← België

D. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201110.2N.9 Rolnummer: P.20.0659.N Zaak: D. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2021-04-05 Raadplegingen: 1171 - laatst gezien 2026-06-19 00:43 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201110.2N.9 Fiches 1 - 2 Het misdrijf van onopzettelijk doden is bewezen wanneer vaststaat dat, zonder het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, het slachtoffer niet de dood zou hebben gevonden; de omstandigheid dat het overlijden van het slachtoffer het onmiddellijke gevolg is van een gebeurtenis waarbij de beklaagde niet is betrokken en slechts het onrechtstreekse gevolg is van diens gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, impliceert niet dat er tussen dit laatste en de dood van het slachtoffer geen zeker oorzakelijk verband zou bestaan en doet dan ook geen afbreuk aan het misdrijf van onopzettelijke doodslag

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SLAGEN EN VERWONDINGEN. DODEN - ONOPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN EN ONOPZETTELIJK DODEN Vrije woorden: Oorzakelijk verband tussen het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid en het overlijden - Zeker oorzakelijk verband - Overlijden als onrechtstreeks gevolg van een fout - Equivalentietheorie - Toepassing Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 418 en 419 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - OORZAAK - Middellijke of onmiddellijke oorzaak Vrije woorden: Onopzettelijk doden - Zeker oorzakelijk verband - Overlijden als onrechtstreeks gevolg van een fout - Equivalentietheorie - Toepassing Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 418 en 419 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de conclusie P.20.0659.N Conclusie van advocaat-generaal Bart De Smet: “Het zeker oorzakelijk verband als essentieel bestanddeel van het wanbedrijf onopzettelijke doding (art. 418 en 419 Sw.)”. a) Middel van eiseres 1. De appelrechters namen aan dat eiseres als gynaecoloog schuldig is wegens onopzettelijke doding wegens fouten bij de geboorte van het kind N.D. op 4 oktober 2010. Deze fouten, onder meer onjuiste toediening van het geneesmiddel Syntocinon, hadden als gevolg dat N. met zware hersenschade ter wereld kwam
(1).
  1. Eiseres voert aan dat het kind een redelijke kans had op overleven, weliswaar met zware beperkingen, en is overleden ten gevolge van de beslissing van zijn ouders om op 9 oktober 2010 de behandeling op intensieve zorgen te stoppen en zij bij deze beslissing niet was betrokken. Er is volgens eiseres geen noodzakelijk en zeker oorzakelijk verband tussen haar bewezen fout als arts en het overlijden van het kind, gezien het stopzetten van de medische behandeling na de geboorte de ‘directe oorzaak’ is van het overlijden. De omstandigheid dat de fout van eiseres een grote rol heeft gespeeld bij de beslissing om de intensieve behandeling van het kind te stoppen mag geen reden zijn om het oorzakelijk verband aan te nemen tussen de fout van eiseres en het overlijden van het kind. De veroordeling houdt schending in van de artikelen 418 en 419 Strafwetboek en miskenning van het wettelijk begrip ‘oorzakelijk verband’. b) Beoordeling
  2. Veroordeling wegens onopzettelijke doding vereist de vaststelling dat een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid van de beklaagde met zekerheid leidde tot het overlijden van het slachtoffer
(2). Gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, nalatigheid, bestaat in de miskenning van een rechtsnorm of in een tekortkoming die elk normaal voorzichtige en redelijke persoon zou begaan
(3). De drempel van aansprakelijkheid is een gebrek aan voorzorg, niet een ernstig gebrek aan voorzorg
(4). 4. Het Hof stelde op 4 februari 2009: “De artikelen 418, 419 en 420 van het Strafwetboek zijn van toepassing zodra de dader, zonder het oogmerk om de persoon van een ander aan te randen, een fout heeft begaan waaruit voor iemand lichamelijk letsel is voortgevloeid. Het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade veronderstelt dat zonder het eerste, het tweede zich niet op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan”
(5). Op 26 april 2017 oordeelde het Hof: “Opdat er sprake zou zijn van onopzettelijke doding, vereist de wet bijgevolg dat het bestaan van een causaal verband tussen de fout en de schade zoals die zich voordeed, wordt bewezen. Dat causaal verband moet met zekerheid worden vastgesteld”
