← België

VLAAMSE GEWEST contra SUEZ R R NORTH NV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200925.1N.2 Rolnummer: F.18.0170.N Zaak: VLAAMSE GEWEST contra SUEZ R R NORTH NV Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-05-02 Raadplegingen: 577 - laatst gezien 2026-06-17 07:37 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.2 Fiche Het begrip "motorvoertuigen en samengestelde voertuigen gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg", opgenomen in artikel 5, § 1, 1°, WIGB en daarna hernomen in artikel 2.2.6.0.1, § 1, 1°, VCF dient te worden begrepen als de motorvoertuigen en samengestelde voertuigen die uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERKEERSBELASTING OP MOTORRIJTUIGEN (MOTORRIJTUIGENBELASTING) Vrije woorden: Uitzondering op de vrijstelling van artikel 5, § 1, 1° WIGB - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van de met de Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen - 23-11-1965 - Art. 5, § 1, 1° - 31 Link Justel databank 19651123-31 Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 2.2.6.0.1, § 1, 1° - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Annotaties Publicaties: Rechtskundig Weekblad [RW] - VAN DEN BERGH, Bart; Noot 'Over de rechtsplegingsvergoeding in het beschikkingsbeginsel: keuze voor une vie de couple?' - 2020-21, nr. 29, p. 1136-1141. Tekst van de conclusie F.18.0170.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen: 1. Situering De betwisting betreft aanslagen in de verkeersbelasting voor de aanslagjaren 2013 en 2014. Verweerster is actief in het ophalen van huisvuil van particulieren en gebruikt daarvoor vrachtwagens met een ingebouwde pers. Deze hebben een maximaal toegelaten massa van 26 ton. Verweerster beriep zich erop vrijstelling te genieten van verkeersbelasting, aangezien de vrachtwagens niet uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van goederen over de openbare weg en uitsluitend worden gebruikt voor een openbare dienst. Eiser wees de verschillende bezwaarschriften af. Op het tegen de afwijzende beslissingen ingestelde beroep bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen verklaarde die rechtbank de vordering van verweerster ontvankelijk maar ongegrond. Haar hoger beroep werd bij arrest van het hof van beroep te Gent dd. 12 juni 2018 ontvankelijk en gegrond verklaard. Eiser komt op tegen dit arrest met twee middelen tot cassatie. 2. Bespreking van het eerste middel 2.1. Kern van het bestreden arrest vormt de interpretatie van artikel 5, §1, 1°, WIGB, (aanslagjaar 2013), en artikel 2.2.6.0.1, §1, 1°, VCF (aanslagjaar 2014). Deze bepalingen schrijven voor dat, met uitzondering van de motorvoertuigen en van de samengestelde voertuigen gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg, met een maximaal toegelaten massa van minstens 12 ton, de voertuigen uitsluitend gebruikt voor een openbare dienst van de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties of de gemeenten, van belasting vrijgesteld zijn. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de kwestieuze vrachtwagens uitsluitend gebruikt worden voor ophaling van huisvuil, wat een openbare dienst is (bestreden arrest, p. 8, onder 4.1.2.) en dat de maximaal toegelaten massa (MTM) 26 ton bedraagt, zodat de grens van 12 ton is overschreden (bestreden arrest, p. 8, onder 4.1.3.1.). De vraag of de vrachtwagens vallen onder de bepaling "gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg", wordt door de appelrechter ontkennend beantwoord (bestreden arrest, p. 8 e.v., onder 4.1.3.2.). Volgens de appelrechter laat "(verweerster) (...) met reden gelden dat, ook waar wordt vastgesteld dat artikel 5, §1, 1° WIGB en artikel 2.2.6.0.1, §1, 1° VCF, dat niet uitdrukkelijk vermelden, de uitzondering waarvan die wetsbepalingen expliciet melding maken geldt voor motorvoertuigen (
  1. en)samengestelde voertuigen die ‘uitsluitend' gebruikt worden voor het vervoer van goederen over de weg". Vermits de huisvuilwagens van verweerster uitgerust zijn met een ingebouwde pers en dus ook een onderdeel van de afvalverwerking vervullen, zijn zij volgens de appelrechters niet ‘uitsluitend' bestemd voor het goederenvervoer over de weg. Bijgevolg kan verweerster voor de huisvuilwagens beroep doen op de vrijstelling van artikel 5, §1, 1°, WIGB, respectievelijk artikel 2.2.6.0.1, §1, 1° VCF. 2.2. In het eerste middel voert eiser aan dat: • uit de artikelen 5, §1, 1°, WIGB en 2.2.6.0.1, §1, 1°, VCF volgt dat van de verkeersbelasting zijn vrijgesteld: de voertuigen uitsluitend gebruikt voor een openbare dienst van de staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties of de gemeenten, behalve wanneer het gaat om motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg, met een maximaal toegelaten massa van minstens 12 ton; • voor de uitzondering op de vrijstelling niet vereist is dat de betrokken voertuigen uitsluitend dienen voor het vervoer van goederen over de weg (voorziening, p. 13). 2.3. Het middel lijkt mij te falen naar recht. Artikel 5 WIGB werd gewijzigd door de Wet van 25 januari 1999 houdende wijziging van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen overeenkomstig de Richtlijn nr. 