← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 06 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201006.2N.12 Rolnummer: P.20.0505.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2022-11-03 Raadplegingen: 278 - laatst gezien 2026-06-14 09:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201006.2N.12 Fiche De eigenaar die een aanhangwagen waarvoor een verzekeringsplicht geldt, in het verkeer brengt zonder het voorafgaandelijk sluiten van een WAM-verzekering is strafbaar; het al dan niet gekoppeld zijn van de aanhangwagen aan een trekker doet aan deze strafbaarheid niet af

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Vrije woorden: Met een motorrijtuig gelijkgestelde aanhangwagen - Koppeling - Verzekeringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen - 21-11-1989 - Artt. 1, 2, § 1, eerste en tweede lid, en 22, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989011371 Tekst van de conclusie P.20.0505.N Conclusie van advocaat-generaal D. Schoeters: Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep gewezen op tegenspraak van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 25 maart
  1. De voorgaanden Bij vonnis van 19 maart 2019 van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, werd eiser schuldig verklaard aan de feiten der tenlastelegging B, gekwalificeerd als: “te Hamme op 17 februari 2017: als eigenaar van een motorrijtuig nl.: een aanhangwagen dit rijtuig in het verkeer gebracht te hebben of toegelaten te hebben dat het werd gebracht in het verkeer op de openbare weg of op terreinen, die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen, die het recht hebben om er te komen, zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, waartoe dit motorrijtuig aanleiding kan geven, gedekt was door een verzekering welke aan de bepalingen van deze wet voldoet en waarvan de werking niet is geschorst (art. 1, 2 par. 1, 20, 22 par 1, 24, 28 en 29 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen)”. Samengevat, handelt het strafdossier over de vervolging van de eiser wegens het niet verzekerd in het verkeer brengen van een oplegger/aanhangwagen, waarvan hij de eigenaar is en die door een derde (bewaarnemer of bruiklener) gekoppeld aan een trekker in het verkeer werd gesteld met een tijdelijke Poolse nummerplaat. De overtreding vond plaats op 17 februari 2017 te Hamme. Eiser werd door de politierechter veroordeeld tot een geldboete van 200,00 euro (verhoogd met 70 opdeciemen en gebracht op 1600,00 euro; boete vervangbaar bij gebreke aan betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 1 maand), de vervallenverklaring van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van 8 dagen, de bijdragen tot het slachtofferfonds, het fonds voor tweedelijnsbijstand en de gerechtskosten waarvan 53,58 EUR bij toepassing van artikel 91 KB 28 december
  2. De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, bevestigde bij vonnis van 25 maart 2020, de uitspraak van de politierechter, behoudens wat betreft de bijdrage van 53,58 euro dewelke sedert 01.01.2020 niet meer kan worden opgelegd. Dit is de bestreden beslissing. Bij akte van 8 april 2020 stelde eiser cassatieberoep in. Volledigheidshalve merk ik op dat uit de akte blijkt dat eiser verkeerdelijk heeft verklaard “hoger beroep in te stellen tegen alle beschikkingen van het vonnis [van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde] uitgesproken op 25 maart 2020 vonnisnummer 2020/954, kamer D21”. Het komt mij niettemin voor dat uit de verklaring voldoende duidelijk en ondubbelzinnig het voorwerp en de draagwijdte van het rechtsmiddel blijkt.
