← België

D. contra Fluvius System Operator

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 01 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201201.2N.11 Rolnummer: P.19.1024.N Zaak: D. contra Fluvius System Operator Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-08-04 Raadplegingen: 1124 - laatst gezien 2026-06-18 17:41 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.11 Fiche 1 De omstandigheid dat een appellant in zijn verklaring van hoger beroep aangeeft dit rechtsmiddel te richten tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis, maar in het grievenformulier slechts grieven aanvoert tegen bepaalde beslissingsonderdelen, heeft niet tot gevolg dat de saisine van het appelgerecht zich uitstrekt tot alle beschikkingen van het beroepen vonnis; zij is beperkt tot die beslissingsonderdelen waartegen de appellant grieven aanvoert, alsook tot de beslissingsonderdelen die daarmee onafscheidelijk zijn verbonden

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Hoger beroep van de beklaagde - Onbeperkt hoger beroep - Grievenformulier - Grieven beperkt tot bepaalde beslissingsonderdelen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 203 en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 3 Indien een beklaagde in zijn verzoekschrift of grievenformulier aangeeft te zijn gegriefd door de uitspraak over de schuld betreffende een of meerdere telastleggingen, zonder aan te geven dat hij is gegriefd door de beslissing over de tegen hem gerichte burgerlijke rechtsvordering, dan is de saisine van het appelgerecht beperkt tot de beslissing over de schuld van de beklaagde op strafgebied en de daarmee onafscheidelijk verbonden beslissingen; het beslissingsonderdeel betreffende de schuld van een beklaagde op strafgebied en dat betreffende de burgerlijke rechtsvordering, zelfs al hebben ze betrekking op dezelfde feiten, zijn geen onafscheidelijk verbonden beslissingen voor de toepassing van artikel 204 Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Hoger beroep van de beklaagde - Onbeperkt hoger beroep - Verzoekschrift met grieven of grievenformulier - Aankruisen van enkel de grief schuld - Effect op de beslissing van de burgerlijke rechtspleging Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Strafzaken - Hoger beroep van de beklaagde - Onbeperkt hoger beroep - Verzoekschrift met grieven of grievenformulier - Aankruisen van enkel de grief schuld - Rechtsmacht van het rechtscollege in hoger beroep - Omvang Annotaties Publicaties: De Juristenkrant [Juristenkrant] - VANWALLEGHEM, Pim; Noot 'Grievenformulier hoger beroep: Cassatie verduidelijkt andermaal' - 2021, nr. 422, p. 7. Tekst van de conclusie P.19.1024.N Conclusie van advocaat-generaal Bart De Smet: “Het effect van de grief over de schuld op de burgerlijke vordering in hoger beroep”
  1. a)Bestreden beslissing en middel 1. Eiser wordt samen met een medebeklaagde P.I. vervolgd wegens uitbating van een cannabisplantage in een woning die hij huurde. Hij werd in eerste aanleg veroordeeld wegens handel en bezit van cannabis (A) en diefstal van elektriciteit (B). Hem werd een hoofdgevangenisstraf van 22 maanden, een geldboete van 1.000€ en een bijzondere verbeurdverklaring van 135.360€ opgelegd. Op burgerlijk vlak kende de correctionele rechtbank te Limburg, afd. Tongeren, aan burgerlijke partij Fluvius System Operator CVBA (voorheen INFRAX CVBA) een schadevergoeding toe van 37.661,03€. 2. Tegen het vonnis van de correctionele rechtbank hebben eiser en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. De rechtsvraag is of de appelrechters rechtsmacht (saisine) hadden om het verweer op burgerlijk gebied te behandelen. Uit de processtukken blijkt dat eiser zijn verklaring van hoger beroep (art. 203 Sv.) heeft gericht tegen alle onderdelen van het beroepen vonnis. Voor het verplicht aanvoeren van grieven (art. 204 Sv.) maakte eiser geen gebruik van het standaardformulier van het KB van 23 november 2017 (BS 1 december 2017), maar van een verzoekschrift met grieven. Daarin is enkel rubriek 2) Grieven met betrekking tot de beoordeling van de schuld aangekruist en ingevuld, meer bepaald onderdeel
  2. a)Over de uitspraak over schuld/onschuld t.a.v. volgende tenlasteleggingen. Eiser vermeldde daarbij: “De eerste rechter leidt de schuld af uit het simpele feit dat cliënt het betrokken pand huurde. Er zijn geen verdere bewijzen”. In vak 6) Grieven met betrekking tot de beslissingen op burgerrechtelijk gebied van eisers verzoekschrift was alleen een schuine streep getrokken. 3. Op strafgebied werd eenheid van opzet vastgesteld tussen de ten laste gelegde feiten en deze waarvoor hij in 2016 werd veroordeeld. Het hof van beroep achtte de eerdere veroordeling (18 maanden gevangenisstraf en geldboete van 1.000€) onvoldoende als bestraffing voor het geheel van de vermengde feiten, en heeft als bijkomende straffen een gevangenisstraf van 12 maanden en een geldboete van 500€ opgelegd. De bijzondere verbeurdverklaring werd behouden. 4. De appelrechters hebben ambtshalve opgeworpen of zij rechtsmacht hadden te oordelen over de burgerlijke vordering, en de partijen de kans gegeven daarover standpunt in te nemen. Het bestreden arrest stelt dat als de eiser alleen op strafgebied een grief formuleert over de schuld, daaruit niet volgt dat de rechter in hoger beroep gevat is om uitspraak te doen op burgerrechtelijk gebied (p. 8). De appelrechters namen aan dat hun rechtsmacht beperkt was tot de beoordeling van schuld op strafgebied en van de straftoemeting (p. 9). 5. Eiser voert als enig middel een schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvordering. Hij stelt dat zijn hoger beroep gericht was tegen alle beschikkingen van het vonnis en een grief inzake schuld zich “uitstrekt naar de burgerlijke vordering”, zelfs als geen aparte grief over de burgerlijke vordering is aangebracht. Een grief over schuld houdt impliciet maar noodzakelijk een grief in over het bestaan van het misdrijf als fout die dient als grondslag voor de burgerlijke vordering. Aldus hadden de appelrechters zich moeten uitspreken over de burgerlijke vordering. Het cassatieberoep is gericht tegen alle beschikkingen van het bestreden arrest.
