een ander juridisch motief te steunen, wijzen de appelrechters af. Het is volgens de appelrechters voor eiser niet mogelijk om de rechtsgrond van de aanslagen achteraf te vervangen door bijkomend aangevoerde en nieuwe rechtsgronden, zoals simulatie, toepassing van artikel 32 WIB92 door middel van het attractiebeginsel of de (onmogelijkheid tot) afzondering van het cliënteel. Eiser komt op tegen dit arrest met een middel tot cassatie.
  4. Bespreking van het enig middel 2.
  5. Eiser vertrekt in het enig middel van de vaststelling dat hij tegen de vonnissen van de eerste rechter hoger beroep heeft ingesteld op basis van juridische argumenten die verschillen van hetgeen in eerste aanleg werd verdedigd en van hetgeen tijdens de taxatiefase aan verweerders in cassatie werd meegedeeld. Eiser laat gelden dat een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd kan worden indien de nieuwe op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of akte die in de dagvaarding is aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Die regel die vervat ligt in artikel 807 Ger. W. is op grond van artikel 1042 Ger. W. eveneens van toepassing in hoger beroep. Bijgevolg kan elke partij bij het indienen van een hoger beroep zich steunen op een andere juridische omschrijving van de akte of van het feit dat in het verzoekschrift in eerste aanleg werd aangevoerd. De omstandigheid dat de argumenten voor de handhaving van de betwiste taxatie werden gewijzigd, heeft dus niet tot gevolg dat het voorwerp van de betwisting d.i. de belasting van de huurinkomsten als belastbare bezoldigingen van eerste verweerder, werd gewijzigd. Eiser verwijt aan de appelrechters dat zij ten onrechte geen substitutie van de motieven van de aanslag toelieten, maar oordeelden dat het voor eiser niet mogelijk is om de rechtsgrond van de aanslag -in casu de herkwalificatie op grond van artikel 344, §1 WIB92- te vervangen door de aangevoerde andere en nieuwe rechtsgronden zoals simulatie, toepassing van artikel 32 WIB92 door middel van het attractiebeginsel of (door de onmogelijkheid van) de afzondering van het cliënteel. Die beslissing zou des te meer foutief zijn omdat de fiscale wet van openbare orde is en er op grond van de artikelen 170 en 172 van de Grondwet geen vrijstelling of vermindering van belastingen mag worden ingevoerd dan door een wet. Aangezien de fiscale wet van openbare orde is, moet een rechter wanneer hem belastbare feiten worden voorgelegd, de wet (ambtshalve) toepassen zodat de juiste wettelijk verschuldigde belasting wordt geheven op de belastbare feiten. Bijgevolg is een substitutie van motieven wel mogelijk; aldus eiser. In essentie verwijt de Belgische Staat dus aan de appelrechters dat zij geoordeeld hebben dat het substitueren van een andere rechtsgrond die de aanslag zou kunnen verantwoorden niet mogelijk is. Die beslissing van de appelrechters zou de artikelen 807 en 1042 Ger. W. schenden en tevens een inbreuk maken op het recht van de verdediging van de Belgische Staat, op de artikelen 170 en 172 van de Grondwet en op het beginsel dat de fiscale wet van openbare orde is. 2.
  6. De vraag die het middel oproept is de volgende: dwingt het openbare orde karakter van de fiscale wet de rechter tot het aanvullen van een rechtsgrond indien de aanslag in de inkomstenbelastingen niet kan gebaseerd worden op het juridische motief dat in taxatiefase werd aangevoerd, maar alsnog kan verantwoord worden door een nieuw juridisch motief dat post factum wordt aangevoerd? De appelrechters hebben beslist dat eiser de rechtsgrond van de aanslag niet achteraf kan vervangen maar hebben nagelaten om dit standpunt verder juridisch te onderbouwen. Ze hebben de aanslag vernietigd en beslist dat de zaak in toepassing van artikel 356 WIB92 op de rol zou ingeschreven blijven. De appelrechters hebben aldus eiser de mogelijkheid geboden om een subsidiaire aanslag te vestigen. Eiser heeft evenwel van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt omdat de vestiging van een subsidiaire aanslag enkel mogelijk is wanneer tegen de beslissing van de directeur van de belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar beroep is aangetekend. In casu nam de directeur evenwel geen beslissing en werd de fiscale rechter gevat omdat verweerders niet langer wilden wachten op zijn beslissing. We hebben hier dus te maken met de hypothese waarin de wet omwille van de ontstentenis van de beslissing van de directeur niet toelaat om een subsidiaire aanslag te vestigen. 2.
