id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201020.2N.10 Rolnummer: P.20.0781.N Zaak: I. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2022-09-21 Raadplegingen: 1105 - laatst gezien 2026-06-18 22:04 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.10 Fiches 1 - 3 Indien een deelnemer betwist dat bij diefstal de door artikelen 468 en 471 verzwarende omstandigheden van geweld of bedreiging en gebruik van een vluchtvoertuig op hem van toepassing is, dient de rechter opdat hij de verzwarende omstandigheden aan de deelnemer kan toerekenen, vast te stellen dat de deelnemer kennis had van die verzwarende omstandigheden en dat hij die heeft aanvaard; die individuele toerekening vereist niet dat ook wordt vastgesteld dat de deelnemer zelf geweld heeft gebruikt of heeft bedreigd of daaraan heeft deelgenomen of dat de deelnemer zelf gebruik heeft gemaakt van een voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven tuig
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DIEFSTAL EN AFPERSING Vrije woorden: Geweld en bedreiging - Gebruik van een vluchtvoertuig - Toerekening van de verzwarende omstandigheden aan deelnemers van diefstal - Kennis en aanvaarding van de verzwarende omstandigheden - Individuele beoordeling - Grenzen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 66, 461, 468 en 471 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Vrije woorden: Diefstal en afpersing - Geweld of bedreiging - Gebruik van een vluchtvoertuig - Toerekening van de verzwarende omstandigheden aan deelnemers van diefstal - Kennis en aanvaarding van de verzwarende omstandigheden - Individuele beoordeling - Grenzen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 66, 461, 468 en 471 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Diefstal en afpersing - Geweld of bedreiging - Gebruik van een vluchtvoertuig - Toerekening van de verzwarende omstandigheden aan deelnemers van diefstal - Kennis en aanvaarding van de verzwarende omstandigheden - Individuele beoordeling - Grenzen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 66, 461, 468 en 471 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de conclusie P.20.0781.N Conclusie van advocaat-generaal B. De Smet: "De individuele toerekening van een verzwarende omstandigheid aan mededaders van het basismisdrijf".
- Eisers, beklaagden, hebben tijdig cassatieberoep ingesteld tegen een arrest op tegenspraak van het hof van beroep te Antwerpen van 24 juni
- Zij werden veroordeeld wegens mededaderschap diefstal met geweld of bedreiging, gepleegd door twee of meer personen, met gebruik van een voertuig om de vlucht te verzekeren en met als gevolg voor het slachtoffer hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een arbeidsongeschiktheid van meer dan vier maanden, hetzij het volledig verlies van een orgaan, hetzij een zware verminking (art. 66, 468, 471, 472 en 473 Strafwetboek, tenlastelegging A). Met eenparigheid van stemmen hebben de appelrechters de effectieve gevangenisstraf opgelegd aan eisers verhoogd van zeven naar acht jaar, rekening houdend met onder meer het buitenproportioneel geweld dat werd aangewend tegenover een weerloos slachtoffer (p. 21). Eén medebeklaagde (A.O.) is in eerste aanleg bij verstek veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van 8 jaar, met onmiddellijke aanhouding. De andere medebeklaagde S.K., in hoger beroep op tegenspraak veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van zeven jaar, heeft geen cassatieberoep ingesteld.
- Twee verzwarende omstandigheden van diefstal met geweld of bedreiging (art. 471 Sw.), opgenomen in tenlastelegging A (inklimming en de kwetsbare toestand van het slachtoffer) werden niet bewezen verklaard. De cassatieberoepen zijn niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang, voor zover ze zijn gericht tegen dit onderdeel van het bestreden arrest.
- De correctionele rechtbank te Antwerpen heeft op burgerlijk gebied eisers hoofdelijk veroordeeld tot het betalen aan burgerlijke partij, huidig verweerder, C.V., van een provisionele schadevergoeding van 10.000 euro . De rechtbank stelde een geneesheer-deskundige aan om verslag uit te brengen over onder meer de volledig of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van burgerlijke partij. De appelrechters hebben de provisionele schadevergoeding bevestigd en de zaak terug naar de eerste rechter verzonden voor verdere afhandeling van de burgerlijke belangen. Uit de stukken blijkt niet dat eisers hun cassatieberoep hebben betekend aan verweerder. Hun cassatieberoep is dan ook niet-ontvankelijk, in zoverre gericht tegen de uitspraak op burgerlijk vlak, gelet op art. 427 Sv. Middel van eiser 1
- Eiser voert aan dat de appelrechters zijn rechten van verdediging (recht op een eerlijk proces, vermoeden van onschuld, onpartijdigheid van de rechter) hebben miskend door zonder meer te stellen dat voor de veroordeling wegens de tenlasteleggingen A en B de redenering van de eerste rechter dient gevolgd te worden.