  3. a)Beoordeling 6. Artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de partij die hoger beroep instelt op straffe van verval van haar hoger beroep nauwkeurig de grieven moet bepalen die tegen het bestreden vonnis worden ingebracht. Het verzoekschrift of grievenschrift moet binnen de termijn van hoger beroep worden ingediend
(1). 7. Het is vaste rechtspraak dat een grief de specifieke aanwijzing is door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt
(2). Het gaat om een punt van kritiek tegen een rechterlijke beslissing, zonder dat het grievenschrift concrete verweermiddelen of argumenten tegen de beslissing moet bevatten
(3). Het volstaat dat de eiser in hoger beroep aanduidt wat hij precies wil aanvechten, tegen welke beslissingsentiteit zijn rechtsmiddel is gericht
(4). 8. Het Hof oordeelde meermaals dat de verplichting van het grievenschrift een doelmatiger behandeling van strafzaken in hoger beroep beoogt, het recht op hoger beroep niet in de kern aantast en verenigbaar is met het recht op een eerlijk proces, mits de beoordeling van de grieven niet overdreven formalistisch is (art. 6 EVRM)
(5). Ook het Grondwettelijk Hof acht de verplichting grieven aan te brengen, op straffe van verval van het hoger beroep, verenigbaar met het recht op een eerlijk proces, voor zover de eiser geen verweermiddelen tegen het vonnis moet inbrengen in het grievenschrift
(6). 9. Uit de samenhang van artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering volgt dat de omvang van het hoger beroep, de aspecten waarover de appelrechter zich mag uitspreken, in eerste instantie wordt bepaald door de verklaring van hoger beroep. Een onderdeel van het beroepen vonnis dat niet in de verklaring van hoger beroep wordt bestreden, kan niet via het grievenformulier toch aan de beoordeling van het rechtscollege in hoger beroep worden voorgelegd
(7). Daarnaast dient de rechter in hoger beroep zijn onderzoeksopdracht (saisine) af te bakenen aan de hand van de nauwkeurige grieven die de eiser in hoger beroep tijdig aanbracht. De verklaring van hoger beroep en het grievenschrift zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden
(8). 10. Bij de beoordeling van de nauwkeurigheid van een grief dient de strafrechter een evenwicht van belangen na te streven. Het Hof oordeelde meermaals; “Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet om het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden, voor zover die een wettig doel dienen en er een redelijke verhouding bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Die voorwaarden mogen er niet toe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast. Bij de toepassing van die voorwaarden mag de rechter niet overdreven formalistisch zijn zodat de billijkheid van de procedure wordt aangetast of overdreven soepel zodat de opgelegde voorwaarden inhoudsloos worden”
(9). Wanneer een uiterste van aangebrachte grieven wordt geëist, dreigt een overmatig formalisme, en bijgevolg uitholling van het recht op een eerlijk proces
(10).
  1. Dit evenwicht aanbrengen is niet evident als de beklaagde karig is met informatie in zijn grievenschrift. Mag de strafrechter zomaar uit het invullen van de rubriek 2a) “Over de uitspraak over schuld/onschuld t.a.v. volgende tenlasteleggingen” (st. 92) afleiden dat naast de strafvordering ook de burgerlijke vordering deel uitmaakt van het debat?
