← België

ALCOPA nv contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200925.1N.3 Rolnummer: F.19.0056.N Zaak: ALCOPA nv contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-05-02 Raadplegingen: 629 - laatst gezien 2026-06-16 05:38 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.3 Fiche Artikel 4, eerste lid, van de Moeder-Dochterrichtlijn strekt niet zo ver dat wanneer na aftrek van de andere vrijgestelde winsten het winstsaldo van de moedermaatschappij ontoereikend is om de dividenden die zij van een in een andere lidstaat gevestigde dochteronderneming ontvangen heeft, volledig van de belastbare basis af te trekken, die dividenden onmiddellijk moeten worden afgetrokken van de winst uit een abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van artikel 207, tweede lid, WIB92; in dat geval wordt het resultaat van artikel 4, eerste lid, Moeder-Dochterrichtlijn bereikt doordat het niet-benutte gedeelte van de aftrek van de dividenden, in overeenstemming met wat het Hof van Justitie heeft geoordeeld in zijn arrest van 12 februari 2009, Belgische Staat / Cobelfret nv, C-138/07, wordt overgedragen naar een volgend belastbaar tijdperk

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Definitief belaste inkomsten Vrije woorden: Abnormale of goedgunstige voordelen - Aftrekverbod - Overeenstemming met de Moeder- dochterrichtlijn Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Artt. 202, § 1, 1°, 205, § 5, en 207, tweede lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de conclusie F.19.0056.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
  1. Situering De betwisting heeft betrekking op aanvullende aanslagen in de vennootschapsbelasting die in hoofde van eiseres werden gevestigd voor de aanslagjaren 2002 en
  2. In het bijzonder betwist eiseres de kwalificatie van vergoedingen ontvangen van de Koreaanse vennootschap HYUNDAI MOTOR COMPANY voor publiciteitsprestaties, voor een bedrag van 1.965.630,46 EUR in aanslagjaar 2002 en voor 1.057.007,00 EUR in aanslagjaar 2003, als abnormale of goedgunstige voordelen en de verwerping dienvolgens van de DBI-aftrek op de winst die voortkomt uit deze abnormale of goedgunstige voordelen in toepassing van artikel 207 WIB
  3. De rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, oordeelde bij vonnis dd. 13 januari 2016 dat ontegensprekelijk vaststond dat abnormale of goedgunstige voordelen werden verleend aan eiseres, zodat de fiscale administratie terecht toepassing heeft gemaakt van artikel 207, tweede lid, WIB92 en op deze voordelen geen DBI-aftrek heeft toegestaan. Van enige strijdigheid met de moeder-dochterrichtlijn was volgens de eerste rechter geen sprake. Het hof van beroep te Antwerpen bevestigde dit vonnis bij arrest dd. 19 december
  4. Het cassatieberoep van eiseres tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van de huidige cassatieprocedure. Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel tot cassatie aan.