(6). Op 1 oktober 2019 oordeelde het Hof: “Degene die schadevergoeding vordert moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals die zich concreet heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat. Dit verband veronderstelt dat, zonder de fout, de schade zich niet had voorgedaan zoals ze zich heeft voorgedaan. Er is bijgevolg geen oorzakelijk verband wanneer de schade zich eveneens zou hebben voorgedaan indien de verweerder de hem verweten handelwijze correct had uitgevoerd”
(7). Het Hof gaat na of de appelrechter uit de vastgestelde feiten een dergelijk oorzakelijk verband mocht afleiden
(8). 5. De in de rechtspraak heersende equivalentietheorie houdt in dat elke fout welke een noodzakelijke voorwaarde is
(9)voor een lichamelijk letsel of het overlijden aansprakelijkheid meebrengt, ongeacht haar zwaarte
(10)of haar relatieve belang in het tot stand komen van de schade. Oorzaak van de schade is elke fout of nalatigheid zonder dewelke de schade zich niet zou hebben voorgedaan zoals ze zich in concreto heeft gerealiseerd
(11). 6. Als meerdere fouten aan de basis liggen voor het schadegeval, die elk op zich onvermijdelijk hebben geleid tot de schade zoals ze zich voordeed, worden zij geacht een gelijke of equivalente rol te hebben gespeeld
(12). Het is niet omdat een fout zonder dewelke de schade niet kon ontstaan nadien gevolgd wordt door bewuste tussenkomst of fout van een andere partij, dat het oorzakelijk verband verdwijnt tussen de eerste fout en de schade
(13). Deze fout als zekere oorzaak geeft aanleiding tot strafrechtelijke aansprakelijkheid, zelfs als personen die eveneens een fout begingen in oorzakelijk verband met de schade niet worden vervolgd. Aangezien de regels over strafbare deelneming (artt. 66 en 67 Strafwetboek) niet gelden voor onopzettelijke misdrijven, kunnen meerdere personen dader zijn van onopzettelijke doding, waarbij ieder die door zijn eigen onachtzaamheid het strafrechtelijk gevolg van lichamelijk letsel of overlijden zeker heeft veroorzaakt als dader in aanmerking komt
(14). 7. Voor veroordeling wegens de delicten onopzettelijke slagen en verwondingen of onopzettelijke doding is het niet vereist dat de fout, nalatigheid of onvoorzichtigheid de enige of belangrijkste oorzaak is van het ongewild lichamelijk letsel (art. 420 Sw.) of overlijden (art. 419 Sw.) van de benadeelde
(15). Het maakt ook geen verschil uit of het overlijden rechtstreeks of onmiddellijk het ongewild gevolg is van een fout of nalatigheid van de beklaagde, dan wel of er nog een handeling van een andere persoon bijdroeg tot de schade
(16). 8. Wat eveneens geen belang heeft is de vraag of het overlijden een geheel voorzienbaar of normaal gevolg is van een fout of nalatigheid die noodzakelijk bijdroeg tot die schade
(17). Aansprakelijkheid wegens onopzettelijke doding omvat ook een fatale afloop van gebeurtenissen, niet ingeschat door de persoon die een fout of nalatigheid beging en een lichamelijk letsel teweegbracht. Daadwerkelijke kennis van de schadelijke gevolgen van een fout of nalatigheid is niet vereist
(18). Er is een zekere minimumdrempel, namelijk dat alleen een onzorgvuldig handelen strafbaar is dat aanleiding gaf tot een voorzienbaar en vermijdbaar letsel of overlijden
(19). Deze voorwaarde wordt soepel ingevuld in de rechtspraak. 9. Wat voorzienbaar is als schade hangt niet af van persoonlijke kenmerken van de beklaagde, maar van het beoordelingsvermogen van een normaal zorgvuldig persoon geplaatst in dezelfde omstandigheden
(20). Een fout of nalatigheid waarbij de beklaagde geen rekening hield met de mogelijkheid van schade, terwijl een normaal redelijk persoon dit wel zou doen, brengt reeds strafrechtelijke aansprakelijkheid mee
(21). Het Hof oordeelde daarover op 11 december 2002: “Overwegende dat het misdrijf, bedoeld in de artikelen 418 en 420 van het Strafwetboek, het bestaan van een fout vereist; dat die erin kan bestaan dat de beklaagde geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat hij een onopzettelijk letsel kon toebrengen, wat hij had moeten voorzien, of nog dat hij de maatregelen van voorzichtigheid en voorzorg niet heeft genomen die een normaal persoon, in dezelfde omstandigheden, wel had genomen”
(22).