  3. Het onderzoek van de middelen tot cassatie De eiser voert in zijn memorie twee middelen aan. 2.
  4. In het derde onderdeel van het eerste middel voert eiser een schending aan van artikel 3 en artikel 22, § 1 van de Wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (hierna kortweg “WAM-wet” genoemd) en het algemeen rechtsbeginsel van het recht op verdediging. Verder voert eiser in dit derde onderdeel van het eerste middel een schending van de motiveringsplicht en miskenning van de tegenspraak aan. Eiser stelt dat de appelrechters hem ten onrechte veroordelen voor de niet verzekering van een aanhangwagen terwijl de verzekering van de trekker bij koppeling ook de aansprakelijkheid verzekert van de oplegger. Hij stelt dat het gebruik van een aanhangwagen of trekker op zich niet betekent dat het motorrijtuig zonder verzekering overeenkomstig de WAM-wet in het verkeer wordt gebracht: de verzekering van de trekker zou immers bij koppeling de aansprakelijkheid dekken van de oplegger. Kort samengevat lijkt eiser dus te stellen dat er geen (strafbaar gestelde) verzekeringsplicht zou rusten op de eigenaar van een aanhangwagen/oplegger die voldoet aan de omschrijving van artikel 1, lid 2 WAM-wet, wanneer deze aanhangwagen/oplegger gekoppeld is aan een trekker die zelf verzekerd is. Eiser leidt deze stelling af uit de samenlezing van artikel 3, lid 6 WAM-wet en artikel 22, § 1 WAM-wet. In het tweede onderdeel van het tweede middel gaat eiser verder in op deze problematiek en voert de schending aan van artikel 1 van de gemeenschappelijke bepalingen aan het Benelux-verdrag betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorvoertuigen
(1), waaruit zou blijken dat de verzekering van de trekker, bij koppeling, de aansprakelijkheid verzekert van de aanhangwagen. In dit onderdeel verwijst eiser specifiek naar het arrest van het Hof van 27 maart 1991
(2). Dit onderdeel van het tweede middel heeft dezelfde strekking als het derde onderdeel van het eerste middel. De vraag is aldus of door de koppeling van de oplegger / aanhangwagen aan de trekker nog wel sprake is van een strafbaar gestelde niet-verzekering in hoofde van een eigenaar van de oplegger / aanhangwagen indien deze gekoppeld is aan een trekker die wel verzekerd zou zijn. 2.
  1. De stelling van eiser lijkt op het eerste zicht steun te vinden in het voormelde arrest van het Hof van 27 maart
  2. Dit arrest werd gewezen nadat het Hof twee vragen tot uitleg had gesteld aan het Benelux-Gerechtshof met betrekking tot de draagwijdte van artikel 1, aanhef en eerste onderdeel van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (hierna genoemd “De Gemeenschappelijke bepalingen”). Dit artikel 1 van de Gemeenschappelijke bepalingen definieert een motorrijtuig als volgt: “onder motorrijtuigen: rij- of voertuigen, bestemd om zich over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, zonder aan spoorstaven te zijn gebonden; al hetgeen aan het rij- of voertuig is gekoppeld wordt als een deel daarvan aangemerkt.” Het Benelux-Gerechtshof heeft in een arrest van 30 november 1990 (het Howard-arrest)
(3)geoordeeld over de situatie waarin een trekker met oplegger daarnaast nog eens een wagen sleepte met twee wielen op de oplegger en twee wielen op de weg. De vraag rees of de verzekering van de combinatie oplegger-trekker zich ook uitstrekte tot de gesleepte wagen die niet gedekt was door enige aansprakelijkheidsverzekering. Advocaat-Generaal Krings ontleedde de bepaling in artikel 1, eerste lid, van de Gemeenschappelijke bepalingen en de tot dan toe beschikbare jurisprudentie over dit onderwerp in België en Nederland. Hij verwees hierbij naar de preambule van de Benelux-overeenkomst, i.h.b. naar de wens van de verschillende landen om zoveel als mogelijk de verkeersslachtoffers van een ongeval te beschermen. Voorts verwees de advocaat-generaal ook naar de toelichting bij de Benelux-overeenkomst en het doel te verhinderen dat de verzekeraar van het trekkende voertuig