id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127.REUN.3 Rolnummer: C.17.0303.N Kamer: REUN - Ch.Réunies/Verenigde Kamers Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht - Arbeidsrecht - Overige Invoerdatum: 2022-05-16 Raadplegingen: 850 - laatst gezien 2026-06-18 16:57 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.3 Fiches 1 - 4 Het beroep van een werkgever tegen een beslissing van het paritair comité waarbij dit weigert om een toetredingsakte inzake niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen goed te keuren, is geen individueel geschil betreffende de toepassing van collectieve arbeidsovereenkomsten waarvan de kennisname, bij uitsluiting van de Raad van State, behoort tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE Vrije woorden: Afdeling bestuursrechtspraak - Rechtsmacht - Werkgever - Invoering van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen - Negatieve beslissing paritair comité - Beroep bij de Raad van State - Aard - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 578, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij KB van 12 januari 1973 - 12-01-1973 - Art. 14, § 1, 1° - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Wet 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008 - 21-12-2007 - Art. 9 - 43 ELI link Pub nr 2007012809 Thesaurus CAS: CONFLICT VAN ATTRIBUTIE Vrije woorden: Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Werkgever - Invoering van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen - Negatieve beslissing paritair comité - Beroep bij de Raad van State - Aard - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 578, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij KB van 12 januari 1973 - 12-01-1973 - Art. 14, § 1, 1° - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Wet 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008 - 21-12-2007 - Art. 9 - 43 ELI link Pub nr 2007012809 Thesaurus CAS: COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST Vrije woorden: Werkgever - Invoering van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen - Negatieve beslissing paritair comité - Beroep bij de Raad van State - Aard - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 578, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij KB van 12 januari 1973 - 12-01-1973 - Art. 14, § 1, 1° - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Wet 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008 - 21-12-2007 - Art. 9 - 43 ELI link Pub nr 2007012809 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Sociale zaken (bijzondere regels) Vrije woorden: Arbeidsrechtbank - Individueel geschil betreffende de toepassing van collectieve arbeidsovereenkomsten - Werkgever - Invoering van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen - Negatieve beslissing paritair comité - Beroep bij de Raad van State - Aard - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 578, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij KB van 12 januari 1973 - 12-01-1973 - Art. 14, § 1, 1° - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Wet 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008 - 21-12-2007 - Art. 9 - 43 ELI link Pub nr 2007012809 Tekst van de conclusie C.17.0303.N Conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier Situering Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat verweerder krachtens de wet van 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008, op 13 juni 2013 een toetredingsakte en een toetredingsplan opstelde tot invoering van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen en deze indiende ter griffie van de algemene directie Collectieve arbeidsbetrekkingen van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (FOD WASO). Een dergelijk collectief stelsel van voordelen, dat moet ten goede komen van een gehele onderneming of welomschreven groep van werknemers en die gebonden zijn aan collectieve resultaten die afhankelijk zijn van de verwezenlijking van collectieve doelstellingen geniet een bijzondere sociaalrechtelijke en fiscaalrechtelijke behandeling. Bij beslissing van 14 oktober 2013 keurt het paritair comité 330 voor gezondheidsinrichtingen en -diensten bij het uitvoeren van de vorm- en marginale controle de toetredingsakte en het toetredingsplan af omdat de erin vermelde doelstellingen pas moeten gehaald worden op het eind van de referteperiode en er geen follow-up is voorzien. Verweerder diende op 28 januari 2014 bij de Raad van State een verzoekschrift tot nietigverklaring in tegen deze weigeringsbeslissing en voerde aan dat het paritair comité, dat weliswaar de bevoegdheid heeft om de vorm- en marginale controle te doen van de ingediende toetredingsakte en -plan, weigerde op onjuiste gronden. De Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak, overloopt