id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 01 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201201.2N.5 Rolnummer: P.20.0784.N Zaak: D. contra FLEXTRONICS LOGISTICS BV Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2023-01-25 Raadplegingen: 1667 - laatst gezien 2026-06-19 05:40 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5 Fiches 1 - 3 De rechter oordeelt op grond van de omschrijving van de feiten in de akte van aanhangigmaking en van de stukken waarvan de beklaagde kennis heeft kunnen nemen en waarop hij zich heeft kunnen verdedigen, onaantastbaar welk precies feit het voorwerp van de betichting uitmaakt en of de beklaagde beschikt over voldoende informatie om zich daarop te verdedigen; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die ermee geen verband houden of op grond ervan niet kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Omschrijving van de feiten in de akte van aanhangigmaking en in stukken van het strafdossier - Onaantastbare beoordeling door de vonnisrechter - Wettigheidscontrole door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Recht van verdediging - Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Omschrijving van de feiten in de akte van aanhangigmaking en in stukken van het strafdossier - Wettigheidscontrole door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN. OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Vrije woorden: Strafzaken - Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter - Recht van verdediging - Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Omschrijving van de feiten in de akte van aanhangigmaking en in stukken van het strafdossier - Wettigheidscontrole Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 5 Noch artikel 6.1 of 6.3.a EVRM, noch enig algemeen rechtsbeginsel legt enige bijzondere vorm op voor wat betreft de wijze waarop de vervolgde partij op de hoogte moet worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging; een beklaagde moet niet tot in de details worden ingelicht over de redenen van de beschuldiging; vereist is enkel dat hij met de gegevens waarover hij redelijkerwijze kan beschikken, voldoende informatie heeft om zich naar behoren te kunnen verdedigen tegen die beschuldiging
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op voldoende informatie over de telastlegging - Wijze van verstrekken van informatie - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.a - Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Wijze van verstrekken van informatie - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 6 - 7 Bij een vervolging wegens valsheid in geschriften is het niet vereist dat de akte van aanhangigmaking uitdrukkelijk verwijst naar bepaalde stukken van het strafdossier of de beklaagde uitdrukkelijk inlicht over de precieze onjuistheden die elke akte bevat of over de mate waarin elke akte vals is
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Valsheid in geschrifte - Akte van aanhangigmaking - Informatie over de valsheid - Grens Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: Valsheid in geschrifte - Artikel 6.3.a, EVRM - Akte van aanhangigmaking - Informatie over de valsheid - Grens Fiches 8 - 10 Niets belet dat het openbaar ministerie in de loop van het proces voor de vonnisrechter nadere informatie bijbrengt over de redenen van de beschuldiging en dat de rechter met die informatie rekening houdt om de beoordelen of de beklaagde weet waarop hij zich precies moet verdedigen; het enkele feit dat kennisgeving van die informatie een gevolg is van het verweer van de beklaagde of pas in de procedure in hoger beroep wordt bijgebracht of vervolledigd, impliceert niet dat de beklaagde niet onverwijld in kennis is gesteld van de redenen van de beschuldiging; daarvoor is enkel vereist dat hij na ontvangst van die informatie kan beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Bijkomende informatie over de telastlegging op vraag van de beklaagde tijdens de procedure in hoger beroep - Recht op voldoende tijd en faciliteiten voor zijn verdediging - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.3.a en 6.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Vrije woorden: Recht op voldoende tijd en faciliteiten voor zijn verdediging - Onnauwkeurige omschrijving van de telastlegging - Bijkomende informatie op vraag van de beklaagde tijdens de procedure in hoger beroep - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.3.a en 6.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Vrije woorden: Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Onnauwkeurige omschrijving van de telastlegging - Bijkomende informatie op vraag van de beklaagde tijdens de procedure in hoger beroep - Recht op voldoende tijd en faciliteiten voor zijn verdediging - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.3.a en 6.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 11 Het staat aan een beklaagde om, aan de hand van de vermeldingen in de akte van aanhangigmaking zoals eventueel gespecifieerd in bijkomend overgelegde stukken en van de gegevens van het strafdossier, na te gaan voor welke precieze feiten hij wordt vervolgd; dat de telastlegging geen verwijzing naar een proces-verbaal bevat of de beklaagde wordt vervolgd voor een groot aantal misdrijven, doet daaraan geen afbreuk; bij dat oordeel of de beklaagde tijdig en afdoende op de hoogte is gebracht van een beschuldiging kan de rechter rekening houden met onder meer de omvang van diens verweer tegen de beschuldiging
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Verband tussen de akte van aanhangigmaking en bijkomende stukken en gegevens van het strafdossier - Vervolging voor een groot aantal misdrijven - Verweer dat de beklaagde voert tegen de beschuldiging - Beoordeling - Voorwaarden Fiche 12 Een door de wet beschermd geschrift is een geschrift dat in zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbaar vertrouwen opdringt, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: Valsheid in geschriften - Beschermd geschrift - Geschrift dat zich opdringt aan het openbaar vertrouwen - Begrip Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193, 196 en 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 13 Een geschrift dat slechts bewijswaarde heeft na aanvaarding ervan door de bestemmeling, dringt zich in de regel niet op aan het openbaar vertrouwen; dit is evenwel anders wanneer controle van de in het geschrift voorkomende vermeldingen door de bestemmeling onmogelijk is