← België

ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201002.1N.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 oktober 2020

Art. 1615

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VERBINTENIS Vrije woorden: Koop - Verplichting tot conforme levering of tot vrijwaring tegen verborgen gebreken - Keten van verkoopovereenkomsten - Vordering van de koper tegen de verkoper - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1615

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 3 Een contractant kan door zijn medecontractant in de regel slechts buitencontractueel aansprakelijk worden gesteld indien de hem ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt niet alleen aan de contractuele verbintenis maar ook aan de algemene zorgvuldigheidsnorm die op hem rust en indien deze fout andere dan aan de slechte uitvoering te wijten schade heeft veroorzaakt

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SAMENLOOP VAN AANSPRAKELIJKHEID - Aansprakelijkheid uit en buiten overeenkomst Vrije woorden: Contractant - Vordering tegen de medecontractant - Buitencontractuele aansprakelijkheid - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Annotaties Publicaties: Revue Générale de Droit Civil Belge [RGDC] - HIGNY, Mathieu; Note 'Transfert de droits propter rem en cas de vente; les conditions du concours des responsabilités s'appliquent aussi en cas de recours exercé en amont' - 2021, n° 4, p. 188-

  1. Tekst van de conclusie C.20.0005.N Conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier:
  2. Feiten en procedure Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat door een dochteronderneming van eiseres vet werd geproduceerd dat door de koper werd verwerkt in veevoeder. Het veevoeder werd doorverkocht aan een Nederlands bedrijf dat het op zijn beurt verkocht aan diverse varkensboeren. Verweerster is een vleesverwerkend bedrijf dat levende varkens afneemt van diverse varkenshouders. Naar aanleiding van controles door de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit werd in januari 2016 een verhoogd dioxinegehalte vastgesteld in het verkocht veevoeder. Nader onderzoek wees uit dat de oorzaak van de besmetting lag in het vet dat werd geleverd door de dochteronderneming van eiseres. Verweerster opteerde er voor een belangrijk deel van de varkensstapel te laten vernietigen en dagvaardde (onder andere) eiseres in betaling van schadevergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid. De eerste rechter wees deze vordering af nu verweerster niet aantoonde andere dan contractuele schade te hebben geleden. Op het hoger beroep van verweerster oordelen de appelrechters vooreerst in het tussenarrest van 20 januari 2011 dat verweerster haar vordering tegen eiseres kan steunen op buitencontractuele grondslag. Zij oordelen dat het juist is dat verweerster, hoewel zij niet met eiseres heeft gecontracteerd, over een contractueel vorderingsrecht beschikt in die zin dat zij de contractuele vrijwaringsvordering van de initiële afnemer van eiseres, die als accessorium van de verkochte zaak van koper op koper werd overgedragen, jegens eiseres kan uitoefenen, maar dergelijke als contractueel te kwalificeren vorderingsmogelijkheid niet belet dat zij daarnaast ook op buitencontractuele grond tegen eiseres kan vorderen. De appelrechters oordelen dat immers in de situatie van verweerster, die weliswaar beschikt over een haar door de verkoper overgedragen contractueel vorderingsrecht tegen een eerdere verkoper in de ketting van koopovereenkomsten, zij niet met eiseres zelf heeft gecontracteerd en partijen dus onmogelijk kunnen worden geacht hun rechtsverhouding door de regels van de contractuele aansprakelijkheid te hebben willen laten beheersen. Er bestaat immers geen (contractuele) rechtsverhouding waarin tussen hen veronderstelde afspraken konden worden gemaakt. Er werd voorts een gerechtsdeskundige aangesteld. Na neerlegging van het deskundig verslag oordelen de appelrechters in het eindarrest van 5 september 2019 dat de vordering van verweerster gegrond is. Eiseres wordt veroordeeld tot schadevergoeding jegens verweerster en tot de kosten van beide aanleggen waaronder een RPV van 36.000 euro voor de rechtspleging in eerste aanleg en een RPV van 36.000 euro voor de rechtspleging in hoger beroep. In een tijdige en regelmatige voorziening in cassatie voert eiseres tegen het tussenarrest van 20 januari 2011 één middel aan en tegen het eindarrest van 5 september 2019 één middel aan. Verweerster heeft hierop geantwoord in een tijdige en regelmatige memorie van antwoord waarin zij onder andere met betrekking tot elk van beide middelen een grond van niet-ontvankelijkheid opwerpt.
