← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 17 november 2020

Art. 442bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: MACHTEN - SCHEIDING DER MACHTEN Vrije woorden: Europees Hof voor de Rechten van de Mens - Erkenning door de Belgische Staat van een schending van het Verdrag - Doorhaling van de zaak - Gezag van uitgelegde zaak - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 37 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 442bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Artikel 37 - Europees Hof voor de Rechten van de Mens - Erkenning door de Belgische Staat van een schending van het Verdrag - Doorhaling van de zaak - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 37 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 442bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de conclusie P.20.0884.N Conclusie van advocaat-generaal D. Schoeters: Bij verzoekschrift dat ter griffie van het Hof is neergelegd op 3 september 2020 vragen verzoekers op grond van artikel 442bis tweede lid, Wetboek van Strafvordering, de heropening van de rechtspleging die geleid heeft tot de definitieve veroordeling die tegen hen is uitgesproken bij arrest van het hof van beroep te Gent van 29 maart

  1. De grondslag van het verzoek is gesteund op artikel 6.
  2. EVRM wegens het overschrijden van de redelijke termijn betreffende de uitgesproken herstelvordering. I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN. Voor de volledigheid is het aangewezen de procedurele antecedenten die geleid hebben tot de veroordeling van de verzoekers, op te lijsten.
  3. Verzoekers werden als eigenaars door de procureur des Konings te Hasselt vervolgd om bij inbreuk op de artikelen 11, lid 1, 13, lid 1, 2 en 3, 14 en 15 van het Decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpszichten (hierna verder “Monumentendecreet” genoemd)

(1), verzuimd te hebben de voorschriften zoals bepaald in artikel 2, §1, 1°, 3°, 5° en 6° van het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 1993 te hebben nageleefd met betrekking tot de instandhouding en het onderhoud van voor bescherming vatbare of beschermde goederen, namelijk: (…), welke gebouwen beschermd zijn als monument bij besluit van de Vlaamse Executieve van 2 maart 1983, te hebben verwaarloosd en in gebreke te zijn gebleven om de noodzakelijke herstellings- en onderhoudswerken uit te voeren aan de daken en de muren na een brand, instorting en verval door de weerselementen. De feiten vonden plaats te Tessenderlo, arrondissement Hasselt, van 17 november 2004 tot 5 februari
  1. Het opsporingsonderzoek dat aanleiding gaf tot de vervolging werd opgestart naar aanleiding van een proces-verbaal dat op 5 november 2008 werd opgesteld door de inspectiedienst RWO van het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, lastens verzoekers, verdacht van inbreuken op het Monumentendecreet. Op 5 februari 2009 werd door de gemachtigde ambtenaar van de Vlaamse overheid een herstelvordering opgesteld en overgemaakt aan de procureur des Konings te Hasselt. Op 24 april 2009 bracht de procureur des Konings te Hasselt een dagvaarding uit lastens verzoekers om te verschijnen voor de correctionele rechtbank te Hasselt op 02 juni
  2. In de strafrechtelijke procedure kwam de gemachtigde ambtenaar van de Vlaamse overheid, bevoegd op grond van artikel 15 van het Monumentendecreet, als herstel eisende partij tussen.
  3. Bij vonnis, gewezen op tegenspraak, van 3 november 2009 van de correctionele rechtbank te Hasselt, werden de verzoekers schuldig verklaard aan de hen te laste gelegde misdrijven en werd elk van de verzoekers veroordeeld tot een geldboete van 250 €, na verhoging met opdeciemen gebracht op 1.375 €, een vervangende gevangenisstraf van 60 dagen, een bijdrage aan het Slachtofferfonds, een vergoeding van 25 € en de kosten. Tevens werd door de rechter het herstel in de oorspronkelijke staat bevolen, uit te voeren in drie fasen, en dit alles binnen de twee jaar na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 250 € per dag vertraging ten voordele van de gemachtigde ambtenaar, met ambtshalve machtiging van de herstelvorderende overheid. De verzoekers tekenden op 17 november 2009 hoger beroep aan tegen dit vonnis. Het openbaar ministerie tekende op 18 november 2009 eveneens hoger beroep aan.