of deze controle door toedoen van de uitreiker onmogelijk is gemaakt; hieruit volgt dat een factuur een beschermd geschrift uitmaakt wanneer de opsteller ervan op het moment waarop hij niet-geleverde prestaties aanrekent, ook al zijn die prestaties gedetailleerd weergegeven, weet dat die factuur in werkelijkheid niet kan worden gecontroleerd omdat hijzelf de controle ervan voor de bestemmeling doet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: Valsheid in geschriften - Beschermd geschrift - Factuur - Controle op gefactureerde prestaties - Voorwaarden Fiche 14 Listige kunstgrepen als bestanddeel van oplichting zijn misleidende middelen die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen met het oog op afgifte of levering van de zaak; louter leugenachtige beweringen leveren slechts listige kunstgrepen op wanneer zij gepaard gaan met uitwendige handelingen die er enige geloofwaardigheid aan verlenen; dergelijke handelingen kunnen onder meer bestaan in een geheel van praktijken die niet als dusdanig maar wel in hun geheel genomen een listige kunstgreep uitmaken omdat zij gezamenlijk determinerend zijn voor de navolgende afgifte van gelden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OPLICHTING Vrije woorden: Listige kunstgrepen - Leugenachtige beweringen - Uitwendige handelingen - Determinerend voor de afgigte van gelden - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 496 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 15 Listige kunstgrepen kunnen worden opgeleverd door een geheel van geënsceneerde feiten die gedeeltelijk voor en gedeeltelijk na de afgifte of levering van de zaak plaatsvinden; dit is onder meer het geval wanneer een persoon een leugenachtige belofte doet om een derde te overtuigen hem gelden af te leven en volgend op die afgifte met deze derde een overeenkomst sluit die aan deze belofte bijkomende geloofwaardigheid verleent, aangezien die gedragingen deel uitmaken van eenzelfde enscenering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OPLICHTING Vrije woorden: Listige kunstgrepen - Geheel van geënsceneerde feiten - Feiten voor en na de afgifte of levering van de zaak - Voorwaarden Fiche 16 Het plaatsen van een illegaal vermogensvoordeel bestaande in cash gelden, cheques of buitenlandse overschrijvingen op een bankrekening, het afhalen van deze gelden via een bankcheque en het deponeren van de gelden op een andere rekening van dezelfde titularis kan een door artikel 505, eerste lid, 3° en 4° Strafwetboek bedoelde verrichting zijn, voor zover ze telkens geschiedt met het vereiste opzet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Witwasmisdrijf - Vermogensvoordeel - Verhullen van de illegale herkomst - Verrichtingen via rekeningen van de dader van het basismisdrijf - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505, 3° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 17 - 18 Bij de beoordeling van verduistering of verspilling van roerende zaken binnen een vennootschapsverband is de rechter, gelet op het beginsel van de autonomie van het strafrecht, niet noodzakelijk gebonden aan de bevoegdheden die de vennootschapswetgeving formeel toewijst aan een vennootschapsorgaan zoals de raad van bestuur of aan beweerde vermogensrechtelijke gevolgen die daaruit voortvloeien; bijgevolg kan de rechter op grond van de feiten die hij onaantastbaar vaststelt oordelen dat een welbepaalde natuurlijke persoon misbruik van vertrouwen heeft gepleegd ten nadele van de vennootschap, ongeacht of de geldtransactie die het voorwerp uitmaakt van dat misdrijf is gedekt door een beslissing van diens raad van bestuur. Thesaurus CAS: MISBRUIK VAN VERTROUWEN Vrije woorden: Precair bezit van een roerende zaak - Verduistering of verspilling van zaken in een vennootschapsverband - Opname van gelden van de vennootschap - Toewijzing van de transactie aan een natuurlijke persoon - Goedkeuring van de transactie door de raad van bestuur - Beoordeling door de rechter - Autonomie van het strafrecht - Gevolg Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Precair bezit van een roerende zaak - Verduistering of verspilling van zaken in een vennootschapsverband - Opname van gelden van de vennootschap - Toewijzing van de transactie aan een natuurlijke persoon - Goedkeuring van de transactie door de raad van bestuur - Autonomie van het strafrecht - Gevolg Fiche 19 Misbruik van vertrouwen vereist als materieel bestanddeel een verduistering of verspilling; een verduistering is een wederrechtelijke toe-eigening van hetgeen ter bede is toevertrouwd en kan bestaan in het feit dat de bestuurder van een vennootschap zich persoonlijk gelden van die vennootschap toe-eigent
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISBRUIK VAN VERTROUWEN Vrije woorden: Materieel bestanddeel - Verduistering van een roerende zaak - Wederrechtelijke toe-eigening van hetgeen ter bede is toevertrouwd - Verduistering van gelden van een vennootschap door de bestuurder - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 491 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 20 Het feit dat de bestuurder de persoonlijke toe-eigening van gelden van de vennootschap boekhoudkundig registreert als een schuld die hij is aangegaan ten opzichte van de vennootschap houdt een strafbare verduistering van gelden in wanneer de bestuurder reeds op het moment van toe-eigening weet dat hij niet bij machte zal zijn die schuldvordering aan te zuiveren; in dat gval vervangt hij immers een reëel actiefbestanddeel van de vennootschap, dit is het verduisterde geld, door een fictief bestanddeel, namelijk een oninbare schuldvordering; een dergelijke handelwijze poogt enkel de werkelijke aard van de materiële verduistering te verhullen en houdt geen verband met het bedrieglijk opzet van de bestuurder. Thesaurus CAS: MISBRUIK VAN VERTROUWEN Vrije woorden: Materieel bestanddeel - Verduistering - Wederrechtelijke toe-eigening van gelden van de vennootschap door de bestuurder - Registratie van de geldopnames in de boekhouding (rekening-courant) - Omzetting van een actief naar een fictief bestanddeel - Verhulling van de verduistering - Gevolg Tekst van de conclusie P.20.0784.N Conclusie van advocaat-generaal Bart De Smet “De vereiste van een concrete telastlegging en aspecten van bijzonder strafrecht (de factuur als vals geschrift, de precaire afgifte als voorwaarde van misbruik van vertrouwen, listige kunstgrepen als bestanddeel van oplichting en overdracht van gelden naar eigen rekeningen als vorm van witwas)”.
- Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Eiser werd op tegenspraak en met eenparigheid van stemmen veroordeeld wegens enkele feiten van valsheid in geschriften (A.I.1), oplichting (B.I.2), misbruik van vertrouwen (C.I, C.II, C.III, C.IV en D.I.1 (heromschrijving van witwas)) en witwassen (D.III). Op burgerlijk gebied werd eiser veroordeeld tot schadevergoeding aan verweerster
- De vordering van verweerster 3 werd afgewezen als ongegrond. Het hoger beroep van verweerster 1 werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat de vennootschap ontbonden was. Medebeklaagde W.V.L. werd bij verstek veroordeeld.
- Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang, in zoverre het is gericht tegen de vrijspraak voor enkele feiten (zoals A.IV, C.V. en D.II) en tegen de burgerlijke vordering van verweerders 1 en
- Uit de stukken blijkt niet dat eiser zijn cassatieberoep heeft betekend aan verweersters 1 en
- Recht op voldoende informatie
- Artikel 6.3.a EVRM bepaalt dat hij die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht heeft onverwijld en in een taal die hij verstaat te worden ingelicht van de aard en redenen van de beschuldiging. De informatie waarop de beklaagde recht heeft omvat de materiële feiten die hem ten laste worden gelegd en waarop de beschuldiging is gebaseerd (reden) en de juridische kwalificatie gegeven aan die feiten (aard)
(1). Ze moet voldoende concreet zijn, zodat de beklaagde verweer kan voeren, zijn recht op een eerlijk proces is gewaarborgd
(2). 4. Van het openbaar ministerie wordt verwacht een duidelijke eindvordering of dagvaarding op te stellen, met feitelijke gegevens en de juiste omschrijving (kwalificatie), zodat de beklaagde meteen weet waarop hij zich moet verdedigen en tot welke feiten de strafvordering is beperkt
(3). 5. Toch is de inleidende akte, uitgaande van de vervolgende partij, niet de enige bron van informatie, om uit te maken of de beklaagde zich behoorlijk kon verdedigen. Is de eindvordering gehecht aan de verwijzingsbeschikking of rechtstreekse dagvaarding onduidelijk, dan kan de erin vermelde informatie worden aangevuld door gebruik van alle gegevens van het strafdossier, zoals een verhoor van de beklaagde
(4). De rechter gaat aan de hand van alle voorgelegde stukken, vatbaar voor tegenspraak, na of de beklaagde weet waarover hij zich moet verdedigen of die informatie kon achterhalen
(5). Alleszins is het aan het openbaar ministerie, en niet aan de beklaagde zelf, om bij een al te summiere of onduidelijke telastlegging een concrete beschuldiging te formuleren, het proces af te lijnen
(6). Het feit dat de tenlastelegging onduidelijk is, precisering vereist, zodat de beklaagde de nodige informatie krijgt om zich te verdedigen, leidt op zich niet tot niet-ontvankelijkheid van de strafvordering
(7). 6. Indien er na kennisname van de verwijzingsbeschikking of dagvaarding en van alle stukken van het strafdossier er nog enige twijfel blijft bestaan over welke feiten voorwerp uitmaken van de strafvervolging of over de juridische omschrijving van die feiten, kan verduidelijking van de telastleggingen op de openbare terechtzitting uitkomst bieden
(8). De rechter dient dan aan de partijen kennis te geven van de onnauwkeurigheid in de telastlegging, om hen de kans te geven daarover standpunt in te nemen
(9). De vervolgende partij kan dan op een volgende terechtzitting verduidelijkingen aanbrengen, waarna de beklaagde zich op de aangepaste telastlegging kan verdedigen. Ook de rechter kan de tenlastelegging preciseren
(10), met de nodige omzichtigheid, omdat hij onpartijdig moet blijven
(11). Het Hof oordeelde: “Overwegende dat wanneer de omschrijving van het feit in de verwijzing of de dagvaarding wel bepaald, maar niet voldoende precies is, de beklaagde met het oog op zijn recht van verdediging van de precisering ervan kennis moet worden gegeven en de rechter hem tevens de mogelijkheid moet geven zich hierop te verdedigen, desnoods door de zaak uit te stellen; dat zowel het openbaar ministerie of de burgerlijke partij als de rechter de kennisgeving van de precisering kunnen verrichten; dat zelfs de precisering voor het eerst in hoger beroep kan geschieden”
(12). 7. De manier van verduidelijken is aan geen bijzondere vormvereisten verbonden
(13). Het openbaar ministerie kan de telastlegging verduidelijken door een verbeterende dagvaarding op te stellen, een schriftelijke nota in te dienen of op de terechtzitting mondeling toelichting te geven
(14). 8. Hoe ver de toelichting van het openbaar ministerie moet reiken, bij een onduidelijke telastlegging, hangt af van concrete omstandigheden van de zaak. De rechter dient na te gaan of na bijkomende informatie de beklaagde weet wat de aard en redenen zijn van de beschuldiging, zodat een eerlijk proces mogelijk is
(15). Als ondanks toelichting over de beschuldiging het voor de beklaagde niet mogelijk is te achterhalen op welke precieze feiten hij zich dient te verdedigen, de telastlegging veel te onduidelijk is en blijft, kan de vonnisrechter de beklaagde niet veroordelen
(16). Over de rechterlijke opdracht bij onduidelijke informatie, oordeelde het Hof: “Enkel wanneer op grond van de omschrijving van een bepaald feit in de dagvaarding uit het dossier niet is op te maken welk feit precies wordt bedoeld, is het de rechter onmogelijk te bepalen van welk feit hij is geadieerd, en kan hij de beklaagde niet veroordelen. Wanneer de omschrijving van het feit in de dagvaarding wel is bepaald, maar niet voldoende nauwkeurig is, moet de rechter aan de partijen daarvan kennis geven met het oog op een mogelijke precisering. Het enkele feit dat het voorwerp van het misdrijf algemeen is bepaald, heeft niet tot gevolg dat de strafvordering daardoor niet ontvankelijk is.”
