← België

T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 13 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201013.2N.4 Rolnummer: P.20.0744.N Zaak: T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2020-10-20 Raadplegingen: 630 - laatst gezien 2026-06-20 10:56 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.4 Fiche 1 Wanneer een veroordeling de staat van herhaling vaststelt op grond van een rechterlijke beslissing waarvan pas na de veroordeling is gebleken dat ze voor niet bestaande moet worden gehouden, kan dit aanleiding geven tot een aanvraag tot herziening; hiervoor is vereist dat de veroordeelde het bestaan van het gegeven op grond waarvan de eerdere beslissing is vervallen niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding en dat hierdoor het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot de toepassing van een minder strenge strafwet

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HERZIENING - ALGEMEEN Vrije woorden: Strafzaken - Veroordeling in staat van herhaling - Staat van herhaling onbestaand bevonden na de veroordeling - Aanvraag tot herziening - Voorwaarden Fiche 2 Uit de enkele omstandigheid dat de rechterlijke beslissing op grond waarvan de staat van herhaling werd vastgesteld ingevolge het ertegen aangetekende verzet in de buitengewone verzetstermijn pas is vervallen nadat de veroordeling die de staat van herhaling heeft vastgesteld in kracht van gewijsde is gegaan, kan niet worden afgeleid dat de verzoeker tot herziening dit ten tijde van het geding niet heeft kunnen aantonen en zulks is met name het geval wanneer de beklaagde de gelegenheid had om voor de rechter aan te voeren dat hij nog verzet in de buitengewone termijn kan aantekenen tegen de rechterlijke beslissing op grond waarvan hij in staat van herhaling wordt geacht; de buitengewone aard van het rechtsmiddel van de herziening en de principiële mogelijkheid om tegen een verstekbeslissing verzet aan te tekenen binnen de buitengewone termijn van verzet bij toepassing van artikel 187, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, laten niet toe dat de veroordeelde een herziening aanvraagt van een beslissing waartegen nog verzet openstaat in de buitengewone termijn van verzet, noch dat hij een herziening aanvraagt op grond van een gegeven dat hij bij een verzet in de buitengewone termijn had kunnen voorleggen aan de rechter op verzet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HERZIENING - ALLERLEI Vrije woorden: Strafzaken - Verzet in de buitengewone termijn - Veroordeling in staat van herhaling - Staat van herhaling onbestaand bevonden na de veroordeling - Aanvraag tot herziening - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de conclusie P.20.0744.N Conclusie van advocaat-generaal Winants: Bij verzoekschrift dat ter griffie van het Hof is neergelegd op 8 juli 2020 vraagt de verzoeker op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering, de herziening van de veroordeling die tegen hem is uitgesproken bij vonnis van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 18 december
  1. Bij dit verzoekschrift werden drie met redenen omklede gunstige adviezen gevoegd van mr. Jan De Nef, mr. Tom Versompel en mr. Caroline Daerden, die allen advocaat zijn bij de balie Antwerpen en tien jaar of meer op de tabel zijn ingeschreven. I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN.
  2. Voor de duidelijkheid van mijn betoog is het aangewezen de verschillende procedures waarin de verzoeker was betrokken en die van belang zijn voor de problematiek even op te lijsten. a) Bij vonnis bij verstek van 29 november 2012 van de politierechtbank Antwerpen, voor feiten gepleegd op 4 december 2011, werd verzoeker veroordeeld uit hoofde van rijden zonder verzekering (A) tot een geldboete van 300 euro, (gebracht op 1.650 euro), of een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen en een rijverbod van 3 maanden en voor weigering ademanalyse (B) en weigering bloedproef (C) samen tot een geldboete van 200 euro (gebracht op 1100 euro) of een vervangend rijverbod van 30 