  5. Bespreking van het enig middel 2.
  6. Eiseres voert aan dat de appelrechters onder meer de artikelen 202, §1, 1° en 207, tweede lid, WIB92, artikel 77 KB/WIB92 en artikel 4, eerste lid, Moeder-dochterrichtlijn
(1)schenden, door te beslissen dat het aftrekverbod van de DBI op het gedeelte van het resultaat dat voortkomt van abnormale of goedgunstige voordelen, niet in strijd is met artikel 4, lid 1, eerste streepje, Moeder-dochterrichtlijn op voorwaarde dat het niet afgetrokken gedeelte overdraagbaar blijft. Volgens eiseres is een nationale regel die ertoe leidt dat de DBI-aftrek niet ten volle kan worden toegepast omdat een gedeelte van het resultaat van die aftrek wordt uitgesloten, strijdig met de op de lidstaten rustende verplichting om het door artikel 4, lid 1, eerste streepje, Moeder-dochterrichtlijn voorgeschreven resultaat te bereiken, zijnde, in het kader van de Belgische DBI-regeling, het vrijwaren van het recht om de door een moedermaatschappij ontvangen dividenden af te trekken van de belastbare basis (voorziening, 11e blad, al. 2). De mogelijkheid tot overdracht van de DBI-aftrek naar latere boekjaren, in zover ze niet ten volle kan benut worden in het huidige boekjaar, is in de visie van eiseres niet voldoende, aangezien artikel 4, lid 1, eerste streepje, Moeder-dochterrichtlijn een onmiddellijke en integrale belastingvrijstelling van ontvangen dividenden vereist, zodat een uitgestelde belastingvrijstelling in de vorm van een onmiddellijke belasting van de dividenden met latere compensatie via een uitgestelde DBI-aftrek niet voldoet (voorziening, 11e blad, al. 4). Minstens is er volgens eiseres aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. 2.2. Artikel 4, lid 1, Moeder-dochterrichtlijn bepaalt dat wanneer een moedermaatschappij als deelgerechtigde van haar dochteronderneming uitgekeerde winst ontvangt, anders dan bij de liquidatie van de dochteronderneming, de lidstaat van de moedermaatschappij: * ofwel zich moet onthouden van het belasten van deze winst
(2); * ofwel de winst moet belasten, maar in dat geval de moedermaatschappij moet toestaan dat gedeelte van de belasting van de dochteronderneming dat op deze winst betrekking heeft van haar eigen belasting af te trekken en, in voorkomend geval, het bedrag dat, ingevolge de uitzonderingsbepalingen van artikel 5, door de lidstaat waar de dochteronderneming gevestigd is aan de bron is ingehouden, zulks binnen de grenzen van het bedrag van de overeenstemmende nationale belasting
(3). België heeft met de invoering van het stelsel van de DBI-aftrek in de artikelen 202 e.v., WIB92 gekozen voor het vrijstellingssysteem. Artikel 202, §1, 1°, WIB92, zoals van toepassing op onderhavig geschil, bepaalt dat van de winst van het belastbare tijdperk mede worden afgetrokken, in zover zij erin voorkomen, dividenden met uitzondering van inkomsten die zijn verkregen naar aanleiding van de afstand aan een vennootschap van haar eigen aandelen of naar aanleiding van de gehele of gedeeltelijke verdeling van het vermogen van een vennootschap. Artikel 205, §2, WIB92, zoals van toepassing op onderhavig geschil, bepaalt dat de aftrek ingevolge artikel 202 beperkt wordt tot het bedrag van de winst van het belastbare tijdperk dat overblijft na toepassing van artikel 199 van dit wetboek, verminderd met limitatief opgesomde verworpen uitgaven.
(4)Artikel 207, lid 2, WIB92, zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat geen aftrek mag worden verricht op het gedeelte van de winst dat voortkomt van abnormale of goedgunstige voordelen vermeld in artikel 79, noch op de grondslag van de bijzondere afzonderlijke aanslag op niet verantwoorde kosten ingevolge artikel 219, noch op het gedeelte van de winst dat bestemd is voor de uitgaven bedoeld in artikel 198, eerste lid, 12° WIB
  1. 2.
  2. De wetgever beoogt met artikel 207, lid 2, WIB92 aldus onder meer de belastingheffing te vrijwaren op de winst die op kunstmatige wijze wordt verschoven tussen vennootschappen die tot eenzelfde groep behoren. Door deze winstverschuivingen wordt de belastbare winst van de overdragende vennootschap verminderd, terwijl de toename van de winst bij de verkrijgende vennootschap wordt gecompenseerd door anders onmogelijk geworden of naar de toekomst over te dragen aftrekkingen
(5). 2.