  2. Uitgangspunt is dat de rechter in hoger beroep zich niet mag blindstaren op vakken in het grievenschrift die niet zijn ingevuld of aangekruist. Het grievenschrift moet in zijn geheel worden beschouwd
(11). Het Hof oordeelde dat het niet-aankruisen van een rubriek in het grievenschrift niet tot gevolg heeft dat er over deze rubriek geen grief voorligt, wanneer uit de overige vermeldingen van het grievenformulier blijkt dat dit laatste wel degelijk een nauwkeurig bepaalde grief bevat over het onderdeel van de beroepen beslissing dat in de niet-aangekruiste rubriek wordt bedoeld
(12). Het feit dat het specifieke vak 6 van grieven over de ‘beslissingen op burgerrechtelijk gebied’ (st. 90) niet is ingevuld hoeft dus geen obstakel te zijn om de burgerlijke vordering toch in tweede aanleg te behandelen. Wel moet er zekerheid zijn dat de aangekruiste grief de behandeling van het luik schadevergoeding toelaat. De appelrechter beschikt hiervoor over enige beoordelingsmarge. 13. Het interpreteren van een grief en zijn weerslag op andere grieven is niet aan de orde als de veroordeelde beklaagde de juiste grief formuleert tegen een onsplitsbaar onderdeel van een rechterlijke beslissing. Het Grondwettelijk Hof oordeelde over het grievenformulier en het ambtshalve aanvoeren van grieven dat de schuldigverklaring “een groot aantal andere elementen van de strafrechtelijke beslissing beïnvloedt, met inbegrip van de burgerrechtelijke gevolgen ervan, die eruit voortvloeien”
(13). Het Grondwettelijk Hof verwijst over het belang van de grief ‘schuldigverklaring’ naar de parlementaire voorbereiding van de Wet van 5 februari 2016 (BS 19 februari 2016), waarbij is aangegeven dat het aankruisen van een grief over schuld noodzakelijk een grief over de straf impliceert
(14). Van de eiser in hoger beroep wordt niet verwacht grieven in ondergeschikte orde, of subsidiaire grieven aan te voeren
(15). Schuld vormt de basis voor straf. Betwist de beklaagde de schuld, en blijkt dit voldoende uit de akte van hoger beroep en zijn grievenschrift, dan kan hij verweer voeren over de straftoemeting. Verder houdt het aankruisen van het vak ‘schuld’ in dat de regelmatigheid van de bewijsvoering aan bod komt, hoewel er een apart vak bestaat
(1)over de gevolgde procedure
(16). Omgekeerd kan het enkel aankruisen van de grief ‘procedure’, waarbij de appellant uitsluiting vraagt van onregelmatig bekomen bewijs, ertoe leiden dat de appelrechter de schuld opnieuw moet beoordelen, ook als de grief schuld niet is aangeduid
(17). 14. Op het eerste zich vormen de strafvordering en de burgerlijke vordering een onlosmakelijk geheel, omdat ze beiden steunen op eenzelfde sokkel, het misdrijf. De beklaagde die op tegenspraak is veroordeeld en zijn onschuld staande houdt, streeft doorgaans de vrijspraak na op strafgebied en daaruit voortvloeiend de ongegrondheid van de burgerlijke vordering. Om dit doel te bereiken moet hij wel het rechtsmiddel van hoger beroep in de ruimste zin aanwenden, ervoor zorgen dat als de rechter in hoger beroep de feiten niet bewezen acht, hij geen enkel nadeel meer ondervindt van wat de eerste rechter heeft beslist. Ligt de nadruk op soepelheid van het grievenstelsel, dan kan men aanvoeren dat een grief over schuld volstaat voor een globale beoordeling van de zaak in hoger beroep
(18). Men mag niet uit het oog verliezen dat het grievenstelsel het recht van de beklaagde intact laat om op te komen tegen alle voor hem nadelige beslissingen. Met het invullen van de juiste grieven kan de veroordeelde beklaagde een volledig nieuw proces bekomen, over alle punten waarover de eerste rechter zich uitsprak
(19). 15. In eerste aanleg is het processchema eenvoudig, als alle partijen deelnemen aan het debat. Wanneer de strafrechter de beklaagde vrijspreekt van de telastlegging waarop de burgerlijke vordering is gesteund, dient hij zich onbevoegd te verklaren om over de burgerlijke vordering te oordelen of de burgerlijke vordering af te wijzen als ongegrond
(20). In tweede aanleg is die logica minder duidelijk. De rechter in hoger beroep mag maar van de zaak kennis nemen binnen de perken van de akte van hoger beroep en het grievenschrift (devolutieve werking van het hoger beroep)
(21). De veroordeelde beklaagde is niet verplicht alle aspecten van de beroepen beslissing aan het oordeel van het rechtscollege in hoger beroep te onderwerpen. Zijn hoger beroep kan onbeperkt of partieel zijn. 16. De kern van het probleem is dat de beslissing over de strafvordering en de burgerlijke aansprakelijkheid voor de behandeling van de zaak in hoger beroep geen onsplitsbaar geheel vormen. De beide onderdelen van de beslissing in eerste aanleg komen in graad van beroep alleen maar samen als de beklaagde dit wil. De beklaagde kan in hoger beroep alleen opkomen tegen de veroordeling op strafgebied en berusten in de veroordeling tot schadevergoeding of omgekeerd
(22). 17. Een grief kan uitsluitend betrekking hebben op de veroordeling op burgerlijk gebied
(23). Het is niet aan de appelrechter om de omvang van het hoger beroep te bepalen, maar aan de beklaagde zelf. Het enkele feit dat de beklaagde als grief ‘schuld’ aankruist en in zijn grievenschrift met geen woord rept over de burgerlijke vordering, lijkt mij niet te volstaan om de burgerlijke vordering aan het rechtscollege in hoger beroep voor te leggen. Centraal in het grievenstelsel staat de verantwoordelijkheid van de partij die hoger beroep instelt