  4. Bij arrest van 3 maart 2010 van het hof van beroep te Antwerpen, gewezen bij verstek ten aanzien van verzoekers en op tegenspraak ten aanzien van eiser tot herstel, werd het bestreden vonnis op strafrechtelijk gebied bevestigd. Wat de door de gemachtigde ambtenaar ingestelde herstelvordering betreft, werd het herstel in de oorspronkelijke staat bevolen op gefaseerde wijze, waarbij de termijn van uitvoering bepaald werd per fase, met name fase 1 binnen de 4 maanden, fase 2 binnen de acht maanden daarop volgend en fase 3 binnen de twee jaar daaropvolgend, onder verbeurte van een dwangsom van respectievelijk 75 € (fase 1), 100 € (fase 2) en 175 € (fase 3) per dag vertraging ten voordele van de gemachtigde ambtenaar, met ambtshalve machtiging van de herstelvorderende overheid.
  5. De verzoekers tekenden op 26 mei 2010 verzet aan tegen gemeld arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 maart
  6. Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 17 november 2010, gewezen op tegenspraak op verzet, werd, opnieuw rechtdoende, het bestreden vonnis op strafrechtelijk gebied bevestigd. Wat de door de gemachtigde ambtenaar ingestelde herstelvordering betreft, werd het herstel in de oorspronkelijke staat bevolen op gefaseerde wijze, waarbij de termijn van uitvoering bepaald werd per fase met name fase 1 binnen de 4 maanden, fase 2 binnen de acht maanden daarop volgend en fase 3 binnen de twee jaar daaropvolgend, onder verbeurte van een dwangsom van respectievelijk 75 € (fase 1), 100 € (fase 2) en 175 € (fase 3) per dag vertraging ten voordele van de gemachtigde ambtenaar, met ambtshalve machtiging van de herstelvorderende overheid. De verzoekers tekenden op 25 november 2010 tegen alle beschikkingen van voormeld arrest van 17 november 2010 cassatieberoep aan.
  7. Bij arrest van het Hof van Cassatie van 22 mei 2012 werd het bestreden arrest van het hof van beroep te Antwerpen vernietigd en werd de zaak verwezen naar het hof van beroep te Gent.
  8. Bij arrest van het hof van beroep te Gent, gewezen op tegenspraak, van 29 maart 2013, werden eisers schuldig verklaard aan de hen te laste gelegde feiten en elk veroordeeld tot een geldboete van 2.500 €, na verhoging met opdeciemen gebracht op 13.750 €, met uitstel voor een termijn van drie jaar voor het bedrag van 1.000 € na verhoging met opdeciemen 5.500 €, een vervangende gevangenisstraf, een vergoeding van 51,20 €, een bijdrage aan het Slachtofferfonds en de kosten. Tevens werd het herstel in de oorspronkelijke staat bevolen, uit te voeren in drie fasen, onder verbeurte van een dwangsom van respectievelijk 75 € (fase 1 – binnen de vier maanden), 100 € (fase 2 – binnen de acht maanden) en 175 € (fase 3 – binnen de twee jaar) per dag vertraging ten voordele van de gemachtigde ambtenaar, met ambtshalve machtiging van de herstelvorderende overheid.
  9. De verzoekers tekenden op 10 april 2013 cassatieberoep aan tegen alle beschikking van voormeld arrest van het hof van beroep te Gent van 29 maart
  10. Bij arrest van het Hof van Cassatie van 13 januari 2015 (P.13.0830.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150113.2) werden de cassatieberoepen verworpen. Het Hof oordeelde met betrekking tot de door eisers opgeworpen schending van artikel 6.1 EVRM dat het bestreden arrest met zijn motiveringen op p. 15, ro 8.1 en p. 18-19, ro 8.9, het verweer van verzoekers beantwoordt en het de beslissing over de niet-overschrijding van de redelijke termijn naar recht verantwoordt.
  11. Verzoekers hebben op 2 juli 2015 een verzoekschrift ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna verder genoemd “Europees Hof”), waarin zij onder meer aanvoerden dat zij van mening zijn dat artikel 6.
  12. EVRM in casu werd geschonden voor wat betreft de redelijke termijn, minstens voor wat de opgelegde herstelmaatregel betreft. Zij stellen in het verzoekschrift onder meer dat de opgelegde herstelplicht in deze wel degelijk moet gekaderd worden in een strafrechtelijk kader gezien de ernst van de sanctie die verzoekers hierbij oplopen en dat er zekerheid zou bestaan dat de Vlaamse Administratie de overtreding reeds heeft vastgesteld op 18.10.2000 maar de eigenlijke herstelvordering pas heeft ingesteld op 30.02.2009, hetzij bijna 9 jaar later. Aldus stellen zij dat de duur van de tegen hun gevoerde strafrechtelijke procedure buitensporig was.