  1. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat eiseres als moedermaatschappij vergoedingen heeft verkregen van een autoproducent voor prestaties op het vlak van marketingondersteuning die in werkelijkheid waren verricht door een dochteronderneming. De appelrechters hebben geoordeeld dat eiseres hierdoor een abnormaal of goedgunstig voordeel heeft genoten en dat de fiscale administratie zich terecht heeft beroepen op artikel 207, lid 2, WIB92 om geen DBI-aftrek toe te staan op de verschoven winst. In de voorliggende zaak blijkt het overig winstsaldo (na eliminatie van het abnormaal of goedgunstig voordeel) van eiseres evenwel ontoereikend te zijn om de DBI-aftrek nog volledig te verrichten. De rechtsvraag die daarbij wordt opgeworpen is of artikel 4, lid 1, eerste streepje, Moeder-dochterrichtlijn zich verzet tegen de Belgische wettelijke regeling volgens dewelke de door een dochteronderneming uitgekeerde dividenden in de belastbare basis van de moedermaatschappij worden opgenomen, waarna zij opnieuw van deze belastbare basis worden afgetrokken via de DBI-aftrek, doch waarbij een deel van het resultaat van de moedermaatschappij gekwalificeerd kan worden als een abnormaal of goedgunstig voordeel, wat tot gevolg heeft dat op dit gedeelte geen DBI-aftrek kan worden toegepast, zodat de moedermaatschappij die voor het overige niet voldoende winsten heeft waarop de DBI-aftrek kan worden toegepast, deze aftrek slechts kan toepassen in latere belastbare tijdperken. 2.
  2. Verschillende redenen lijken mij te pleiten voor een ontkennend antwoord op deze rechtsvraag. 2.5.
  3. Vooreerst dient er op gewezen dat het Hof van Justitie in zijn arrest van 12 februari 2009, Belgische Staat/Cobelfret nv, C-138/07, heeft geoordeeld dat voormeld artikel 4, lid 1, Moeder-Dochterrichtlijn "zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat (...) die bepaalt dat de door een moedermaatschappij ontvangen dividenden in de belastbare basis van deze vennootschap worden opgenomen en daarna ten belope van 95% daarvan worden afgetrokken voor zover er voor het betrokken belastbare tijdperk na aftrek van de andere vrijgestelde winsten een positief winstsaldo overblijft" (nr. 57, bevestigd in de beschikking van 4 juni 2009, Belgische Staat/KBC Bank nv en Beleggen, Risicokapitaal, Beheer nv / Belgische Staat, gevoegde zaken C-439/07 en C-499/07, nr. 44). Volgens deze rechtspraak is, bij een ontoereikend winstsaldo, de niet-overdraagbaarheid van het niet-benutte gedeelte van de DBI-aftrek naar een volgend belastbaar tijdperk, aldus in strijd met artikel 4, lid 1, Moeder-dochterrichtlijn.
(6)Ten gevolge van deze rechtspraak werd overigens artikel 205, §3, WIB92 ingevoerd dat bepaalt dat de in artikel 202, §1, 1°, WIB92 bedoelde inkomsten (dividenden) die niet kunnen worden afgetrokken, naar volgende belastbare tijdperken worden overgedragen
(7). In lijn met de uitspraken Cobelfret en KBC/BRB wordt aldus, wanneer een gedeelte van de winst voortkomt uit een abnormaal goedgunstig voordeel in de zin van artikel 207, lid 2, WIB92 waarop geen aftrek mag gebeuren, en de resterende winst ontoereikend is om de DBI volledig af te trekken, het niet-gebruikte gedeelte van de DBI-aftrek overgedragen naar een volgend belastbaar tijdperk. 2.5.1.1. Bepaalde rechtsleer beargumenteert evenwel dat de situatie in de voormelde arresten van het Hof van Justitie verschilt van de situatie zoals in de voorliggende zaak. In de besproken arresten was de belastbare grondslag door eerdere bewerkingen immers al tot nul herleid, zodat er geen belasting op de winst werd geheven. Volgens het Hof van Justitie moet dan worden toegestaan dat het niet-benutte gedeelte van de DBI aftrek naar latere belastbare tijdperken wordt overgedragen, omdat dit de enige manier is om de vrijstelling van belasting te garanderen, zoals vereist door de richtlijn. In casu is er daarentegen wél een minimum belastbare basis aanwezig, namelijk de winst die voortkomt van een abnormaal of goedgunstig voordeel en waarop geen DBI-aftrek kan worden toegepast. Die winst zal dus aanleiding geven tot een daadwerkelijke belasting. Volgens die rechtsleer kan het resultaat van artikel 4, lid 1, Moeder-Dochterrichtlijn onvoldoende worden bereikt wanneer de combinatie van de toevoeging van de dividenden aan de belastbare basis en de verhindering van de onmiddellijke aftrek in datzelfde jaar een effectieve belastingheffing tot gevolg heeft, zelfs wanneer de DBI-aftrek uitgesteld kan worden toegepast.
