← België

JACQUO NEW bvba contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 september 202

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 2 In geval de belastingplichtige van oordeel is dat de toegang tot de stukken of gedeelten van die stukken van het fiscaal dossier die vreemd zijn aan de tegen de belastingplichtige gerichte fiscale vervolging noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn rechten en hij die aanvoering ook enigszins aannemelijk maakt, staat het aan de rechter in de fiscale procedure om daarover te oordelen en desgevallend een miskenning van de rechten van de belastingplichtige te sanctioneren

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - BELASTINGZAKEN Vrije woorden: Fiscaal dossier - Stukken verkregen door inzage strafdossier - Inzage door de belastingplichtige - Noodzaak - Fiscale rechter - Beoordelingsbevoegdheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 3 Uit het beginsel van de wapengelijkheid volgt niet dat de enkele omstandigheid dat de administratie stukken heeft verkregen door inzage van een strafdossier na machtiging van de bevoegde gerechtelijke overheid, voor de belastingplichtige automatisch een recht creëert op toegang tot dit gehele strafdossier; het staat aan die belastingplichtige aan te voeren dat een dergelijke toegang voor de uitoefening van zijn rechten noodzakelijk is en die aanvoering ook enigszins aannemelijk te maken

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Belastingzaken - Fiscaal dossier - Stukken verkregen door inzage strafdossier - Toegang van de belastingplichtige tot het gehele strafdossier - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 4 Het staat aan de rechter in de fiscale procedure om te oordelen over de aanvoering van de belastingplichtige dat de toegang tot het gehele strafdossier noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn rechten; indien de rechter in de fiscale procedure van oordeel is dat een weigering van een gehele of gedeeltelijke toegang tot het strafdossier de rechten van de belastingplichtige miskent, staat het aan hem om daaraan in de fiscale procedure het gepaste gevolg te geven

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Belastingzaken - Fiscaal dossier - Stukken verkregen door inzage strafdossier - Toegang van de belastingplichtige tot het gehele strafdossier - Noodzaak - Fiscale rechter - Beoordelingsbevoegdheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de conclusie C.17.0561.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:

  1. Situering Eiseres heeft als activiteit de groothandel in uurwerken en sierraden en is als dusdanig geregistreerd als BTW-belastingplichtige. Op 23 oktober 2012 werd door de procureur-generaal te Antwerpen toelating verleend aan de Gewestelijke Directie BBI te Antwerpen tot inzage en afschrift van het strafdossier met notitienummer AN.45.F1.8362/2009 inzake eiseres. Naar aanleiding van de verrichte inzage werd er een BTW-controle uitgevoerd over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december
  2. Op 7 juni 2013 werd door de fiscale administratie een proces-verbaal opgesteld waarin niet-bewezen intracommunautaire leveringen werden opgenomen. Er werd verwezen naar verschillende vaststellingen uit het strafdossier. Vastgesteld werd dat middels de facturatie de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen werd nagestreefd zonder evenwel enig bewijs van zulke leveringen. Op 19 augustus werd een dwangbevel uitgevaardigd waarin een totaalbedrag van 87.985.555 euro werd gevorderd. Bij verzoekschrift van 27 augustus 2013 tekende eiseres hiertegen verzet aan. Bij vonnis van 22 april 2015 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, de vordering van eiseres ontvankelijk, maar ongegrond. Op hoger beroep van eiseres tegen dit vonnis verklaarde het hof van beroep te Antwerpen bij arrest dd. 9 mei 2017 de vordering van eiseres in beperkte mate gegrond. Het hof van beroep vernietigde het bestreden dwangbevel in de mate de BTW vermeld op de factuur nr. 200901747 van 14 december 2009, zoals opgesomd in het proces-verbaal van 7 juni 2013, werd opgenomen onder het bedrag van de door eiseres verschuldigde BTW en in dezelfde mate dat hierop de boete en de interesten werden toegepast. Voor het overige werd het beroepen vonnis bevestigd. Eiseres komt op tegen dit arrest met een middel tot cassatie.
  3. Bespreking van het enig middel 2.
  4. Eiseres voert aan dat de appelrechters het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbied voor het recht van verdediging, evenals artikel 6 EVRM hebben geschonden, door haar te veroordelen op grond van vaststellingen in een proces-verbaal dat uitsluitend steunde op vaststellingen uit een strafdossier en daarbij te oordelen dat de blanco gemaakte stukken uit dat strafdossier zonder fiscale relevantie zijn en eiseres wel degelijk inzage heeft gekregen van alle relevante uittreksels van de stukken uit het strafdossier, zonder evenwel dat eiseres volledig inzage in dit strafdossier heeft gekregen, en zonder dat de rechter enige controle heeft kunnen uitoefenen op de getrouwheid en volledigheid van de voorgelegde stukken. 2.
  5. Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en artikel 6 EVRM vereisen dat de belastingplichtige zich in een procedure voor de belastingrechter naar behoren kan verdedigen tegen de opgelegde heffing inzake de belasting over de toegevoegde waarde en de boete. Dit houdt in dat de belastingplichtige in beginsel de mogelijkheid dient te hebben om op zijn verzoek de informatie en de documenten te ontvangen die werden opgenomen in het administratief dossier en die door de belastingadministratie in aanmerking werden genomen voor de heffing en de opgelegde boete, tenzij een beperking van de toegang tot die informatie en documenten gerechtvaardigd is door doelstellingen van algemeen belang