- Beoordeling. Het is de appelrechter toegestaan redenen van de eerste rechter over te nemen over de schuld
(1). Anders dan eiser aanvoert, namen de appelrechters redenen over van het beroepen vonnis (p. 19), aangevuld met eigen redenen, om te besluiten dat eiser 1 aanwezig en actief betrokken was bij elke fase van de diefstal met geweld in de woning van verweerder C.V. De appelrechters namen voor deze actieve betrokkenheid onder meer aan: de aankoop van een wagen gebruikt van de feiten, de voorverkenning, de overnachting in de woning van eiseres, het meerijden naar de plaats der feiten en verdeling van de buit (p. 19-20). Het middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist feitelijke grondslag. Middelen van eiseres
- Eiseres voert geen betwisting over haar betrokkenheid bij diefstal ten nadele van verweerder. Zij komt op tegen haar veroordeling wegens de verzwarende omstandigheden van geweld of bedreiging (art. 468 Sw.) en het gebruik van een vluchtvoertuig (art. 471 Sw.). Aangezien zij geen geweld heeft gebruikt of geen bedreiging heeft geuit (eerste onderdeel), of niet na de overval bij verweerder thuis de vlucht nam met een voertuig (tweede onderdeel), konden de appelrechters deze verzwarende omstandigheden niet toerekenen aan eiseres. Het bestreden arrest bevat over de toerekening van deze verzwarende omstandigheden ook een tegenstrijdigheid van motieven (derde onderdeel).
- Beoordeling. De klassieke leer over mededaderschap (art. 66 Strafwetboek) hield in dat de veroordeling aan het basismisdrijf zich uitstrekt naar objectieve verzwarende omstandigheden, zoals geweld als verzwarende omstandigheid van diefstal (art. 468 Sw.)
(2). Het Hof oordeelde aanvankelijk dat de strafrechter geen persoonlijke schuld (per beklaagde) moet vaststellen aan een objectieve verzwarende omstandigheid van het misdrijf waaraan de beklaagde is veroordeeld
(3)". Indien een diefstal is gepleegd door twee personen, en één van hen geweld gebruikt tegen het slachtoffer, kon de strafrechter de andere veroordelen wegens (mededaderschap) diefstal met geweld, gepleegd door twee personen (art. 468 en 471 Sw.), zonder te moeten vaststellen dat deze andere kennis had of behoorde te hebben van het voornemen van de ‘hoofddader' om geweld tegen het slachtoffer te gebruiken. Objectieve verzwarende omstandigheden werden aan alle deelnemers van het hoofdfeit toegerekend. Mededaders en medeplichtigen waren dus aansprakelijk, als een soort van foutloze aansprakelijkheid, voor niet-gewilde gevolgen van hun deelnemingsdaad, gerealiseerd door de hoofddader
(4). Deze theorie werd in de rechtsleer bekritiseerd als zijnde onverenigbaar met het beginsel ‘geen misdrijf zonder schuld' (nullum crimen sine culpa)
(5). 8. Het Europees Hof te Straatsburg heeft deze automatische toerekening van een verzwarende omstandigheid aan een mededader van het basismisdrijf in strijd geacht met het recht op een eerlijk proces
(6). Thans dient de strafrechter verzwarende omstandigheden individueel toe te rekenen aan beklaagden die hij schuldig acht aan mededaderschap van het basismisdrijf. Het Hof oordeelde op 17 juni 2008 dat het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM) vereist dat de strafrechter de objectieve verzwarende omstandigheden beoordeelt in hoofde van elke mededader of medeplichtige afzonderlijk
(7). Op 13 juni 2010 oordeelde het Hof dat deze individuele beoordeling inhoudt in dat de strafrechter in geval van diefstal met geweld dient na te gaan of de beklaagde schuldig aan mededaderschap diefstal vooraf kennis had van het geweld dat nodig zou zijn om de diefstal te kunnen plegen, de mogelijke gevolgen ervan kende of behoorde te kennen en met dit alles instemde
(8).
- Op 9 april 2019 oordeelde het Hof over de individuele toerekening van verzwarende omstandigheden van diefstal als volgt: "Het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6.