(24). Deze partij moet er niet op rekenen dat bepaalde onderdelen waartegen hij wil opkomen, maar niet uit zijn grievenschrift blijken, toch voorwerp van debat worden, wegens een welwillende houding van de appelrechter of een hoger beroep van een tegenpartij. 18. Partijen die hoger beroep instellen moeten ervoor zorgen dat hun grieven duidelijk zijn, zodat het rechtscollege in hoger beroep en de tegenpartijen meteen weten tot welke onderdelen het debat is beperkt. Ook moeten de eisende partijen beseffen dat door hun grievenschrift de omvang van het debat in hoger beroep op bindende wijze vastligt, na het verstrijken van de termijn van hoger beroep. Vanuit deze optiek kan het standpunt van de appelrechters worden bijgetreden. Veronderstellingen over de omvang van een grief volstaan niet. Dit geldt trouwens voor alle partijen. In een zaak waarbij de beklaagde was vrijgesproken had het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld, met als enige grief ‘strafmaat’. Het Hof verwierp het argument dat met deze grief het openbaar ministerie impliciet opkomt tegen de vrijspraak
(25).
  1. Het grievenstelsel mag niet overdreven streng, maar ook niet overdreven soepel zijn. Essentieel is de voorspelbaarheid van wat de rechter in hoger beroep kan en mag beslissen op basis van een concrete grief. Rechtszekerheid is van fundamenteel belang voor het vertrouwen in het gerecht en de belangen van alle partijen in het proces. De bevoegdheid van de strafrechter is van openbare orde en moet zo nauwkeurig mogelijk worden afgelijnd.
  2. Grieven zijn volgens het Hof nauwkeurig bepaald in de zin van artikel 204 Sv. wanneer de rechter in hoger beroep en de partijen met zekerheid de beslissingen van het beroepen vonnis kunnen bepalen waarvan de appellant de hervorming vraagt, met andere woorden wanneer door de grieven kan worden bepaald in welke mate, binnen welke grenzen de zaak bij het rechtscollege in hoger beroep aanhangig is gemaakt
(26). De rechter in hoger beroep oordeelt aan de hand van het grievenschrift welke beslissingen van het beroepen vonnis de eiser in hoger beroep (appellant) wil hervormd zien
(27). Het Hof gaat wel na of het appelgerecht uit zijn vaststellingen over de omvang van zijn rechtsmacht geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(28). 21. De verplichting voor elke eiser in hoger beroep om zijn nauwkeurige grieven tegen de beroepen beslissing tijdig mee te delen, op straffe van verval van het hoger beroep, kadert in de betrachting van de wetgever de behandeling van zaken in hoger beroep efficiënter te laten verlopen
(29). Minister van Justitie Koen Geens gaf aan dat het grievenschrift nodig is om de zaak zonder uitstel te kunnen behandelen. Zowel de rechter in hoger beroep als de verweerder (geïntimeerde) moeten zich aan de hand van het grievenformulier kunnen voorbereiden voor de eerste terechtzitting
(30). 22. Over het aspect van efficiëntie oordeelde het Hof: “Uit de tekst van artikel 204 Wetboek van Strafvordering en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de wetgever door het invoeren van de verplichting om de tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis geformuleerde grieven nauwkeurig te bepalen, een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep beoogt en in het bijzonder nutteloze werklast en kosten wil vermijden door niet langer niet-betwiste beslissingen aan de appelrechter voor te leggen. Door de verplichting de grieven nauwkeurig te bepalen wordt de appellant gedwongen na te denken over de wenselijkheid en de gevolgen van het instellen van het hoger beroep en kan de geïntimeerde dadelijk uitmaken welke beslissingen van het eerste vonnis worden betwist en waarover hij in hoger beroep verweer zal moeten voeren”
(31). 23. Dat de strafvordering en de burgerlijke vordering aparte beslissingsonderdelen zijn, blijkt uit de mogelijkheid van partieel hoger beroep en daaraan verbonden de mogelijke tegenstrijdigheid van beslissingen op deze onderdelen. Deze tweespalt kon reeds ontstaan voor invoering van het grievenstelsel bij Wet van 5 februari 2016 (BS 19 februari 2016). De beklaagde kon en kan in zijn akte van hoger beroep alleen de beslissing op strafgebied of de beslissing op burgerlijk vlak vermelden
(32). Nu kan dit beperkt hoger beroep ook uit het grievenschrift blijken. Dit kan ertoe leiden dat de rechter hem in hoger beroep vrijspreekt, en de burgerlijke aansprakelijkheid vastgesteld door de eerste rechter definitief is. 24. Schuld en straf maken wel deel uit van eenzelfde beslissingsonderdeel of koker. De strafrechter die de enkele grief van de beklaagde over schuld beoordeelt en de veroordeling op strafgebied bevestigt, mag er zich niet toe beperken de straf opgelegd door de eerste rechter over te nemen, zonder enig debat over straftoemeting, omdat de beklaagde de grief van straf niet expliciet had aangeduid
(33). In een zaak over een grief over straftoemeting oordeelde het Hof: “de doelstelling van de strafvordering en de aan de orde zijnde belangen vallen volstrekt niet te vergelijken met die van de burgerlijke rechtsvordering”
(34). Als de beklaagde een onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld, en hij de strafvordering en de burgerlijke vordering aan het appelgerecht wil voorleggen, is het logisch dat hij over elk onderdeel grieven aanvoert, minstens het vak ‘burgerlijke rechtsvordering’ openlaat.