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen. Vóór deze wijziging bepaalde het oude artikel 5, §1, 1°, WIGB dat van de verkeersbelasting vrijgesteld zijn: de voertuigen uitsluitend gebruikt voor een openbare dienst van de Staat, van de provincies, de agglomeraties of de gemeenten. Met de wet van 25 januari 1999 beoogde de wetgever de aanpassing van artikel 5 WIGB aan de bepalingen van Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van 25 oktober 1993 betreffende de toepassing door de lidstaten van de belastingen op sommige voor het goederenvervoer over de weg gebruikte voertuigen en van de voor het gebruik van sommige infrastructuurvoorzieningen geheven tolgelden en gebruiksrechten. Dit blijkt duidelijk uit de Memorie van Toelichting: "Artikel 2 van het ontwerp strekt tot wijziging van artikel 5 van het WGB dat de vrijstellingen inzake verkeersbelasting definieert. De voorgestelde wijziging vindt haar oorsprong in de noodzaak de bepaling van de Europese Richtlijn nr. 93/89/EEG die de macht van de lidstaten beperkt om vrijstellingen van deze belasting toe te staan, na te leven. De bestaande vrijstellingen worden dus behouden voor de voertuigen en de samenstellen van voertuigen die niet beoogd worden door deze Richtlijn. Daarentegen stelt paragraaf 2 nieuwe verminderingen in die precies van toepassing zijn op de door de Richtlijn beoogde voertuigen. Deze nieuwe verminderingen worden door deze Richtlijn beperkend opgesomd" (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1668/1, p. 3.1). Ondanks het feit dat volgens de titel deze Richtlijn 93/89/EEG een ruim toepassingsgebied lijkt te bezitten zoals zou kunnen afgeleid worden uit de bewoordingen "op sommige voor het goederenvervoer over de weg gebruikte voertuigen", is het toepassingsgebied strikt beperkt tot de in artikel 2 gedefinieerde voertuigen, nl. "een motorvoertuig of een samenstel van voertuigen dat uitsluitend bestemd is voor het goederenvervoer over de weg en waarvan het maximum toegestane totaalgewicht ten minste 12 ton bedraagt." De vooropgezette harmonisatie middels deze Richtlijn 83/89/EEG verhindert evenwel niet dat vrijstellingen voor andere bedrijfsvoertuigen tot de mogelijkheden bleven behoren en konden behouden blijven, zoals uitdrukkelijk in de achtste overweging in de aanhef van deze Richtlijn wordt vermeld: "Overwegende dat de Lid-staten gemachtigd moeten worden om lagere tarieven of vrijstellingen toe te passen voor voertuigen waarvan het gebruik waarschijnlijk geen weerslag zal hebben op de vervoersmarkt van de Gemeenschap;" Na de aanpassing aan deze Richtlijn 93/89/EEG bij wet van 25 januari 1999 met ingang van 1 januari 1999, luidt het artikel 5, §1, 1° WIGB: "Met uitzondering van de motorvoertuigen en van de samengestelde voertuigen gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg, met een maximaal toegelaten massa van minstens 12 ton, zijn van de belasting vrijgesteld: 1° de voertuigen uitsluitend gebruikt voor een openbare dienst van de Staat, van de gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, of de gemeenten;" Artikel 5, §1, 1°, WIGB -dat de bestaande vrijstelling herneemt- heeft m.i. aldus betrekking op die voertuigen die niet worden beoogd door de Richtlijn (en artikel 5, §2, WIGB heeft betrekking heeft op de vrijstellingen m.b.t. de voertuigen die wél onder het toepassingsgebied door de Richtlijn vallen). Bijgevolg komt het logisch voor dat de notie "gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg", opgenomen in artikel 5, §1, WIGB, dient te worden gelezen als "uitsluitend gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg", gelet op artikel 2 Richtlijn nr. 93/89/EEG. Verweerster resumeert de wetswijziging dan ook terecht als volgt: "Uiteindelijk komt de invoeging van de beperking van de mogelijke vrijstellingen op grond van artikel 6.3 van voormelde Richtlijn 93/89/EEG erop neer dat enkel de groep van motorvoertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor het goederenvervoer over de weg en waarvan het maximum toegestane totaalgewicht van ten minste 12 ton overschrijdt, uit de voormelde vrijstelling van artikel 5, §1, 1° WIGB worden gelicht en voortaan deze groep nog slechts een vrijstelling kan krijgen op grond van het nieuw ingevoerde artikel 5, §2, dat overeenkomt met de omschrijving ervan in de voormelde Richtlijn". Gezien het feit dat met ingang van het aanslagjaar 2014 artikel 5, §1, 1° WIGB werd hernomen in artikel 2.2.6.0.1, §1, 1° VCF, dient het begrip "motorvoertuigen en samengestelde voertuigen gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg", opgenomen in artikel 2.2.6.0.1, §1, 1°, VCF eveneens te worden begrepen als de motorvoertuigen en samengestelde voertuigen die uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg. 2.4. De uitlegging van de artikelen 1, 2, 3, 4 en 6 van Richtlijn 93/89/EEG, thans de artikelen 1, 2, 3, 4 en 6 van Richtlijn 1999/62/EG, lijkt mij niet noodzakelijk om uitspraak te doen over het middel, zodat de door eiser gesuggereerde prejudiciële vraag niet hoeft te worden gesteld. 3. Bespreking van het tweede middel Eiser voert aan dat de appelrechter ultra petita de rechtsplegingsvergoeding van 3.000 euro toekent, waar slechts 2.750 euro gevraagd werd door verweerster voor de eerste aanleg. Het middel is m.i. gegrond. In toepassing van artikel 1097 Ger. W. worden de partijen hierbij verwittigd dat een cassatie zonder verwijzing, zoals bedoeld in artikel 1109/1, tweede lid, Ger. W. in deze kan worden uitgesproken. 4. Besluit: Vernietiging in zoverre aan verweerster als rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg meer dan 2.750 euro wordt toegekend. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200925.1N.2 Gerelateerde publicatie(
  2. s)Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.