  3. Bespreking 2.
  4. Middel gericht tegen het tussenarrest van 20 januari 2011 Eiseres voert aan dat de appelrechters die vaststellen dat verweerster over een contractueel vorderingsrecht tegen eiseres beschikt onwettig oordelen dat verweerster haar vordering jegens eiseres ook kan baseren op de regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid zonder na te gaan of al dan niet voldaan is aan de strikte voorwaarden waarbinnen samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid is toegestaan. 2.1.
  5. Ingevolge de samenloopleer, zoals die door Uw Hof werd ontwikkeld en gepreciseerd

(1), kan een contractant zijn medecontractant in principe enkel op contractuele basis aanspreken voor een tekortkoming aan een contractuele verbintenis. Hij kan zijn medecontractant daarvoor niet op buitencontractuele basis aanspreken. Daarop bestaat slechts de uitzondering dat een contractant zijn medecontractant zowel op contractuele als op buitencontractuele basis kan aanspreken voor een tekortkoming aan een contractuele verbintenis indien
(1)de hem ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt niet alleen aan de contractuele verbintenis, maar ook aan de algemene zorgvuldigheidsnorm die op hem rust en indien
(2)deze fout andere dan aan de slechte uitvoering te wijten schade heeft veroorzaakt. De idee achter het principieel verbod van samenloop is zeer eenvoudig: de verhouding tussen twee partijen is ofwel contractueel ofwel buitencontractueel, maar kan niet de beide tegelijk zijn. Indien partijen ervoor kiezen hun verhouding contractueel te regelen, dan moeten zij daar consequent de gevolgen van ondergaan. Het voornaamste doel achter het verbod van samenloop is te vermijden dat partijen die hun verhouding contractueel regelen, en die derhalve tegen elkaar beschikken over een contractuele vorderingsmogelijkheid, de in hun overeenkomst overeengekomen of de uit de wet voortvloeiende beperkingen zoals bijvoorbeeld exoneratiebedingen alsnog zouden omzeilen door een buitencontractuele vordering in te stellen
(2). 2.1.2. De verplichting om een zaak te leveren strekt zich krachtens artikel 1615 BW uit tot haar toebehoren. Overeenkomstig de vaste rechtspraak van Uw Hof
(3), kan de koper van een goed een contractuele vordering op grond van vrijwaring voor verborgen gebreken richten niet enkel tegen zijn rechtstreekse verkoper, maar ook tegen elke voorafgaande verkoper in de contractuele keten
(4). Die mogelijkheid vindt haar grondslag in voormeld artikel 1615 Burgerlijk Wetboek, op zijn minst in het beginsel accessorium sequitur principale waarvan artikel 1615 Burgerlijk Wetboek een bijzondere toepassing vormt in de context van koop. De vordering op grond van vrijwaring voor verborgen gebreken is met andere woorden een toebehoren of accessorium van het goed dat aan elke opeenvolgende koper van het goed wordt overgedragen. Dat impliceert dat een koper die een contractuele vordering tot vrijwaring voor verborgen gebreken instelt tegen een voorafgaande verkoper eigenlijk de vordering van diens verkoper tegen de voorafgaande verkoper uitoefent. Dit impliceert ook dat hij de beperkingen van die vordering, zoals excepties, exoneratiebedingen en dergelijke moet ondergaan
(5). Waar de mogelijkheid voor de koper om een voorafgaande verkoper op contractuele basis aan te spreken er aanvankelijk op gericht was de koper bijkomende bescherming te bieden
(6)lijkt deze actueel eerder tegemoet te willen komen aan de rechtmatige verwachtingen van de voorafgaande verkoper en dus hem te willen beschermen. De voorafgaande verkoper die zich in de overeenkomst met zijn rechtstreekse medecontractant heeft geëxonereerd, moet het voordeel van exoneratie ook kunnen genieten ten opzichte van de uiteindelijke koper. 2.1.3. Te dezen rijst de vraag of, gelet op het principiële verbod van samenloop tussen contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid, de mogelijkheid voor de koper om tegen de voorafgaande verkoper een contractuele vordering in te stellen principieel verhindert dat de koper nog een buitencontractuele vordering tegen een voorafgaande verkoper kan instellen voor de schade die de koper lijdt ten gevolge van een verborgen gebrek in het goed. Met andere woorden stelt zich de vraag of de uiteindelijke koper de contractuele beperkingen die voortvloeien uit de overeenkomst tussen de voorafgaande verkoper en diens rechtstreekse medecontractant steeds moet ondergaan, dan wel of het al dan niet aanvaardbaar is dat de uiteindelijke koper middels een buitencontractuele vordering tegen de voorafgaande verkoper meer rechten zou kunnen laten gelden dan de rechtstreekse medecontractant van de voorafgaande verkoper doordat de uiteindelijke koper bijvoorbeeld de exoneratiebedingen in de overeenkomst tussen de voorafgaande verkoper en zijn medecontractant dan niet moet ondergaan
