id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127.REUN.1 Rolnummer: C.17.0010.N Zaak: E. DE KOCK NV contra D. Kamer: REUN - Ch.Réunies/Verenigde Kamers Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-05-16 Raadplegingen: 989 - laatst gezien 2026-06-18 19:23 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.1 Fiche 1 De verduidelijkingen die de Raad van State op vraag van de partijen verschaft met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen om aan de onregelmatigheden te remediëren die tot de nietigverklaring van de bestuurshandeling hebben geleid, delen niet in het gezag van gewijsde van het arrest en zijn bijgevolg niet bindend voor de rechter die na de vernietiging uitspraak zal moeten doen over bijkomend herstel dat nog moet worden geboden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE Vrije woorden: Afdeling bestuursrechtspraak - Arrest van nietigverklaring - Verduidelijking in verband met te nemen uitvoeringsmaatregelen - Aard Wettelijke bepalingen: Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij KB van 12 januari 1973 - 12-01-1973 - Art. 35/1 - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Fiche 2 Het cassatieberoep gericht tegen de motieven van een vernietigingsarrest waarin de Raad van State verduidelijkingen verschaft met betrekking tot maatregelen die moeten worden genomen om te verhelpen aan de onwettigheid die tot de nietigverklaring heeft geleid, betreft geen attributieconflict ten aanzien waarvan het Hof van Cassatie zijn regulerende opdracht in verband met de respectieve bevoegdheid van de rechterlijke orde en de Raad van State heeft te vervullen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CONFLICT VAN ATTRIBUTIE Vrije woorden: Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Arrest van nietigverklaring - Verduidelijking in verband met te nemen uitvoeringsmaatregelen - Cassatieberoep - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 609, 2° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij KB van 12 januari 1973 - 12-01-1973 - Artt. 33, eerste lid, en 35/1 - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Tekst van de conclusie C.17.0010.N Conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier:
- Situering Eiseres is een onderneming die actief is in grond-, wegenis- en afbraakwerken en onder andere sedert 1980 een zandgroeve (…) exploiteert. Naar aanleiding van een door haar ingediende milieuvergunningsaanvraag verleende de deputatie van de provincie Vlaams – Brabant op 19 november 2009 de basisvergunning voor het verder exploiteren en uitbreiden van de zandgroeve mits oplegging van een aantal bijzondere exploitatievoorwaarden. Het tegen deze vergunning ingesteld beroep leidde tot drie opeenvolgende beslissingen van de Vlaams minister van Leefmilieu die telkens werden vernietigd of geschorst door de Raad van State. Bij ministerieel besluit van 15 oktober 2015 werd door de Vlaamse minister andermaal een beslissing genomen waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams – Brabant van 19 november 2009 gedeeltelijk gegrond werden verklaard en de beroepen beslissing werd gewijzigd. Dit besluit van de Vlaamse minister werd bij arrest van 8 december 2016 (in de zaak A.217.477/VII-39.531) door de Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak, vernietigd. Aan het Vlaamse gewest werd bevel gegeven binnen een termijn van vijf maanden na kennisgeving een nieuwe beslissing te nemen. Tegen dit arrest voert eiseres in haar voorziening in cassatie één middel aan. Eiseres voert aan dat de omstandigheid dat op grond van artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State aan de Raad de mogelijkheid wordt geboden om in de motieven te verduidelijken welke maatregelen moeten worden genomen om de onwettigheid te verhelpen die heeft geleid tot de vernietiging, niets verandert aan de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken van de Rechterlijke macht om zich uit te spreken over geschillen inzake burgerlijke rechten. Door te beslissen dat de uitgesproken nietigverklaring de (basis)beslissing van 19 november 2009 van de Bestendige deputatie niet doet herleven, heeft de Raad in werkelijkheid een burgerlijk geschil met betrekking tot een subjectief recht beslecht waarvan de bevoegdheid enkel toekomt aan de hoven en rechtbanken en heeft zij onwettig de door eiseres opgeworpen exceptie van onbevoegdheid op dat punt verworpen.
- Bespreking 2.