(1). De stukken uit een strafdossier die door de fiscale administratie worden aangewend voor taxatiedoeleinden zijn bestuursdocumenten die in het kader van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur raadpleegbaar moeten zijn voor de betrokken belastingplichtige
(2). Het bestuurlijk inzagerecht van de belastingplichtige omvat in elk geval die stukken van het strafdossier die in diens administratief dossier zijn opgenomen, met name de stukken waarvan de administratie, na raadpleging van het strafdossier overeenkomstig artikel 327, §1, tweede lid WIB92, een afschrift heeft bekomen en waarop de heffing en boete wordt gesteund
(3). Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de belastingplichtige eveneens de mogelijkheid dient te hebben om toegang te krijgen tot het bewijsmateriaal afkomstig uit het strafdossier en dat in afschrift in het administratief dossier is opgenomen, waarop de heffing en boete niet rechtstreeks zijn gebaseerd, maar dat dienstig kan zijn voor zijn verweer, tenzij doelstellingen van algemeen belang een beperking van die toegang rechtvaardigen
(4). Zo kunnen vereisten inzake vertrouwelijkheid of inzake het beroepsgeheim, alsook de privacy van derden beperkingen tot de toegang van bepaalde stukken en informatie verantwoorden. Het beginsel van de wapengelijkheid vereist evenwel niet dat een integraal afschrift van het strafdossier wordt gevoegd in het administratief dossier telkens wanneer de fiscale administratie bewijsmateriaal dat in een strafonderzoek werd verkregen, wil aanwenden voor taxatiedoeleinden. Indien de belastingplichtige van het volledige strafdossier inzage wil nemen, kan hij zich daartoe richten tot de bevoegde gerechtelijke instanties, zoals de fiscale administratie dit eveneens dient te doen
(5). 2.3. De appelrechters stellen vast dat "op 23 oktober 2012 (...) door de Procureur-generaal te Antwerpen toelating (werd) verleend aan de Gewestelijke Directie BBI te Antwerpen tot inzage en afschrift van het strafdossier met notitienummer AN.45.F1.8362/2009 inzake BVBA Jacquo New"
(6). (eigen onderlijning) Uit de vaststellingen waarop Uw Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat eiseres aan de bevoegde instanties een verzoek heeft geformuleerd om inzage en afschrift te verkrijgen van het litigieuze strafdossier, welke mogelijkheden zij in voorkomend geval had als inverdenkinggestelde of als verdachte of in de hoedanigheid van degene tegen wie de strafvordering is ingesteld tijdens het gerechtelijk onderzoek
(7)(artt. 21bis en 61ter Sv)
(8)of naar aanleiding van de procedureregeling (art 127, §2, Sv.)
(9). Eiseres lijkt mij in voorliggend geval met die inzagemogelijkheden van het strafdossier wel degelijk de gelegenheid te hebben gehad om te onderzoeken of de weergave van de vaststellingen uit het strafdossier in het proces-verbaal van de fiscale administratie getrouw en volledig is, met inbegrip van de elementen à décharge. In zoverre het stilzitten van eiseres aldus aan de basis lag van de vermeende schending van haar recht van verdediging, kan het middel m.i. niet worden aangenomen. 2.
  1. De appelrechters stellen vast dat: * een beperkte BTW-controle werd verricht bij eiseres; * door de procureur-generaal te Antwerpen op 23 oktober 2012 toelating tot inzage en afschrift werd verleend aan de gewestelijke directie BBI te Antwerpen van het strafdossier met notitienummer AN.45.F1.8362/2009 inzake eiseres; * naar aanleiding van de verrichte inzage een controle werd uitgevoerd inzake BTW over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2011; * volgens de administratie uit inzage van het strafdossier is gebleken dat aan de facturatie aan twee vennootschappen in Spanje en een vennootschap in Cyprus met betrekking tot de verkoop van platina, geen levering aan het factuuradres beantwoordde; * op 7 juni 2013 een proces-verbaal werd opgesteld waarin werd vastgesteld dat middels deze facturatie de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen werd nagestreefd zonder enig bewijs van zulke leveringen; * de niet-bewezen intracommunautaire leveringen in het proces-verbaal werden opgenomen en daarbij werd verwezen naar verschillende vaststellingen uit het strafdossier; * in het dwangbevel van eiseres 27.495.489 euro aan BTW werd gevorderd evenals een boete gelijk aan 200 