(8)Het middel voert in dezelfde zin aan dat de uitgestelde DBI-aftrek door overdracht niet volstaat om de onmiddellijke belasting van de dividenden te compenseren. 2.5.1.
  1. Deze zienswijze moet m.i. evenwel worden genuanceerd. Wanneer een vennootschap in een boekjaar waarin zij dividenden heeft ontvangen die recht geven op de toepassing van de DBI-aftrek, winst heeft gemaakt die voortkomt van een abnormaal of goedgunstig voordeel waarop geen aftrek mag plaatsvinden - en de resterende winst onvoldoende is om de gehele DBI-aftrek te verrichten - wordt zij, zoals verweerder met reden opwerpt in zijn memorie van antwoord, niet onmiddellijk op een deel van de dividenden belast. In de vierde bewerking wordt immers van de resterende belastbare winst dat gedeelte van de DBI afgetrokken totdat die winst nul is. Het niet-benutte gedeelte van de DBI-aftrek wordt vervolgens overgedragen naar een volgend belastbaar tijdperk. Met andere woorden, artikel 207, lid 2, WIB92 strekt er uitsluitend toe het gedeelte van de winst te belasten dat voortkomt van het abnormaal of goedgunstig voordeel. Deze bepaling strekt er niet toe de resterende winst te belasten, die onder meer voortkomt van de ontvangen dividenden, en die door de verschillende aftrekbewerkingen tot nul wordt teruggebracht. Vanuit die optiek kan het resultaat van artikel 4, lid 1, Moeder-dochterrichtlijn, namelijk de vrijstelling van belasting van de DBI, m.i. wel voldoende worden bereikt door de overdracht van de overschotten aan DBI-aftrek naar een volgend belastbaar tijdperk. Het verbod van onmiddellijke DBI-aftrek op de winst die voortkomt van een abnormaal of goedgunstig voordeel heeft immers uitsluitend als gevolg dat het gedeelte van het belastbaar resultaat dat voortkomt van dit abnormaal of goedgunstig voordeel belast wordt, en niet het gedeelte van het resultaat dat voortkomt van de ontvangen dividenden. 2.5.