zijn verplichting zou betwisten door aan te voeren dat het ongeval aan het gesleepte voertuig te wijten is. De advocaat-generaal besluit dan ook in de zin dat een auto waarvan de achterkant op de gesleepte aanhangwagen is geplaatst – net zoals een aanhangwagen – deel uitmaakt van het motorrijtuig en als zodanig verzekerd is door de verzekeraar van het trekkende voertuig. Het Benelux-Gerechtshof volgde de advocaat-generaal en oordeelde dat als aan een motorrijtuig een aanhangwagen is gekoppeld en op deze aanhangwagen een auto aldus is geplaatst dat twee van zijn wielen de grond raken zodat die auto zich over de grond beweegt als genoemd motorrijtuig rijdt, ook deze auto moet worden aangemerkt als een deel van het verzekerde voertuig. Het Benelux-Gerechtshof benadrukt in zijn overwegingen “dat in de Gemeenschappelijke Toelichting bij de Overeenkomst – conform de geest van de preambule – als beginsel is neergelegd dat de verzekering vóór alles een maatregel ter bescherming van de benadeelden is” en de eerste begripsomschrijving van artikel 1 van de Gemeenschappelijke bepalingen in het licht van dit beginsel moet worden gelezen. In dit geval werd evenwel niet de eigenaar van de gesleepte wagen, maar de bestuurder van de vrachtwagen met oplegger waardoor de onverzekerde wagen werd gesleept, vervolgd. Na de uitspraak van het Benelux-Gerechtshof verwierp het Hof van Cassatie bij arrest van 27 maart 1991 de voorziening die was ingesteld door de procureur-generaal van Luik tegen de bestuurder Howard. Hierdoor bleef het arrest van het hof van beroep te Luik overeind dat Howard vrijsprak omdat de appelrechters de tenlastelegging van het in het verkeer brengen van een niet-verzekerd gesleept voertuig niet bewezen achtten. Ik merk evenwel op dat in het arrest-Howard van het Benelux-Gerechtshof, het Hof zich in essentie heeft uitgesproken over de draagwijdte van de definitie “motorrijtuig” zoals neergeschreven in artikel 1 van de Gemeenschappelijke bepalingen en ingegeven lijkt te zijn vanuit de bekommernis om een maximale bescherming van de benadeelden te waarborgen. Tevens merk ik op dat de Benelux-overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen een “minimum-harmonisatie” nastreeft. In deze overeenkomst streefden de ondertekenende partijen naar gelijkvormigheid, het beschermen van de rechten van slachtoffers van ongevallen veroorzaakt door motorrijtuigen terwijl ze tegelijkertijd vooropstelden dat ieder land de vrijheid behoudt voor zijn grondgebied bepalingen af te kondigen die de waarborg ten behoeve van de benadeelden vergroten
(4). Thans wordt naar Belgisch recht het begrip “motorrijtuig” ruimer omschreven in artikel 1 van de WAM-wet. 2.3. Artikel 22, § 1, lid 1 WAM-wet bepaalt dat de eigenaar of de houder van het motorrijtuig die het in het verkeer brengt of toelaat dat het in het verkeer wordt gebracht op een van de in artikel 2, § 1, bedoelde plaatsen zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het aanleiding kan geven, gedekt is overeenkomstig deze wet, alsmede de bestuurder van dat motorrijtuig, gestraft worden met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot duizend frank, of met een van die straffen alleen. Artikel 1, eerste lid, WAM-wet bepaalt dat onder motorrijtuig wordt verstaan: de rij- of voertuigen, bestemd om zich over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, zonder aan spoorstaven te zijn gebonden en dat al wat aan het rij- of voertuig is gekoppeld als een deel daarvan wordt aangemerkt. Het tweede lid van voornoemd artikel 1 WAM-wet, zoals van toepassing
(5), bepaalt dat met motorrijtuigen worden gelijkgesteld de door de Koning bepaalde aanhangwagens die speciaal zijn gebouwd om aan een motorrijtuig te worden gekoppeld met het oog op het vervoer van personen of zaken. Luidens artikel 1 van Koninklijk besluit van 19 oktober 1995 houdende uitvoering van artikel 1 van de Wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals van toepassing