dagen en een rijverbod van 1 maand. Op 15 december 2017 tekende verzoeker verzet aan tegen dit verstekvonnis en hij werd bij vonnis op verzet van 3 januari 2018 door de politierechtbank te Antwerpen vrijgesproken. Ingevolge het hoger beroep door het openbaar ministerie werd verzoeker door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op 28 september 2018 op tegenspraak veroordeeld voor de telastelegging A geherkwalificeerd naar "niet bij zich hebben van verzekeringsbewijs" tot een geldboete van 100 euro gebracht op 550 euro of een vervangende gevangenisstraf van 30 dagen en voor de telastlegging B tot een geldboete van 200 euro (gebracht op 1100 euro of een vervangend rijverbod van 30 dagen en een rijverbod van 1 maand. Voor de telastlegging C werd de vrijspraak bevestigd
(1). b) Bij vonnis bij verstek van 26 november 2014 van de politierechtbank Antwerpen
(2), voor feiten gepleegd op 19 oktober 2013 werd verzoeker veroordeeld uit hoofde van snelheidsovertreding (A) tot 25 euro (gebracht op 150 euro) of een vervangend rijverbod van 8 dagen en uit hoofde van rijden spijts verval (B) tot 3 maanden gevangenisstraf met uitstel gedurende 3 jaar en een geldboete van 500 euro (gebracht op 3000 euro) of een vervangend rijverbod van 30 dagen, waarvan 200 euro (gebracht op 1.200 euro of een vervangend rijverbod van 15 dagen met uitstel gedurende 3 jaar en tot een rijverbod van 4 maanden en het theoretisch examen. Verzoeker tekende verzet aan tegen dit verstekvonnis op 14 april 2017 en hij werd bij vonnis op verzet van 3 mei 2017 door de politierechtbank te Antwerpen vrijgesproken. c) Bij vonnis bij verstek van 18 december 2015 van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen
(3), voor feiten gepleegd op 19 januari 2015, werd verzoeker veroordeeld wegens snelheidsovertreding (telastlegging A) en het besturen van een motorvoertuig spijts een tegen hem uitgesproken verval (telastlegging B) tot een geldboete van 35 euro na verhoging met de opdeciemen gebracht op 210 euro (A) en tot een gevangenisstraf van één jaar, een geldboete van 1000 euro, na verhoging met opdeciemen gebracht op 6000 euro of een vervangend rijverbod van 300 dagen en een verval van het recht tot het besturen van motorvoertuigen voor een termijn van vijf jaar, waarbij het herstel in het recht tot sturen afhankelijk werd gesteld van het slagen in een theoretisch en praktisch examen en een medisch en psychologisch onderzoek (B). Tevens werd in dit vonnis vastgesteld dat de verzoeker zich m.b.t. de telastlegging B in staat van herhaling bevindt zoals bedoeld in artikel 48, tweede lid, Wegverkeerswet, en dit ingevolge het vonnis van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 26 november 2014, waarin de verzoeker werd veroordeeld wegens het besturen van een motorvoertuig spijts een eerder tegen hem uitgesproken verval. Verzoeker tekende op 11 augustus 2016 verzet aan tegen dit verstekvonnis maar de politierechtbank te Antwerpen verklaarde bij vonnis van 30 augustus 2016, gewezen bij verstek, dit verzet niet ontvankelijk wegens laattijdigheid.
  1. Uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken blijkt voorts dat: - het verstekvonnis van 18 december 2015 aan verzoekers woonst werd betekend op 15 februari 2016 en de verzoeker van die betekening kennis heeft gekregen op 17 maart 2016; - de verzoeker op 14 april 2017 verzet heeft aangetekend tegen het vonnis van 26 november 2014, welk verzet ontvankelijk en gegrond werd verklaard bij vonnis van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 3 mei 2017, dat in kracht van gewijsde is gegaan, waarbij de verzoeker werd vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. Volgens de verzoeker werd hij in het vonnis van 18 december 2015 aldus ten onrechte veroordeeld in staat van herhaling, waarbij dit gegeven, waarvan hij het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding, een ernstig vermoeden doet ontstaan dat, indien het bekend zou zijn geweest, het tot de toepassing van een minder strenge strafwet zou hebben geleid. II. ONDERZOEK VAN HET VERZOEK TOT HERZIENING.