  1. Men kan bijgevolg de strafvordering en de burgerlijke vordering opvatten als twee aparte beslissingsonderdelen. De rechter in hoger beroep moet met zekerheid weten of de beklaagde als eiser een nieuwe beslissing wil over elk onderdeel. Mij komt voor dat eiser in zijn grievenschrift geen klaarheid bracht over welke onderdelen van het beroepen vonnis hij hervormd wil zien. Noch in het aangeduide vak 2 over schuld, noch in de rubriek 6 over de burgerlijke vordering, heeft eiser iets meegedeeld over de uitbreiding van het aspect schuld naar de burgerlijke vordering.
  2. Het Grondwettelijk Hof definieert grief als een onderdeel van de beslissing die de eiser wil laten hervormen
(35). Over dit aspect oordeelde het Grondwettelijk Hof dat “wat de strafvordering betreft”, de mogelijke beschikkingen zijn: de schuld, de kwalificatie van het misdrijf, de voorschriften betreffende de rechtspleging, de strafmaat, de internering, het niet toepassen van het gevraagde gewoon uitstel, het probatie-uitstel, de gewone opschorting of de probatie-opschorting, de verbeurdverklaring, de andere maatregelen zijnde de herstelmaatregel of de dwangsom, de verjaring, de schending van het EVRM, de vrijspraak en de andere beschikkingen. Het Grondwettelijk Hof stelde “ten aanzien van de burgerlijke vordering zijn de beschikkingen de ontvankelijkheid, het causaal verband, de schadebegroting (cijfers), de interesten en de andere beschikkingen”
(36). Deze rechtspraak lijkt te impliceren dat de grief over schuld alleen verband houdt met de beslissing van de eerste rechter op strafgebied.
  1. Besluit. Wanneer de burgerlijke partij geen hoger beroep instelt, kan de rechter in hoger beroep de zaak alleen in zijn geheel behandelen als hij daartoe een duidelijke opdracht krijgt van de beklaagde, in akte van hoger beroep en zijn grievenschrift. De beslissingen over de strafvordering en de burgerlijke vordering vormen aparte onderdelen in het beroepen vonnis en het door eiser ingevulde grievenschrift. Ze vormen geen onlosmakelijk geheel, omdat de beklaagde zijn hoger beroep tot één onderdeel kan beperken. Mij komt voor dat het alleen invullen van een vak over schuld aan een telastlegging, zonder enige beschouwing over het civiel aspect, alleen een grief inhoudt over de strafvordering. De rechter in hoger beroep heeft daarmee niet de vereiste zekerheid om ook de burgerlijke vordering te beoordelen. Het bestreden arrest is afdoende gemotiveerd. Aldus kan het middel niet worden aangenomen.
  2. Tegen de uitspraak op strafgebied voert eiser geen grief aan. Het bestreden arrest is naar recht verantwoord. Er zijn geen ambtshalve middelen in cassatie. Mijn advies is verwerping. ___________________________________
(1)Cass. 18 april 2017, AR P.17.0087.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.5, AC 2017, nr. 263.