- Het naast elkaar bestaan in ons rechtsstelsel van de justitiële en de administratieve rechter sluit de mogelijkheid in van conflicten nopens hun onderscheiden bevoegdheid. Deze attributieconflicten, die zich voordoen wanneer tussen twee machten geen overeenstemming bestaat over hun onderscheiden bevoegdheden, hebben dus in het bijzonder betrekking op problemen van bevoegdheidsverdeling tussen de rechterlijke en de uitvoerende macht. Ten grondslag aan dergelijke betwistingen tussen organen van verschillende machten ligt het beginsel van de scheiding der machten
(1). Krachtens artikel 158 GW is de beslechting van dergelijke attributiegeschillen opgedragen aan het Hof van Cassatie op de wijze door de wet geregeld. Het Hof doet krachtens artikel 609, 2°, Ger.W. uitspraak over de voorziening in cassatie tegen de arresten waarbij de afdeling administratie van de Raad van State beslist van de vordering geen kennis te kunnen nemen, daar deze tot de bevoegdheid van de rechterlijke overheid behoort, en tegen de arresten waarbij de genoemde afdeling afwijzend beschikt op een exceptie van onbevoegdheid, gegrond op de overweging dat de vordering tot de bevoegdheid van deze overheid behoort. Uw Hof oordeelt
(2)dat uit deze bepalingen volgt dat de arresten van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die uitspraak doen over de bevoegdheid of onbevoegdheid van deze afdeling slechts voor het Hof van Cassatie kunnen worden aangevochten wanneer hierdoor een geschil van attributie ontstaat tussen de Raad van State en de rechterlijke overheid en het Hof aldus zijn regulerende opdracht in verband met de respectieve bevoegdheid van de rechterlijke orde en de Raad van State heeft te vervullen. De bevoegdheid van de Raad van State wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring
(3). Het werkelijk en rechtstreeks voorwerp is niet altijd hetgeen formeel wordt gevorderd. In functie van de aangevoerde middelen moet worden nagegaan wat men daadwerkelijk wil bereiken met het beroep
(4). Er moet dus worden nagegaan of een beroep dat formeel de vernietiging nastreeft van een beslissing van een administratieve overheid in feite toch niet een betwisting over subjectieve rechten betreft, in welk geval de Raad van State zich zonder rechtsmacht moet verklaren. De omstandigheid dat de nietigverklaring van een voor de Raad van State aangevochten rechtshandeling een weerslag heeft of kan hebben op enig burgerlijk of politiek recht of op de uitoefening ervan, is echter niet voldoende om de bevoegdheid van de Raad van State uit te sluiten
(5). Het is dus niet voldoende dat een annulatiemiddel de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State
(6). 2.2. Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State krachtens artikel 14, §1, 1° van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State uitspraak doet over een beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen een akte of reglement van een administratieve overheid en vaststelt dat deze bestuurshandeling onregelmatig is spreekt hij de vernietiging van die handeling uit. Deze vernietiging volstaat vaak, maar niet altijd, om volledig rechtsherstel tot stand te brengen. Door het annulatiearrest verdwijnt de vernietigde rechtshandeling weliswaar uit de rechtsorde maar soms moet de overheid nog bijkomende handelingen stellen om de rechtsorde volledig te herstellen. Wat daartoe allemaal moet gebeuren is niet steeds even duidelijk en kon in het verleden tot heel wat discussie aanleiding geven. De betrokken overheid moest immers zelf uitmaken wat zij bijkomend nog moest doen om de vernietiging zijn volle uitwerking te geven en volledig rechtsherstel te bieden aan de verzoeker. De Raad kon de overheid niet reeds in zijn annulatiearrest zelf veroordelen tot het nemen van bijkomende herstelmaatregelen. Slechts wanneer de overheid in gebreke bleef dat rechtsherstel te bieden, kon de Raad van State in het raam van een dwangsomprocedure onder bepaalde voorwaarden concrete injuncties richten tot de overheid en haar tot bepaalde herstelhandelingen dwingen