(6), worden gelijkgesteld met motorrijtuigen: alle aanhangwagens, behalve: 1° de aanhangwagens waarvan de maximale toegelaten massa niet meer dan 500 kg bedraagt; 2°de landbouwaanhangwagens en de werfaanhangwagens; 3° de aanhangwagens die uitsluitend rijden (eigen onderlijning) tussen de laad- en loskaaien, de opslagplaatsen, de loodsen en de magazijnen gelegen binnen de zee- of rivierhavens, zoals deze zijn omschreven in een aanvullend gemeentelijk reglement; 4°de aanhangwagens die kortstondig in België rijden (eigen onderlijning) zonder dat zij werden ingevoerd door personen die er verblijven; 5° de aanhangwagens uitsluitend bestemd voor folkloristische manifestaties Artikel 3 WAM-wet, waarvan eiser de schending aanvoert, luidt volledig: “§ 1 De verzekering moet waarborgen dat benadeelden schadeloos worden gesteld in geval van burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar, van iedere houder en van iedere bestuurder van het verzekerde motorrijtuig, alsmede van degenen die daarin worden vervoerd, en van de personen die burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor de voornoemde personen, zulks met uitzondering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal, geweldpleging of heling de macht over het motorrijtuig hebben verschaft. De verzekering moet, onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, de schade omvatten welke aan personen en aan goederen wordt toegebracht door feiten die voorgevallen zijn op het grondgebied van de Staten die de Koning bepaalt. Hierin is begrepen de schade toegebracht aan personen die, onder welke titel ook, worden vervoerd door het verzekerd motorrijtuig. De verzekering waarborgt ieder verblijf van het verzekerde motorrijtuig in een andere staat van de Europese Economische Ruimte gedurende de ganse duur van de overeenkomst. In geen geval kan een dergelijk verblijf worden aanzien als een verzwaring of vermindering van het verzekerde risico, noch aanleiding geven tot wijziging van de verzekering. Van zodra het verzekerde motorrijtuig ingeschreven wordt in een andere staat dan België, is de verzekering van rechtswege beëindigd. Van de verzekering kan niettemin worden uitgesloten, de schade aan: 1° het verzekerd voertuig; 2° de door dit voertuig beroepsmatig en onder bezwarende titel vervoerde goederen, met uitzondering van de kleding en bagage die persoonlijk toebehoren aan de vervoerde personen. De verzekering moet de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekken voor de schade die het motorrijtuig heeft veroorzaakt, zoals die aansprakelijkheid voortvloeit uit de toepasselijke wet. De verzekering met betrekking tot een bij artikel 1 met een motorrijtuig gelijkgestelde aanhangwagen moet alleen de schade dekken die door de niet gekoppelde aanhangwagen wordt veroorzaakt. § 2 Voor schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels is de dekking onbeperkt. Evenwel kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, toelaten de waarborg met betrekking tot de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels te beperken tot een bedrag dat niet lager mag liggen dan 100 miljoen euro per schadegeval. Voor stoffelijke schade kan de dekking beperkt worden tot een bedrag dat niet lager mag liggen dan 100 miljoen euro per schadegeval. § 3 Dit artikel vindt geen toepassing op schade te vergoeden overeenkomstig de wetgeving betreffende de aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie. § 4 De in de voorgaande paragrafen bedoelde bedragen worden om de vijf jaar van rechtswege aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Rijk. De eerste aanpassing vindt plaats op 1 januari 2011, met als basis het indexcijfer van december 2005 (basis 2004 = 100).” 2.4. De verzekeringsplicht voor de eigenaar van een volgens artikel 1 WAM-wet gelijkgesteld motorrijtuig vloeit voort uit artikel 2, § 1 WAM-wet, luidende