  13. Het Europees Hof heeft op 16 juni 2020 in de zaak nr. 33262/15 van V. en L. tegen België, eenparig als volgt beslist: - er werd akte genomen van de voorwaarden van de verklaring van de Belgische regering met betrekking tot artikel 6 §1 EVRM en van de modaliteiten die worden voorzien om de naleving van de aangegane verbintenissen te verzekeren; - het verzoekschrift werd van de rol geschrapt in toepassing van artikel 37, §1, c) EVRM. Deze beslissing, die niet vatbaar is voor beroep, noch voor de Grote Kamer noch voor enig ander orgaan, werd op 9 juli 2020 schriftelijk medegedeeld.
  14. Uit de voormelde beslissing van het Europees Hof blijkt dat de Belgische regering met het oog op het oplossen van de in het verzoekschrift opgeworpen kwestie, een eenzijdige verklaring heeft afgelegd waarin de Regering erkent dat de duur van de procedure met betrekking tot stedenbouwkundige inbreuken in hoofde van verzoekers in onderhavig geval buitensporig is geweest. De Belgische regering vraagt om de schrapping van de zaak in ruil voor het afzien door de stedenbouwkundige inspecteur van het departement Omgeving van het invorderen van een bedrag van 8.000 €, deel uitmakende van de schuld van de verzoekers aan de Vlaamse overheid, som welke alle materiële en morele schade dekt, alsook de kosten. Bij schrijven van 16 februari 2020 hebben de verzoekers aangegeven dat zij zich niet konden vinden in de bewoordingen van de eenzijdige verklaring om reden dat het bedrag van de voorgestelde vergoeding onvoldoende was in verhouding tot de schade die zij hebben geleden. Gelet op de aard van de toegevingen die de verklaring van de Regering inhoudt, alsook op het voorgestelde bedrag van de schadevergoeding in het licht van de specifieke omstandigheden, is het Europees Hof van oordeel dat het niet langer gerechtvaardigd is om de behandeling van het verzoekschrift verder te zetten. II. ONDERZOEK VAN HET VERZOEK TOT HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING.
  15. Op grond van artikel 442bis, tweede lid
(2)en 442ter, 1°, Wetboek van Strafvordering, kan een veroordeelde, enkel wat de strafvordering betreft, de heropening vragen van de rechtspleging die geleid heeft tot de veroordeling van de verzoeker ingeval van een beslissing of arrest waarbij het Europees Hof akte neemt van de unilaterale verklaring van erkenning van de schending van het EVRM, overeenkomstig artikel 37, §1, van het Europees Verdrag, en dientengevolge beslist de zaak van de rol te schrappen. De beslissing op de vordering van de herstelvorderende overheden, zoals in casu de gemachtigde ambtenaar bevoegd op grond van artikel 15 Monumentendecreet, is weliswaar een maatregel van burgerlijke aard, die niettemin onder de strafvordering valt. De beslissing op de vordering van deze herstelvorderende overheid valt dan ook onder het begrip strafvordering in de zin van artikel 442bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering
(3). Het verzoekschrift in kwestie werd ingediend in naam van de veroordeelden, binnen de zes maanden vanaf de datum waarop het arrest van het Europees Hof definitief geworden is. Het werd getekend door een advocaat die sedert 19 september 1968 is ingeschreven bij de balie Limburg, hetzij meer dan 10 jaar. Het bevat een omstandige opgave van de feiten en vermeldt de grond tot herroeping. Het verzoek is volgens de bewoordingen van het verzoekschrift gericht “tegen het eindarrest van het Hof van beroep te Gent van 29 maart 2013 waartegen de voorziening in cassatie werd verworpen op 13 januari 2015 en waarbij verzoekers definitief werden veroordeeld…”. Het lijkt mij in deze dat het verzoekschrift in zijn geheel dient gelezen te worden en er uiteindelijk op gericht is vernietiging te bekomen van het arrest van het hof van beroep te Gent van 29 maart
  1. Om dit te bekomen lijkt het mij dat het Hof - zo het Hof het verzoek gegrond zou verklaren – de heropening van de rechtspleging die geleid heeft tot het arrest van het Hof van 13 januari 2015 (P.13.0830.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150113.2) zou moeten bevelen en dit arrest zou dienen in te trekken in de mate de door verzoekers opgeworpen schending van artikel 6.1 EVRM werd verworpen, om vervolgens opnieuw uitspraak te doen over dit middel van het oorspronkelijk cassatieberoep. Dit lijkt mij het juiste voorwerp van het verzoek tot heropening van de rechtspleging. Het verzoekschrift lijkt mij dan ook ontvankelijk te zijn conform de artikelen 442bis en volgende, Wetboek van Strafvordering.