  2. Een tweede argument om de voorliggende rechtsvraag ontkennend te beantwoorden kan m.i. worden geput uit de verduidelijking van het Hof van Justitie in de voornoemde beschikking van 4 juni 2009, KBC/BRB, meer bepaald dat "artikel 4, lid 1, eerste streepje, [Moeder-dochterrichtlijn] aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten niet verplicht toe te laten dat de winst die aan de in deze staat gevestigde moedervennootschap wordt uitgekeerd door haar dochteronderneming met zetel in een andere lidstaat, volledig aftrekbaar is van het bedrag van de winst van het aanslagjaar van de moedervennootschap, en dat het daaruit voortvloeiende verlies overdraagbaar is naar een volgend aanslagjaar. Het staat de lidstaten vrij, gelet op zowel de behoeften van hun nationale rechtsorde als de keuzemogelijkheid van artikel 4, lid 2, te bepalen volgens welke modaliteiten het in lid 1, eerste streepje, van dat artikel voorgeschreven resultaat wordt bereikt" (nr. 53). Het verhinderen van kunstmatige winstverschuivingen om een onrechtmatige compensatie van aftrekken te verkrijgen is een behoefte van de nationale rechtsorde. Een lidstaat lijkt mij, in het licht van deze overweging van het Hof van Justitie, derhalve vrij te zijn om als modaliteit te bepalen dat de DBI-aftrek niet kan gebeuren op de kunstmatig verschoven winst en dat - bij gebrek aan voldoende resterende winst om de volledige DBI af te trekken - het niet-gebruikte deel van de DBI-aftrek wordt overgedragen naar een volgend belastbaar tijdperk
(9). 2.5.3. Verder meen ik dat artikel 4, lid 1, Moeder-dochterrichtlijn in samenhang dient te worden gelezen met artikel 1, lid 2, van die richtlijn. Krachtens die bepaling vormt deze richtlijn geen beletsel voor de toepassing van nationale of verdragsrechtelijke voorschriften ter bestrijding van fraude en misbruiken. Het Hof van Justitie oordeelt in vaste rechtspraak dat "een nationale wettelijke regeling beoogt fraude en misbruik te voorkomen wanneer zij specifiek tot doel heeft gedragingen te verhinderen die erin bestaan volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen" (HvJ 12 september 2006, Cadbury Schweppes, C-196/04, punt 55; HvJ 7 september 2017, Eqiom sas, C-6/16, punt 30; HvJ 20 december 2017, Deister Holding AG, gevoegde zaken C-504/16 en C-613/16, punt 60)
(10). In lijn met het bovenstaande betreft een nationale bepaling ter bestrijding van fraude en misbruiken in de zin van artikel 1, lid 2, Moeder-Dochterrichtlijn derhalve
(1)volstrekt kunstmatige gedragingen
(2)die als hoofddoel - of als één van de hoofddoelen - hebben een onrechtmatig voordeel uit die richtlijn te halen
(11). Deze omschrijving komt nog duidelijker tot uiting in de huidige versie van artikel 1, lid 2, Moeder-dochterrichtlijn 2011/96/EU: "De lidstaten kennen de voordelen van deze richtlijn niet toe voor een constructie of een reeks van constructies die is opgezet met als hoofddoel of één van de hoofddoelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de toepassing van deze richtlijn ondermijnt, en die, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, kunstmatig is." In deze huidige versie bepaalt artikel 1, lid 3, dat "voor de toepassing van lid 2 een constructie of een reeks van constructies als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen" en lid 4 dat "deze richtlijn geen beletsel vormt voor de toepassing van nationale of verdragsrechtelijke bepalingen ter bestrijding van belastingontduiking, belastingfraude en misbruik"
(12). Artikel 207, lid 2, WIB92 kan m.i. worden beschouwd als een nationale wetsbepaling ter voorkoming van fraude en misbruiken in de zin van artikel 1, lid 2, Moeder-dochterrichtlijn voor zover die bepaling gedragingen beoogt te verhinderen die
(1)erin bestaan volstrekt kunstmatige winstverschuivingen op te zetten