  1. Het aspect van redelijk te voorziene schade komt naar voor in de zaak waarover het Hof uitspraak deed op 9 december
  2. Pesterijen op het werk brachten een politieagente ertoe haar twee kinderen te doden en zichzelf van het leven te beroven. De beklaagde werd niet enkel veroordeeld wegens onterende behandeling en pesten op het werk, maar ook wegens onopzettelijke doding, met als benadeelden de agente en haar kinderen. De appelrechters namen aan dat de psychotische stoornis van de agente en het gezinsdrama voorzienbare gevolgen waren van de pesterijen. Het middel over het oorzakelijk verband tussen fout en schade werd verworpen
(23). 11. Het enige wat telt voor veroordeling wegens art. 419 Sw. is de vraag of de schade, het overlijden, zich had voorgedaan zonder de fout of nalatigheid van de beklaagde
(24). De rechter oordeelt daarover onaantastbaar op basis van de hem regelmatig bekomen gegevens, vatbaar voor tegenspraak. Is er een samenloop van omstandigheden, een ketting van gebeurtenissen die het overlijden teweeg brachten, dan kan de persoon die de initiële fout beging worden veroordeeld voor de gehele schade
(25). Het moet wel vaststaan dat zonder de initiële fout het slachtoffer nog in leven was. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het middel naar recht. 12. De appelrechters namen aan dat een foute medische behandeling van eiseres leidde tot zuurstoftekort en zware hersenschade van het pas geboren kind (p. 13-23), deze schade tot zeer ernstige problemen zou leiden bij het overleven van het kind
(26)en de ouders samen met het behandelende team het besluit namen de intensieve zorgen van hun kind niet verder te zetten. Het feit dat kunstmatige behandeling het kind in leven kon houden deed volgens de appelrechters geen afbreuk aan het oorzakelijk verband tussen de fout van eiseres en het overlijden van het kind (blz. 25).
  1. Het arrest stelt vast dat zonder de fout van beklaagde de schade, het overlijden, zich niet zou hebben voorgedaan en uit een latere fout van een andere partij niet kan worden afgeleid dat er geen causaal verband bestaat tussen de eerste fout en de schade (blz. 25). Alle fouten die een noodzakelijk verband (conditio sine qua non-verband) vertonen met de schade zijn oorzaak, er wordt tussen deze gelijkwaardige fouten geen selectie doorgevoerd (blz. 25). Tenslotte namen de appelrechters aan dat het onrechtstreeks veroorzaken van schade voldoende is om de aansprakelijkheid in het gedrang te brengen. Met deze redenen is het arrest naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  2. Er zijn geen ambtshalve middelen. Mijn advies is verwerping van het cassatieberoep. __________________________________
(1)De verjaring van de strafvordering is nog niet ingetreden. De laatste nuttige stuiting is het tussenvonnis van 5 oktober 2015. Het bestreden arrest van 27 mei 2020 is uitgesproken binnen de verjaringstermijn. Tijdens de cassatieprocedure is de strafvordering van rechtswege geschorst, mits het cassatieberoep ontvankelijk is (R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 147), wat het geval is.
