← België

E. DE KOCK nv contra MILIEUSTEUNPUNT HULDENBERG vzw

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127.REUN.2 Rolnummer: C.17.0114.N Zaak: E. DE KOCK nv contra MILIEUSTEUNPUNT HULDENBERG vzw Kamer: REUN - Ch.Réunies/Verenigde Kamers Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-05-16 Raadplegingen: 1057 - laatst gezien 2026-06-19 05:46 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 Fiches 1 - 3 Waar de Raad van State weliswaar zonder rechtsmacht is wanneer de vordering strekt tot de nietigverklaring of schorsing van een administratieve rechtshandeling waarbij een administratieve overheid weigert een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht van verzoeker en het aangevoerd middel gebaseerd is op een regel van materieel recht die deze verplichting in het leven roept en het geschil inhoudelijk bepaalt, doet de loutere omstandigheid dat de uitspraak over een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een besluit van de Vlaams minister vereist dat de Raad van State ook uitspraak doet over het bestaan en de omvang van het recht om zich te beroepen op een verleende vergunning, geen afbreuk aan de rechtsmacht van de Raad van State

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE Vrije woorden: Afdeling bestuursrechtspraak - Rechtsmacht - Werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering - Arrest van schorsing - Uitspraak over bestaan en omvang van het recht om zich te beroepen op een verleende vergunning - Gevolg Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 144 en 145 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij KB van 12 januari 1973 - 12-01-1973 - Artt. 14, § 1, en 17, § 1 - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Thesaurus CAS: CONFLICT VAN ATTRIBUTIE Vrije woorden: Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Rechtsmacht - Werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering - Arrest van schorsing - Uitspraak over bestaan en omvang van het recht om zich te beroepen op een verleende vergunning - Gevolg Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 144 en 145 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij KB van 12 januari 1973 - 12-01-1973 - Artt. 14, § 1, en 17, § 1 - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Rechtsmacht - Besluit van de Vlaams Minister - Vordering tot schorsing - Werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering - Arrest van schorsing - Uitspraak over bestaan en omvang van het recht om zich te beroepen op een verleende vergunning - Gevolg Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 144 en 145 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij KB van 12 januari 1973 - 12-01-1973 - Artt. 14, § 1, en 17, § 1 - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Tekst van de conclusie C.17.0114.N Conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier:
  1. Feiten en procedure Eiseres is een onderneming die actief is in grond-, wegenis- en afbraakwerken en onder andere sedert 1980 een zandgroeve (…) exploiteert. Naar aanleiding van een door haar ingediende milieuvergunningsaanvraag verleende de deputatie van de provincie Vlaams – Brabant op 19 november 2009 de basisvergunning voor het verder exploiteren en uitbreiden van de zandgroeve mits oplegging van een aantal bijzondere exploitatievoorwaarden. Het tegen deze vergunning ingesteld beroep leidde tot drie opeenvolgende beslissingen van de Vlaamse minister van Leefmilieu die telkens werden vernietigd of geschorst door de Raad van State. Bij ministerieel besluit van 15 oktober 2015 werd andermaal de milieuvergunning afgeleverd, maar deze werd bij arrest van 8 december 2016 door de Raad van State vernietigd. Tegen dit arrest stelde eiseres cassatieberoep in. Dit beroep maakt het voorwerp uit van het eveneens voor verenigde kamers van Uw Hof gebrachte dossier C.17.0010.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.