(2)met als onrechtmatig doel om deze verschoven winst zoveel mogelijk met aftrekken te compenseren, onder meer met de DBI-aftrek op grond van de Moeder-dochterrichtlijn. In aanwezigheid van op grond van de richtlijn aftrekbare DBI, hebben die winstverschuivingen derhalve mede als doel om een belastingvoordeel uit de richtlijn te verkrijgen, namelijk een compensatie van de verschoven winst met aftrekken, met inbegrip van de DBI-aftrek. Om dit misbruik te voorkomen, wordt dit wederrechtelijk nagestreefde voordeel van de richtlijn niet toegekend: er mag geen DBI-aftrek gebeuren op de winst die uitsluitend het resultaat is van kunstmatige verschuivingen. De samenhang tussen de artikelen 1, lid 2, en 4, lid 1, Moeder-dochterrichtlijn laat m.i. toe om de draagwijdte van artikel 4, lid 1, van die richtlijn te bepalen. Artikel 1, lid 2, Moeder-dochterrichtlijn moduleert namelijk mede de toepassing van artikel 4, lid 1, van die richtlijn om misbruiken van die bepaling te voorkomen. Gelet op de beschikking van het Hof van Justitie van 4 juni 2009, KBC/BRB, waren de lidstaten ook vrij om de modaliteiten te bepalen om het resultaat van artikel 4, lid 1, richtlijn te bereiken. Welnu, de toekenning van een belastingvoordeel krachtens artikel 4, lid 1, Moeder-dochterrichtlijn, waarbij de DBI-aftrek zelfs wordt verricht op de kunstmatig verschoven winst, lijkt mij het doel van die bepaling te ondermijnen. Dit zou immers tot gevolg hebben dat de verschoven winst in het geheel niet wordt belast: noch bij de dochtervennootschap die de winst heeft overgedragen, noch bij de moedermaatschappij die de winst kan compenseren met de DBI-aftrek. Dit zou een misbruik van artikel 4, lid 1, Moeder-dochterrichtlijn inhouden. Uit dit alles volgt naar mijn mening dat deze bepaling niet zo ver gaat dat zij ook DBI-aftrek vereist op de winst die voortkomt van kunstmatige constructies. Bij gebrek aan toereikende overige winst om de volledige DBI-aftrek te realiseren, volstaat het dat die aftrek naar een volgend belastbaar tijdperk wordt overgedragen. 2.5.
  1. Op grond van het bovenstaande kan worden besloten dat uit de samenhang tussen de artikelen 1, lid 2 en 4, lid 1, Moeder-dochterrichtlijn en de rechtspraak van het Hof van Justitie kennelijk volgt dat artikel 4, lid 1, van die richtlijn niet zover strekt dat wanneer na aftrek van de andere vrijgestelde winsten het winstsaldo van de moedermaatschappij ontoereikend is om de dividenden die zij van een in een andere lidstaat gevestigde dochteronderneming ontvangen heeft, volledig van de belastbare basis af te trekken, die dividenden onmiddellijk moeten worden afgetrokken van de winst uit een abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van artikel 207, lid 2, WIB
  2. In dat geval wordt het resultaat van artikel 4, lid 1, Moeder-dochterrichtlijn bereikt doordat het niet-benutte gedeelte van de aftrek van de dividenden wordt overgedragen naar een volgend belastbaar tijdperk. Aangezien het doel van artikel 4, lid 1, Moeder-dochterrichtlijn duidelijk blijkt uit de onderlinge samenhang van de bepalingen van die richtlijn en uit de besproken rechtspraak van het Hof van Justitie, is er m.i. geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag. 2.
  3. Het middel dat ervan uitgaat dat artikel 4, lid 1, Moeder-dochterrichtlijn wel vereist dat de door de moedermaatschappij ontvangen dividenden in elk geval onmiddellijk van de belastbare basis worden afgetrokken, zelfs indien de aftrek hierdoor, bij een ontoereikend overig winstsaldo, op het gedeelte van de winst uit een abnormaal of goedgunstig voordeel moet worden verricht, faalt m.i. naar recht.
  4. Besluit: Verwerping ___________________________________
(1)Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten.
(2)Dit betreft het vrijstellingssysteem waarbij de verkregen dividenden bij de moedermaatschappij onbelast blijven.
(3)Dit betreft het verrekeningssysteem, waarbij de vennootschapsbelasting die door de dochteronderneming(en) werd betaald, verrekend kan worden met de vennootschapsbelasting die de moedermaatschappij betaalt op de verkregen dividenden.
(4)Artikel 205, §2, 1° tot 8° WIB92 somt deze verworpen uitgaven op. De DBI-aftrek kan de belastbare grondslag bijgevolg niet verminderen beneden het bedrag van deze verworpen uitgaven. Daarentegen blijven al de verworpen uitgaven die niet in de lijst van artikel 205, §2, WIB92 zijn opgenomen, in de aftrekbasis van het DBI-stelsel behouden.