  2. Het beginsel van de scheiding der machten houdt in dat de Rechterlijke Macht niet gebonden is door de erkenning door de Belgische regering van een schending van het EVRM. De beslissing van het Europees Hof van 16 juni 2020 tot schrapping van de rol heeft in dit verband geen gezag van gewijsde
(4). Het Hof zal dan ook bij het onderzoek naar het vervuld zijn van de grondvoorwaarden voor een heropeningsaanvraag dienen te beslissen of er daadwerkelijk sprake is van de door de Belgische regering aangenomen EVRM-schending
(5). 14. De eerste grondvoorwaarde voor de heropening van de rechtspleging is dat de beslissing ofwel ten gronde strijdig is met het EVRM, dan wel dat de vastgestelde EVRM-schending het gevolg is van procedurefouten of tekortkomingen die dermate ernstig zijn dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging (artikel 442quinquies, lid 1, Wetboek van Strafvordering). De tweede grondvoorwaarde voor de heropening van de rechtspleging is dat de verzoekers zeer ernstige nadelen blijven ondervinden van de verdragsschending, waarbij de heropening van de rechtspleging de enige mogelijkheid van rechtsherstel betreft (artikel 442quinquies, lid 1, Wetboek van Strafvordering)
(6).
  1. In casu werpen verzoekers op dat er een schending zou zijn van artikel 6.
  2. EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn betreffende de herstelvordering, hierbij verwijzend naar het arrest Hamer van het Europees Hof van 27.11.2007
(7)
(8). Meer bepaald stellen verzoekers dat de herstelvordering van de gemachtigde ambtenaar pas 9 jaar na het vaststellen van de verwaarlozing door verzoekers werd opgesteld, gevolgd door het instellen van de herstelvordering. Zij zijn van oordeel dat zij belangrijke financiële schade hebben ondergaan die nog niet is beëindigd, temeer nu het Vlaams Gewest de betaling van dwangsommen verbonden aan de herstelmaatregel die een schending zou uitmaken van artikel 6.1. EVRM blijft benaarstigen. 16. Alvorens de vraag aan de orde is of de overschrijding van de redelijke termijn en de schending van artikel 6 EVRM die daaruit voortvloeit al dan niet een grond is om tot een heropening van de rechtspleging te besluiten
(9), lijkt het mij dat het Hof op de eerste plaats zal dienen te oordelen of er sprake is van de door verzoekers opgeworpen overschrijding van de redelijke termijn betreffende de herstelvordering. 17. In burgerlijke zaken begint de periode voor de berekening van de redelijke termijn te lopen vanaf de datum van de gedinginleiding. In strafzaken begint de periode voor de berekening van de redelijke termijn te lopen vanaf het moment dat een persoon het voorwerp uitmaakt van een vervolging, dit is vanaf het ogenblik dat hij in verdenking is gesteld of wegens enige andere daad van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek onder de dreiging van een strafvervolging leeft, waardoor hij verplicht is bepaalde maatregelen te nemen om zich te verdedigen tegen de beschuldiging
(10). De datum van het misdrijf, dan wel het voortgezet of voortdurend karakter van de misdrijven, is niet bepalend voor de aanvang van de redelijke termijn
(11).