  2. De gewestelijke toezichthouders stelden evenwel vast dat de exploitatie van de zandgroeve gewoon verder ging en gaven eiseres een aanmaning tot stopzetting. Ondanks deze aanmaning werd de exploitatie verdergezet. Hiervan werden diverse processen-verbaal opgesteld en uiteindelijk ging de toezichthouder van de afdeling Milieu-inspectie op 5 oktober 2016 over tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel tot stopzetting van de activiteiten. Hierbij werd er op gewezen dat volgens de Raad van State het vernietigingsarrest niet tot gevolg heeft dat de vergunning verleend door de bestendige deputatie opnieuw rechtskracht verkrijgt en eiseres bijgevolg niet beschikt over een vergunning tot het exploiteren van de zandgroeve. Het hoger beroep dat eiseres tegen deze administratieve maatregel instelde werd bij beslissing van 14 december 2016 door de Vlaams minister van Leefmilieu gedeeltelijk gegrond verklaard. Meer bepaald werd beslist om de bestuurlijke maatregel van staking van de activiteiten te bevestigen maar de inwerkingtreding van deze maatregel op te schorten tot aan de uitspraak van de Minister in het kader van de milieuvergunningsaanvraag, wat in essentie neerkwam op de toelating tot het uitvoeren van vergunningsplichtige activiteiten zonder over de nodige milieuvergunning te beschikken
(1). Eerste verweerster vorderde bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit. Eiseres wierp daarbij op dat de Raad van State onbevoegdheid/gebrek aan rechtsmacht had om te oordelen over het lot van de exploitatie van de zandgroeve gezien enkel de hoven en rechtbanken hiervoor bevoegd zijn. De Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak, verwerpt evenwel deze exceptie op de grond dat de vordering tot schorsing en het verzoek tot voorlopige maatregelen, die accessoria zijn van het beroep tot nietigverklaring, gericht zijn tegen een uitvoerbare administratieve overheidshandeling die er het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van is en die tot de rechtsmacht van de Raad van State behoren. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de nietigverklaring het subjectief recht van de betrokkene beperkt. Bij arrest van 31 januari 2017 schorst de Raad van State bij uiterst dringende noodzakelijkheid het bestreden ministerieel besluit en wordt aan het Vlaamse gewest het bevel opgelegd de exploitatie stop te (laten) zetten onder verbeurte van een dwangsom. De Raad van State overweegt hierbij dat de verleende vergunning in eerste aanleg niet herleeft naar aanleiding van de vernietiging van de in beroep verleende milieuvergunning en de exploitatie gedurende de gehele periode als onvergund moet worden beschouwd gelet op de gevolgen van een vernietigingsarrest. De tegen dit arrest ingestelde voorziening vormt het voorwerp van huidig dossier en voert in essentie dezelfde argumentatie aan als deze ontwikkeld in bovenvermeld dossier C.17.0010.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.
  1. Eiseres voert in essentie aan dat artikel 17, §§1 en 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat aan de Raad de uitdrukkelijke mogelijkheid biedt om bij arrest de schorsing te bevelen van de tenuitvoerlegging van een akte of reglement vatbaar voor vernietiging krachtens artikel 14, §§1 en 3, en om alle maatregelen te bevelen die nodig zijn om de belangen veilig te stellen van de partijen of de personen die een belang hebben bij de beslechting van de zaak, niets verandert aan de regel dat uitsluitend de hoven en rechtbanken de bevoegdheid hebben om zich uit te spreken over burgerlijke rechten. Zij stelt dat het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de bestreden beslissing in wezen slaat op de vraag of eiseres het subjectief recht bezit om haar exploitatie te blijven verderzetten conform de voorwaarden van de vergunning die in eerste aanleg werd verleend door de bestendige deputatie nu die vergunning herleeft ingevolge het vernietigingsarrest van de Raad van state. Door te oordelen dat de op 8 december 2016 uitgesproken vernietiging van de milieuvergunning de beslissing van de bestendige deputatie van 19 november 2009 niet doet herleven zou de Raad van State zich hebben uitgesproken over het subjectief recht van eiseres om de exploitatie al dan niet verder te kunnen zetten, wat in werkelijkheid een beslechting inhoudt van een burgerlijk geschil over een subjectief recht waarvan de beoordeling enkel toekomt aan de hoven en rechtbanken.