(2)Cass. 10 maart 2020, AR P.20.0034.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.11, AC 2020, nr. 177; Cass. 30 oktober 2019, AR P.19.0773.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191030.6, AC 2019, nr. 561; Cass. 5 maart 2019, AR P.18.1158.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.1, AC 2019, nr. 139; Cass. 19 december 2018, AR P.18.0824.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181219.4, AC 2018, nr. 726; Cass. 27 november 2018, AR P.18.0789.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181127.3, AC 2018, nr. 670; Cass. 11 september 2018, P.18.0366.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.7, AC 2018, nr. 461; Cass. 16 januari 2018, AR P.17.0437.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180116.4, AC 2018, nr. 31; Cass. 3 mei 2017, AR P.17.0145.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170503.4, AC 2017, nr. 305, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas., JT 2017, 466, RDP 2017, 763; Cass. 18 april 2017, AR P.17.0147.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.11, AC 2017, nr. 266; Cass. 6 februari 2018, AR P.17.0543.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180206.4, AC 2018, nr. 76; Cass. 10 oktober 2017, AR P.17.0848.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171010.8, AC 2017, nr. 543; Cass. 28 juni 2017, AR P.17.0176.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.4, AC 2017, nr. 427; Cass. 18 april 2017, AR P.17.0031.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.4, AC 2017, nr. 262, RW 2017-18, 667, T. Strafr. 2017, 212, noot B. MEGANCK; Cass. 28 februari 2017, AR P.16.1177.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.5, AC 2017, nr. 11, met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS. RW 2016-17, 1383, NC 2017, 281 noot E. VAN DOOREN, T. Strafr. 2017, 213 noot B. MEGANCK; Cass. 18 oktober 2016, AR P.16.0818.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.4, AC 2016, nr. 584, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS, RW 2016-17, 620, T. Strafr. 2017, 34 noot B. MEGANCK; GwH 21 december 2017, arrest 148/2017, www.const-court.be, B.44.4.
(3)E. VAN DOOREN en M. ROZIE, “Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje”, NC 2016, 123; E. VAN DOOREN, “De grievenopgave bij het instellen van hoger beroep: onfortuinlijke dichotomie?”, in 50 jaar Gerechtelijk Wetboek: wat nu? Hommage aan E. Krings en M. Storme, Larcier, 2018, 741.
(4)S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Potpourri II), tweede deel”, RW 2015-16, 1449 en S. VAN OVERBEKE, “Een nieuw model van grievenformulier voor het hoger beroep in strafzaken: ander en beter?”, RW 2017-18, 802.
(5)Cass. 5 maart 2019, AR P.18.1158.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.1, AC 2019, nr. 139; Cass. 11 september 2018, AR P.18.0366.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.7, AC 2018, nr. 461; Cass. 24 januari 2018, AR. P.17.1070.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180124.3, AC 2018, nr. 53; Cass. 4 april 2017, AR. P.17.0023.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170404.2, AC 2017, nr. 245. Zie alg. E. VAN DOOREN en M. ROZIE, “Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje”, NC 2016, 122-123, nr. 16-17; S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Potpourri II), tweede deel”, RW 2015-16, 1442-1459; T. DE MEESTER, “Bepalingen betreffende het hoger beroep”, in Potpourri II- Strafrecht en strafprocesrecht, Intersentia, 2016, 133-153; M. ROZIE, “Niet gegriefd door de grieven”, NC 2018, 44-46; B. MEGANCK, “Grieven in hoger beroep en de revival van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: hoe precies moet nauwkeurig zijn?”, T. Strafr. 2017, 44; B. MEGANCK, “Grieven in hoger beroep en de revival van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: nauwkeurig is niet overdreven formalistisch en niet overdreven soepel in te vullen”, T. Strafr. 2017, 139-143; B. MEGANCK, “Grieven in hoger beroep en de revival van art. 204 Sv., ‘tris’: Het Hof van Cassatie bepaalt nu heel duidelijk: nauwkeurig is niet overdreven soepel, maar vooral niet overdreven formalistisch in te vullen”, T. Strafr. 2017, 220-224; Ph. TRAEST en J. MEESE, “De rechtsmiddelen verzet en hoger beroep: actualia”, in Strafrecht en strafprocesrecht: doel of middel in een veranderende samenleving, Kluwer, 2017, 560-580; S. VAN OVERBEKe, “Nieuwe regels voor het hoger beroep in strafzaken: kroniek van een aangekondigde rechtspraak”, RW 2017-18, 882-889; E. VAN DOOREN, “De grievenopgave bij het instellen van hoger beroep: onfortuinlijke dichotomie?”, in 50 jaar Gerechtelijk Wetboek: wat nu? Hommage aan E. Krings en M. Storme, Larcier, 2018, 729-755; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2019, 1423-1426.
(6)GwH 21 december 2017, arrest 148/2017, B.44, www.const-court.be.
(7)Cass. 7 november 2017, AR P.17.0727.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171107.6, AC 2017, nr. 619; GwH 20 november 2019, arrest 185/19, B.9.5; GwH 20 november 2019, arrest 189/19, B.9.5, www.const-court.be. Zie K. VERHESSEN en S. ROYER, “Grieven en grenzen van de saisine”, NJW 2017, 499.