(2)Cass. 28 juni 2018, AR C.17.0696.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180628.9, AC 2018, nr. 423, met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL; Cass. 26 april 2017, AR P.17.0051.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170426.3, AC 2017, nr. 289; Cass. 20 oktober 2015, AR P.14.0763.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151020.1, RW 2016-17, 706; Cass. 1 februari 2011, AR P.10.1354.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110201.6, AC 2011, nr. 96; Cass. 4 februari 2009, AR P.08.1466.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090204.4, AC 2009, nr. 91; Cass. 3 april 1987, AR 1007, AC 1986-87, 1012; Cass. 23 september 1974, AC 1975, 97. Zie S. VAN OVERBEKE, “Onopzettelijke doodslag en onopzettelijke slagen en verwondingen: een algemene strafbaarstelling die een specifieke schade onderstelt”, RW 2011-12, 958-960; H.D. BOSLY en C. DE VALkeneer, “Les homicides et lésions corporelles non intentionnels”, in Les infractions. Vol. 2 Les infractions contre les personnes, Larcier, 2010, 498-500.
(3)F. VAN VOLSEM, “Culpa in het Belgisch strafrecht: een poging tot synthese”, Preadviezen van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Boom uitgevers, 2012, 89-140 (p. 109), met een samenvatting van de studie in RW 2012-13, 1633 en 1635-1637; C. IDOMON, “Onopzettelijk doden en onopzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel”, in Strafrecht. Duiding, Larcier, 2018, 532.
(4)J. ROZIE, D. VANDERMEERSCH en J. DE HERDT, Naar een nieuw strafwetboek? Het voorstel van de Commissie tot hervorming van het strafrecht, Die Keure, 2019, 230 (in het voorgestelde nieuwe Strafwetboek wordt wel een ernstig gebrek aan voorzorg vereist als moreel element voor onopzettelijke doding).
(5)Cass. 4 februari 2009, AR P.08.1466.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090204.4, AC 2009, nr. 91.
(6)Cass. 26 april 2017, AR P.17.0051.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170426.3, AC 2017, nr. 289.
(7)In dezelfde Cass. 14 januari 2020, AR P.19.0931.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.8, AC 2020, nr. 35, NC 2020, 355. Cass. 1 oktober 2019, AR P.19.0575.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191001.3, AC 2019, nr. 488.
(8)Cass. 20 oktober 2015, AR P.14.0763.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151020.1, AC 2015, nr. 614, RW 2016-17, 706; Cass. 1 februari 2011, AR P.10.1354.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110201.6, AC 2011, nr. 96, RW 2011-12, 957 noot S. VAN OVERBEKE; Cass. 4 februari 2009, AR P.08.0466.F, AC 2009, nr. 91; Cass. 12 januari 1988, AC 1987-88, nr. 288. R. DECLERCQ, “Enkele problemen in verband met de toepassing van de artikelen 418, 419 en 420 van het Strafwetboek”, in Strafrecht voor rechtspractici, Acco, 1990, 195.
(9)Er moet een zeker oorzakelijk verband bestaan tussen fout en schade (Cass. 1 februari 2011, AR P.10.1354.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110201.6, AC 2011, nr. 96, RW 2011-12, 957 noot S. VAN OVERBEKE; Cass. 1 april 2004, AR C.01.0211.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040401.16, AC 2004, nr. 174 met concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN op datum in Pas.; Cass. 23 januari 1991, AR 8511, AC 1990-91, nr. 275; Cass. 3 april 1987, AC 1986-87, 1012. Zie ook J. DE CODT, “L'appréciation de la causalité dans le jugement des actions publique et civile”, in Actualités de droit pénal et de procédure pénale, Bruxelles, Ed. Jeune Barreau Bruxelles, 2001 (35-74), p. 42, 43, 53 en 72; M. FAURE en J. VANHEULE, Milieustrafrecht, APR, 2006, 217; J. ROZIE, “Zelfdoding en strafrecht: het taboe doorbroken”, RW 2013-14, 295.
(10)Ook de lichtste fout volstaat voor aansprakelijkheid: Cass. 3 mei 2017, AR P.16.0532.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170503.2, AC 2017, nr. 304 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 15 december 1992, AC 1991-92, 1437; Cass. 12 september 2007, AR P.07.0804.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070912.2, AC 2007, n° 402; Cass. 27 september 1985, AC 1985-86, 96; Cass. 10 oktober 1971, AC 1971, 161. Zie L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch strafrecht, Acco, 1989, 260; A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer, 2010, nr. 268; F. VAN VOLSEM, o.c., 2012, 114; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 2019, 318).