  1. De handhaving van de strafrechtelijk gesanctioneerde inbreuken op het (toenmalige) Monumentendecreet werd geregeld door de artikelen 13, 14 en 15 van hoofdstuk V “Handhaving” van het Monumentendecreet. Zo bepaalde artikel 14, §1, lid 1, Monumentendecreet dat, onverminderd de bevoegdheden van de burgemeesters en de agenten en officieren van gerechtelijke politie, de door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaren bevoegd zijn om de inbreuken op de bepalingen, die bij of krachtens dit decreet zijn opgelegd, op te sporen en vast te stellen. Hun vaststellingen worden vastgelegd bij proces-verbaal dat bewijskracht heeft tot het tegendeel bewezen is. De overtreder wordt binnen vijftien dagen van het proces-verbaal op de hoogte gebracht via een aangetekende brief met ontvangstbewijs (artikel 14, lid 2 Monumentendecreet). Artikel 15, §1 van het Monumentendecreet voorzag dat de rechtbank, onverminderd de straf en de eventuele schadeloosstelling, op vordering van de door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaren, beveelt de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen. De herstelvordering wordt door de ambtenaren aangewezen door de Vlaamse regering, in naam van het Vlaamse Gewest, bij het parket ingeleid door een gewone brief. De vordering vermeldt minstens de geldende voorschriften en een omschrijving van de toestand die aan het misdrijf voorafging en de termijn binnen dewelke het herstel in de oorspronkelijke staat dient te gebeuren. De door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaren brengen het proces-verbaal met herstelvordering eveneens ter kennis van de stedenbouwkundig inspecteur (artikel 15, §1 derde en vierde lid, Monumentendecreet).
  2. Spijts het burgerlijk karakter van de herstelvordering, lijkt het mij in deze dat het aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn het tijdstip zal zijn waarop verzoekers wisten dat zij het voorwerp uitmaakten van een strafvervolging in de zin van artikel 6.
  3. EVRM en van de erbij horende herstelvordering, dit is zoals reeds aangehaald vanaf het ogenblik dat hij in verdenking is gesteld of wegens enige andere daad van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek onder de dreiging van een strafvervolging leeft, waardoor hij verplicht is bepaalde maatregelen te nemen om zich te verdedigen tegen de beschuldiging. Uit de procedurele antecedenten (cfr. supra I) blijkt dat de inspectiediensten van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed (Inspectie RWO) op 5 november 2008 een proces-verbaal hebben opgesteld lastens verzoekers met betrekking tot de vastgestelde inbreuken op het Monumentendecreet. Dit proces-verbaal werd op 13 november 2008 overgemaakt aan de procureur des Konings te Tongeren en conform artikel 14, §1 Monumentendecreet aangetekend ter kennis gebracht aan verzoekers. Op 5 februari 2009 werd overeenkomstig artikel 15 van het Monumentendecreet een herstelvordering opgesteld door de gemachtigde ambtenaar en overgemaakt aan de procureur des Konings te Hasselt. Naar aanleiding van het proces-verbaal van 5 november 2008 werd door de procureur des Konings te Hasselt een opsporingsonderzoek ingesteld waarin verzoekers in uitvoering van een rechtshulpverzoek gericht aan Nederland op 4 februari 2009 in Nederland werden verhoord door de politiediensten. Vervolgens bracht de procureur des Konings op 24 april 2009 dagvaarding uit lastens verzoekers om te verschijnen voor de correctionele rechtbank te Hasselt op 2 juni
  4. Uit het bundel blijkt verder dat de verzoekers tevoren meermaals werden aangemaand door de bestuurlijke overheden (de dienst Monumenten en Landschappen Limburg van de Vlaamse overheid en het gemeentebestuur van de gemeente Tessenderlo), om behalve beveiligingswerken ook instandhoudings- en onderhoudswerken uit te voeren aan hun eigendommen. Ter zake werd verwezen naar de aangetekende brieven van respectievelijk van 18 oktober 2000 (Monumenten en Landschappen Limburg), 3 september 2003 (gemeentebestuur Tessenderlo), 9 augustus 2004 (gemeentebestuur Tessenderlo) en 14 december 2004 (Monumenten en Landschappen Limburg). Deze ingebrekestellingen en aanmaningen, die erop gericht zijn verzoekers attent te maken op hun verplichtingen als eigenaars van een geklasseerd monument en hen aan te manen hun verplichtingen na te komen, lijken mij echter niet tot gevolg te hebben dat verzoekers vanaf dan reeds onder de vrees leefden van een strafvervolging of van een herstelvordering. Het lijkt mij dat dergelijke ingebrekestellingen niet kunnen beschouwd worden als daden waardoor de in gebreke gestelde persoon onder de dreiging van een strafvervolging leeft. Ik merk hierbij nog op dat de verzoekers vervolgd en veroordeeld werden voor verzuims- of omissiedelicten die zich situeren in de periode van 17 november 2004 tot 5 februari 2009, met name door in gebreke te zijn gebleven om de noodzakelijke herstellings- en onderhoudswerken uit te voeren aan de daken en de muren na een brand (brand die plaats vond in november 2004), instortingen en verval door de weerselementen. Het opstellen op 5 november 2008 van het proces-verbaal lastens verzoekers lijkt het beginpunt te zijn voor de aanvang van de redelijke termijn
(12). De verzoekers stellen dan ook ten onrechte dat er een termijn van meer dan 9 jaar is verstreken, zodat de door verzoekers aangekaarte miskenning van de redelijke termijn en daaruit voortvloeiende Verdragsschending, niet aan de orde lijkt te zijn. 20. Uit het voorgaande lijkt het mij dan ook dat er geen grond is om een heropening van de rechtspleging te bevelen nu niet blijkt dat er een beslissing werd genomen die ten gronde strijdig zou zijn met het EVRM of dat er sprake zou zijn van procedurefouten of -tekortkomingen ingevolge enige schending van dit verdrag die dermate ernstig zijn dat er ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging. CONCLUSIE: het verzoek tot heropening van de rechtspleging lijkt mij ontvankelijk doch ongegrond. ________________________
(1)Dit Decreet werd met ingang van 1 januari 2015 opgeheven en vervangen door het Decreet van de Vlaamse Raad van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed.