(7). De rechtsleer verdedigt in dit verband uiteenlopende standpunten. 2.1.3.1. Volgens de meerderheidsstrekking, die mijns inziens conceptueel als meest correcte oplossing de voorkeur verdient, kan de koper die schade lijdt ten gevolge van een verborgen gebrek in het gekochte goed, zich enkel op contractuele basis tegen de voorafgaande verkoper richten en is een buitencontractuele vordering uitgesloten, tenzij aan de voorwaarden om samenloop toe te staan, is voldaan
(8). Zoals vermeld volgt uit de rechtspraak van Uw Hof dat de koper een contractuele vordering kan instellen tegen een voorafgaande verkoper in een keten van koopovereenkomsten, waarbij hij eigenlijk de vordering van zijn verkoper tegen die voorafgaande verkoper uitoefent. Hij treedt daarbij dus als het ware op in de plaats van zijn rechtstreekse verkoper. Die mogelijkheid voor de koper baseren op de idee van overdracht eerder dan het te beschouwen als een eigen vordering van de koper impliceert dat de koper zich de beperkingen uit de contracten van zijn rechtsvoorgangers moet laten tegenwerpen en hij de beperkingen die voortvloeien uit de overeenkomst tussen zijn verkoper en de voorafgaande verkoper logischerwijs moet ondergaan. Het is immers moeilijk te aanvaarden dat de uiteindelijke koper die beperkingen alsnog kan omzeilen door een buitencontractuele vordering in te stellen door hem met betrekking tot de vordering tot vrijwaring voor verborgen gebreken enerzijds als een contractpartij van de voorafgaande verkoper te beschouwen doordat hij het vorderingsrecht van zijn rechtstreekse verkoper tegen de voorafgaande verkoper heeft overgenomen en anderzijds dan weer niet door hem toch een buitencontractuele vordering toe te staan. Ook het Franse Hof van Cassatie, dat in zijn rechtspraak eveneens het verbod van samenloop hanteert, oordeelde reeds dat aangezien de koper van een goed beschikt over een contractuele vorderingsmogelijkheid tegen de voorafgaande verkoper, de koper tegen die voorafgaande verkoper geen buitencontractuele vordering meer kan instellen
(9). 2.1.3.2. Volgens een tweede strekking verhindert de mogelijkheid voor de koper om de voorafgaande verkoper op contractuele basis aan te spreken, niet dat de koper ook een buitencontractuele vordering tegen de voorafgaande verkoper kan instellen. De achterliggende gedachte daarbij lijkt te zijn dat de buitencontractuele zorgplicht zich aan iedereen opdringt, ongeacht de omstandigheden van het geval, ook al is er een contract of contractuele verhouding. Die mogelijkheid zou altijd bestaan zodat er niet aan de voorwaarden voor samenloop tussen contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid zou moeten zijn voldaan
(10). Uw Hof heeft zich door het ontwikkelen van de samenloopleer, duidelijk afgezet tegen dit idee. Voormelde strekking bekritiseert dus het samenloopverbod gezien het er van uitgaat dat de buitencontractuele zorgvuldigheidsplicht van de voorafgaande verkoper geldt ten aanzien van iedereen, zowel de tussenverkoper als de uiteindelijke koper, terwijl het samenloopverbod net inhoudt dat buitencontractuele zorgvuldigheidsplicht op zijn minst niet in de verhouding tussen twee contractanten en dus ook de voorafgaande verkoper en de tussenverkoper speelt. Minstens in dat laatste geval dringt de buitencontractuele zorgvuldigheidsplicht zich niet op. In het bestreden arrest lijken de appelrechters deze strekking aan te hangen op de grond dat de principiële onmogelijkheid van contractspartijen om zich in het raam van hun contractuele verhouding op de regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid te beroepen, voortvloeit uit de veronderstelling dat contractspartijen hun contractuele rechtsverhouding en een in dit raam begane wanprestatie, behoudens andersluidend beding, uitsluitend door de regels van de contractuele aansprakelijkheid hebben willen laten beheersen en dergelijke veronderstelling ontbreekt wanneer de eiser weliswaar over een hem door zijn verkoper overgedragen contractueel vorderingsrecht tegen een eerdere verkoper in de ketting van koopovereenkomsten beschikt, maar hij met deze eerdere verkoper niet zelf heeft gecontracteerd. In zoverre de appelrechters in dit verband verwijzen naar een arrest van Uw Hof van 27 november 2006