(17)9. Het openbaar ministerie dient de beklaagde niet tot in de kleinste details in te lichten over de ingebrachte beschuldiging
(18). Ook moet in de eindvordering of dagvaarding niet uitdrukkelijk zijn verwezen naar stukken van het strafdossier. Mij lijkt art. 6.3.a EVRM ook niet in te houden dat het openbaar ministerie alleen bij aanvang van het proces ten gronde bijkomende informatie kan verstrekken over de feitelijke gegevens en de (juridische) omschrijving van de beschuldiging. 10. Ook na schriftelijke of mondelinge argumenten van de beklaagde kan die extra informatie worden toegevoegd, zolang de zaak niet in beraad is genomen. In dit geval moet de beklaagde nog wel kunnen reageren op een aanpassing of concretisering van de telastlegging. Elke beklaagde beschikt over het recht op voldoende tijd en faciliteiten om zijn verdediging voor te bereiden (art. 6.3.b EVRM)
(19). De vonnisrechter dient daarop strikt toe te zien, zodat het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd.
- Mij komt voor dat het bestreden arrest over de waarborg van art. 6.3.a EVRM naar recht is verantwoord, voldoende antwoord biedt op eisers verweer over de onduidelijk geformuleerde telastlegging A.I.1 (valsheid in geschriften van 62 facturen). De appelrechters namen onder meer aan dat eiser kennis had van diverse processen-verbaal waarin wordt ingegaan op onwaarheden in facturen, het niet vereist is per factuur aan te geven welk gedeelte niet overeenstemt met de waarheid en eiser zich ook kan verdedigen aan de hand van de verwijzingsbeschikking en de nota’s van het openbaar ministerie (p.59 en 61-62). Het eerste middel over de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, wegens ontoereikende informatie en miskenning van het recht onverwijld te worden geïnformeerd over de telastlegging, kan aldus niet worden aangenomen.
- In een derde middel voert eiser aan dat het openbaar ministerie voor het eerst in hoger beroep de listige kunstgrepen toelichtte van telastlegging B.I.2 (oplichting), in een nota, zonder verwijzing naar concrete stukken, en de appelrechters de aangevulde telastlegging beperken tot één vennootschap (NV Waegener Group), zonder de debatten te heropenen, wat schending inhoudt van artikelen 6.1 en 6.3.a EVRM. Mij komt voor dat het arrest voldoende de redenen weergeeft van veroordeling op de aangevulde telastlegging B.I.2 en tevens verduidelijkt dat eiser is verwittigd van de aanvulling (p. 110-114). Het derde middel mist aldus feitelijke grondslag. Bovendien is de strafrechter niet verplicht de beklaagde in te lichten over de interpretatie die hij meent te kunnen geven aan een stuk dat regelmatig tot het strafdossier behoort
(20), in dit geval de nota van het openbaar ministerie in hoger beroep (p. 64-66 arrest).
- Valsheid in geschriften
- Niet elk geschrift dat een verdraaiing van de waarheid bevat is een vals stuk in de zin van de strafwet. Het misdrijf valsheid in geschriften bestaat erin in een door de wet beschermd geschrift, met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan
(21). Zoals Afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts het uitdrukte, is een geschrift een vals stuk in de zin van artikelen 193 en 196 Strafwetboek als tegelijk aan drie voorwaarden is voldaan: het moet een gedachte uitdrukken, een juridische draagwijdte hebben en zich aan de openbare trouw opdringen
(22). Dit laatste aspect veronderstelt dat het geschrift in zekere mate als bewijs kan dienen
(23), in die zin dat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het juridisch feit dat in dat geschrift is vastgelegd, of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten
(24).
- Inzet van de discussie, eisers tweede middel, is of een factuur een beschermd geschrift uitmaakt, dat zich aan het openbaar vertrouwen opdringt. Eiser voert aan dat facturen van telastlegging A.I.1 geen door de strafwet beschermde geschriften zijn, omdat ze geen maatschappelijke bewijswaarde hebben.
- Geschriften waarvan de inhoud slechts geldt onder voorbehoud van controle en aanvaarding, zoals een factuur ten aanzien van de bestemmeling, genieten in de regel niet het openbaar vertrouwen, en vallen dus buiten het toepassingsveld van de strafwet
(25). Deze regel is niet absoluut. Het is vaste rechtspraak dat een factuur wel een door de strafwet beschermd geschrift kan uitmaken, wanneer controle van valse vermeldingen door de bestemmeling onmogelijk is, of wanneer die controle door toedoen van de opsteller of uitreiker van het geschrift onmogelijk is gemaakt
(26). Is controle op aangerekende prestaties niet mogelijk, dan is de bestemmeling van het factuur genoodzaakt geloof te hechten aan wat de opsteller van het factuur daarover vermeldt, zodat het geschrift zich wel aan het openbaar vertrouwen opdringt
(27). In zoverre faalt het tweede middel naar recht.