(7): “§ 1: Tot het verkeer op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen, worden motorrijtuigen alleen toegelaten indien de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe zij aanleiding kunnen geven, gedekt is door een verzekeringsovereenkomst die aan de bepalingen van deze wet voldoet en waarvan de werking niet is geschorst. De verplichting tot het sluiten van de verzekering rust op de eigenaar van het motorrijtuig. Indien een andere persoon de verzekering heeft aangegaan, is de verplichting van de eigenaar geschorst voor de duur van de overeenkomst die door de andere persoon is gesloten. De verzekering moet zijn gesloten bij een verzekeraar die daartoe is toegelaten of van toelating is vrijgesteld op grond van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen.” Dit artikel bevat de voorwaarden waaronder sprake kan zijn van een verzekeringsplicht. De verzekeringsplicht heeft betrekking op de motorrijtuigen – i.e. alle motorrijtuigen die onder de definitie van artikel 1 WAM-wet vallen - die
(1)deelnemen aan het verkeer
(2)op de openbare weg en terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die recht hebben om er te komen. Zodra deze voorwaarden vervuld zijn ontstaat er een verzekeringsplicht. Aan deze verzekeringsplicht is maar voldaan wanneer de voor het motorrijtuig afgesloten verzekeringsovereenkomst beantwoordt aan de WAM-wet en waarvan de werking niet geschorst is. De verzekeringsovereenkomst dient aldus dekking te verlenen voor de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het aanleiding kan geven. Specifiek met betrekking tot de door artikel 1 WAM-wet gelijkgestelde motorrijtuigen, i.e. de door de Koning bepaalde aanhangwagens, worden er geen bijkomende voorwaarden of restricties gesteld opdat er sprake zou kunnen zijn van een verzekeringsplicht, inzonderheid bijvoorbeeld dat het zou moeten gaan over in het verkeer brengen van “ontkoppelde dan wel gekoppelde aanhangwagens”. Artikel 22, § 1, eerste zin, WAM-wet bepaalt dat de eigenaar of de houder van het motorrijtuig die het in het verkeer brengt of toelaat dat het in het verkeer wordt gebracht op een van de in artikel 2, § 1, bedoelde plaatsen zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het aanleiding kan geven, gedekt is overeenkomstig deze wet, alsmede de bestuurder van dat motorrijtuig, gestraft worden met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot duizend frank, of met een van die straffen alleen. Er moet volgens artikel 22, § 1, eerste zin, WAM-wet sprake zijn 1) van een eigenaar, houder of bestuurder; van een 2) motorrijtuig dat 3) in het verkeer wordt gebracht en 4) zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het aanleiding kan geven gedekt is overeenkomst de wet. De zinsnede “zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het aanleiding kan geven” lijkt mij in deze geen andere draagwijdte te hebben dan dat aan de verzekeringsplicht vastgelegd in artikel 2 § 1 WAM-wet moet voldaan zijn, m.a.w. dat het motorrijtuig verzekerd moet zijn voor de schade waarvoor het aansprakelijk zou kunnen gesteld worden. De verzekeringsplicht is immers niet hetzelfde als de waarborg. Artikel 3 WAM-wet omschrijft de waarborg die door de verzekering dient verleent te worden en bepaalt onder lid 6 dat de verzekering met betrekking tot een bij artikel 1 met een motorrijtuig gelijkgestelde aanhangwagen alleen de schade moet dekken die door de niet gekoppelde aanhangwagen wordt veroorzaakt. In een arrest van 29 september 2014