(5)I. CLAEYS BOÚÚAERT en S. VAN CROMBRUGGE, "Afdeling 2: abnormale of goedgunstige voordelen met het oog op aftrek-compensatie: artikelen 79 en 207 van het WIB 1992" in Vennootschap en belastingen, Mechelen, Kluwer, 2003, Deel XII, hoofdstuk 2 "De voorkoming van verdoken winstverschuivingen", 59; J. KIRKPATRICK, L'imposition des revenus des sociétés belges par actions et de leurs actionnaires, obligataires et organes, Brussel, Larcier, 1968, nr. 110; J. VAN HOUTTE, Beginselen van het Belgisch belastingrecht, Gent, Story, 1979, nr. 282; Y. VERDINGH, Vennootschapsbelasting, Mechelen, Kluwer, 2015, 477.
(6)I. VAN DE WOESTEYNE, Handboek vennootschapsbelasting 2017-2018, Antwerpen, Intersentia, 2017, 266; Y. VERDINGH, Vennootschapsbelasting, Mechelen, Kluwer, 2015, 437.
(7)Artikel 205, §3, WIB92 werd ingevoegd bij wet van 21 december 2009 houdende fiscale en diverse bepalingen, BS 31 december 2009 en is van toepassing vanaf 1 januari 2010 (art. 8). De overdraagbaarheid van DBI werd in gevolge administratieve circulaire n.a.v. de zaak Cobelfret ook reeds toegestaan vanaf aanslagjaar 1992 (inwerkingtreding van de wet tot omzetting van de richtlijn 90/435 van de Raad van 23.7.1990), zie Circulaire nr. Ci.RH.421/597.150 (AOIF Nr. 32/2009) dd. 23.06.2009
(8)P. BIELEN, "Aftrek van DBI van ontvangen abnormale of goedgunstige voordelen verworpen", TFR 2012, 535; P. BIELEN, "Aftrek van DBI van ontvangen abnormale of goedgunstige voordelen opnieuw verworpen", RABG 2018, 948; C. BUYSSE, "Ook onmiddellijke DBI-aftrek op ‘slechte' belastbare grondslag", Fiscoloog 2012, afl. 1310, 7; P. VANCLOOSTER, P. DERÉ en W. VANDENBERGHE, "Iedereen draagt bij: de invoering van een ‘minimumbelasting' in de Belgische vennootschapsbelasting", AFT 2018, 10.
(9)Zie hierover: J. VAN DYCK, "DBI-aftrek: toch niet op verkregen abnormale voordelen?", Fiscoloog 2012, afl. 1287, 8.
(10)Deze laatste twee arresten betroffen specifiek nationale wettelijke bepalingen ter bestrijding van fraude en misbruiken in de context van artikel 1, lid 2, Moeder-Dochterrichtlijn.
(11)Zie hierover P. BIELEN, "Aftrek van DBI van ontvangen abnormale of goedgunstige voordelen opnieuw verworpen", RABG 2018, 949; C. CHEVALIER, Vademecum vennootschapsbelasting, Brussel, Larcier, 2017, 1159; L. DE BROE en R. DE BOECK, "De Moeder-dochterrichtlijn: Europese fiscale piecemeal engineering op weg naar harmonie" in B. PEETERS (ed.), Europees belastingrecht, Brussel, Larcier, 2005, 386-387, nr. 65; L. DE BROE, International Tax Planning and Prevention of Abuse, Amsterdam, IFA Doctoral Series, 2008, 995 e.v.; P. RENIER en T. ENGELEN, "Nieuwe regels bedrijfswagens: on(grond)wettelijke knoeiboel?", Fisc.Act. 2012, 4-9, nr. 21.
(12)Artikel 1, leden 2-4, Richtlijn 2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, zoals vervangen door artikel 1 Richtlijn (EU) 2015/121 van de Raad van 27 januari 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/96/EU, Pb. L 28 januari 2015, afl. 21. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200925.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.