  2. Op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering
(4)kan in criminele of in correctionele zaken de herziening worden aangevraagd van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wanneer er sprake is van een gegeven ( een 'novum') dat bij het onderzoek op de rechtszitting aan de rechter niet bekend was en waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding en dat, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot het verval van de strafvordering, hetzij tot het ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet. Artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering werd ingevoerd bij wet van 18 juni 1894
(5)en luidde toen als volgt: "Wanneer het bewijs dat de veroordeelde onschuldig is of dat een strengere strafwet is toegepast dan die welke hij werkelijk heeft overtreden, schijnt te volgen uit een feit dat zich heeft voorgedaan sedert zijn veroordeling, of uit een omstandig- heid waarvan hij het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding". Het gaat hier in casu om een correctionele veroordeling die in kracht van gewijsde is gegaan, aangezien het verzet tegen het verstekvonnis van 18 december 2015 wegens laattijdigheid niet-ontvankelijk werd verklaard door het verstekvonnis van 30 augustus 2016. Dit laatste vonnis werd aan de verzoeker betekend op 12 september 2016 en hij kreeg er persoonlijk kennis van op 11 oktober 2016
(6). De drie met redenen omklede gunstige adviezen van drie advocaten die tien jaar of meer op de tabel van de balie van Antwerpen zijn ingeschreven zijn gevoegd. Er dient opgemerkt te worden dat verzoeker reeds een verzoek tot herziening had ingediend dat evenwel niet ontvankelijk werd verklaard omdat het verzoekschrift niet was ondertekend door een advocaat bij het Hof
(7). Er lijkt me derhalve voldaan te zijn aan de formele voorwaarden. 5. De eerste vraag die mijns inziens dient te worden beantwoord is of het feit dat de veroordeling waarvan de herziening wordt gevraagd een staat van herhaling weerhoudt die nadien zal blijken onterecht te zijn,' een gegeven is dat desgevallend tot de toepassing van een minder strenge strafwet zou kunnen leiden'. Uit de rechtsleer terzake komt duidelijk naar voren dat hiermee wordt bedoeld dat het nieuwe gegeven ertoe leidt dat een andere kwalificatie zou dienen te worden toegepast waaruit dan een minder zware bestraffing zou voortvloeien. Zo stelt A. SAINT-REMY
(8), met verwijzing naar de voorbereidende werkzaamheden
(9), dat het dus gaat om de toepassing van een andere wettekst dan diegene die had moeten worden ingeroepen. Hij benadrukt ook dat er derhalve geen sprake kan zijn van herziening wanneer het gegeven dat wordt ingeroepen een verzachtende omstandigheid betreft die aanleiding kan geven tot een feitelijke strafvermindering
(10), hetgeen mij ook logisch overkomt in de mate dat in een dergelijke hypothese dezelfde strafwet wordt toegepast maar met een ander, minder zwaar, gevolg. Hierbij dient te worden opgemerkt dat bij de totstandkoming van de wet van 18 juni 1894 het oorspronkelijk ontwerp beoogde de herziening ook mogelijk te maken voor een gegeven van aard om 'een vermindering van schuld ' (atténuation de culpabilité) teweeg te brengen
(11), maar dit werd na heftige discussies, die in een noot van procureur-generaal L. CORNIL onder het arrest van het Hof van Cassatie van 13 mei 1946
(12)worden uiteengezet, uiteindelijk verworpen. Het lijkt dus duidelijk dat het de wil van de wetgever was in 1894 dat het enkel inroepen van verzachtende omstandigheden die niet gekend zouden geweest zijn op het ogenblik van de berechting, geen grond tot herziening kon bieden. Ik kom hier nog op terug omdat de parlementaire voorbereiding van de wet van 11 juli 2018 hierover enige verwarring heeft geschapen. 6. Als voorbeelden voor mogelijke herziening worden alsdan opgesomd het geval van een persoon die veroordeeld is voor doodslag, terwijl hij een onopzettelijke doodslag heeft begaan of die slagen toebracht aan een derde en veroordeeld werd voor slagen aan zijn moeder
(13). Ook R. DECLERCQ