(11)dient er op gewezen te worden dat dit arrest een andere situatie betrof waarbij Uw Hof oordeelde dat geen contractuele rechtsverhouding maar een publiekrechtelijke rechtsverhouding voorlag. Uw Hof oordeelde immers dat de onderstelling dat contractspartijen hun contractuele rechtsverhouding en een in dit raam begane wanprestatie uitsluitend door de regels van de contractuele aansprakelijkheid willen laten beheersen, ontbreekt ingeval de rechtsverhouding de verlening van een openbare dienst betreft, en derhalve niet van contractuele maar van reglementaire aard is en beheerst wordt door een publiekrechtelijk reglement. 2.1.3.3. Volgens een derde strekking, die een variante is op de vorige, heeft de koper de keuze tussen een contractuele of een buitencontractuele vordering, maar zo hij voor een buitencontractuele vordering kiest, moet hij de doorwerking van bepaalde contractuele clausules ondergaan. In het kader van de theorie van de gerechtvaardigde verwachtingen zou de koper bepaalde aansprakelijkheidsbeperkingen uit de overeenkomst van de voorafgaande verkoper dienen te ondergaan
(12). Waar in de huidige stand van het recht geen enkele wettelijke grondslag voor deze stelling voorhanden is
(13)opteert het Voorontwerp van wet houdende invoeging van de bepalingen betreffende buitencontractuele aansprakelijkheid in het nieuw Burgerlijk Wetboek echter wel voor deze oplossing en wordt het samenloopverbod daarbij grotendeels verlaten
(14). 2.1.3.4 Een vierde strekking tenslotte pleit voor een onderscheid tussen enerzijds de gebreken die enkel het gebruik van de zaak beïnvloeden, waarvoor artikel 1615 Burgerlijk Wetboek speelt en dus enkel een contractuele vordering zou kunnen worden ingesteld, en anderzijds de gevaarlijke gebreken waarvoor de koper zowel een contractuele als een buitencontractuele vordering zou kunnen instellen
(15). Dit standpunt zou kunnen worden gezien als aansluiting zoekend bij de eerste strekking: gevaarlijke gebreken maken een tekortkoming uit niet alleen aan de contractuele verbintenis, maar ook aan de algemene zorgvuldigheidsnorm, in welk geval een samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid desgevallend wel mogelijk is, op voorwaarde dat ook de schade niet louter contractueel is. 2.1.
  1. Gelet op wat voorafgaat voert eiseres vooreerst terecht aan dat de principiële onmogelijkheid voor een contractpartij om zijn medecontractant op buitencontractuele grondslag aansprakelijk te stellen niet beperkt is tot de initieel contracterende partijen maar ook van toepassing is in het geval de uiteindelijke koper het recht op vrijwaring geniet dat de eerste koper tegen de verkoper-fabrikant bezat. Uit artikel 1615 BW vloeit immers voort dat de uiteindelijke koper van een zaak die een vordering wegens schending van een verbintenis tot conforme levering of van de verbintenis tot vrijwaring voor verborgen gebreken instelt tegen de voorafgaande verkoper in een keten van koopovereenkomsten, een contractuele vordering van zijn rechtstreekse verkoper tegen de voorafgaande verkoper uitoefent en bijgevolg in de plaats van de rechtstreekse verkoper wordt gesteld. Een buitencontractuele vordering is in de regel slechts mogelijk indien de aan de medecontractant ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt niet alleen aan de contractuele verbintenis, maar ook aan de algemene zorgvuldigheidsnorm die op hem rust en indien deze fout andere dan aan de slechte uitvoering te wijten schade heeft veroorzaakt. Eiseres voert aan dat de appelrechters oordelen dat verweerster haar vordering tegen eiseres kan baseren op de regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid zonder na te gaan of voldaan is aan de strikte voorwaarden waarbinnen samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid is toegestaan. Verweerster voert in de memorie van antwoord aan dat het middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang nu de appelrechters wel degelijk hebben nagegaan of de strikte voorwaarden waarbinnen de samenloop is toegestaan waren vervuld door vast te stellen dat de fout van eiseres tevens een tekortkoming aan de algemene zorgvuldigheidsnorm uitmaakt en bovendien een misdrijf is, en de schade niet louter contractueel is. Verweerster verwijst in dit verband naar de overwegingen in het eindarrest van 5 september 2019 dat "eiseres door aldus te handelen zich niet heeft gedragen zoals een normaal voorzichtig bedrijf in dezelfde omstandigheden zou hebben gedaan zodat haar fout voldoende is bewezen". Evenwel werd reeds in het tussenarrest van 20 januari 2011 besloten tot de toelaatbaarheid van de buitencontractuele vordering van verweerster en beperken de appelrechters zich in het eindarrest ertoe hier louter naar te verwijzen zonder verder in te gaan op het verbod van samenloop. In het eindarrest wordt het geschil puur in het licht van artikel 1382 BW beoordeeld zodat de vaststellingen waarnaar verweerster verwijst niet kunnen worden geïnterpreteerd alsof de appelrechters daarmee zouden oordelen dat aan de voorwaarden voor samenloop is voldaan. De grond van niet-ontvankelijkheid dient bijgevolg te worden verworpen. De appelrechters die vaststellen dat verweerster over een contractueel vorderingsrecht tegen eiseres beschikt, met name de contractuele vrijwaringsvordering van de initiële afnemer van eiseres die als accessorium van de verkochte zaak werd overgedragen van koper tot koper, maar oordelen dat verweerster haar vordering jegens eiseres wel degelijk kan baseren op de regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid zonder na te gaan of al dan niet is voldaan aan de strikte voorwaarden waarbinnen samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid is toegestaan, verantwoorden bijgevolg hun beslissing niet naar recht. Het middel komt gegrond voor. 2.
  2. Middel gericht tegen het eindarrest van 5 september 2019 Eiseres voert aan dat de appelrechters haar hebben veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding van 36.000 euro per aanleg, zijnde het maximumbedrag zoals gevorderd door verweerster, zonder die beslissing met bijzondere redenen te omkleden zoals bedoeld in artikel 1022, derde lid Ger.W. Verweerster voert in de memorie van antwoord een grond van niet-ontvankelijkheid aan. Het middel is nieuw gezien eiseres voor de feitenrechter geen betwisting heeft gevoerd over het verhoogd bedrag van de rechtsplegingsvergoeding. Verweerster steunt zich hierbij op een aantal arresten van uw Hof die evenwel geen gelijkaardige betwistingen betreffen nu in die gevallen door de feitenrechter het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding werd toegekend en het middel de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding als dusdanig bestreed en niet, zoals te dezen, door de feitenrechter een verhoogde rechtsplegingsvergoeding werd toegekend zonder bijzondere motivering. Het onderzoek van de aangevoerde grond van niet-ontvankelijkheid is nauw verbonden met het onderzoek van het middel zelf
(16). Uw Hof oordeelde reeds eerder dat krachtens artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek de rechter een partij niet kan veroordelen om aan de tegenpartij een rechtsplegingsvergoeding te betalen die hoger is dan het door de Koning vastgestelde basisbedrag, zonder die beslissing met bijzondere redenen te omkleden, zelfs als de veroordeelde partij het door de tegenpartij gevorderde bedrag van de vergoeding niet heeft betwist en voor zichzelf een rechtsplegingsvergoeding heeft gevorderd die hoger is dan het basisbedrag
(17). Ook te dezen is aan deze omstandigheden voldaan maar bevat het arrest geen bijzondere redenen zoals bedoeld in artikel 1022, derde lid Ger.W. om dit verhoogd bedrag aan rechtsplegingsvergoeding te motiveren. Het middel komt gegrond voor. Conclusie: vernietiging met verwijzing. ________________________________
(1)Cass. 7 december 1973, Arr.Cass. 1974, 395; Zie Cass. 27 november 2006, AR C.05.0310.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061127.4, AC 2006, nr. 600; Zie ook Cass. 17 maart 2017, AR C.16.0283.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170317.1, AC 2017, nr. 194 en Cass. 24 maart 2016, AR C.14.0329.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160324.17, AC 2016, nr. 215.
