id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 september 202
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.2 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Straftoemeting - Feiten uit een ander dossier die verband houden met de persoonlijkheid en handelingen van de beklaagde en waarvoor hij niet definitief is veroordeeld - Beoordeling van die feiten - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.2 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Straftoemeting - Feiten uit een ander dossier die verband houden met de persoonlijkheid en handelingen van de beklaagde en waarvoor hij niet definitief is veroordeeld - Beoordeling van die feiten - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.2 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Straftoemeting - Vermoeden van onschuld - Feiten uit een ander dossier die verband houden met de persoonlijkheid en handelingen van de beklaagde en waarvoor hij niet definitief is veroordeeld - Beoordeling van die feiten - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.2 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Tekst van de conclusie P.20.0588.N Advocaat-generaal Bart De Smet heeft in hoofdzaak gezegd: "Verwijzing naar elementen uit een lopend gerechtelijk onderzoek bij de straftoemeting en het vermoeden van onschuld". Eiser komt op in een eerste onderdeel op tegen de afwijzing van een werkstraf met verwijzing naar een recente aanhouding in een drugzaak. Aangezien eiser in die drugzaak nog niet definitief is veroordeeld, mochten de appelrechters daar niet uit afleiden dat eiser ‘niet goed bezig is' of ‘er geen sprake is van een positieve evolutie'. Beoordeling. Artikelen 6.2. EVRM en 14.2 Verdrag Burgerlijke en Politieke rechten
(1966)over het vermoeden van onschuld beletten de rechter niet om bij de straftoemeting rekening te houden met feiten of inlichtingen vatbaar voor tegenspraak die een licht werpen op de persoonlijkheid en handelingen van de beklaagde, voor zover hij geen uitspraak doet over het strafbaar karakter van die feiten. Het Hof oordeelde in die zin
(1). Het vermoeden van onschuld is wel miskend als de rechter rekening houdt met een misdrijf waarvoor de beklaagde niet definitief is veroordeeld, de beklaagde dus schuldig acht voor andere feiten, onder meer om een straf of opschorting te weigeren. In zaken die tot cassatie hebben geleid, aangehaald door eiser
(2), hadden de appelrechters telkens geoordeeld dat de beklaagde schuldig was aan andere misdrijven dan deze van de tenlastelegging. In de zaak Krebs t/Duitsland van 20 februari 2020 gaf het Europees Hof te Straatsburg aan dat de manier van formuleren van belang is, in die zin dat de rechter er niet van mag uitgaan dat de beklaagde een misdrijf heeft begaan waarvoor hij nog niet is veroordeeld
(3). In deze zaak nam het Hof schending aan van art. 6, §2 EVRM omdat de strafrechter had geoordeeld dat de beklaagde ‘eens te meer schuldig is aan meerdere feiten van oplichting', hoewel voor die bijkomende feiten een definitieve veroordeling ontbrak. De appelrechters hebben eisers verzoek om een werkstraf op te leggen afgewezen omdat deze straf ‘absoluut tegenaangewezen' is en ‘geen passende maatschappelijke reactie' zou uitmaken. Daarbij is onder meer rekening gehouden met de zwaarwichtigheid van de feiten, namelijk grootschalige cannabisteelt, en het strafrechtelijk verleden van eiser (p. 30). Met deze redenen is de afwijzing van een werkstraf naar recht verantwoord. Het feit dat de appelrechters wegens een recente aanhouding in een ander drugdossier stelden dat eiser ‘duidelijk niet goed bezig is' en er ‘geenszins sprake is van een positieve evolutie' lijkt mij niet in te houden dat zij eiser schuldig achten voor de nieuwe feiten die hen op de terechtzitting ter kennis zijn gebracht. Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, of de motivering dubbelzinnig acht, mist aldus feitelijke grondslag. Anders dan eiser aanvoert, hebben de appelrechters niet geoordeeld dat eiser ‘een sterke band had met die woning' war een cannabis plantage was ontdekt of ‘zonder twijfel in het bezit was van de sleutel'. Verder komt mij voor dat de appelrechters ernstige aanwijzingen uit een aanhoudingsbevel hebben overgenomen, zonder eiser schuldig te achten aan de erin vermelde feiten. Er is ook aan deze akte geen uitlegging gegeven in strijd met de bewoordingen ervan. Het tweede onderdeel mist bijgevolg feitelijke grondslag. Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping. ______________________________
(1)Cass. 12 oktober 2016, AR P.16.0627.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161012.2, AC 2016, nr. 566, "Om de keuze van de straf en van de strafmaat die hij wil opleggen met redenen te omkleden, kan de rechter elk feitelijk gegeven in aanmerking nemen waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren en dat de ernst van het misdrijf aantoont of hem duidelijkheid over de persoonlijkheid van de dader verschaft. De omstandigheid dat dit gegeven een afzonderlijk strafbaar feit kan opleveren dat niet bij de rechter aanhangig is gemaakt, staat daaraan niet in de weg, mits hij geen uitspraak doet over het strafbaar karakter ervan". In dezelfde zin Cass. 26 maart 1997, AR P.96.0439.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970326.4, AC 1997, nr. 162, R. Cass. 1998, 208 noot B. MAES; Cass. 29 mei 2018, AR P.17.0762.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2, AC 2018, nr. 340, RO 156; Cass. 3 oktober 2012, AR P.12.0700.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121003.2, AC 2012, nr. 507, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.
(2)Cass. 13 oktober 1998, AR P.96.1146.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981013.7, AC 1998, nr. 441; Cass. 25 april 1990, AR nr. 8242, AC 1989-90, nr. 500; Over deze zaken zie P. DUINSLAEGER, "Het vermoeden van onschuld", RW 2017-18, 690.
(3)EHRM 20 februari 2020, Krebs t/Duitsland, §45-46, www.echr.coe.int, N.C. 2020, 335. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200929.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200929.2N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970326.4 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981013.7 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121003.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161012.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div