(7). Dit belette evenwel niet dat de Raad van State zich principieel toch bevoegd achtte om partijen op dat vlak tegemoet te komen en via een ontwikkelde pretoriaanse praktijk het handelen van de overheid in een bepaalde richting stuurde door in de motieven van het arrest concrete vingerwijzingen voor de overheid te formuleren omtrent de wijze waarop rechtsherstel kon gerealiseerd worden
(8). De Raad oordeelde in dat verband dat “waar hij bevoegd is bestreden beslissingen te vernietigen, het hem bezwaarlijk a priori kan ontzegd worden te verhelderen wat die vernietiging inhoudt. Door alleen maar te expliciteren wat reeds in het uitspreken van de vernietiging besloten zit, wordt niet wezenlijk een nieuw of ander voordeel verschaft dan het initieel nagestreefde”
(9)en nog dat “zowel op theoretische als op praktische gronden moet worden aangenomen dat het binnen de bevoegdheid van de Raad van State ligt in een considerans te bepalen welke maatregelen aan rechtsherstel aan de overheid zijn opgelegd ten gevolge van het gezag van gewijsde dat aan het declaratief effect van een vernietigingsgrond toekomt, indien die vernietigingsgrond vaststelt dat de overheid bij het nemen van de vernietigde beslissing tekort is gekomen aan een bepaalde rechtsverplichting tegenover de verzoekende partij, rechtsverplichting die, gelet op de concrete elementen van de zaak en op de toepasselijke wetgeving of reglementering, nog steeds op haar rust na de uitspraak van het vernietigingsarrest”
(10). Bij wet van 20 januari 2014
(11)die beoogde de werking van de Raad van State te verbeteren
(12)werd aan deze praktijk een wettelijke basis gegeven via invoeging van een nieuw artikel 35/1 in de gecoördineerde wetten op de Raad van State, krachtens hetwelk de Raad van State op verzoek van één van de partijen, ten laatste in de laatste memorie, in de motieven van zijn vernietigingsarrest, de maatregelen verduidelijkt die moeten worden genomen om de onwettigheid die heeft geleid tot deze nietigverklaring te verhelpen. Deze bepaling die werd opgenomen in Hoofdstuk III “Uitvoering van arresten en dwangsom”, werd blijkens de parlementaire voorbereidende werkzaamheden ingevoegd van uit de idee dat, wanneer te verwachten valt dat een arrest uitvoerings- of interpretatieproblemen dreigt te veroorzaken door de complexiteit van de zaak, de partijen voor de sluiting van de debatten aan de Raad van State kunnen vragen dat in het arrest wordt verduidelijkt hoe de tenuitvoerlegging ervan wordt gefaciliteerd. Deze verduidelijkingen omvatten de nodige uitleg betreffende de inhoud van het gezag van gewijsde om aan de onregelmatigheden te remediëren die tot de nietigverklaring hebben geleid
(13). Opvallend is dat, in lijn met de door de Raad van State ontwikkelde praktijk, de wettekst zelf uitdrukkelijk stelt dat de verduidelijkingen in de motieven van het vernietigingsarrest moeten worden gegeven en dus niet in het dispositief
(14). Zij zijn dus niet noodzakelijk ter ondersteuning van de vernietiging en delen niet in het gezag van gewijsde van het dispositief van het vernietigingsarrest. Ze zijn evenmin bindend voor de burgerlijke rechter die in voorkomend geval na de vernietiging uitspraak zal moeten doen over het bijkomend herstel
(15). De vingerwijzingen of verduidelijkingen kunnen dus niet aanzien worden als een met gezag van gewijsde bekleed bevel aan de overheid
(16), noch als een effectieve veroordeling
(17). Zij onderscheiden zich ook van het vernietigingsmotief, dat deelt in het gezag van gewijsde erga omnes van de annulatie. Dat vernietigingsmotief geeft met gezag van gewijsde erga omnes te kennen welke rechtsplicht de overheid heeft geschonden en welke rechtsplicht dus op haar rustte ten tijde van het nemen van de beslissing en, in voorkomend geval, nog steeds op haar rust na de vernietiging van haar onregelmatige handeling
(18). Verweerders werpen bijgevolg terecht op dat een verzoek tot verduidelijking kadert in de uitvoering van een arrest dat een administratieve beslissing nietig verklaart en de uitspraak over dit verzoek tot verduidelijking moet onderscheiden worden van een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring zelf. 2.