(14)benadrukt dat wanneer enkel een strafvermindering wordt beoogd zonder dat de toepasselijkheid van de strafwet zelf wordt betwist en de kwalificatie niet in het gedrang komt, er geen aanleiding is tot herziening. De herziening wordt derhalve volgens hem dan ook meestal toegepast wanneer een verkeerde, te zware kwalificatie werd ingeroepen
(15). Dit standpunt wordt ook bevestigd in de rechtspraak, met name in het reeds aangehaalde arrest van 13 mei 1946 van het Hof van Cassatie dat stelt dat een herziening slechts kan voortvloeien uit een gegeven dat de kwalificatie wijzigt en aldus tot een minder zware bestraffing leidt. Het komt me evident voor dat een herziening niet ontvankelijk is wanneer het nieuwe gegeven enkel zou bestaan in een verzachtende omstandigheid die ten tijde van de veroordeling niet was gekend. Verzachtende omstandigheden zijn feitelijke omstandigheden, die niet bij wet bepaald zijn, die facultatief zijn en worden overgelaten aan de onaantastbare beoordeling van de feitenrechter
(16)en die enkel en alleen uitwerking hebben op de straftoemeting zonder in het minst de kwalificatie aan te tasten of te wijzigen. Zij beogen dus een minder zware bestraffing maar binnen het kader van dezelfde strafwet. 7. De problematiek is evenwel ingewikkelder wanneer het niet gaat om verzachtende omstandigheden maar om verschoningsgronden. Komen deze in aanmerking om desgevallend tot een herziening te leiden? De rechtsleer en de rechtspraak zijn hier eerder schaars over. R. DECLERCQ
(17)lijkt hierop positief te antwoorden wanneer hij stelt dat herziening mogelijk is wanneer blijkt dat een strafverminderende verschoningsgrond ten onrechte niet werd toegepast en hij verwijst hierbij naar een arrest van het Hof van Cassatie van 27 september 1904
(18). Het ging in casu om uitlokking, die het arrest trouwens verkeerdelijk beschouwt als een verzachtende omstandigheid, maar waarbij het vaststelt dat daardoor de wettelijke kwalificatie van het misdrijf wordt aangetast en het wordt omgezet in een minder zwaar wanbedrijf. Alhoewel verschoningsgronden ook enkel de straf betreffen en niet de wederrechtelijkheid van het feit of de schuld van de dader, zijn ze wettelijk bepaald en hebben ze uitwerking van rechtswege
(19)en heeft de rechter, eens ze vaststaan, geen appreciatiebevoegdheid meer en dient hij ze verplicht toe te passen. Zo strikt gezien een verschoningsgrond de strafrechtelijke kwalificatie niet wijzigt, dient toch te worden opgemerkt dat hij op een verplichte en wettelijke wijze de toepassing oplegt van een andere strafwetsbepaling, in casu dus een minder zware strafwet: bij uitlokking bv. de toepassing van de artikelen 411 tot 414 Strafwetboek. Kan men redelijkerwijze voorhouden dat een doodslag (artt. 392 en 393 Strafwetboek) en een door uitlokking verschoonde doodslag (artt. 392, 393, 411 en 414 Strafwetboek), met de toch grote invloed die dat heeft op de bestraffing, nog echt dezelfde kwalificatie betreffen? Ik ben de mening toegedaan van niet. In deze context is het dan ook betreurenswaardig dat de parlementaire voorbereiding van de wet van 11 juli 2018 hierover verwarring heeft gesticht. In antwoord op de opmerking van de Raad van State m.b.t. de bewoordingen "de toepassing van een minder strenge strafwet", wordt inderdaad uitdrukkelijk aangegeven dat dit slaat op de gevallen waarin een verkeerde, te zware kwalificatie werd gegeven aan het feit waarvoor de aanvrager tot herziening werd veroordeeld en dat daarin niet is begrepen de mildere toepassing van de strafwet door het aannemen van strafverminderende verschoningsgronden of verzachtende omstandigheden
(20). Dat standpunt lijkt me inderdaad niet verenigbaar te zijn met het hierboven vermelde arrest van 27 september 1904, maar lijkt me ook niet in overeenstemming te zijn met de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever van 1894, temeer dat wordt aangegeven dat het net de bedoeling is van de wet van 11 juli 2018 aan te sluiten bij de interpretatie gegeven aan het oude artikel 443 Wetboek van Strafvordering, dat zoals hierboven uiteengezet enkel de verzachtende omstandigheden uitsloot. 8. De vraag die zich thans stelt is dan ook hoe in dit kader de staat van wettelijke herhaling dient te worden geanalyseerd en beoordeeld. De wettelijke herhaling is een algemene en persoonlijke omstandigheid: zij geldt, behoudens afwijkingen, voor alle misdrijven en zij heeft niets te maken met het begrip noch de bestanddelen van het misdrijf