(8)maakte het Hof toepassing van deze bepaling en besloot het Hof dat krachtens artikel 3, § 1, laatste lid, WAM de verzekering met betrekking tot een door artikel 1 met een motorrijtuig gelijkgestelde aanhangwagen alleen de schade moet dekken die door de niet-gekoppelde aanhangwagen wordt veroorzaakt (“Hieruit volgt dat de verzekering van een aanhangwagen geen dekking verleent voor de schade veroorzaakt tijdens de koppeling van de aanhangwagen aan een trekker.”). In het geval dat voorgelegd werd aan het Hof was de verzekeraar van de aanhangwagen veroordeeld voor de schade ten gevolge van een verkeersongeval, veroorzaakt door een door een trekker-combinatie achtergelaten oliespoor op het wegdek, oliespoor dat afkomstig was van de oplegger, veroordeling die aldus door het Hof vernietigd werd. Het arrest spreekt zich echter niet uit over de verzekeringsplicht an sich. De draagwijdte van artikel 3, lid 6 WAM-wet lijkt mij zich te beperken tot het bepalen van de omvang van de waarborg die dient gedekt te worden door de verplichte verzekering, maar lijkt zich niet uit te strekken tot de eigenlijke verzekeringsplicht zelf. De ratio legis van artikel 3 lid 6 WAM-wet lijkt mij te liggen in wil van de wetgever om cumulatie van verzekeringen, betwistingen tussen verschillende verzekeraars en de bewijsproblemen bij een combinatie trekker/oplegger te vermijden, vanuit het beginsel van maximale bescherming van de benadeelden. Met andere woorden, volgens mijn zienswijze is het niet omdat een gekoppelde aanhangwagen die in het verkeer wordt gebracht, tijdens de koppeling gedekt zou zijn door de verzekering van de trekker, dat er in die gevallen geen verzekeringsplicht meer zou bestaan, verplichte verzekering welke weliswaar enkel de schade moet dekken die door de niet gekoppelde aanhangwagen wordt veroorzaakt. Het lijkt mij dat artikel 3, lid 6 WAM-wet geen afbreuk doet aan de verzekeringsplicht vastgelegd in artikel 2, § 1 WAM-wet, waarvan de niet-naleving strafbaar gesteld wordt door artikel 22, § 1 WAM-wet. Mijn zienswijze is gebaseerd op de hiervoor geciteerde duidelijke wetteksten van de WAM-wet zelf. De parlementaire voorbereidingen van de WAM-wet geven geen sluitend antwoord. In het verslag namens de commissie voor de economische aangelegenheden wordt bij de bespreking van artikel 1 over de aanhangwagens enkel gesteld: “De Vice-Eerste Minister en de Minister van Economische Zaken wijst erop dat de Wet van 1 juli 1956 de al dan niet aan een voertuig gekoppelde aanhangwagen als een deel ervan beschouwt, terwijl het ontwerp van wet van 1969 (…) alles wat aan het voertuig wordt gekoppeld als een deel daarvan beschouwt. Aanhangwagens die niet aan een voertuig zijn gekoppeld, moeten een eigen verzekering hebben in de door de Koning bepaalde gevallen indien zij speciaal werden gebouwd om aan een voertuig te worden gekoppeld (gelijkstelling met motorrijtuigen)”
(9). Evenmin is er sprake van een uitgebreide studie van dit onderwerp in de rechtsleer. Een aantal rechtsgeleerden lijken inderdaad voorop te stellen dat de verzekeringsplicht algemeen is (zowel voor gekoppelde als ontkoppelde aanhangwagens) indien ze gelijk worden gesteld met een motorrijtuig
(10). Anderen lijken te stellen dat de verzekeringsplicht voor de aanhangwagens in het tweede lid van artikel 1 WAM-wet, die niet vallen onder de uitzonderingslijst van het KB, beperkt is tot de ontkoppelde toestand van de aanhangwagen
(11). De ratio legis van de wetgever kan wel afgeleid worden uit de bepalingen van het Koninklijk besluit van 19 oktober 1995 houdende uitvoering van artikel 1 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering die alle aanhangwagens gelijk stelt met motorrijtuigen, behalve onder meer (…) 3° de aanhangwagens die uitsluitend rijden (eigen onderlijning) tussen de laad- en loskaaien, de opslagplaatsen, de loodsen en de magazijnen gelegen binnen de zee- of rivierhavens, zoals deze zijn omschreven in een aanvullend gemeentelijk reglement; 4° de aanhangwagens die kortstondig in België rijden (eigen onderlijning) zonder dat zij werden ingevoerd door personen die er verblijven; (…) Behoudens voor zelfrijdende aanhangwagens hebben deze uitzonderingen geen enkele zin indien de wetgever er van uit zou gegaan zijn dat er sowieso geen verzekeringsplicht rust wanneer deze aanhangwagens gekoppeld worden en gekoppeld rijden. De zienswijze sluit ook aan bij het beginsel neergelegd in de Gemeenschappelijke Toelichting bij de Benelux-overeenkomst, dat de verzekering vóór alles een maatregel ter bescherming van de benadeelden is. 2.