- De appelrechters oordeelden (p. 70) onaantastbaar dat eiser wist dat controle niet mogelijk was van facturen waarin hij bedrieglijk onterechte prestaties van hemzelf of derden aanrekende, omdat hij zelf instond voor de aanvaarding en betaling van de facturen. Zij oordeelden wettig dat die facturen zich aan het openbaar vertrouwen opdringen. In zoverre kan het tweede middel niet worden aangenomen.
- Oplichting
- Het aanwenden van listige kunstgrepen is strafbaar als oplichting (art. 496 Sw.) als de dader daardoor gelden of een zaak ontvangt die een ander toebehoort. Het Hof oordeelde meermaals: “Listige kunstgrepen zijn misleidende beloften die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen met het oog op afgifte of levering van de zaak. Louter leugenachtige beweringen, zelfs bij herhaling, leveren geen listige kunstgreep op indien ze niet gepaard gaan met uitwendige handelingen die er enige geloofwaardigheid aan verlenen. Bijgevolg moeten listige kunstgrepen determinerend zijn voor de afgifte of de levering van de zaak, dit wil zeggen dat er een oorzakelijk verband moet bestaan tussen de listige kunstgrepen en de afgifte of de levering”
(28). Verder stelde het Hof: “Listige kunstgrepen moeten zijn aangewend met het doel op slinkse wijze iemands vertrouwen te winnen en zij kunnen bestaan uit een aantal feiten, die elk apart slechts een bestanddeel van de listige kunstgreep uitmaken en bijgevolg niet alle kenmerken daarvan in zich verenigt”
(29). 18. Het moet bijgevolg duidelijk zijn dat zonder het bedrog, zoals listige kunstgrepen, de benadeelde nooit gelden of zaken aan de dader had toevertrouwd
(30). Daaruit volgt evenwel niet dat de strafrechter alleen bedrieglijke handelingen van voor de afgifte of levering als listige kunstgreep mag aanmerken. Het Hof oordeelde dat listige kunstgrepen in de regel de afgifte of levering van de zaak voorafgaan
(31), maar ook kunnen bestaan in een geheel van geënsceneerde feiten die gedeeltelijk voor en gedeeltelijk volgend op de afgifte of levering van de zaak plaatsvinden
(32). Feiten van na de afgifte of levering van de zaak kunnen als listige kunstgrepen worden beschouwd als zij de bedrieglijke aard onthullen van handelingen gesteld voor de afgifte of levering
(33), aldus vermengd zijn met deze eerdere handelingen. Voorbeeld is een overeenkomst afgesloten na de levering om een leugenachtige belofte van voor de levering kracht bij te zetten. Vervolgens vereist het wanbedrijf van oplichting bij de dader het oogmerk zich bedrieglijk andermans zaak toe te eigenen, en is het voltrokken zodra de dader erin geslaagd is de zaak te doen afgeven of leveren
(34).
- In een vierde middel voert eiser aan dat het mondeling voorhouden of voorwenden van herinvestering van gelden van tweede verweerster, daterend van voor afgifte van de gelden, geen listige kunstgreep uitmaakt, bij gebrek aan uitwendige handelingen die daar geloofwaardigheid aan verlenen, zodat de veroordeling wegens oplichting niet naar recht is verantwoord. Mij lijkt de motivering over de listige kunstgrepen doorslaggevend voor de afgifte van gelden naar recht verantwoord. De appelrechters wezen niet enkel naar beloftes, maar ook naar uitwendige handelingen, zoals het voorleggen van een orderboek en boekhouding met onwaarheden, die determinerend waren voor de afgifte van gelden, en eraan voorafgingen (p. 108-110). Het vierde middel kan aldus niet worden aangenomen. (…)
- Misbruik van vertrouwen
- Het wanbedrijf misbruik van vertrouwen, zoals bepaald in art. 491 Sw., bestraft in essentie de aanslag op het eigendomsrecht van ter bede overhandigde roerende zaken opgesomd in dat artikel
(35). Het gaat om opzettelijke verspilling of verduistering van goederen waarover de dader niet mocht beschikken als eigenaar
(36). Het Hof stelt dat er van verspilling of verduistering sprake is zodra de dader de goederen die hem door de eigenaar of rechtmatige gebruiker zijn overhandigd onder de verplichting ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken, onttrekt aan het eigendomsrecht van die derde en erover beschikt als ware hij eigenaar
(37). 27. Een essentiële voorwaarde is dus, naast het bedrieglijk opzet, het precair bezit of bezit ter bede van een in art. 491 Sw. bedoelde zaak, aan de dader overhandigd door de eigenaar of een derde die voor zijn rekening handelt
(38). Daarmee wordt bedoeld het in vertrouwen, zonder enige vorm van dwang of misleiding toevertrouwen van de zaak aan de dader, zonder overdracht van eigendom
(39)of, anders geformuleerd, een translatieve overdracht van het precair bezit van de zaak aan de pleger van het misdrijf