- Te dezen wordt niet betwist dat het voorwerp van het beroep dat eerste verweerder instelde bij de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, strekte tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, natuur en Landbouw van 15 oktober 2015 waarbij aan eiseres een milieuvergunning werd verleend voor het verder uitbaten van de zandgroeve (…). De Raad van State heeft zich bevoegd verklaard om over dit beroep uitspraak te doen en eiseres werpt niet met betrekking tot dit voorwerp maar wel met betrekking tot het verzoek tot verduidelijking dat eerste verweerder op grond van artikel 35/1 van de wetten op de Raad van State formuleerde, op dat de Raad van State niet bevoegd is deze verduidelijking te doen omdat die verduidelijking een beoordeling van subjectieve rechten in hoofde van eiseres inhield en deze beoordeling behoort tot de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken. Uit wat voorafgaat volgt evenwel dat het cassatieberoep dat gericht is tegen de motieven met betrekking tot een verzoek tot verduidelijking geen conflict van attributie doet ontstaan. Het cassatieberoep is mitsdien niet ontvankelijk. Mocht uw Hof oordelen dat er toch een ontvankelijk cassatieberoep voorligt, mist het middel mijns inziens om volgende redenen feitelijke grondslag. Eiseres richt zijn kritiek uitdrukkelijk tegen het oordeel op pagina 37 van het arrest dat antwoordt op de hieraan voorafgaande overwegingen op de pagina’s 31-
- In zoverre eiseres er van uitgaat dat de bekritiseerde verduidelijking een overweging betreft op pagina 26 van het arrest mist het feitelijke grondslag. De appelrechters hebben bij de beoordeling van de gevraagde verduidelijking enkel een aantal algemene principes van administratief recht in herinnering gebracht waarna zij concluderen dat de administratieve overheid zonder enige moeite zal kunnen afleiden uit de diverse in de zaak gewezen arresten op welke wijze zij rechtsherstel zal moeten verschaffen. Anders dan het middel aanvoert geeft de Raad van State dus geen concrete vingerwijzingen waarmee zij uitspraak zou hebben gedaan over een subjectief recht. Conclusie: verwerping. _____________________________________
(1)Concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL voor Cass. (verenigde kamers) 26 maart 2015, AR C.14.0023.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150326.6, AC 2015, nr. 222.
(2)Cass. (verenigde kamers) 26 maart 2015, AR C.14.0023.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150326.6, AC 2015, nr. 222.
(3)Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, AR C.14.0308.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8, AC 2015, nr. 131.
(4)Zie C. BERX, Rechtsbescherming van de burger tegen de overheid, Antwerpen, Intersentia 2001, 140, nr. 291.
(5)Concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL voor Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, AR C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9, AC 2015, nr. 132; Cass. (verenigde kamers) 13 februari 2004, AR C.03.0428.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040213.12-C.03.0455.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040213.12, AC 2004, nr. 81, met concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN; Cass. (verenigde kamers) 5 februari 1993, AR 8125, AC 1993, nr. 77, met concl. van advocaat-generaal G. D'HOORE; Concl. van toenmalig advocaat-generaal J. VELU voor Cass. (verenigde kamers) 10 april 1987, AC 1986-87, nr. 477.
(6)Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418, met concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN; Cass. (verenigde kamers) 10 september 1999, AR C.97.0402.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990910.4, AC 1999, nr. 451.
(7)S. LUST, “Injunctie en dwangsom voor de Raad van State” in De hervorming van de Raad van State, Administratieve rechtsbibliotheek, Brugge, Die Keure, 2014, 132.
(8)S. LUST, “Volle rechtsmacht, substitutie, injunctie en herstel”, in Actualia rechtsbescherming tegen de overheid, S. LUST, P. SCHOLLEN en S. VERBIST (eds), Intersentia, 2014, p. 25, nrs. 39-40; S. LUST, “Rechtsbescherming tegen de (administratieve) overheid. Een inleiding”, Die Keure, 2010, p. 142, nr. 285.
(9)RvS, 14 oktober 2010, nr. 208.126, Hermans.
(10)RvS, 8 juli 1982, nr. 22 446, Zoete.
(11)Wet van 20 januari 2014 houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State.
(12)Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, p. 2.
(13)Senaat, Wetsontwerp houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State, 5-2277/1, 26; I. OPDEBEECK en S. DE SOMER, Algemeen bestuursrecht, Grondslagen en beginselen, Antwerpen- Cambridge, Intersentia, 2017, nr. 1321.
(14)S. LUST, “Rechtsbescherming tegen de (administratieve) overheid. Een inleiding”, Die Keure, 2014, p. 149, nr. 323.
(15)S. LUST, “Injunctie en dwangsom voor de Raad van State” in De hervorming van de Raad van State, Administratieve rechtsbibliotheek, Brugge, Die Keure, 2014, 134; S. LUST, Integraal rechtsherstel door administratieve rechtscolleges, Brugge, Die Keure, 2016, nr. 43.
(16)S. LUST, “Volle rechtsmacht, substitutie, injunctie en herstel”, in Actualia rechtsbescherming tegen de overheid, S. Lust, P. Schollen en S. Verbist (eds), Intersentia, 2014, p. 27, nr. 41.
(17)S. LUST, “Integraal rechtsherstel door administratieve rechtscolleges”, Die Keure, 2016, p. 49-50, nr. 65.
(18)S. LUST, “Injunctie en dwangsom voor de Raad van State” in De hervorming van de Raad van State, Administratieve rechtsbibliotheek, Brugge, Die Keure, 2014, 132. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127.REUN.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990910.4 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040213.12 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150326.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div