- EVRM en artikel 14.1 IVBPR verzet zich tegen een automatische toerekening van de objectieve verzwarende omstandigheden aan alle deelnemers van diefstal en dit ongeacht of zij die verzwarende omstandigheid met kennis van zaken hebben aanvaard of bij de uitvoering ervan betrokken waren. Het aannemen van de verzwarende omstandigheden dat de diefstal werd gepleegd door middel van geweld of bedreiging (artikel 468 Strafwetboek), de diefstal werd gepleegd ten nadele van een persoon aan wie de kwetsbare toestand ten gevolge van de leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid, duidelijk was of de dader bekend was (artikel 471, laatste lid, Strafwetboek) en het geweld of de bedreiging werd gepleegd zonder het oogmerk te doden maar toch de dood heeft veroorzaakt (artikel 474 Strafwetboek) vereist een beoordeling voor elke deelnemer afzonderlijk, wat een individuele analyse veronderstelt van zijn gedrag"
(9). 10. Toerekening van de verzwarende omstandigheid ‘geweld of bedreiging' van diefstal vereist niet de vaststelling dat de mededader aan een diefstal zelf geweld heeft gebruikt of een bedreiging heeft geuit. Het optrekken van mededaderschap diefstal naar mededaderschap diefstal met geweld kan voor een beklaagde die zelf geen geweld gebruikte, maar wist of ermee rekening hield dat een mededader geweld zou plegen om de diefstal te plegen of de vlucht te vergemakkelijken, en dat gevolg of risico heeft aanvaard
(10). Hetzelfde geldt voor bijkomende verzwarende omstandigheden, zoals het gebruik van een vluchtvoertuig als verzwarende omstandigheid van diefstal met geweld. Veroordeling is mogelijk ook als de beklaagde niet zelf gebruik maakte van een vluchtvoertuig, maar deelnam aan een diefstal met geweld beseffend dat mededaders wel een voertuig gebruiken om de vlucht te nemen. Voorzienbare en aanvaarde verzwarende omstandigheden kunnen dus worden toegerekend aan een mededader van het basismisdrijf. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Mij komt voor dat de appelrechters de verzwarende omstandigheden van diefstal en diefstal met geweld individueel hebben beoordeeld en hun beslissing eiseres schuldig te verklaren aan verzwarende omstandigheden (art. 468, 471 en 472 Sw.) naar recht hebben verantwoord. De individuele analyse van verzwarende omstandigheden voor elke deelnemer aan diefstal afzonderlijk, zoals vooropgesteld in vermeld arrest van 9 april 2020, is door de appelrechters toegepast. Anders dan eiseres aanvoert, is er geen tegenstrijdigheid van motieven tussen het oordeel dat eiseres zelf geen geweld heeft gebruikt of niet meereed met het vluchtvoertuig en haar veroordeling wegens deze verzwarende omstandigheden. Het derde onderdeel dat een motiveringsgebrek aanvoert kan aldus niet worden aangenomen.
- Wat betreft de verzwarende omstandigheid van ‘geweld of bedreiging' (art. 468 Sw.), namen de appelrechters onder meer aan dat (p. 16-17) 1°eiseres wist dat geweld of bedreigingen nodig zouden zijn voor de diefstal bij verweerder C.V. thuis, 2°zij wist dat C.V. in de voormiddag van de feiten thuis zou zijn en 3°zij had meermaals gezien dat verweerder, burgerlijke partij, geld ging halen uit een slotvaste kamer op het gelijkvloers. Uit deze elementen is afgeleid dat 1°eiseres wist dat er geweld of bedreigingen zouden nodig zijn om burgerlijke partij V. te beroven en 2°zij (minstens stilzwijgend) het gebruik van geweld of bedreiging ten aanzien van V. heeft aanvaard en aldus heeft ingestemd met de voorzienbare gevolgen van de diefstal (p. 17). De appelrechters hechtten geen geloof aan de bewering van eiseres dat zij de uitvoerders van de diefstal op voorhand zou verboden hebben om geweld te gebruiken (p. 17) en stellen vast dat eiseres op geen enkel moment afstand nam van de uitvoerders van de diefstal. Met deze redenen is afdoende geantwoord op eiseres' verweer dat de verzwarende omstandigheid ‘geweld of bedreiging' (art. 468 Sw.) niet op haar van toepassing is. In zoverre kan het eerste onderdeel niet worden aangenomen.