(11)Cass. 14 januari 2020, AR P.19.0931.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.8, AC 2020, nr. 35, NC 2020, 355; Cass. 9 december 2015, AR P.15.0578.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151209.2, AC 2015, nr. 734, met concl. van advocaat-generaal M. PALUMBO op datum in Pas., Droit Pénal de l’Entreprise, 2016, 149 noot F. LAGASSE; Cass. 20 oktober 2015, AR P.14.0763.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151020.1, AC 2015, nr. 614, RW 2016-17, 706; Cass. 29 oktober 2014, AR P.13.0820.F, AC 2014, nr. 644, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 1 februari 2011, AR P.10.1354.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110201.6, AC 2011, nr. 96, RW 2011-12, 957 noot S. VAN OVERBEKE; Cass. 30 mei 2001, AR P.01.0075.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010530.9, AC 2001, nr. 319; Cass. 15 december 1992, AR. nr. 5700, AC 1991-92, nr. 795; Cass. 27 maart 1980, AC 1979-80, 946; Cass. 16 oktober 1972, AC 1972-73, 165; Cass. 22 november 1971, AC 1971, 290. Over de equivalentietheorie zie F. VAN VOLSEM, “Culpa in het Belgisch strafrecht: een poging tot synthese”, Preadviezen van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Boom uitgevers, 2012, 115; S. VAN OVERBEKE, “Onopzettelijke doodslag en onopzettelijke slagen en verwondingen: een algemene strafbaarstelling die een specifieke schade onderstelt”, RW 2011-12, 960; J. ROZIE en T. VANSWEEVELT, “Causaliteit in het Belgische strafrecht. Over de kruisbestuiving tussen het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht en het strafrecht”, NC 2014, 433-473; C. IDOMON, “Onopzettelijk doden en onopzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel”, in Strafrecht. Duiding, Larcier, 2018, 536; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 2019, 315-317.
(12)M. FAURE en J. VANHEULE, Milieustrafrecht, APR, 2006, 215-217; J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia, 2010, 392-395; J. ROZIE en T. VANSWEEVELT, “Causaliteit in het Belgische strafrecht. Over de kruisbestuiving tussen het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht en het strafrecht”, NC 2014, 436 en 441.
(13)Cass. 4 februari 2009, AR P.08.1466.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090204.4, AC 2009, nr. 91; Cass. 12 januari 2007, AR C.05.0083.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070112.1, AC 2007, nr. 20. Zie ook J. DE CODT, “L'appréciation de la causalité dans le jugement des actions publique et civile”, in Actualités de droit pénal et de procédure pénale, Bruxelles, Ed. Jeune Barreau Bruxelles, 2001, 48-50 en 72; F. VAN VOLSEM, “Culpa in het Belgisch strafrecht: een poging tot synthese”, Preadviezen van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Boom uitgevers, 2012, 115.
(14)Cass. 15 oktober 1986, AC 1986-87, nr. 90, RW 1987-88, 21 noot M. DE SWAEF. Zie F. VAN VOLSEM, “Culpa in het Belgisch strafrecht: een poging tot synthese”, Preadviezen van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Boom uitgevers, 2012, 116-117; J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia, 2010, 390-391; D. VANDERMEERSCH, “La participation criminelle: questions d’actualité”, in Droit pénal en questions, Anthemis, 2013, 16.
(15)Cass. 3 mei 2017, AR P.16.0532.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170503.2, AC 2017, nr. 304, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 11 februari 2009, AR P.08.1527.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090211.4, AC 2009, nr. 115; Cass. 14 mei 2008, AR P.07.1112.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080514.4, AC 2008, nr. 291. Zie ook R. DECLERCQ, “Enkele problemen in verband met de toepassing van de artikelen 418, 419 en 420 van het Strafwetboek”, in Strafrecht voor rechtspractici, Acco, 1990, 195; J. ROZIE, “Zelfdoding en strafrecht: het taboe doorbroken”, RW 2013-14, 295; A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de droit pénal spécial, Kluwer, 2018, 415.