  2. Bespreking 2.
  3. Het naast elkaar bestaan in ons rechtsstelsel van de justitiële en de administratieve rechter sluit de mogelijkheid in van conflicten nopens hun onderscheiden bevoegdheid. Deze attributieconflicten, die zich voordoen wanneer tussen twee machten geen overeenstemming bestaat over hun onderscheiden bevoegdheden, hebben dus in het bijzonder betrekking op problemen van bevoegdheidsverdeling tussen de rechterlijke en de uitvoerende macht. Ten grondslag aan dergelijke betwistingen tussen organen van verschillende machten ligt het beginsel van de scheiding der machten
(2). Krachtens artikel 158 GW is de beslechting van dergelijke attributiegeschillen opgedragen aan het Hof van Cassatie. Het Hof doet krachtens artikel 609, 2°, Ger.W. uitspraak over de voorziening in cassatie tegen de arresten waarbij de afdeling administratie van de Raad van State beslist van de vordering geen kennis te kunnen nemen, daar deze tot de bevoegdheid van de rechterlijke overheid behoort, en tegen de arresten waarbij de genoemde afdeling afwijzend beschikt op een exceptie van onbevoegdheid, gegrond op de overweging dat de vordering tot de bevoegdheid van deze overheid behoort. Uw Hof oordeelt
(3)dat uit deze bepalingen volgt dat de arresten van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die uitspraak doen over de bevoegdheid of onbevoegdheid van deze afdeling slechts voor het Hof van Cassatie kunnen worden aangevochten wanneer hierdoor een geschil van attributie ontstaat tussen de Raad van State en de rechterlijke overheid en het Hof aldus zijn regulerende opdracht in verband met de respectieve bevoegdheid van de rechterlijke orde en de Raad van State heeft te vervullen. 2.2. De bevoegdheid van de Raad van State wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring
(4). Het werkelijk en rechtstreeks voorwerp is niet altijd hetgeen formeel wordt gevorderd. In functie van de aangevoerde middelen moet worden nagegaan wat men daadwerkelijk wil bereiken met het beroep
(5). Er moet dus worden nagegaan of een beroep dat formeel de vernietiging nastreeft van een beslissing van een administratieve overheid in feite toch niet een betwisting over subjectieve rechten betreft, in welk geval de Raad van State zich zonder rechtsmacht moet verklaren. Volgens de vaste rechtspraak van Uw Hof en van de Raad van State zal zulks het geval zijn wanneer is voldaan aan twee connexe voorwaarden waarbij niet alleen acht moet worden geslagen op het voorwerp van de vordering maar ook op het aangevoerde middel
(6). In de eerste plaats is immers vereist dat de bestreden rechtshandeling de weigering inhoudt van een administratieve overheid om een rechtsplicht uit te voeren die beantwoordt aan een subjectief recht waarvan de rechtzoekende beweert titularis te zijn. Deze eerste voorwaarde houdt dus verband met het voorwerp van het beroep, met datgene wat wordt gevorderd, namelijk de erkenning of de vaststelling van het bestaan van een subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende, aangezien hij voldoet aan alle voorwaarden waarvan het objectief recht deze aanspraak afhankelijk maakt. De eerste voorwaarde is alleen maar vervuld wanneer de bevoegdheid van de administratie volledig gebonden is
(7). De tweede voorwaarde heeft betrekking op de middelen die tot staving van het annulatieverzoek worden aangevoerd. De Raad van State heeft geen rechtsmacht wanneer het aangevoerde annulatiemiddel wordt afgeleid uit de schending van de rechtsregel welke die verplichting vestigt
(8). De omstandigheid dat de nietigverklaring van een voor de Raad van State aangevochten rechtshandeling een weerslag heeft of kan hebben op enig burgerlijk of politiek recht of op de uitoefening ervan, is echter niet voldoende om de bevoegdheid van de Raad van State uit te sluiten
(9). Het is dus niet voldoende dat een annulatiemiddel de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State