procent van dit bedrag, hetzij 54.990.970 euro; * aanvankelijk de inzage van het gedeelte van het fiscale dossier afkomstig uit het gerechtsdossier werd geweigerd, maar verweerder zijn standpunt heroverwoog en aan de raadsman van eiseres kopie bezorgde van alle relevante stukken uit de processen-verbaal van het gerechtelijk onderzoek, met dien verstande dat de delen van de processen-verbaal die betrekking hebben op andere belastingplichtigen en die volgens de administratie niet relevant zijn voor de belastingsituatie van eiseres blanco werden gemaakt; * de administratie in haar schrijven van 30 augustus 2013 aan de raadsman van de eiseres uitdrukkelijk stelde dat de stukken uit de processen-verbaal van het gerechtelijk onderzoek die blanco gemaakt werden betrekking hadden personen en vennootschappen die niet aan bod kwamen in haar proces-verbaal, dat deze stukken dan ook niet relevant waren voor de taxatie ten laste van eiseres, zij haar beroepsgeheim en discretieplicht zou schenden indien zij deze stukken toch kenbaar zou maken en zij tevens schade zou kunnen toebrengen aan lopende onderzoeken en aan de bescherming van de opsporing en de vervolging van strafbare feiten. De appelrechters oordelen dat: * uit het proces-verbaal duidelijk blijkt op welke stukken de vaststellingen en de BTW-vordering gesteund zijn; * eiseres niet kan stellen niet alle gegevens van de taxatie te kennen; * eiseres geenszins aannemelijk maakt dat de blanco gemaakte stukken haar zouden aanbelangen en eiseres de gegevens geput uit het strafdossier op zich niet betwist, laat staan tegenspreekt; * aangezien de blanco gemaakte stukken zonder fiscale relevantie zijn voor het fiscaal dossier ten laste van eiseres, de handelwijze van verweerder niet wegneemt dat eiseres kopie en inzage heeft gekregen van alle relevante uittreksels van de stukken van het strafdossier, waarnaar verwezen wordt in het proces-verbaal van 7 juni 2013; * er geenszins wordt gesteund op gegevens die niet aan eiseres zouden zijn medegedeeld waardoor zij zich niet zou kunnen verdedigen; * de wettigheid van de taxatie bovendien enkel wordt beoordeeld op grond van stukken voorgelegd aan het hof van beroep en die aan tegenspraak onderworpen zijn. De beslissing van de appelrechters dat er geen redenen voorhanden zijn om het dwangbevel of het proces-verbaal van 7 juni 2013 nietig of niet dienend te verklaren wegens de schending van het recht van verdediging, lijkt mij met die redenen naar recht verantwoord. Het middel kan m.i. niet worden aangenomen.
  2. Besluit: Verwerping _________________________________
(1)Zie H.v.J., 9 november 2017, C-298/16, ECLI:EU:C:2017:843, nrs. 35-39.
(2)RvS., 28 maart 2001, nr.94.419.
(3)Vgl. RvS, 8 februari 2000, nr.85.178.
(4)H.v.J., 16 oktober 2019, C-189/18, ECLI:EU:C:2019:861, nrs. 53-57.
(5)Vgl. RvS, 8 februari 2000, nr.85.178: "(...) indien de betrokken belastingplichtige de toestemming wil krijgen om het hele strafdossier in te zien en daarvan een kopie te nemen, moet hij zich daartoe, net zoals het bestuur, richten tot het bevoegde orgaan van het openbaar ministerie (...)"
(6)Zie ook de vaststellingen op p.3, 2de al., van het vonnis dd. 22 april 2015 van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen: "Belastingdienst Gewestelijke Directie BBI Antwerpen verkreeg van de Procureur-generaal via brief van 23 oktober 2012 toelating tot inzage en neming van afschrift van een strafdossier dat ten laste van huidig eiseres liep." (eigen onderlijning)
(7)Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat het gaat om een gerechtelijk onderzoek nu er sprake is van huiszoekingen die werden uitgevoerd (cfr. p.8 voorlaatste alinea van het bestreden arrest).
(8)Zie ook art. 125 tarief in strafzaken zoals dit bestond voor dit werd opgeheven bij artikel 43 KB 15 december 2019 (BS 27 december 2019 (ed.2)), met ingang van 1 januari 2020 (art. 46).
(9)Het verzoek tot inzage wordt aldus getoetst door een onafhankelijke en onpartijdige rechter, tegen wiens eventuele afwijzende beslissing nog beroep openstaat bij de Kamer van Inbeschuldigingstelling. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200925.1N.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.10 citeert: ECLI:EU:C:2017:843 ECLI:EU:C:2019:861 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.