  1. Conclusie met betrekking tot het derde onderdeel van het eerste middel en het tweede onderdeel van het tweede middel: Uit de samenlezing van artikel 2, § 1, artikel 3, § 1, lid 6 en artikel 22, § 1 WAM-wet lijk ik te kunnen afleiden dat strafbaar wordt gesteld: het in het verkeer brengen van een met een motorrijtuig gelijkgestelde aanhangwagen zonder verzekering voor zijn burgerlijke aansprakelijkheid waartoe het aanleiding kan geven, ongeacht of het met een motorrijtuig gelijkgestelde aanhangwagen gekoppeld dan wel ontkoppeld is. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting lijkt het mij te falen naar recht. Het tweede onderdeel van het tweede middel is gesteund op de vergeefs aangevoerde rechtsopvatting en faalt derhalve ook naar recht. 2.
  2. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - op de datum van de feiten een trekker Volvo op de terreinen van de weegbrug werd gecontroleerd en dat aan de aanhangwagen van de trekker een tijdelijke Poolse kentekenplaat was bevestigd; - de verbalisanten vaststellen dat de aanhangwagen Knorr-Mega op 17 februari 2017 niet verzekerd was; - beklaagde voorhoudt dat hij de aanhangwagen kocht en in bewaargeving had gegeven aan de bvba … aan wie hij geen toestemming had gegeven om met de aanhangwagen te rijden; - de verklaringen van beklaagde en de zaakvoerder van deze bvba tegenstrijdig zijn; - de verklaringen van beklaagde, in tegenstelling tot wat hij stelt, onduidelijk en onderling tegenstrijdig zijn; - beklaagde strafklacht neerlegde tegen de zaakvoerder van de transportfirma maar geen informatie gaf over het gevolg dat aan deze klacht werd gegeven; - het naar het oordeel van de rechtbank totaal ongeloofwaardig is dat beklaagde twee nieuwe net aangekochte aanhangwagens zonder meer “in vertrouwen” zou achterlaten bij een firma die hij niet kende en met wie hij in contact werd gebracht door een persoon die hij ook niet kende maar die toevallig een kamer bij hem huurde; - uit niets blijkt dat deze bvba potentiële kopers zou hebben aangebracht of enige initiatief zou hebben genomen om de aanhangwagens aan de man te brengen, aldus is de bewering dat de wagens enkel werden gestald met het oog op verkoop ongeloofwaardig; - zelfs los van het gegeven welke precieze overeenkomst tussen partijen werd afgesloten en los van de vraag welke rol P. D.B. hierin heeft gespeeld, beklaagde heeft toegelaten dat 2 aanhangwagens gedurende bijna een jaar op de terreinen van de bvba werden gestald; - uit niets blijkt dat aan deze firma het uitdrukkelijk verbod zou hebben opgelegd om deze te gebruiken; - beklaagde evenmin initiatieven nam om te verhinderen dat deze zouden worden gebruikt; - de rechtbank van oordeel is dat hij wist dat de niet verzekerde aanhangwagen door de bvba werd gebruikt; - artikel 1 van de WAM bepaalt dat motorrijtuigen en daaraan gelijkgestelde aanhangwagens, die zich in België op de openbare weg willen begeven, alleen kunnen worden toegelaten mits hun burgerlijke aansprakelijkheid is gedekt door een verzekeringsovereenkomst - de aanhangwagen Knorr/Mega niet onder één van de uitzonderingen valt van artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 19 oktober 1995; Met deze redenen beantwoordt het arrest het verweer van eiser dat hij geen opdracht had gegeven tot laden van zijn oplegger en dat hij ontkende enige relatie te hebben met D.B., alsmede het verweer dat het voertuig verzekerd dient geacht te zijn nu de trekker op zich verzekerd was. Aldus lijkt mij de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre het derde onderdeel van het eerste middel een motiveringsgebrek aanvoert, lijkt mij dit dan ook niet te kunnen worden aangenomen. 2.