  7. Uw Hof heeft de voorbije jaren inzake de belasting over de toegevoegde waarde tal van arresten gewezen waarin het openbare orde karakter van de fiscale wet werd benadrukt en waarin de taak van de rechter in het contentieux van de indirecte belastingen werd verduidelijkt. In een recent arrest van 12 december 2019 oordeelde Uw Hof als volgt: "De fiscale wet raakt de openbare orde. Bijgevolg dient de rechter, ongeacht de eventuele nietigheid van de administratieve akte behoudens wanneer deze noodzakelijk is voor de totstandkoming van de belastingschuld, zelf in feite en in rechte te beslissen over het bestaan van de belastingschuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen worden gesteld. Hieruit volgt dat wanneer de belastingplichtige in een geschil betreffende de belasting over de toegevoegde waarde niet enkel de nietigverklaring van het dwangbevel zoals bedoeld in artikel 85 Btw-wetboek vordert, maar ook de terugbetaling van de door hem reeds betaalde sommen, de rechter die het dwangbevel nietig verklaart, moet oordelen over het bestaan van de btw-schuld. De rechter kan de terugbetaling van de btw-schuld niet bevelen zonder te hebben nagegaan of de belasting al dan niet verschuldigd is"
(1). Hoewel dit arrest werd gewezen in een btw-geschil formuleert Uw Hof ook indirect een regel die voor de inkomstenbelastingen relevant is. Anders dan inzake de belasting over de toegevoegde waarde is in de inkomstenbelastingen immers het bestaan van een administratieve akte (de aanslag/het kohier) noodzakelijk voor de totstandkoming van de belastingschuld. Door de inkohiering ontstaat er in hoofde van de belastingplichtige een schuld die op korte termijn opeisbaar wordt
(2). Als er geen regelmatige inkohiering gebeurt, moet de administratie overgaan tot de terugbetaling van alle bedragen die bij wijze van voorheffing aan de fiscus werden gestort
(3). Hoewel de materiële belastingschuld in de inkomstenbelastingen weliswaar ontstaat uit de begrotingswet of de financiewet, is de belasting slechts definitief verschuldigd wanneer ze binnen de wettelijk bepaalde termijn wordt gevestigd door middel van de inkohiering. De inkomstenbelasting moet bijgevolg gevestigd worden door middel van een ingekohierde aanslag. 2.
  1. Quid nu indien bij de fiscale rechter blijkt dat de aanslag onwettig is? Indien de rechter de nietigheid van de aanslag vaststelt, kan de fiscus in een tweede fase normaliter wel op alle of op een deel van dezelfde belastingelementen een subsidiaire aanslag vestigen in toepassing van artikel 356 WIB
  2. De zaak blijft precies daartoe immers gedurende zes maanden ingeschreven op de rol. De fiscus kan echter op die wetsbepaling geen beroep doen indien door de belastingplichtige een fiscaal verhaal werd ingesteld bij de fiscale rechter omdat de beslissing van de directeur uitbleef. Mag een onwettige aanslag dan vervangen worden door een rechterlijke beslissing indien op grond van nieuwe motieven zou blijken dat de aanslag toch verschuldigd is? En wat indien de mogelijkheid van een subsidiaire aanslag wel openstaat? Moet de rechter die dan de onwettigheid van de aanslag vaststelt omwille van de gebrekkige motivering van het bericht van wijziging, de aanslag vernietigen of kan hij op vraag van de fiscus of op eigen initiatief de aanspraken van de fiscus inwilligen omwille van andere juridische gronden? 2.