(10). 2.3. Te dezen trad eerste verweerster op als eiseres voor de Raad van State omdat de Vlaamse Minister besliste om een bestuurlijke maatregel van de milieu-inspectie tot stopzetting van de exploitatie niet volledig te bevestigen maar deze stopzetting de facto werd opgeschort zodat eiseres onvergund kon verder exploiteren. De Raad van State oordeelt dat de vordering gericht is tegen een uitvoerbare administratieve overheidshandeling die er het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van is en legt een voorlopige maatregel op die inhoudt dat het Vlaamse gewest het bevel krijgt om tot op de datum waarop zijn beslissing omtrent de milieuvergunningsaanvraag aan alle partijen wordt ter kennis gebracht alle werkzaamheden in de zandgroeve onmiddellijk stop te (laten) zetten onder verbeurte van een dwangsom. Eiseres stelt in haar voorziening dat het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de bestreden beslissing ertoe leidt dat eiseres haar exploitatie moet stopzetten en het geschil dus in essentie gaat over het burgerlijk recht van eiseres om op basis van een verleende, maar nog betwiste vergunning de inrichting te mogen exploiteren. Anders dan eiseres aanvoert bestaat het werkelijk voorwerp van de vordering tot schorsing niet in het opwerpen van een geschil betreffende een subjectief recht waarover verweerster als verzoekende partij in de procedure bij de Raad van State beschikt en waarvan zij vraagt dat de administratie dit subjectief recht dat zij ten aanzien van de administratie bezit, moet eerbiedigen. Er werd ook geen middel aangevoerd dat betrekking had op een subjectief recht in hoofde van de verzoekende partij. De loutere omstandigheid dat de beslissing tot schorsing een weerslag heeft op de uitoefening van een subjectief recht in die zin dat de Raad van State ook uitspraak doet over het bestaan en de omvang van het recht van eiseres om zich te beroepen op een vergunning verleend door de deputatie doet geen afbreuk aan de rechtsmacht van de Raad van State. Het middel kan niet worden aangenomen. Conclusie: verwerping. _______________________________________
(1)Zie R.v.St. 31 januari 2017, arrest nr. 237.214, randnummer 12.2.
(2)Concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL vóór Cass. (verenigde kamers) 26 maart 2015, AR C.14.0023.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150326.6, AC 2015, nr. 222.
(3)Cass. (verenigde kamers) 26 maart 2015, AR C.14.0023.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150326.6, AC 2015, nr. 222.
(4)Cass. (Verenigde kamers) 19 februari 2015, AR C.14.0308.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8, AC 2015, nr. 131.
(5)Zie C. BERX, Rechtsbescherming van de burger tegen de overheid, Antwerpen, Intersentia 2001, 140, nr. 291.
(6)Concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL voor Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, AR C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9, AC 2015, nr. 132.
(7)Concl. van advocaat-generaal T. Werquin voor Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418.
(8)C. BERX, Rechtsbescherming van de burger tegen de overheid, Antwerpen, Intersentia 2001, 140, nrs. 293-95; zie ook B. LOMBAERT, F. TULKENS en A. VAN DER HAEGEN, “Cohérences et incohérences de la théorie de l'objet véritable et direct du recours”, in H. DUMONT, P. JADOUL en S. VAN DROOGHENBROECK (eds), La protection juridictionnelle du citoyen face à l'administration, Brussel, La Charte 2007, 27.
(9)Concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL voor Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, AR C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9, AC 2015, nr. 132; Cass. (verenigde kamers) 13 februari 2004, AR C.03.0428.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040213.12-C.03.0455.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040213.12, AC 2004, nr. 81, met concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN; Cass. (verenigde kamers) 5 februari 1993, AR 8125, AC 1993, nr. 77, met concl. van advocaat-generaal G. D'HOORE; Concl. van toenmalig advocaat-generaal J. VELU voor Cass. (verenigde kamers) 10 april 1987, AC 1986-87, nr. 477.
(10)Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418, met concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN; Cass. (verenigde kamers) 10 september 1999, AR C.97.0402.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990910.4, AC 1999, nr. 451. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127.REUN.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990910.4 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040213.12 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150326.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.1 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.338 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.393 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.670 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.