(21). Het is een omstandigheid die eigen is aan de dader en een juridisch-technisch gegeven dat enkel invloed heeft op de straftoemeting
(22). In de mate dat strikt gezien de wettelijke herhaling niet de kwalificatie betreft en in toepassing van de klassieke leer en ook in het licht van de 'verduidelijking' van de zinsnede 'de toepassing van een mindere strafwet' in de voorbereidende werkzaamheden en de wetsgeschiedenis van de wet van 11 juli 2018, zou men desgevallend kunnen concluderen dat een herziening tegen een onterecht weerhouden herhaling geen grond oplevert tot herziening, omdat zij enkel de straftoemeting beoogt. In dat geval zou het verzoek tot herziening dus niet ontvankelijk zijn. 9. Ik ben evenwel de mening toegedaan dat dit standpunt niet kan worden gehandhaafd. Zoals dat het geval is voor de verschoningsgronden betreft de herhaling weliswaar enkel de straf maar ze is wel wettelijk vastgelegd en heeft dan ook wettelijke, facultatieve of verplichte gevolgen. En het volstaat een blik te werpen op en de vergelijking te maken tussen de straffen bepaald in artikel 48 Wegverkeerswet, eerste lid (zonder herhaling) en tweed lid (met herhaling) om vast te stellen dat de eerste situatie toch zeer duidelijk een minder strenge strafwet betreft. Kan men, onder het mom dat het stricto sensu gaat om dezelfde kwalificatie, nog staande houden dat een veroordeling tot een straf die enkel mogelijk was door de staat van herhaling, wettelijk is en blijft, zelfs wanneer nadien blijkt dat die staat van herhaling
(23)niet of niet meer bestaat? Moet men niet aanvaarden dat één van de wettelijk in aanmerking genomen elementen - hetgeen fundamenteel verschillend is van een verzachtende omstandigheid - niet meer voorhanden is en dus een dergelijke veroordeling niet meer kan rechtvaardigen? Daarenboven kan men niet voorbijgaan aan het feit dat de herhaling, door de hogere straffen waartoe ze leidt of kan leiden, ook een invloed kan hebben op de ganse problematiek van de strafuitvoering. Ik ben dan ook de mening toegedaan dat zowel voor de strafverminderende verschoningsgronden als voor de herhaling, die beiden wettelijk bepaald zijn, wettelijke gevolgen met zich meebrengen, verplichtend zijn voor de rechter en bij hun aanwezigheid (verschoningsgronden) of afwezigheid (herhaling) de toepassing van een minder strenge strafwet met zich meebrengen of kunnen meebrengen, zelfs indien zij stricto sensu niet de eigenlijke kwalificatie betreffen, dient te worden aanvaard dat zij een grond kunnen zijn voor een herziening. Het tegendeel staande houden lijkt mij problematisch te zijn zowel vanuit het oogpunt van de bepalingen van het EVRM nopens het eerlijk proces en de toegang tot de rechter (artt. 6 en 13), als vanuit het toezicht door het Grondwettelijk Hof op de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel.
  1. In de casus die thans voorligt werd de veroordeling die de basis is voor de staat van herhaling na het instellen van een succesvol verzet tijdens de buitengewone termijn teniet gedaan, maar nadat de veroordeling waarvan thans de herziening wordt gevraagd in kracht van gewijsde is gegaan. Andere hypotheses, die hier niet terzake dienend zijn maar die ik volledigheidshalve toch wil vermelden, zouden zich trouwens kunnen voordoen. Zo zou het kunnen dat de veroordeling die de basis is voor de herhaling met succes het voorwerp heeft uitgemaakt van een herziening nadat een veroordeling in staat van herhaling is tussengekomen. In dat geval zou de vraag zich kunnen stellen of alsdan ook een herziening van deze laatste veroordeling zou kunnen worden ingesteld. En het zou nog complexer kunnen worden, want er dient te worden opgemerkt dat in het voorliggend geval de beslissing waarvan de herziening wordt gevraagd ook bij verstek genomen was. In casu werd er hier verzet tegen aangetekend in de buitengewone termijn en werd dit verzet laatijdig verklaard zonder dat daartegen beroep werd aangetekend, zodat de verstekbeslissing in kracht van gewijsde ging. Ik kom hier later, bij de bespreking van de tweede vraag, op terug omdat dit een fundamenteel element uitmaakt van de redenering.