  3. De overige middelen (…) Voor het overige meen ik dat er geen ambtshalve middelen dienen opgeworpen te worden. CONCLUSIE: verwerping van het cassatieberoep. _____________________________
(1)Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen van 24 mei 1966, https://www.benelux.int/files/1414/9907/4536/Benelux-Overeenkomst_mbt_verplichte_aansprakelijkheidsverzekering_inzake_motorrijtuigen.pdf.
(2)Cass. 27 maart 1991, AR 6656, AC 1990-91, 801, Pas. 1991, I, 710, JT 1991, 474, RW 1991-92, 200, Verkeersrecht 1991, 198.
(3)Ben. Jur., 30 november 1990, zaak A 88/1, www.courbeneluxhof.be.
(4)Zie de consideransen in de preambule voorafgaand aan de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966.
(5)De wet van 31 mei 2017 (BS 12 juni 2017 met inwerkingtreding op 22 juni 2017) wijzigde het tweede lid van artikel 1 WAM-wet waarbij de zin "Met motorrijtuigen worden gelijkgesteld, de door de Koning bepaalde aanhangwagens die speciaal gebouwd zijn om aan een motorrijtuig te worden gekoppeld met het oog op het vervoer van personen of zaken." wordt aangevuld met de volgende zin: "De Koning kan, bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, nader bepalen welke vervoermiddelen onder de definitie van motorrijtuigen vallen."
(6)Gewijzigd door het KB van 1 februari 2018, BS 12 februari 2018; de strafbare gedraging dateert van 17 februari 2017 te Hamme.
(7)Zie G. JOCQUÉ, Commentaar bij art. 2, § 1 Wet 21 november 1989 in X., Verzekeringsrecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2001, pag. 1-11.
(8)Cass. 29 september 2014, AR C.13.0551.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140929.1, AC 2014, nr. 562.
(9)Verslag namens de commissie voor de economische aangelegenheden uitgebracht door de heer Aerts, Parl.St. Senaat 1988-89, Gedr.St. Senaat, 696-2, www.senate.be.
(10)De volgende auteurs maken geen onderscheid tussen gekoppelde of niet-gekoppelde aanhangwagens die met een motorrijtuig worden gelijkgesteld: I. BRUGGEMAN, “Geen verzekeringsplicht meer voor aanhangwagens met MTM tot 750 kg”, Pol. Info 2018 (“Voor aanhangwagen met een MTM van meer dan 750 kg maakt het geen verschil of ze al dan niet aangekoppeld zijn, want voor deze voertuigen is de inschrijvingsplicht van de aanhangwagen van toepassing. Aangezien bij de inschrijving van een voertuig moet worden aangetoond dat het voertuig geldig verzeker is, wordt de persoon die een aanhangwagen wil laten inschrijven op de hoogte gebracht van de verzekeringsplicht”); I. BRUGGEMAN, “Artikel 1 WAM” in Postal Wegverkeer, Mechelen, Kluwer, 2002, 5-6; G. JOCQUÉ en R. SIERENS, “Art. 1 en 3 WAM” in Duiding Wegverkeer, Gent, Larcier, 2016; C. VAN SCHOUBROECK, “Artikel 1 Begripsomschrijvingen MO-92” in Minimumvoorwaarden BA motorrijtuigenverzekering, Antwerpen, Intersentia, 2019, 23.
(11)P. COLLE, Handboek bijzonder gereglementeerde verzekeringscontracten, Antwerpen, Intersentia, 2019, 112 (“Een afzonderlijke verzekering dient evenwel gesloten te worden voor de dekking van de aansprakelijkheid waartoe de door de Koning bepaalde aanhangwagens, die speciaal gebouwd zijn om aan een motorrijtuig te worden gekoppeld met het oog op het vervoer van personen of zaken, aanleiding kunnen geven op een ogenblik dat ze niet aan een ander motorrijtuig gekoppeld zijn. Deze afzonderlijke verzekering kan niet aangesproken worden voor de schade veroorzaakt door de aanhangwagen wanneer die aan een motorrijtuig gekoppeld is.”). PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201006.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201006.2N.12 citeert: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140929.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.