bij arrest nr. 238.088 van 4 mei 2017 de doelstellingen van voormelde wet van 21 december 2007 en wijst er op dat de voorwaarden, modaliteiten en procedures betreffende de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen in hoofdzaak worden geregeld door de CAO nr. 90 van 20 december 2007 betreffende niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 februari 2008. De Raad oordeelt dat het paritair comité weliswaar zijn bevoegdheid om een vorm- en marginale controle uit te oefenen put uit de wet van 21 december 2007 maar het, voor wat betreft de maatstaven en de toetsingscriteria bij deze controle, aangewezen is op wat in (artikel 15 van) voormelde CAO is bepaald. De Raad oordeelt dat het vernietigingsberoep er toe noopt te beoordelen of de negatieve beslissing van het paritair comité en de motieven waarop die beslissing steunt rechtens kan worden verantwoord binnen de vorm- en marginale controle waarin de CAO voorziet en dit onvermijdelijk een oordeel zou inhouden van de inhoud, de betekenis, de draagwijdte en de toepassing van de in die CAO vervatte bepalingen. Het beantwoorden van die rechtsvragen betreft, aldus de Raad, een individueel geschil waarvan de wetgever de kennisname op grond van artikel 578, 3° Ger.W. heeft opgedragen aan de arbeidsgerechten. De Raad van State verklaart zich op die grond zonder rechtsmacht om van het annulatieberoep kennis te nemen. 1. Bespreking 2.1. De voorziening tegen het arrest nr.238.088 van 4 mei 2017, dat werd ter kennis gebracht op 11 mei 2017, werd ter griffie van uw Hof ingesteld op 7 juni 2017. Overeenkomstig artikel 33 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen bij het Hof van Cassatie aanhangig worden gemaakt, de arresten waarbij de afdeling bestuursrechtspraak beslist van de eis geen kennis te kunnen nemen op grond dat die kennisneming binnen de bevoegdheid der rechterlijke overheden valt. Het cassatieberoep wordt bij request der belanghebbende partij en overeenkomstig het Gerechtelijk Wetboek ingediend. Een koninklijk besluit bepaalt de vormen en de termijnen van rechtspleging. Het Hof doet uitspraak in verenigde kamers. Artikel 1 van het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948, tot vaststelling van de formaliteiten en de termijnen inzake cassatieberoep tegen de arresten van de Raad van State bepaalt dat de termijn om zich in cassatie te voorzien gebracht wordt op 30 dagen vanaf de kennisgeving van het arrest aan de belanghebbende partijen. De voorziening is naar termijn en naar voorwerp ontvankelijk. 2.2. Eiser beschikt tevens over het vereiste belang om tegen deze beslissing een voorziening in cassatie in te stellen. Uw Hof, in Verenigde kamers, oordeelde in dit verband
(1)dat de overheid die een individuele overheidshandeling heeft gesteld die voor de Raad van State wordt bestreden, er belang bij heeft te horen bepalen of de kennisneming al dan niet binnen de rechtsmacht van de rechtscolleges van de rechterlijke orde valt wanneer de Raad van State de rechtsmacht verwerpt die de overheid voorstond. De overheid heeft in dergelijk geval wel een belang om te horen zeggen welke instantie het geschil moet beoordelen en blijft dat belang behouden ook wanneer de individuele maatregel voorlopig overeind blijft doordat de Raad van State zich zonder rechtsmacht heeft verklaard om erover te oordelen. 2.3. Ontvankelijkheid van het middel. Het Hof van Cassatie moet als enige in de Belgische rechtsorde beslissen over conflicten van attributie. Die grondwettelijke opdracht houdt in dat het een regulerende opdracht heeft in verband met de respectieve opdrachten van de rechterlijke orde en van de Raad van State. Beslissingen waarin de Raad van State uitspraak doet over de grenzen van zijn bevoegdheid ten aanzien van de bevoegdheid van de rechtscolleges van de rechterlijke orde, moeten in de regel door het Hof van Cassatie op dat vlak kunnen worden getoetst
(2). Wanneer Uw Hof rechtsgeldig kennis neemt van een voorziening tegen een arrest van de Raad van State, is de omvang van zijn bevoegdheid aanzienlijk kleiner dan wanneer het over voorzieningen in andere materies uitspraak heeft te doen. Het wezenlijk doel van uw toezicht is te weten of het geschil dat bij de Raad van State aanhangig werd gemaakt, tot de bevoegdheid van de Raad van State dan wel van de rechtscolleges van de rechterlijke orde behoort. De middelen tot staving van de voorziening kunnen het Hof niet gelijk welke wetsovertreding of gelijk welke vormschending voorleggen
(3). Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest zich niet wettig zonder rechtsmacht heeft verklaard omdat het beroep tot nietigverklaring een geschil aanhangig maakt dat op grond van artikel 578, 3° Ger.W. behoort tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, is dienvolgens ontvankelijk. 2.4. Het middel zelf 2.4.1. De bevoegdheid van de Raad van State wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring
(4). Uit het bestreden arrest blijkt dat het beroep tot nietigverklaring is gericht tegen de beslissing van paritair comité 330 voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten betreffende de toetredingsakte en het toekenningsplan in het raam van de regelgeving met betrekking tot niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen. Meer bepaald betreft dit het beroep van een werkgever tegen de weigeringsbeslissing van voormeld paritair comité om een toetredingsakte inzake niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen goed te keuren. Cruciaal is te dezen of dit een individueel geschil betreft als bedoeld in artikel 578, 3° Ger.W. 2.4.
- Artikel 3 van de wet van 21 december 2007 tot uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-08 definieert niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen als voordelen gebonden aan de collectieve resultaten van een onderneming, van een groep van ondernemingen of van een welomschreven groep van werknemers op basis van objectieve criteria. Krachtens artikel 4 worden de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen ingevoerd in overeenstemming met de procedures, modaliteiten en voorwaarden opgelegd door de wet en door de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad. De werkgever die, in overeenstemming met de CAO nr. 90 gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad, het initiatief neemt tot invoering van dergelijk voordeel via een toetredingsakte moet daarbij de opmaakprocedure volgen zoals geregeld bij wet van 21 december
- Na ontvankelijke neerlegging ter griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de FOD WASO wordt de toetredingsakte met het toetredingsplan overgemaakt aan het bevoegde paritair comité met het oog op de uitoefening van de vorm- en marginale controle waarin is voorzien in de CAO. Indien de beslissing van het paritair comité negatief is, waarbij de beslissing nauwkeurig de tekortkomingen van de toetredingsakte met toetredingsplan moet aanduiden, is de toetredingsakte afgekeurd. Die beslissing wordt meegedeeld aan voormelde griffie die op zijn beurt de werkgever inlicht. Zowel uit de aard van de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen, de te volgen procedure als de toelichting bij artikel 3 van CAO nr. 90 volgt dat de doelstellingen van het systeem gekoppeld zijn aan de onderneming die de voordelen wil invoeren maar niet aan de individuele werknemers. Er kan slechts worden genoten van een bijzondere sociaalrechtelijke en fiscaalrechtelijke behandeling indien aan een aantal voorwaarden is voldaan. Niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen worden uit het loonbegrip gesloten tot beloop van een forfaitair maximumbedrag per werknemer op voorwaarde dat ze afhangen van collectieve resultaten van een onderneming, een groep van ondernemingen of een groep van werknemers. De voordelen hangen af van de verwezenlijking van duidelijk aflijnbare, transparante, definieerbare, meetbare en verifieerbare doelstellingen, met uitzondering van individuele doelstellingen en doelstellingen waarvan de verwezenlijking kennelijk zeker is op het ogenblik van de invoering van het systeem. Ze worden dus toegekend op basis van objectieve criteria, waarbij het bereiken van de doelstellingen niet mag vaststaan bij de invoering van het systeem. Indien er geen redelijke twijfel over bestaat dat de doelstellingen ook zouden gehaald zijn zonder het invoeren van het systeem van niet resultaatsgebonden voordelen wordt men uitgesloten van het systeem. Het moet dus gaan over collectieve doelstellingen die een collectieve toekenning van de voordelen meebrengen. Het toetredingsplan moet wel de elementen bevatten om, eens de globale enveloppe is toegekend, deze individueel per werknemer te verdelen. De voordelen mogen ook niet worden ingevoerd ter vervanging of omzetting van loon, premies, voordelen in natura of enig ander voordeel al dan niet onderworpen aan sociale zekerheidsbijdragen. Zoals de toelichting bij artikel 3 van de cao nr.90 het voorziet mag het systeem er niet toe leiden dat loon vermomd wordt onder de vorm van resultaatsgebonden voordelen door de toekenning van die voordelen pro forma afhankelijk te maken van bepaalde doelstellingen. Mits is voldaan aan die voorwaarden en de procedures zoals bepaald door de wet van 21 november 2007 en, in uitvoering hiervan, door CAO nr.90 gesloten in de nationale Arbeidsraad zijn gevolgd, worden de voordelen enkel onderworpen aan een bijzondere werkgeversbijdrage van 33 % en is een solidariteitsbijdrage verschuldigd door de werknemer. Zij zijn, binnen bepaalde mate, vrijgesteld van inkomstenbelasting en bedrijfsvoorheffing. 2.4.