  3. In tal van arresten van Uw Hof wordt gezegd dat de rechter ook in geschillen inzake inkomstenbelastingen niet gebonden is door de juridische gronden waarop het bestuur zich bij het vestigen van de aanslag baseerde en bijgevolg uitspraak moet doen over de gronden die het bestuur voor het eerst voor hem aanvoert ter verantwoording van de belastingschuld of meer nog, zelf eigen juridische gronden moet aanvoeren als die de aanslag kunnen verantwoorden
(4). Het openbare orde karakter van de fiscale wet leidt tot deze conclusie. De rechter moet desnoods zelf de juiste feitelijke en juridische grondslag - bijvoorbeeld de correcte wetsbepaling - die de betwiste belasting verantwoordt, opsporen en deze aan de door de fiscus opgegeven grondslag substitueren. VAN ORSHOVEN merkt op dat hiertegen geen bezwaar kan bestaan omdat dit een substitutie van motieven uitmaakt waartoe de rechter kan overgaan indien het bestuur - zoals in het belastingrecht - slechts over een gebonden bevoegdheid beschikt, d.i. wanneer het verplicht was een bepaalde beslissing te nemen indien bepaalde voorwaarden waren vervuld
(5). Het recht op verdediging van de belastingplichtige veronderstelt wel dat hij de mogelijkheid moet hebben om stelling in te nemen over de voorgenomen substitutie van motieven
(6). De leer van die arresten die betrekking hebben op fiscale betwistingen die dateren van voor de hervorming van de fiscale procedure blijft m.i. overeind. Ook in een aantal recente arresten laat Uw Hof toe dat de fiscus of de rechter zich niet beperkt tot de motieven in rechte die terug te vinden zijn in het bericht van wijziging maar post factum een andere wettelijke grondslag aanvoert c.q. aanvaardt ter rechtvaardiging van de aanslag. Een foutief of ontoereikend gemotiveerd bericht van wijziging moet niet tot nietigheid van de aanslag leiden indien de aanslag kan steunen op andere juridische gronden. In dit verband oordeelde Uw Hof onder meer in arresten van 14 mei 2010 en 31 oktober 2019 dat het bericht van wijziging dat volgens artikel 346 WIB92 moet worden toegezonden, bedoeld is om de belastingplichtige de gelegenheid te geven zijn opmerkingen naar voor te brengen of met kennis van zaken zijn akkoord te betuigen met de voorgenomen aanslag. Uit het feit alleen dat de administratie achteraf de wijziging anders motiveert dan in het bericht van wijziging en dat de rechter die nieuwe motivering aanneemt als rechtvaardiging van de wijziging kan niet worden afgeleid dat het bericht niet regelmatig gemotiveerd was
(7). 2.6. Zowel artikel 355 als 356 WIB92 voorzien in de mogelijkheid om een aanslag die behept is met een nietigheid recht te zetten, weze het in een andere fase van de procedure, met eenzelfde doel; namelijk vermijden dat de schatkist verstoken blijft van de rechtmatig verschuldigde belasting. Geen van beide bepalingen staan er m.i. aan de in de weg dat de rechter vanuit een proceseconomisch oogpunt zich uitspreekt, binnen de perken van het geschil, over aangevoerde vervangende rechtsgronden om de aanslag te wettigen. In een arrest van Uw Hof dd. 26 februari 2010
(8)? werd geoordeeld dat er niet altijd noodzaak is tot een vervangende aanslag op grond van het artikel 355 WIB92 zoals dit bestond zowel vóór de wijziging ervan bij wet van 15 maart 1999: artikel 355 WIB92 "verplicht de rechter niet om elke aanslag die niet conform een wettelijke regel is vastgesteld, in zijn geheel nietig te verklaren". En verder: "Doordat belastingen van openbare orde zijn, moeten de rechtbanken van de rechterlijke orde, de facto en de jure, binnen de perken van het geschil waarvan zij hebben kennis genomen, zelf oordelen welke omschrijving moet worden gegeven aan de materiële belastbare bestanddelen. Wanneer een rechtbank vaststelt dat de aanslag ten dele gewettigd is door de herkwalificatie van diverse inkomsten als roerende inkomsten, dient die aanslag niet in zijn geheel nietig verklaard te worden aangezien de belastbare grondslag behouden blijft en enkel het belastingtarief en de berekening van de kosten gewijzigd blijft." Voor wat betreft de toepassing van de subsidiaire aanslag voorzien in artikel 356 WIB92 oordeelde Uw Hof op gelijkaardige wijze in een arrest van 12 juni 2015: "Indien de rechter vaststelt dat de aanslag ten dele gewettigd is omdat de belastbare grondslag behouden kan blijven, er enkel een ander tarief moet worden toegepast en alle rechten met betrekking tot de bestreden aanslag beslecht en geregeld zijn, is hij op grond van artikel 356 WIB9 niet verplicht om over te gaan tot vernietiging van de aanslag om een subsidiaire aanslag mogelijk te maken, maar vermag hij te oordelen dat de aanslag slechts wordt ontheven in de mate dat een hoger tarief werd opgelegd dan het wettelijk verschuldigd tarief"