(8)Cass. 29 mei 2018, AR P.18.0430.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.4, T. Strafr. 2018, 292 noot B. MEGANCK. Zie E. VAN DOOREN en M. ROZIE, “Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje”, NC 2016, 127; S. VAN OVERBEKE, “Nieuwe regels over het hoger beroep in strafzaken: kroniek van een aangekondigde rechtspraak”, RW 2017-18, 893; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2017, 1495 en 1507.
(9)Cass. 5 maart 2019, AR P.18.1222.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.2, AC 2019, nr. 140; Cass. 11 september 2018, AR P.18.0366.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.7, AC 2018, nr. 461; Cass. 18 april 2017, AR P.17.0087.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.5, T. Strafr. 2017, 218 noot N. MEGANCK; Cass. 4 april 2017, AR P.17.0023.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170404.2, AC 2017, nr. 245; Cass. 28 februari 2017, AR P.16.1177.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.5, AC 2017, nr. 141, RW 2016-17, 1383, met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS, NC 2017, 281 noot E. VAN DOOREN, T. Strafr. 2017, 121, 213 noot B. MEGANCK. In dezelfde zin GwH 21 december 2017, arrest 148/2017, B.44.4, www.const-court.be; EHRM 13 februari 2001, Krombach t/Frankrijk, §96; EHRM 26 juli 2007, Walchili t/Frankrijk, §29, EHRM 17 november 2015, Sefer en Meryem Yilmaz t/Turkije, §61, www.echr.coe.int. Zie concl. van advocaat-generaal L. DECREUS in Cass. 28 februari 2017, AR P.16.1177.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.5, AC 2017, nr. 141, RW 2016-17, 1483; S. VAN OVERBEKE, “Nieuwe regels voor het hoger beroep in strafzaken: kroniek van een aangekondigde rechtspraak”, RW 2017-18, 882-899.
(10)Op dit punt E. VAN DOOREN en M. ROZIE, “Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje”, NC 2016, 123.
(11)Ph. TRAEST en J. MEESE, “De rechtsmiddelen verzet en hoger beroep: actualia”, in Strafrecht en strafprocesrecht: doel of middel in een veranderende samenleving, Kluwer, 2017, 567-568.
(12)Cass. 9 juni 2020, AR P.20.0304.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.6, AC 2020, nr. 380, RO 7.
(13)GwH 20 november 2019, arrest 185/19, B.14.3; GwH 20 november 2019, arrest 189/19, B.14.3, www.const-court.be.
(14)Wetsontwerp van 23 oktober 2015 houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl. St. Kamer, zitting 54, Doc 1418/001, p. 88, www.dekamer.be “het spreekt evenwel voor zich dat het instellen van hoger beroep op strafgebied m.b.t de schuld eveneens een hoger beroep m.b.t de straf impliceert”. Zie ook E. VAN DOOREN en M. ROZIE, “Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje”, NC 2016, 127; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2017, 1498.
(15)S. VAN OVERBEKE, “Nieuwe regels over het hoger beroep in strafzaken: kroniek van een aangekondigde rechtspraak”, RW 2017-18, 895.
(16)Cass. 27 februari 2018, AR P.17.1039.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.9, AC 2018, nr. 129, RO 5.
(17)S. VAN OVERBEKE, “Nieuwe regels over het hoger beroep in strafzaken: kroniek van een aangekondigde rechtspraak”, RW 2017-18, 894.
(18)In die zin zie E. VAN DOOREN en M. ROZIE, “Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje”, NC 2016, 127; S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Potpourri II), tweede deel”, RW 2015-16, 1452; Ph. TRAEST en J. MEESE, “De rechtsmiddelen verzet en hoger beroep: actualia”, in Strafrecht en strafprocesrecht: doel of middel in een veranderende samenleving, Kluwer, 2017, 571.
(19)S. VAN OVERBEKE, “Nieuwe regels over het hoger beroep in strafzaken: kroniek van een aangekondigde rechtspraak”, RW 2017-18, 891.
(20)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1252-1253.
(21)J. D’HAENENS, Belgisch strafprocesrecht, Story-Scientia, 1985, 505-506; E. VAN DOOREN en M. ROZIE, “Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje”, N.C. 2016, 127-128; S. VAN OVERBEKE, “Het Grondwettelijk Hof en het grievenstelsel in strafzaken: knuppeltjes in het hoenderhok”, RW 2019-20, 687; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2019, 1416.
(22)E. VAN DOOREN en M. ROZIE, “Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje”, NC 2016, 124; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2017, 1510.
(23)E. VAN DOOREN en M. ROZIE, “Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje”, NC 2016, 124.
(24)E. VAN DOOREN, “De grievenopgave bij het instellen van hoger beroep: onfortuinlijke dichotomie?”, in 50 jaar Gerechtelijk Wetboek: wat nu? Hommage aan E. Krings en M. Storme, Larcier, 2018, 742-743; B. MEGANCK, “Grieven in hoger beroep en de revival van artikel 204 Wetboek van Strafvordering, tris: het Hof van Cassatie bepaalt nu heel duidelijk: nauwkeurig is niet overdreven soepel, maar vooral niet overdreven formalistisch in te vullen”, T. Strafr, 224.