(2)Cass. 4 juni 1971, RCJB 1976, 12; P. BRULEZ, Koop en aanneming: (faux) amis?, Antwerpen, Intersentia, 2015, 712; E. DIRIX, "Samenloop van aansprakelijkheid en allocatie van risico's" in I. BOONE, I. CLAEYS en L. LAVRYSEN (eds.), Liber amicorum Hubert Bocken, Brugge, die Keure, 2009, 18; P. VAN OMMESLAGHE, Droit des obligations, II, Sources des obligations, Brussel, Bruylant, 2010, 1161-1162; S. STIJNS, Verbintenissenrecht, 1bis, De bronnen van verbintenissen, Brugge, die Keure, 2013, 122.
(3)Cass. 15 september 2011, AR C.10.0456.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110915.6-C.10.0464.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110915.6, AC 2011, nr. 474; Cass. 18 mei 2006, AR C.05.0097.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060518.7, AC 2006, nr. 279; Cass. 5 december 1980, Arr.Cass. 1980-81, nr. 212; I. CLAEYS, Samenhangende overeenkomsten en aansprakelijkheid, Antwerpen, Intersentia, 2003, 428; L. JACQMIN, "La responsabilité pour les dommages causés par un « bien défectueux »: multiplicité de parties et de fondements potentiels de l'action", DCCR 2014, 63.
(4)Cass. 18 januari 2019, AR C.18.0321.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190118.3, AC 2019, nr. 36; Cass. 15 september 2011, AR C.10.0456.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110915.6-C.10.0464.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110915.6, AC 2011, nr. 474; Cass. 18 mei 2006, AR C.05.0097.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060518.7, AC 2006, nr. 279; Cass. 5 december 1980, Arr.Cass. 1980-81, 212; E. DIRIX, Obligatoire verhoudingen tussen contractanten en derden, Antwerpen, Kluwer, 1984, 30.
(5)P. BRULEZ, Koop en aanneming: (faux) amis?, Antwerpen, Intersentia, 2015, 660; I. CLAEYS, Samenhangende overeenkomsten en aansprakelijkheid, Antwerpen, Intersentia, 2003, 443; J. HERBOTS, "L'affinage du principe de la transmission automatique des droits ‘propter rem' du maître de l'ouvrage à l'acquéreur de l'immeuble", RCJB 1992, 513; B. KOHL en R. SALZBURGER, "La transmission des droits et dettes propter rem en droit belge", in X, La transmission des obligations en droit français et en droit belge, Brussel, Larcier, 2019, 710; A. MEINERTZHAGEN-LIMPENS, "Les ventes en chaîne, la responsabilité « in solidum » et le recours contributoire, une coexistence difficile", RCJB 1996, 43-63.
(6)Het buitencontractueel foutbegrip werd destijds immers veel beperkter ingevuld dan nu zodat een contractuele fout van een voorafgaande verkoper in zijn verhouding met zijn rechtstreekse medecontractant/tussenverkoper niet noodzakelijk een buitencontractuele fout in de verhouding tussen de voorafgaande verkoper en de uiteindelijke koper impliceerde. Dor de verruiming van het buitencontractuele foutbegrip is deze aanvankelijke ratio grotendeels komen te vervallen en thans gemakkelijk aanvaard wordt dat een contractuele fout in de verhouding tussen contractanten een buitencontractuele fout ten aanzien van een derde kan uitmaken indien de derde door die fout schade lijdt.
(7)P. BRULEZ, Koop en aanneming: (faux) amis?, Antwerpen, Intersentia, 2015, 706-713; I. CLAEYS, Samenhangende overeenkomsten en aansprakelijkheid, Antwerpen, Intersentia, 2003, 442; E. DIRIX, "Samenloop van aansprakelijkheid en allocatie van risico's" in I. BOONE, I. CLAEYS en L. LAVRYSEN (eds.), Liber amicorum Hubert Bocken, Brugge, die Keure, 2009, 64.