  2. Het is is in deze context niet zonder belang even stil te staan bij het rechtsmiddel van het verzet en met name bij het instellen van het verzet in de buitengewone verzetstermijn. In zijn studie over het verzet in strafzaken besteedt R. HAYOIT DE TERMICOURT
(24)aandacht aan de problematiek van het gevolg van het verval van een veroordeling ingevolge een verzet aangetekend in de buitengewone verzetstermijn op een op die inmiddels vervallen veroordeling gebaseerde veroordeling in staat van herhaling. Hij stelt hierbij dat alhoewel het met succes instellen van verzet in de buitengewone termijn tegen een veroordeling tot gevolg heeft dat deze met terugwerkende kracht vervallen is (anéantissement rétroactif), dit niet verhindert dat latere veroordelingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan en die gebaseerd zijn op de vervallen beslissing overeind blijven. Het gaat hier volgens de auteur dan om een 'rechtsonmogelijkheid' (impossibilité de droit) en om een bewuste keuze die de wetgever heeft moeten maken tussen enerzijds zich neer te leggen bij dit 'ongemak' (inconvénient) of anderzijds de gewone verzetstermijn onbeperkt te verlengen, met als gevolg dat een verstekdoende beklaagde nooit definitief zou kunnen worden berecht. Dat standpunt wordt ook nog bevestigd in een noot onder het cassatiearrest van 24 juni 1974
(25)en wordt ook door S. VANDROMME
(26)en B. DE SMET
(27)aangehaald. Zonder dat dit ook expliciet wordt gezegd, lijkt dit erop te wijzen dat de mening van deze verschillende auteurs zou impliceren dat er in dat geval geen mogelijkheid zou zijn tot herziening. Maar ook dit lijkt me vanuit het EVRM en het gelijkheidsbeginsel niet zo evident en ik betwijfel ook zeer sterk of het kwalificeren van een dergelijke situatie als een ongemak een voldoende argumentatie is. 12. Zo dus het antwoord op de eerste vraag mij positief lijkt te moeten zijn, dient een tweede vraag te worden beantwoord, met name of het hier gaat om 'een gegeven dat bij het onderzoek op de rechtszitting aan de rechter niet bekend was en waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding'. In zijn verzoekschrift tot herziening stelt de verzoeker dat hij 'zich evident in de onmogelijkheid (bevond) om ten tijde van het geding melding te maken of kennis te geven van de op 3 mei 2017 tussengekomen vrijspraak op verzet'. Het geding dat hier geviseerd wordt is het vonnis van 18 december 2015 waarvan de herziening wordt gevraagd. Anders gesteld komt het erop neer dat de verzoeker in 2015 niet kan aanvoeren wat pas in 2017 komt vast te staan. Op het eerste zicht lijkt dit, louter chronologisch bekeken, inderdaad duidelijk, maar bij nader inzien kan dit standpunt niet worden bijgetreden. Er blijkt namelijk uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken dat bij de vervolging voor de feiten die aanleiding gaven tot het vonnis van 18 december 2015 waarvan de herziening wordt gevraagd, in hoofde van de verzoeker ook de staat van herhaling ingevolge de veroordeling van 26 november 2014 werd weerhouden
(28). De veroordeling bij verstek van 18 december 2015 wordt aan verzoekers woonst betekend op 15 februari 2016 en hij krijgt kennis van die betekening op 17 maart
  1. Aldus kon hij op die laatste datum ook kennis nemen van het feit dat in zijnen hoofde de staat van herhaling werd weerhouden, gebaseerd op het verstekvonnis van 26 november
  2. Dat betekent dus dat de buitengewone termijn van verzet m.b.t. het vonnis bij verstek van 18 december 2015 een einde neemt 15 dagen na de betekening ervan op 17 maart
  3. In plaats dus van pas op 11 augustus 2016 verzet aan te tekenen tegen het verstekvonnis van 18 december 2015 - verzet dat laattijdig en onontvankelijk werd verklaard - had de verzoeker dat tijdig kunnen doen binnen de 15 dagen te rekenen vanaf 17 maart 2016 en had hij alsdan aan de rechter op verzet kunnen melden dat het vonnis van 26 november 2014,waarop de staat van herhaling werd gebaseerd, ook nog vatbaar was voor verzet in de buitengewone termijn en had hij dat rechtsmiddel kunnen instellen. Anders gezegd komt mijn standpunt erop neer dat wanneer het basismisdrijf op grond waarvan de staat van herhaling is vastgesteld nog vatbaar is voor verzet in de buitengewone termijn, dit argument dient naar voren te worden gebracht in de procedure waarin de vervolging in staat van herhaling wordt ingesteld. Het lijkt me inderdaad niet aanvaardbaar dat een