- Wat betreft de verzwarende omstandigheid van gebruik van een vluchtvoertuig (art. 471 Sw.) namen de appelrechters onder meer aan (p. 17-18) dat 1°eiseres samen met eiser een voertuig heeft aangekocht dat zou worden gebruikt bij diefstal, 2°zij de avond voor de feiten met het voertuig op voorverkenning was, samen met de twee medebeklaagden en 3°zij er wel degelijk van op de hoogte was dat de uitvoerders van de diefstal met verschillende voertuigen naar de woning van burgerlijke partij zouden rijden om de diefstal te plegen en vervolgens de vlucht te verzekeren. Met deze redenen is afdoende geantwoord op eiseres' verweer dat de verzwarende omstandigheid ‘gebruik van een vluchtvoertuig' (art. 471 Sw.) niet op haar van toepassing is. In zoverre kan het tweede onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt eiseres op tegen een onaantastbaar oordeel van de feitenrechter over de toerekening van verzwarende omstandigheden
(11)en is het middel niet-ontvankelijk. Besluit. Er zijn geen ambtshalve middelen in cassatie. Mijn advies is verwerping van de cassatieberoepen. _____________________
(1)J. DE CODT, Des nullités de l'instruction et du jugement, Larcier, 2009, 211; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 1180; J. VERBIST en Ph. TRAEST, "Cassatiemiddelen in strafzaken", in Cassatie in strafzaken, Intersentia, 2014, 117.
(2)Zie alg. J. CONSTANT, Manuel de droit pénal. Les principes généraux, Luik, Imp. Des Invalides, 1948, p. 130; C.J. VANHOUDT en W. CALEWAERT, Belgisch strafrecht, Story-Scientia, 1976, 530; L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch strafrecht, Acco, 1990, 445; B. SPRIET, "Het materieel en het moreel bestanddeel van een strafbare deelneming aan diefstal", RW 1994-95, 364; C. VAN DEN WYNGAERT, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu, 2003, 317; A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer, 2005, 265.
(3)Cass. 16 februari 1999, AR P.98.1624.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990216.6, AC 1999, nr. 90, „Overwegende dat het in artikel 468 Strafwetboek vermelde geweld of bedreiging een objectieve verzwarende omstandigheid vormt van diefstal en de in artikel 475 Strafwetboek vermelde doodslag een objectieve verzwarende omstandigheid van de in artikel 468 Strafwetboek omschreven diefstal gepleegd door middel van met geweld of bedreiging; dat de betrokkenheid of persoonlijke schuld van de mededader aan een of ander verzwarende omstandigheden onverschillig is" en "Overwegende dat het persoonlijk karakter van de straf voor de in artikel 468 Strafwetboek omschreven diefstal gepleegd door middel van geweld of bedreiging, gepleegd onder de in artikel 475 Strafwetboek vermelde verzwarende omstandigheid, derhalve alleen vereist dat de jury zich uitspreekt over de betrokkenheid of persoonlijke schuld van de mededader aan de diefstal en niet over zijn schuld aan de verzwarende omstandigheden". Zie ook Cass. 4 maart 1998, AR P.98.0131.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980304.13, AC 1998, nr. 121; Cass. 17 april 1996, AR P.96.0022.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960417.2, AC 1996, nr. 116; Cass. 11 mei 1994, AR P.94.0460.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940511.15, AC 1994, nr. 235; Cass. 18 mei 1993, RW 1994-95, 359 noot B. SPRIET; Cass. 6 januari 1993, AR 348, AC 1993, nr. 9, 16, R.D.P. 1993, 559; Cass. 24 juni 1992, AR 9974, AC 1991-92, nr. 562; Cass. 19 oktober 1988, AR 6729, AC 1988-89, nr. 100; Cass. 24 november 1987, AR 1891, AC 1987-88, nr. 182; Cass. 28 november 1979, AC 1979-80, 398; Cass. 2 oktober 1933, Pas. 1934, I, 4; Cass. 14 juli 1924, Pas. 1924, I, 481.
(4)G. DELHEIXE en M. FRANCHIMONT, "Aspects de la participation criminelle en Belgique", R.D.P. 1955, 906; C. VAN DEN WYNGAERT, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu, 2003, 317; J. ROZIE, "Het lot van de objectieve verzwarende omstandigheden: liever een latrelatie dan een gedwongen huwelijk...", N.C. 2008, 266.
(5)J. VERHAEGEN, "Le vol avec meurtre: un concours ideal érigé par la loi en circonstance aggravante subjective", R.D.P. 1997, 185-195; I. RORIVE en D. BOSQUET, "La renonciation au meurtre: une limite essentielle au système de l'imputation automatique du meurtre à tous les participants du vol (art. 475 C.P.)", R.D.P. 2002, 369-388. Over het beginsel geen misdrijf zonder schuld zie C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME, Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2019, 310-320.