(8)P. BRULEZ, Koop en aanneming: (faux) amis?, Antwerpen, Intersentia, 2015, 710; N. CARETTE, "Rechtstreekse contractuele aanspraak voor de opdrachtgever tegen de leverancier van zijn aannemer", RW 2007-08, 152; I. CLAEYS, Samenhangende overeenkomsten en aansprakelijkheid, Antwerpen, Intersentia, 2003, 440; J. HERBOTS, M. VERVOORT en S. VAN DER AUWERA, "Koop", in Het onroerend goed in de praktijk, zoals bijgewerkt op april 2015, 161; J. HERBOTS, "L'affinage du principe de la transmission automatique des droits propter rem du maître de l'ouvrage à l'acquéreur de l'immeuble", RCJB 1992, 518-519; L. JACQMIN, "La responsabilité pour les dommages causés par un « bien défectueux »: multiplicité de parties et de fondements potentiels de l'action", DCCR 2014, 71-72; B. KOHL en R. SALZBURGER, "La transmission des droits et dettes propter rem en droit belge", in X, La transmission des obligations en droit français et en droit belge, Brussel, Larcier, 2019, 711-712; R. KRUITHOF, "Overzicht van rechtspraak Verbintenissen 1974-1980", TPR 1983, 614; A. LIMPENS-MEINERTZHAGEN, "Observations Cass. 7 december 1973", T. Aann. 1975, 196-197; M.-P. NOËL, "La transmission du droit à la garantie des vices cachés de l'entrepreneur au maître de l'ouvrage", RGDC 2009, 99; S. STIJNS, B. TILLEMAN, W. GOOSSENS, B. KOHL, E. SWAENEPOEL en K. WILLEMS, "Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten: koop en aanneming 1999-2006", TPR 2008, 1568.
(9)Cass. Fr. (civ.I), 9 octobre 1979, Bull.civ. 1979, I, nr. 241.
(10)J.-L. FAGNART, "La responsabilité du fait des produits. État actuel du droit belge", DAOR 1986-87, 214; J. HERBOTS, "De nalatige antiquairs", RW 1983-84, 167-168.
(11)Cass. 27 november 2006, AR C.05.0310.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061127.4, AC 2006, nr. 600.
(12)X. DIEUX, "Les chaînes et groupes de contrats en droit belge - Pour un retour aux sources!", in X, Les obligations en droit français et en droit belge - Convergences et divergences, Brussel, Bruylant, 1994, 144-145.
(13)I. CLAEYS, Samenhangende overeenkomsten en aansprakelijkheid, Antwerpen, Intersentia, 2003, 442; E. DIRIX, "Samenloop van aansprakelijkheid en allocatie van risico's" in I. BOONE, I. CLAEYS en L. LAVRYSEN (eds.), Liber amicorum Hubert Bocken, Brugge, die Keure, 2009, 66.
(14)Krachtens het ontworpen artikel 5.141 staat in het algemeen een vordering op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid een vordering op een andere rechtsgrond niet in de weg, tenzij het tegendeel volgt uit de wet of een contract. Artikel 5.143, eerste lid, bepaalt specifiek met betrekking tot de samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid dat de benadeelde zich jegens een medecontractant mag beroepen op de buitencontractuele aansprakelijkheid tenzij deze mogelijkheid wettelijk of contractueel is uitgesloten. De benadeelde krijgt dus de keuze, weze het met de belangrijke correctie waarvan sprake in het tweede lid van artikel 5.143 namelijk dat indien de benadeelde het herstel vordert van schade die haar oorzaak vindt in de niet-nakoming van een contractuele verbintenis, hebben de bijzondere wettelijke bepalingen en de contractuele bedingen die specifiek betrekking hebben op de verbintenissen van de partijen evenwel voorrang op de regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid. Deze voorrang geldt niet bij vorderingen tot het herstel van schade ingevolge een aantasting van de fysieke integriteit. Men doelt daarmee op bijzondere wettelijke bepalingen of contractuele bedingen in verband met de grondslag van de aansprakelijkheid, de vergoedbare schade en de verval- of verjaringstermijnen. Zie hierover H. BOCKEN, "Samenloop en causaliteit in het Voorontwerp Buitencontractuele aansprakelijkheid", in C. VAN SCHOUBROECK en I. SAMOY (eds.), Trends en evoluties in het aansprakelijkheids- en verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 11-42.
(15)L. SIMONT, J. DE GAVRE en P.A. FORIERS, "Examen de jurisprudence (1981 à 1991). Les contrats spéciaux", RCJB 1995, 208-209.
(16)Cass. 21 oktober 2011, AR C.09.0463.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111021.1, AC 2011, nr. 565.
(17)Cass. 21 oktober 2011, AR C.09.0463.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111021.
  1. AC 2011, nr.
  2. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201002.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201002.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060518.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061127.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110915.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111021.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160324.17 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170317.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190118.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230525.1F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.