beklaagde zich eerst zou laten veroordelen in staat van herhaling, nadien de veroordeling die de basis van de herhaling vormt aanvecht (via een procedure van verzet in de buitengewone termijn), om tenslotte, wanneer die veroordeling komt te vervallen, de herziening te vragen van de veroordeling in staat van herhaling. Er kan dus uit de enkele omstandigheid dat de veroordeling die de herhaling staaft pas vervallen wordt verklaard, ingevolge het verzet in de buitengewone termijn, nadat de veroordeling in staat van herhaling kracht van gewijsde heeft bekomen, niet afgeleid worden dat de verzoeker tot herziening dit niet zou hebben kunnen aantonen ten tijde van het geding
  4. De complexiteit van deze zaak wordt nog versterkt door het feit dat de beslissing waarvan de herziening wordt gevraagd ook bij verstek gewezen werd. In de buitengewone termijn van verzet echter heeft een verstekbeslissing kracht van gewijsde, weze het relatief en beperkt tot op het ogenblik van een ontvankelijk verklaard ingesteld verzet, zodat de vraag zich stelt of alsdan moet worden aangenomen dat, overeenkomstig de tekst van artikel 443, 3° Wetboek van Strafvordering, een dergelijke beslissing vatbaar is voor herziening? Er mag in dit verband niet uit het oog worden verloren dat op het ogenblik van het totstandkomen van de wet van 1894, waarbij artikel 443, 3°, Wetboek van Strafvordering werd ingevoerd - en zoals reeds gezegd verandert de huidige wet van 2018 inhoudelijk niets aan die bepaling - de regeling van het verzet in de buitengewone termijn nog niet bestond, vermits die pas werd ingevoerd bij wet van 9 maart 1908
(29). Derhalve dient mijns inziens te worden aangenomen dat, tot aan de wetswijziging waarbij de buitengewone termijn van verzet werd ingevoerd, gelet op de tekst van artikel 443, 3°, Wetboek van Strafvordering, na het verstrijken van de gewone termijn van verzet, zonder dat dit rechtsmiddel werd ingesteld, de veroordeelde de herziening van de veroordeling kon aanvragen
(30). 14. Het komt mij evenwel voor dat de situatie werd gewijzigd door de mogelijkheid van het instellen van verzet tijdens de buitengewone termijn. Alhoewel een veroordeling kracht van gewijsde heeft na het verstrijken van de gewone termijn van verzet, is deze kracht van gewijsde slechts relatief en kan de veroordeling vooralsnog worden tenietgedaan door het met succes instellen van verzet in de buitengewone termijn. In zijn reeds geciteerde studie stelt R. HAYOIT de TERMICOURT uitdrukkelijk dat na het verstrijken van de gewone verzetstermijn de beslissing bij verstek voor herziening vatbaar is, maar hij voegt daaraan toe dat de beklaagde geen herziening kan vragen als de buitengewone termijn van verzet voor hem nog openstaat
(31). Ik ben de mening toegedaan dat er ins ons systeem van rechtsmiddelen toch een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de gewone en de buitengewone rechtsmiddelen
(32). Het lijkt me dan ook niet aanvaardbaar dat een beklaagde, die in de procedure van de berechting ten gronde van de zaak, nog de principiële mogelijkheid heeft in de buitengewone termijn van verzet om zich tegen de verstekbeslissing te verweren, dit niet zou doen en aldus als het ware zou kiezen voor het buitengewoon rechtsmiddel van de herziening, terwijl hij het gegeven dat zijn verzoek tot herziening staaft dus had kunnen voorleggen aan de rechter op verzet. In die omstandigheden dient derhalve het antwoord op de tweede vraag negatief te zijn, aangezien het gegeven waarover het hier gaat wel degelijk ten tijde van het geding door de veroordeelde had kunnen worden aangetoond. CONCLUSIE: de aanvraag tot herziening lijkt mij niet ontvankelijk. _________________________
(1)Deze vonnissen zijn strikt genomen niet relevant voor de problematiek en hebben enkel belang voor de 'gekruiste herhaling' gebaseerd op artikel 38, §6, Wegverkeerswet, die ook weerhouden wordt in het vonnis van 18 december 2015.
(2)Dit is het vonnis waarop de staat van herhaling is gebaseerd.
(3)Dit is het vonnis dat de staat van herhaling weerhoudt en waarvan de herziening wordt gevraagd.
(4)Zoals gewijzigd bij artikel 2, 1° van de Wet van 11 juli 2018 houdende diverse bepalingen in strafzaken, BS 18 juli 2018. Belangrijk hierbij is dat inhoudelijk de tekst niet werd gewijzigd en dezelfde draagwijdte heeft als die van 1894.
(5)Ann.parl., Kamer, 1891-1892, pp.1259 e.v.; R. DECLERCQ, "Herziening", in Comm.Straf., p.11, nr. 30.