(25)Cass. 10 maart 2020, AR P.20.0034.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.11, AC 2020, nr. 177 met concl. OM.
(26)Cass. 9 juni 2020, AR P.20.0304.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.6, AC 2020, nr. 380; Cass. 23 oktober 2019, AR P.19.0802.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191023.2, AC 2019, nr. 540; Cass. 5 maart 2019, AR P.18.1158.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.1, AC 2019, nr. 139; Cass. 19 december 2018 P.18.0824.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181219.4, AC 2018, nr. 726; Cass. 11 september 2018, AR P.18.0044.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.3, AC 2018, nr. 457; Cass. 30 mei 2018, AR P.18.0387.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180530.3, AC 2018, nr. 345; Cass. 27 februari 2018, AR P.18.0021.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.7, AC 2018, nr. 131; Cass. 6 februari 2018, AR P.17.0457.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180206.1, AC 2018, nr. 75; Cass. 27 september 2017, AR P.17.0257.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170927.2, AC 2017, nr. 502; Cass. 28 juni 2017, AR P.17.0176.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.4, AC 2017, nr. 427; Cass. 3 mei 2017, AR P.17.1045.F, AC 2017, nr. 305, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas.; Cass. 18 april 2017, AR P.17.0031.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.4, AC 2017, nr. 262; GwH 20 november 2019, arrest 189/2019, B.9.5, www.const-court.be.
(27)Cass. 11 september 2018, AR P.18.0366.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.7, AC 2018, nr. 461, RO 6.
(28)Cass. 9 juni 2020, AR P.20.0304.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.6, AC 2020, nr. 380, RO 5; Cass. 7 november 2017, P.17.0727.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171107.6, AC 2017, nr. 619; Cass. 10 oktober 2017, P.17.0848.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171010.8, AC 2017, nr. 543; Cass. 28 juni 2017, AR P.17.0176.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.4, AC 2017, nr. 427; Cass. 28 februari 2017, AR P.16.1177.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.5, AC 2017, nr. 141, met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS, RW 2016-17, 1383, NC 2017, 281 noot E. VAN DOOREN. Zie ook S. VAN OVERBEKE, “Nieuwe regels voor het hoger beroep in strafzaken: kroniek van een aangekondigde rechtspraak”, RW 2017-18, 890; B. MEGANCK, “Grieven in hoger beroep en de revival van artikel 204 Wetboek van Strafvordering, tris: het Hof van Cassatie bepaalt nu heel duidelijk: nauwkeurig is niet overdreven soepel, maar vooral niet overdreven formalistisch in te vullen”, T. Strafr. 2017, 220.
(29)M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2017, 1493.
(30)Toelichting van Minister van Justitie Koen Geens, Verslag in eerste lezing, Zitting 7 december 2015, Parl. St. Kamer, zitting 54, doc 1418/005, p. 16, www.dekamer.be.
(31)Cass. 10 maart 2020, AR P.20.0034.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.11, AC 2020, nr. 177, met concl. OM; Cass. 11 september 2018, AR P.18.0366.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.7, AC 2018, nr. 461, RO 4; Cass. 4 april 2017, AR P.17.0023.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170404.2, AC 2017, nr. 245.
(32)Cass. 10 januari 2007, AR P.06.0988.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070110.4, AC 2007, nr. 17; Cass. 14 juni 2005, AR P.05.0502.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050614.5, AC 2005, nr. 341. Zie J. D’HAENENS, Belgisch strafprocesrecht, Story-Scientia, 1985, 506; D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia, 2013, 192-193; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1353.
(33)Wetsontwerp van 23 oktober 2015 houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl. St. Kamer, zitting 54, doc 1418/001, p. 88, www.dekamer.be; E. VAN DOOREN en M. ROZIE, “Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje”, NC 2016, 127; S. VAN OVERBEKE, “Nieuwe regels over het hoger beroep in strafzaken: kroniek van een aangekondigde rechtspraak”, RW 2017-18, 895.
(34)Cass. 11 september 2018, AR P.18.0366.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.7, AC 2018, nr. 461, RO 17.
(35)GwH 21 december 2017, arrest 148/2017, B.45.1, www.const-court.be. Over dit aspect ‘beslissingsonderdeel’ zie S. VAN OVERBEKE, “Nieuwe regels over het hoger beroep in strafzaken: kroniek van een aangekondigde rechtspraak”, RW 2017-18, 888 en 897; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2019, 1425.
(36)GwH 20 november 2019, arrest 185/19, B.9.3; GwH 20 november 2019, arrest 189/19, B.9.3, www.const-court.be. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201201.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.11 citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050614.5 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070110.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170404.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.11 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170503.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170927.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171010.8 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171107.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180116.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180124.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180206.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180206.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.9 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180530.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181127.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181219.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191023.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191030.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.11 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.