(9). Over artikel 356 WIB92 oordeelde uw Hof in een arrest van 26 november 2015: "Uit artikel 356 WIB92, dat ertoe strekt het voeren van een geheel nieuwe procedure te vermijden en door een versnelde procedure een uitspraak te verkrijgen over de verschuldigdheid van de belasting, volgt dat de bevoegdheid van de administratie beperkt is tot het vestigen van de subsidiaire aanslag zonder dat zij zich mag uitspreken over de uitvoerbaarverklaring ervan en het de rechter is die oordeelt over de wettigheid en de gegrondheid van de aanslag; daaruit volgt dat de administratie niet verplicht is deze aanslag in te kohieren of de taxatieprocedure te hernemen, maar zich ertoe mag beperken om overeenkomstig artikel 356 WIB92 de subsidiaire aanslag aan de rechter ter beoordeling voor te leggen, hetgeen een voldoende waarborg biedt voor het recht van verdediging van de belastingplichtige"
(10). Uit voormelde rechtspraak van Uw Hof volgt m.i. dat in een geval waarin een subsidiaire aanslag kan worden voorgelegd door de administratie de rechter derhalve niet de verplichting heeft om elke aanslag die niet conform een wettelijke regel is vastgesteld in zijn geheel nietig te verklaren en vervolgens te wachten op de voorlegging door de administratie van een subsidiaire aanslag. De rechter kan - en moet m.i. - de eventueel aangevoerde vervangende rechtsgronden ter staving van de aanslag onmiddellijk te betrekken in zijn beoordeling van de wettigheid van de aanslag (en kan deze niet terzijde laten tot bij het beoordelen van de subsidiaire aanslag). De aangevoerde vervangende rechtsgronden zullen ook in dat geval voorwerp uitmaken van een contradictoir debat, zodat het recht van verdediging van de belastingplichtige gewaarborgd wordt. Algemeen wordt aangenomen dat de administratie zich bij het vestigen van een nieuwe of subsidiaire aanslag kan steunen op dezelfde of andere rechtsgronden dan deze, aangewend voor de vestiging van de vernietigde aanslag
(11)-
(12). Wanneer de andere rechtsgronden reeds worden aangevoerd in conclusie, dan moet de rechter m.i., gelet op het openbare orde karakter van de fiscale wet, binnen de perken van het geschil, hierover uitspraak doen. Dit geldt evenzeer in een geval waarin de wetgever niet heeft voorzien in de mogelijkheid voor de administratie om een subsidiaire aanslag voor te leggen aan de rechter, met name zoals in casu, bij gebreke aan administratieve beslissing over het ingediende bezwaar. Wanneer de administratie in dergelijke geval in de beroepsakte andere rechtsgronden aanvoert ter staving van de met een nietigheid behepte aanslag, lijkt mij uit het openbare orde karakter van de fiscale wet te volgen dat de rechter moet nagaan of de vastgestelde onwettigheid post factum door de andere door de administratie aangevoerde motieven kan worden gesubstitueerd ter staving van de aanslag. De appelrechters hebben evenwel in deze zaak anders geoordeeld door te beslissen dat het voor het bestuur niet mogelijk is om de rechtsgrond van de aanslag, in casu de herkwalificatie op grond van artikel 344, §1, WIB92, achteraf te vervangen door de thans bijkomend aangevoerde andere en nieuwe rechtsgronden die verschillen van de redenen die werden aangevoerd in het bericht van wijziging en de beslissing tot taxatie. Aldus verantwoorden zij hun beslissing m.i. niet naar recht. Het middel komt mij in zoverre gegrond voor. 3. Besluit: Vernietiging _____________________
(1)Cass. 12 december 2019, AR F.18.0073.N, AC 2019, nr. 664, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191212.1N.4; In dezelfde zin reeds Cass. 23 december 2016, AR F.15.0083.N, AC 2016, nr. 746, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161223.2, met concl. van wnd procureur-generaal, D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20161223.2. Deze rechtspraak ligt in het verlengde van het eerste arrest over deze kwestie: Cass. 3 maart 2011, AR F.08.0082.F, AC 2011, nr. 178, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110303.1, met concl. van eerste advocaat-generaal, A. HENKES op datum in Pas. ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110303.1, (het zgn. Oxygène-arrest): de belasting raakt de openbare orde zodat de gerechtelijke rechtscolleges zelf in feite en in rechte uitspraak moeten doen binnen de perken van het voorgelegde geschil, ongeacht de nietigheid van de beslissing van de administratie; Cass. 22 mei 2014, AR F.12.0188.N, AC 2014, nr. 371, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140522.9, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140522.9.