(40). 28. Het strafbare misbruik van vertrouwen is voltrokken als de dader niet meer in de mogelijkheid verkeert de hem vrijwillig toevertrouwde zaken terug te geven of ze voor het overeengekomen doel te gebruiken
(41)of als de verduistering (de wederrechtelijke toe-eigening) of verspilling (de roekeloze of nutteloze besteding met verlies van de zaak of titel) en het bedrieglijk opzet zijn verenigd
(42). 29. Bestuurders hebben toegang tot het afgescheiden vermogen van de rechtspersoon, via o.a. de rekening-courant of kredietkaarten op naam van de rechtspersoon, en mogen als lasthebber de hen toevertrouwde gelden niet verduisteren of verspillen. Strafbaar is het aanwenden van gelden van een vennootschap die in het precair bezit zijn van de bestuurder in strijd met het belang van de vennootschap, gezien op de bestuurder de plicht rust om het afgescheiden vermogen van die vennootschap in haar belang te beheren, dit is in functie van haar economische bedrijvigheid
(43). 30. Voor de beoordeling van een bedrieglijke verduistering van gelden van een vennootschap mag de strafrechter rekening houden met het feit dat de bestuurder niet kan verantwoorden dat hij de gelden die hij volgens de boekhoudkundige stukken heeft afgenomen van de vennootschapsrekening, heeft besteed in het belang van de vennootschap
(44). 31. Het misdrijf misbruik van vertrouwen houdt niet op te bestaan louter omdat de dader, door gelden te verduisteren, een hem verschuldigd bedrag wil terugkrijgen
(45). Het strafbaar karakter van de verduistering of verspilling verdwijnt ook niet door een latere beslissing van de raad van bestuur of de algemene vergadering, om aan de overdracht van gelden naar een bestuurder een rechtmatig karakter te verlenen
(46). De strafwet is immers van openbare orde. Het Hof oordeelde: “Wanneer die bestuurder de gelden niet aanwendt in het belang van de vennootschap, maar ze verduistert om zelf als eigenaar erover te beschikken, dan sluit het feit dat de vennootschap daarin met kennis van zaken toestemt niet uit dat die bestuurder handelt met het door artikel 491 Strafwetboek vereiste bedrieglijk opzet”
(47). 32. In het tiende middel, eerste onderdeel, betwist eiser het precair bezit van gelden onttrokken aan de vennootschappen Waegener R&D NV en WAEGENER GROUP NV, omdat de voltallige raad van bestuur goedkeuring gaf aan deze geldtransacties. Dit onderdeel gaat uit van een andere rechtsopvatting dan vermelde rechtspraak en faalt naar recht. De appelrechters namen m.i. correct aan “Een goedkeuring door de raad van bestuur, waarin beklaagde overigens een zeer belangrijke stem had, exonereert niet van een strafrechtelijke aansprakelijkheid” (p. 130). Om uit te maken wie eigenaar is van gelden, de bestuurder of de vennootschap, is de strafrechter overigens niet gebonden door formele vennootschapsstructuren
(48).
- De appelrechters gaven aan dat eiser geen onderscheid maakte tussen zijn persoonlijk vermogen en de vermogens van zijn diverse vennootschappen, geld overmaakte zonder verantwoordingsstukken (p. 120) en hij besliste over betalingen namens de vennootschap (p. 147). Het arrest stelt ook dat beklaagde een zeer belangrijke stem had in de raad van bestuur en de overige bestuurders vragen hadden bij de geldtransfers (p. 130). Het bestreden arrest is naar recht verantwoord. In zover kan het eerste onderdeel niet worden aangenomen.
- In een tweede onderdeel stelt eiser dat de bedragen onttrokken aan de vennootschap geen verduistering of verspilling inhouden, omdat de geldtransacties correct zijn geboekt op de debetzijde van de rekening-courant, zodat de vennootschap voor het geboekte bedrag een schuldvordering heeft op haar bestuurder, eiser.
- De strafrechter oordeelt onaantastbaar of een bestuurder gelden ten nadele van de vennootschap heeft verduisterd, door zich voor persoonlijke doeleinden gelden toe te eigenen van de vennootschap. Hij mag daarbij rekening houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem de innerlijke overtuiging van de schuld van de beklaagde geven
(49), zoals het feit dat de bestuurder niet kan verantwoorden dat hij de gelden die hij volgens de boekhoudkundige stukken heeft afgenomen van de vennootschapsrekening, heeft besteed in het belang van de vennootschap
(50). Registratie van geldopnames in de rekening-courant lijkt mij ‘verspilling’ in de zin van art. 491 Sw. niet uit te sluiten, als de bestuurder bedrieglijk handelt, weet dat hij de schuld aan de vennootschap nooit zal vereffenen
(51). Het al dan niet correct verwerken van geldopnames in de rekening-courant heeft dan weinig belang, temeer daar het voor een veroordeling wegens misbruik van vertrouwen volstaat dat de dader de hem verduisterde of verspilde gelden of goederen heeft afgewend van het doel waarvoor hij ze ter beschikking had
(52).