(6)EHRM 2 juni 2005, Göktepe t/België, RABG 2005, 1465 noot D. VAN DER KELEN en L. GYSELAERS, J.T. 2005, 713 noot P. RENSON, J.L.M.B. 2005, 1556 noot N. COLETTE-BASECQZ, R.D.P. 2005, 1247 noot M. NEVE, T. Strafr. 2006, 80 noot P. HERBOTS; EHRM 27 maart 2008, Delespesse t/België, N.C. 2008, 260; EHRM 20 januari 2011, Haxhishabani t/Luxemburg, J.T. 2011, 358 noot F. KUTY; EHRM 26 januari 2016, Lasir t/België, www.echr.coe.int, J.T. 2016, 189 noot F. KUTY. Zie hierover D. VAN DER KELEN en L. GYSELAERS, "De objectieve verzwarende omstandigheden door Straatsburg geïndividualiseerd?", RABG 2005, 1476-1484; P. LAMBERT, "La fin annoncée de la théorie de l'emprunt matériel de criminalité", J.T. 2005, 561; R. ROZIE, "Actualia omtrent de bepaling en de motivering van de straf", N.C. 2007, 177-178; J. ROZIE, "Het lot van de objectieve verzwarende omstandigheden: liever een latrelatie dan een gedwongen huwelijk...", N.C. 2008, 264-271; F. KUTY, "La responsabilité pénale du chef des circonstances aggravantes réelles", in Actualités de droit pénal, 2009, 31-38; F. LUGENTZ, "Une première analyse de la portée de l'arrêt Goktepe: pour une interprétation stricte?", R.D.P. 2009, 212-226; C. FAGNOULLE, "Le point sur les circonstances aggravantes réelles", J.L.M.B. 2009, 23-31; D. VAN DER KELEN en L. GYSELAERS, "De objectieve verzwarende omstandigheden: het definitieve einde van een tijdperk?", RABG 2009, 22-28: D. VAN DER KELEN en L. GYSELAERS "Göktepe bis met een vleugje Taxquet", RABG 2010, 445-453; J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia, 2010, 481-519; F. KUTY, Principes généraux du droit pénal belge, III, L'auteur de l'infraction pénale, Larcier, 2012, 355-362; J. DE HERDT, Fysiek interpersoonlijk geweld, Intersentia, 2014, 189-217; N. COLETTE-BASECQZ en N. BLAISE, Manuel de droit pénal général, Anthemis, 2016, 505-506; E. JACQUES, "Du meurtre pour faciliter le vol: considérations critiques", R.D.P. 2016, 32-42; F. KUTY, "Les conditions de la responsabilité pénale du chef des circonstances aggravantes rélles de nature intentionnelle", J.T. 2016, 185-188; A. DE NAUW en F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch algemeen strafrecht, Die Keure, 2017, 63-66; A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de droit pénal spécial, Kluwer, 2018, 799-804; K. KUTY, "La responsabilité pénale du chef d'une circonstance aggravante réelle de nature intentionnelle: l'exigence de prévision de sa commission à l'exclusion de sa seule prévisibilité", J.T. 2018, 718-719; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, Die Keure, 2019, 135-141; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2019, 383-384 en 394-395.
(7)Cass. 17 juni 2008, AR P.08.0070.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080617.4, AC 2008, nr. 379, 1588 met concl. van eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF, RABG 2009, 14 noot D. VAN DER KELEN en L. GYSELAERS. In dezelfde zin Cass. 12 oktober 2011, AR P.11.1166.F, arrest niet gepubliceerd, weergegeven in J.T. 2018, 718; Cass. 20 juni 2018, AR P.18.0328.F, arrest niet gepubliceerd, J.T. 2018, 717 noot F. KUTY.
(8)Cass. 13 april 2010, AR P.10.0413.N, AC 2010, nr. 256, 1063 en 1077, N.C. 2010, 235 met concl. van eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF.
(9)Cass. 9 april 2019, AR P.18.1305.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.6, AC 2019, nr. 222, www.juridat.be In dezelfde zin Cass. 20 juni 2018, AR P.18.0328.F, arrest niet gepubliceerd, J.T. 2018, 717 noot F. KUTY.
(10)K. KUTY, "La responsabilité pénale du chef d'une circonstance aggravante réelle de nature intentionnelle: l'exigence de prévision de sa commission à l'exclusion de sa seule prévisibilité", J.T. 2018, 718.
(11)Memorie, p. 3, "eiseres tot cassatie heeft geen geweld gebruikt en heeft ook niet deelgenomen aan het gebruikte geweld ten opzichte van de burgerlijke partij V" en Memorie, p. 4, "zij heeft geen gebruik gemaakt van een voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven tuig om het misdrijf te vergemakkelijken of haar vlucht te verzekeren". PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201020.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.10 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940511.15 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960417.2 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980304.13 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990216.6 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080617.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div