- Artikel 9§1 van de wet van 21 december 2007 belast het bevoegde paritair comité met een vormcontrole en een marginale controle op de toetredingsakte. De uitwerking van die controle gebeurt bij CAO nr. 90 waarvan artikel 15, §1 voorziet dat de vormcontrole geen betrekking heeft op de opportuniteit van het toetredingsplan maar wel op de verplichte vermeldingen van de toetredingsakte en het toetredingsplan en op de eventuele voeging van een reeds bestaand stelsel van resultaatsgebonden voordelen. De marginale controle wordt krachtens artikel 15, §2 verricht naar een duidelijke overtreding van de antidiscriminatiewetgeving. Het paritair comité verifieert daarbij uitsluitend dat de vaststelling van de onderneming of de groep van werknemers waarvoor het voordeel wordt ingevoerd, de modulering van de voordelen en de berekeningselementen om het aandeel van de werknemer te bepalen niet stoelen op criteria zoals ras, geslacht, afkomst, huidskleur, leeftijd, geloof, taal, handicap enz... zoals bepaald in diverse wetten ter bestrijding van discriminatie. De werkgever is overeenkomstig artikel 17 van de CAO verplicht om de betrokken werknemers te informeren over de beslissing van het paritair comité tot goed- dan wel afkeuring van het plan. In geen enkele wettelijke bepaling wordt uitdrukkelijk de mogelijkheid voorzien om een beroep in te stellen tegen een negatieve beslissing van het paritair comité. 2.4.
- Uit wat voorafgaat volgt dat een positieve beslissing van het paritair comité vereist is opdat de onderneming of de werkgever kan genieten van de vrijstelling van sociale zekerheidsbijdragen op de niet recurrente resultaatsgebonden voordelen. Indien het paritair comité als administratieve overheid weigert de toetredingsakte goed te keuren zou men kunnen oordelen dat deze beslissing een rechtstreekse invloed heeft op de omvang van de te betalen sociale zekerheidsbijdragen door de werkgever
(5). Een ruime interpretatie van artikel 580,1° Ger. W. doet dan besluiten tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten om hierover te oordelen. De beslissing van de Raad van State om zich zonder rechtsmacht te verklaren blijft dan op deze grond naar recht verantwoord zodat het cassatieberoep dient te worden verworpen. Van deze mogelijkheid tot verwerping van het middel op grond van substitutie van motieven wordt kennis gegeven aan eiser overeenkomstig artikel 1097/1 Ger.W. 2.4.