(2)Lid 2 werd toegevoegd bij artikel 116 van de wet van 5 februari 2016, B.S. 19 februari 2016.
(3)Cass. 2 oktober 2018, AR P.180770.N, AC 2018, nr. 521; F. VAN VOLSEM, “Tien jaar toepassing van de heropening van de rechtspleging in strafzaken in België”, in J. De CODT, B. DECONINCK, A. HENKES en D. THIJS (eds), 50 jaar Gerechtelijk Wetboek. Wat nu?, Brussel, Larcier, 2018, 669.
(4)Cass. 7 november 2018, AR P.18.0949.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181107.12 en AR P.18.0950.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181107.12, AC 2018, nr. 616 met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas.
(5)F. VAN VOLSEM, “Tien jaar toepassing van de heropening van de rechtspleging in strafzaken in België”, o.c., p. 668.
(6)Zie T. DECAIGNY, “De gevolgen van een arrest van het Hof van Cassatie en de relatie tot andere hoge rechtscolleges”, in Cassatie in strafzaken (W. VAN EECKHOUTTE en J. GHYSELS eds.), Antwerpen, Intersentia, 2014, n° 482; F. VAN VOLSEM, “Tien jaar toepassing van de heropening van de rechtspleging in strafzaken in België”, o.c., p. 677-682.
(7)EHRM, 27 november 2007, Hamer t. België, nr. 21861/03.
(8)Voor wat betreft de herstelvordering en de redelijke termijn: P. VANSANT, “De herstelmaatregelen. Samenloop van herstelvorderingen – De verjaring van de herstelvordering – De herstelvordering van de redelijke termijn”, in VAN HOORICK G., VANSANT P., Zakboekje Handhaving Ruimtelijke Ordening 2015, 250-263.
(9)De rechtsleer lijkt die vraag negatief te beantwoorden: A. VERHEYLESONNE en O. KLEES, “La loi belge du 1er avril 2007 relative à la réouverture de la procédure pénale à la suite d’un arrêt de condamnation de la Cour européenne des droits de l’homme”, Rev.trim.D.H., 2008, p. 799; E. LAMBERT, “La pratique récente de réparation des violations de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l’homme et des libertés fondamentales: plaidoyer pour la préservation d’un acquis remarquable”, Rev. trim. D.H., 2000, p. 224; zie ook concl. van eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF bij Cass. 13 april 2010, AR P.10.0005.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100413.5, AC 2010, nr. 255.
(10)Zie ook: VANDERMEERSCH, D., “Le contrôle et la sanction du dépassement du délai raissonable aux différents stades du procès pénal”, Rev.dr.pén. 2010, afl. 9-10, p. 981, met verwijzing naar cassatierechtspraak en rechtspraak van het E.H.R.M.
(11)Zie Cass. 22 december 2010, AR P.09.1243.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101222.14, AC 2010, nr. 760; Cass. 23 mei 2017, AR P.17.0186.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170523.3, AC 2017, nr. 347 met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS, NC 2017, afl. 6, 562-565, met noot J. MEESE: “De aanvang van de redelijke termijn bij voortgezette, voortdurende en samenhangende misdrijven”.
(12)Cfr. EHRM, 27 november 2007, Hamer t. België, n° 21861/03. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201117.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100413.5 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101222.14 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150113.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170523.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181107.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.