(6)Er blijkt uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken dat er geen verhaal werd aangetekend, zodat en het verstekvonnis van 18 december 2015 en het verstekvonnis van 30 augustus 2016 definitief zijn.
(7)Cass. 18 juni 2019, AR P.19.0361.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190618.3, AC 2019, nr. 377.
(8)A. SAINT-REMY, "La révision des condamnations pénales" Les Novelles, Procédure pénale, t. II,1, Brussel, Larcier 1948, nrs. 159-160, pp. 551-552.
(9)Het gaat hier over de totstandkoming van de wet van 18 juni 1894.
(10)A. SAINT-REMY, o.c, nr. 160.
(11)A. SAINT-REMY, o.c, nr. 160.
(12)Cass. 13 mei 1946, Pas. 1946, I, 190 en de noot van L.C.
(13)A. SAINT-REMY, o.c, nr. 159.
(14)R. DECLERCQ, "Herziening", in Comm.Straf., pp.17-18, nrs. 45-46.
(15)R. DECLERCQ, ibid.
(16)A. DE NAUW en F. DERUYCK, o.c, pp. 154-156.
(17)R. DECLERCQ, ibid.
(18)Cass. 27 september 1904, Pas.1904, I, 352.
(19)A. DE NAUW en F. DERUYCK, o.c, pp. 114. Er dient te worden opgemerkt dat dit ook geldt voor de strafuitsluitende verschoningsgronden.
(20)Wet houdende diverse bepalingen in strafzaken, BS 18 juli 2018, Parl.St., Kamer, DOC 54 2969/001, p. 12 en het advies van de Raad van State nr. 62.700/3 van 26 januari 2018, p.116.
(21)A. DE NAUW en F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch algemeen strafrecht, die Keure 2015, p. 161, nr. 414; S. VANDROMME, "Herhaling: algemeen strafrecht", in Comm.Straf., p. 3, nr. 4.
(22)Cass. 6 maart 2013, AR P.13.0014.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130306.5, AC 2013, nr. 150; Cass. 25 april 2012, AR P.12.0178.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120425.3, AC 2012, nr. 255.
(23)Dit is trouwens niet louter een academische of theoretische vraag, aangezien dient te worden vastgesteld dat de wetgever zeer vaak gebruik maakt van de herhalingsregimes, inzonderheid dan met betrekking tot de wegverkeersmisdrijven.
(24)R. HAYOIT DE TERMICOURT, "Etude sur l'opposition aux décisions rendues par les juridictions correctionnelles et les tribunaux de police", RDP 1932, p. 738, nr. 27.
(25)Cass. 24 juni 1974, AC 1974, p. 1186 en noot
(2)en
(3).
(26)S. VANDROMME, o.c., p. 7, nr. 12, voetnoot 5.
(27)B. DE SMET, Verzet en verstek in strafzaken, CABG 2020, Intersentia, vierde herziene editie, p. 132.
(28)Hetgeen dus ook impliceert dat de rechter die uitspraak deed op 18 december 2015 deze staat van herhaling diende toe te passen.
(29)L. CORNIL, "Loi du 9 mars 1908 portant modification des articles 151, 187 et 413 du C.I.cr.", RDP 1909, 428-445 en 524-542.
(30)Dit lijkt mij ook het standpunt te zijn van L. CORNIL, o.c., 441-442, alhoewel de auteur blijkbaar deze stelling enkel verkondigt m.b.t. de toepassing van artikel 443, 1° en 2°, Wetboek van strafvordering.
(31)R. HAYOIT DE TERMICOURT, o.c., p. 738, voetnoot
(1)"Toutefois, le condamné lui-même ne sera pas recevable à demander la révision, s'il se trouve encore dans le délai extraordinaire d'opposition".We komen aldus terecht in een andere problematiek, met name de hiërarchie en het gebruik in de tijd van de rechtsmiddelen.
(32)Zie hierover M.- A. BEERNAERT, H.D BOSLY en D. VANDERMEERSCH, o.c., p. 1450; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, die Keure, 2017, 2de editie, p. 259. Men zal opmerken dat de verschillende auteurs niet volledig op dezelfde lijn staan wat betreft de indeling van de rechtsmiddelen als gewone dan wel buitengewone, maar dat zij het wel eens zijn om te stellen dat de herziening een buitengewoon rechtsmiddel is. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201013.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120425.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130306.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190618.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.