- Het bestreden arrest is op dit punt naar recht verantwoord. De appelrechters oordeelden dat zo de transacties in rekeningen-courant werden geboekt, er toch verduistering of verspilling is, omdat eiser geen enkele intentie had om de debetzijde van de rekening courant aan te zuiveren, onder meer omdat eiser valse stukken maakte om zijn rekening-courant te crediteren en hij volgens zijn medewerkers nooit verantwoording kon geven voor de transacties ten nadele van de vennootschap (p. 131). De veroordeling wegens C.I is naar recht verantwoord. In zoverre kan het tweede onderdeel niet worden aangenomen. (…)
- Witwassen
- De strafbare daad, het materieel bestanddeel, bij het tweede witwasmisdrijf (art. 505, 1e lid, 3° Sw.) bestaat in het omzetten of overdragen van een uit een misdrijf verkregen vermogensvoordeel, met de bedoeling hetzij de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen, hetzij een persoon die betrokken is bij een misdrijf dat illegaal vermogen opbrengt te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden
(53). Onder ‘omzetten’ valt het omzetten van illegale vermogensvoordelen in andere gelden of waarden
(54). Bij financiële transacties die onder de noemer van witwassen worden gebracht is het vereist dat fondsen in omloop worden gebracht met als gevolg dat de oorsprong van gelden wordt verhuld. 50. In 2013 gaf het Hof aan dat het in omloop brengen van gelden strafbaar is. De beklaagde die zelf uit een misdrijf illegaal vermogen haalt en dit stort op zijn eigen bankrekening, of het ervan afhaalt, viel dan buiten toepassing van het tweede witwasmisdrijf
(55). In 2016 stelde het Hof dat de strafrechter onaantastbaar oordeelt of de beklaagde van het tweede witwasmisdrijf van art. 505, 1e lid, 3° Sw. heeft gehandeld met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen, om een persoon die betrokken is bij een misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden. Het plaatsen van illegale vermogensvoordelen “bestaande in cash gelden, cheques of buitenlandse overschrijvingen” op een bankrekening van “hij die deze gelden plaatst, de cheques incasseert of de buitenlandse overschrijvingen doet” kan volgens het Hof strafbaar zijn, als de transactie dient om de illegale herkomst van een vermogensvoordeel te verdoezelen of de dader van een misdrijf dat de vermogensvoordelen opleverde te helpen ontkomen
(56). Omzetten van illegale vermogensvoordelen in andere waarden kan bijgevolg strafbaar zijn ook als gelden alleen via eigen rekeningen circuleren, in het eigen vermogen blijft van de dader die een misdrijf beging dat de illegale vermogensvoordelen opbracht
(57). 51. Verder is het verhelen, verhullen van de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van uit een misdrijf voortvloeiende vermogensvoordelen strafbaar op basis van art. 505, §1, 4° Sw. Dit derde witwasmisdrijf kan er volgens het Hof in bestaan dat “de oorsprong van gelden van criminele oorsprong of het ermee overeenstemmend bedrag wordt verheeld en verhuld door handelingen waarbij de dader, tevens dader van het basismisdrijf, rechtstreeks en zonder tussenbewerking, illegale vermogensvoordelen in ontvangst neemt, bijvoorbeeld door plaatsing op zijn bankrekening”
(58).
- Het feit dat de beklaagde een bedrag afneemt van zijn rekening bij bank A via een bankcheque en deze cheque vervolgens aanbiedt bij bank B, voor storting op zijn rekening, lijkt mij een strafbaar feit op te leveren op basis van artikelen 505, eerste lid, 3° en 4° Strafwetboek, als het aspect verhullen van de illegale oorsprong van de gelden vaststaat.
- De appelrechters namen aan dat eiser met deze transactie de bedoeling had de illegale herkomst en de vindplaats van een geldsom te verbergen, onder meer omdat hij koos voor een bankcheque in plaats van het gewoon overschrijven tussen zijn rekeningen, waarbij drie dagen werd gewacht om de via de cheque afgehaalde gelden te storten op een andere rekening (p. 122). De veroordeling wegens witwassen, telastlegging D.III, is naar recht verantwoord. Het negende middel, eerste en tweede onderdeel, over het trekken van een cheque als transactie zonder enige verheling of omzetting in andere valuta of waarden, kan aldus niet worden aangenomen.
- Het feit dat de appelrechters voor de feiten van witwassen D.III. een korte tijdspanne aannamen, op 6 en 9 januari 2012, lijkt mij niet tegenstrijdig te zijn met de veroordeling wegens witwassen in een ruimer tijdvak, tussen 4 januari 2012 en 16 april 2013, temeer daar in de telastlegging zelf onder die ruime periode alleen geldtransferten zijn aangenomen tussen 4 en 17 januari 2012 (p. 32-33). Het derde onderdeel over tegenstrijdige motivering kan m.i. niet worden aangenomen.
- Het veertiende middel over een herkwalificatie van bepaalde geldtransacties van witwas (D.I.1) naar misbruik van vertrouwen (p. 57, aangepaste tabel) mist feitelijke grondslag. De appelrechters gaven aan dat eiser zich kon verdedigen op de verbeteringen en heromschrijving van telastleggingen (blz. 58) en hebben eisers verweer over transacties van het initiële witwasmisdrijf beantwoord. Eisers verweer over rechtmatige vorderingen die hij en zijn vennootschappen hadden op de benadeelde vennootschap NV WAEGENER RD&V is afdoende beantwoord met de redenen in p. 125-154 van het arrest. De bestreden beslissing lijkt mij in overeenstemming met de rechten van verdediging (eerste onderdeel) en is afdoende gemotiveerd (tweede onderdeel).
- Er zijn geen ambtshalve middelen. Mijn advies is verwerping van het cassatieberoep. ___________________________________
(1)Cass. 21 januari 2014, AR P.12.642.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120613.2, AC 2014, nr. 46, NC 2015, 301 noot K. DE SCHEPPER; Cass. 4 maart 2008, AR P.08.0332.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080304.19, AC 2008, nr. 155. Ook EHRM 19 december 1989, Kamasinski t/Oostenrijk; EHRM 30 januari 2001, Vaudelle t/Frankrijk; EHRM 27 januari 2004, Kyprianou t/Cyprus; EHRM 1 maart 2006, Sejdovic t/Italië EHRM 25 juni 2013, Niculescu t/Roemenië, EHRM 30 mei 2013, Malofeyeva t/Rusland, www.echr.coe.int; GwH 24 september 2020, arrest 115/2020, B.7.2.1, www.const-court.be. en J. PRADEL en G. CORSTENS, Droit pénal européen, Dalloz, 2002, 396; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier, 2012, 1301-1302; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 922.
(2)EHRM 21 februari 2002, Sipavicius t/Litouwen, www.echr.coe.int Zie M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier, 2012, 1301.
(3)J. DE CODT, Des nullités de l’instruction et du jugement, Larcier, 2006, 167.