(16)J. DE CODT, “L'appréciation de la causalité dans le jugement des actions publique et civile”, in Actualités de droit pénal et de procédure pénale, Bruxelles, Ed. Jeune Barreau Bruxelles, 2001, 46-47; A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de droit pénal spécial, Kluwer, 2018, 415; C. IDOMON, “Onopzettelijk doden en onopzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel”, in Strafrecht. Duiding, Larcier, 2018, 536-537.
(17)J. DU JARDIN, “Le concept juridique de blessure”, Conclusie in zaak Cass. 23 januari 1991, RG 8511, Pas. 1990-91, nr. 275 en Liber amicorum Jean du Jardin, Kluwer, 2001, 488 (de auteur stelt dat een mogelijk voorzienbaar gevolg in plaats van een effectief voorzienbaar gevolg volstaat voor onopzettelijke slagen en verwondingen); J. DE CODT, “L'appréciation de la causalité dans le jugement des actions publique et civile”, in Actualités de droit pénal et de procédure pénale, Bruxelles, Ed. Jeune Barreau Bruxelles, 2001, 72; H. BOCKEN, “Geen kans verloren. Causale onzekerheid en rechtspraak van het Hof van Cassatie over het verlies van een kans”, in Aansprakelijkheid, aansprakelijkheidsverzekering en andere schadevergoedingssystemen, Kluwer, 2007, 276-277; J. ROZIE en T. VANSWEEVELT, “Causaliteit in het Belgische strafrecht. Over de kruisbestuiving tussen het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht en het strafrecht”, N.C. 2014, 436; N. COLETTE-BASEQZ en N. BLAISE, Manuel de droit pénal général, Anthemis, 2016, 286; C. IDOMON, “Onopzettelijk doden en onopzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel”, in Strafrecht. Duiding, Larcier, 2018, 533.
(18)J. ROZIE, “Zelfdoding en strafrecht: het taboe doorbroken”, RW 2013-14, 295.
(19)F. VAN VOLSEM, “Culpa in het Belgisch strafrecht: een poging tot synthese”, Preadviezen van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Boom uitgevers, 2012, 113.
(20)G. SCHAMPS, “Le relâchement des liens entre les responsabilités”, in Liber amicorum Jean du Jardin, Kluwer, 2001, 417.
(21)F. VAN VOLSEM, “Culpa in het Belgisch strafrecht: een poging tot synthese”, Preadviezen van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Boom uitg., 2012, 113; C. IDOMON, “Onopzettelijk doden en onopzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel”, in Strafrecht. Duiding, Larcier, 2018, 533.
(22)Cass. 11 december 2002, AR P.02.0818.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021211.12, AC 2002, nr. 665, aangehaald door F. VAN VOLSEM, o.c., 113.
(23)Cass. 9 december 2015, AR P.15.0578.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151209.2, AC 2015, nr. 734 met concl. van advocaat-generaal M. PaluMBO op datum in Pas..
(24)Cass. 20 oktober 2015, AR P.14.0763.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151020.1, AC 2015, nr. 614. Zie C.J. VANHOUDT en W. CALEWAERT, Belgisch strafrecht, Story-Scientia, 1968, 351; A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de droit pénal spécial, Kluwer, 2018, 415.
(25)Vb. Cass. 14 januari 2020, P.19.0931.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.8, AC 2020, nr. 35, NC 2020, 355. Zie J. ROZIE en T. VANSWEEVELT, “Causaliteit in het Belgische strafrecht. Over de kruisbestuiving tussen het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht en het strafrecht”, NC 2014, 436.
(26)P. 24 bestreden arrest: Geen gebruik meer van de ledematen, ernstige geestelijke achterstand zonder vooruitgang, reële kans op beperking van het gezichtsvermogen en op epilepsie, permanente afhankelijkheid van voeding via sonde, veel pijn wegens verkramping van spieren. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201110.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201110.2N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010530.9 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021211.12 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040401.16 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070112.1 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070912.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080514.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090204.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090211.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110201.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151020.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151209.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170426.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170503.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180628.9 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191001.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250513.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.