(2)De functie van het kohier verschilt dus van de functie van het dwangbevel inzake indirecte belastingen. Zo is het dwangbevel inzake btw of inzake invoerrechten enerzijds een taxatietitel waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebrek aan spontane of voorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting en anderzijds een akte die geldt als uitvoerbare titel met het oog op de invordering van de belastingschuld. Zie bv. inzake een btw-schuld: Cass. 18 december 2014, AR F.13.0174.F, AC 2014, nr. 806, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141218.18; Cass. 20 maart 2008, AR F.07.0016.N, AC 2008, nr. 194, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080320.1.
(3)Zie o.m. Cass. 20 december 1985, AR F.1210.N-F.1221.N, AC 1985, nr. 274, ECLI:BE:CASS:1985:ARR.19851220.11; Cass. 26 maart 1998, AR F.95.0050.N, AC 1998, nr. 170, ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980326.6; Zie nader: M. DELANOTE, Schuld en executie, Brugge, die Keure, 2010, 28, nr. 26. D. DESCHRIJVER, Bedrijfsvoorheffing, Brussel, Larcier, 2006, 67, nr. 58 en de verwijzingen aldaar.
(4)Zie o.m. Cass. 4 februari 1993, AR F.1232.F, AC 1993, nr. 76, ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930204.20: het hof van beroep dat in eerste en laatste aanleg uitspraak moet doen over de voorzieningen van de belastingplichtige moet, nu de belastingen de openbare orde raken, zelf in feite en in rechte uitspraak doen binnen de perken van het aan het hof voorgelegde geschil; het hof van beroep is niet gebonden door de ramingen in de conclusies van de partijen of in de beslissing van de directeur en kan meer bepaald eigen gronden aanvoeren om de heffing van het juiste bedrag te wettigen; Cass. 15 mei 2003, AR F.02.0025.F, AC 2003, nr. 298, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030515.6. Voorheen reeds: Cass. 14 februari 1986, AR F.1227.N, AC 1986, nr. 388, ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19860214.12, RW 1986-87, 346; Cass. 30 september 1983, AR F.1077.N, AC 1983-1984, nr. 55, ECLI:BE:CASS:1983:ARR.19830930.2.
(5)P. VAN ORSHOVEN, Behoorlijke rechtsbedeling bij geschillen over directe belastingen, Kluwer, Antwerpen,1987, 410, nr. 321.
(6)Ibid., 411, nr. 321
(7)Cass. 14 mei 2010, AR F.08.0051.F, AC 2010, nr. 337, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100514.3; Cass. 31 oktober 2019, F.16.0024.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191031.1, AC 2019, nr. 565.
(8)Cass. 26 februari 2010, AR F.08.0091.F, AC 2010, nr. 133, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100226.3.
(9)Cass. 12 juni 2015, AR F.14.0043.N, AC 2015, nr. 394, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150612.4.
(10)Cass. 26 november 2015, AR F.14.0077.N, AC 2015, nr. 703, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151126.6.
(11)Vgl. R. FORRESTINI, "Artikelen 355 en 356 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen: nieuwe ontwikkelingen", TFR, 2007, nr. 327, randnummer 41 en de rechtspraak aldaar vermeld.
(12)Er wordt algemeen aangenomen dat de verschillende omschrijvingen in artikel 355 en 356 WIB92 dezelfde inhoud dekken. Zie H. SYMOENS, "De subsidiaire aanslag (art. 356 WIB 1992): de fiscale mythe van Sisyphus?", TFR, 2003, p. 778. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200925.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1983:ARR.19830930.2 ECLI:BE:CASS:1985:ARR.19851220.11 ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19860214.12 ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930204.20 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980326.6 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030515.6 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080320.1 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100226.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100514.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110303.1 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110303.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140522.9 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141218.18 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140522.9 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150612.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151126.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161223.2 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20161223.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191031.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191212.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.