- Hiertegen kan evenwel worden ingebracht dat het paritair comité dat als administratieve overheid de beslissing nam, geen instelling is die belast is met de toepassing van wetgeving inzake sociale zekerheid. Evenmin betreft het in de huidige fase een geschil betreffende de verplichtingen van de werkgever opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid. Deze situatie verschilt derhalve van de situatie waarbij nadien tussen de werkgever en de RSZ een geschil ontstaat over de omvang van de verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen of over het begrip loon, en waar de arbeidsrechtbank krachtens artikel 580 Ger.W. bevoegd zal zijn om hiervan kennis te nemen. De rechter kan dan bij die gelegenheid de wettigheid beoordelen van de weigeringsbeslissing van het paritair comité en desgevallend die beslissing buiten toepassing laten op grond van artikel 159 GW. Persoonlijk ben ik dus van oordeel dat anderszins dient beslist te worden. De voorziening steunt op een schending van artikel 578, 3° Ger.W. dat bepaalt dat de arbeidsrechtbank kennis neemt van de individuele geschillen betreffende de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomsten. 2.4.5.
- Eiser voert mijns inziens terecht aan dat te dezen het geschil niet zuiver de toepassing van een collectieve arbeidsovereenkomst betreft die, in de zin van artikel 578, 3° Ger.W., de individuele en collectieve betrekkingen tussen werkgevers en werknemers regelt. Het betreft wel een geschil over de vorm- en marginale controle waarvan de wet de uitvoering heeft toevertrouwd aan het paritair comité volgens de modaliteiten uitgewerkt bij CAO. Het paritair comité oefent hierbij, conform artikel 38,4 CAO-wet, een taak uit die hem door de wet via de CAO werd toevertrouwd en niet rechtstreeks door de CAO. 2.4.5.
- Eiser voert verder terecht aan dat er evenmin sprake is van een individueel geschil zoals bedoeld in artikel 578, 3° Ger.W. en steunt zich hierbij op de rechtspraak van Uw Hof dat uit de systematiek van de artikelen 578 tot 583 Ger.W. volgt dat in artikel 578 Ger.W. geschillen bedoeld zijn die ontstaan tussen personen die betrokken zijn in een arbeidsverhouding in ondergeschiktheid of een daarmee gelijkgestelde verhouding, dan wel tussen werknemers voor zover die geschillen op de arbeidsverhouding betrekking hebben. Zo oordeelde Uw Hof
(6)dat een geschil tussen een interbedrijfsgeneeskundige dienst en een werkgever omtrent de niet-betaling door laatstbedoelde van de in art. 120bis van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming omschreven retributie, geen geschil is als bedoeld bij art. 578, 7°, Gerechtelijk Wetboek, zodat de arbeidsrechtbank er geen kennis van vermag te nemen. Te dezen werd het geding ingeleid door een werkgever maar was dit niet gericht tegen een werknemer, zodat van partijen betrokken in een arbeidsverhouding in ondergeschiktheid of een daarmee gelijkgestelde verhouding geen sprake is. De Raad van State die met schending van artikel 578, 3° Ger.W. oordeelt dat het te dezen ingestelde annulatieberoep een individueel geschil betreffende de toepassing van collectieve arbeidsovereenkomsten betreft en zich op die grond niet bevoegd verklaart om van het geschil kennis te nemen, verantwoordt bijgevolg zijn beslissing niet naar recht. Het middel komt gegrond voor. Conclusie: Vernietiging met verwijzing. _________________________
(1)Cass. (verenigde kamers) 15 oktober 2009, AR C.09.0019.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091015.1, AC 2009, nr. 584.
(2)Cass. (verenigde kamers) 15 oktober 2009, AR C.09.0019.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091015.1, AC 2009, nr. 584.
(3)Zie de concl. van toenmalig advocaat-generaal J. VELU vóór Cass.10 april 1987, AR nr. 5590 en 5619, AC 1986-1987, nr. 477.
(4)Cass. (Verenigde kamers) 19 februari 2015, AR C.14.0308.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8, AC 2015, nr. 131.
(5)Vgl Cass. (Verenigde kamers) 29 januari 1981, AC 1981, nr. 315.
(6)Cass. 29 september 1989, AR 6858, AC 1989-90, nr. 67 met concl. van Procureur-generaal Krings. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127.REUN.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091015.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div