(4)Cass. 29 mei 2018, AR P.0762.N, AC 2018, nr. 340, RO 6; Cass. 26 mei 2015, AR P.14.0414.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.1, AC 2015, nr. 343 met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS; Cass. 30 september 2014, AR P.14.0800.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140930.1, AC 2014, nr. 564; Cass. 21 januari 2014, AR P.12.1642.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.9, AC 2014, nr. 46; Cass. 16 oktober 2012, AR P.12.0487.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121016.6, AC 2012, nr. 534; Cass. 16 december 2009, AR P.09.1166.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091216.4, AC 2009, nr. 755; Cass. 23 mei 2001, AR P.01.0218.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010523.4, AC 2001, nr. 306; Cass. 8 september 1987, AR nr. 1162, AC 1987-88, nr. 9; Cass. 12 oktober 1976, AC 1977, 78; Zie: L. HUYBRECHTS en M. ROZIE, “De rechten van de verdediging bij de behandeling ten gronde”, NC 2008, 123; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier, 2012, 36; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, Die Keure, 2014, 201; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 933; K. DE SCHEPPER, “De informatieplicht m.b.t. een ten laste gelegd gebruik van duidelijk omschreven valse stukken en de rol van het onderzoeksgerecht bij een onduidelijke tenlastelegging”, NC 2015, 303-309.
(5)Cass. 29 mei 2018, AR P.17.0762.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2, AC 2018, nr. 340; Cass. 26 mei 2015, AR P.14.0414.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.1, AC 2015, nr. 343; Cass. 30 september 2014, AR P.14.0800.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140930.1, AC 2014, nr. 564; Cass. 16 december 2009, AR P.09.1166.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091216.4, AC 2009, nr. 755; Cass. 16 oktober 2012, AR P.12.0487.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121016.6, AC 2012, nr. 534. Zie ook EHRM 28 juni 1984, Campbell en Fell t/Verenigd Koninkrijk, www.echr.coe.int en C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL & SVACINA, 2019, 1306.
(6)R. VERSTRAETEN, “Het recht op informatie van de verdachte of beklaagde”, in Om deze redenen. Liber amicorum Armand Vandeplas, Mys&Breesch, 1994, 470-472.
(7)Cass. 21 januari 2014, AR P.12.642.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120613.2, AC 2014, nr. 46, NC 2015, 301 noot K. DE SCHEPPER.
(8)Cass. 21 januari 2014, AR P.12.1642.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.9, AC 2014, nr. 46; Cass. 5 april 2011, AR P.10.0715.N, AC 2011, nr. 249. Zie M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier, 2012, 1301; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2017, 36.
(9)Cass. 5 april 2011, AR P.10.1715.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110405.8, AC 2011, nr. 249, T. Strafr. 2011, 351 noot Y. VAN DEN BERGE, RW 2011-12, 1470 noot B. DE SMET. Zie ook M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier, 2012, 36.
(10)L. HUYBRECHTS en M. ROZIE, “De rechten van de verdediging bij de behandeling ten gronde”, NC 2008, 124.
(11)R. VERSTRAETEN, “Het recht op informatie van de verdachte of beklaagde”, in Om deze redenen. Liber amicorum Armand Vandeplas, Mys&Breesch, 1994, 475-476.
(12)Cass. 31 oktober 2000, AR P.00.1280.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001031.7, AC 2000, nr. 589.
(13)EHRM 25 maart 1999, Pélissier en Sassi t/Frankrijk, §53, www.echr.coe.int; GwH 24 september 2020, arrest 115/2020, B.7.2.2, www.const-court.be Zie ook R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 867.
(14)R. VERSTRAETEN, “Het recht op informatie van de verdachte of beklaagde”, in Om deze redenen. Liber amicorum Armand Vandeplas, MYS & BREESCH, 1994, 473.
(15)A. VANDEPLAS, “Over de feiten en hun omschrijving ervan”, RW 2000-01, 778; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier, 2012, 1302.
(16)Cass. 23 december 2014, AR P.13.1892.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141223.3, AC 2014, nr. 808; Cass. 5 april 2011, AR P.10.1715.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110405.8, AC 2011, nr. 249, T. Strafr. 2011, 351 noot Y. VAN DEN BERGE, RW 2011-12, 1470 noot B. DE SMET; Cass. 31 oktober 2000, AC 2000, nr.
- Zie ook L. HUYBRECHTS en M. ROZIE, “De rechten van de verdediging bij de behandeling ten gronde”, NC 2008, 124; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 867; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL & SVACINA, 2019,
- Over de sanctie van niet-ontvankelijkheid wegens een onduidelijke tenlastelegging, die ook vaag blijft in het licht van gegevens van het dossier, zie K. DE SCHEPPER, “De informatieplicht m.b.t. een ten laste gelegd gebruik van duidelijk omschreven valse stukken en de rol van het onderzoeksgerecht bij een onduidelijke tenlastelegging”, NC 2015, 307.
(17)Cass. 5 april 2011, AR P.10.1715.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110405.8, AC 2011, nr. 249, T. Strafr. 2012, 38. In dezelfde zin Cass. 31 oktober 2000, AR P.00.1280.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001031.7, AC 2000, nr. 589.
(18)K. DE SCHEPPER, “De informatieplicht m.b.t. een ten laste gelegd gebruik van duidelijk omschreven valse stukken en de rol van het onderzoeksgerecht bij een onduidelijke tenlastelegging”, NC 2015, 304.
(19)EHRM 21 februari 2002, Sipavicius t/Litouwen, www.echr.coe.int; GwH 24 september 2020, arrest 115/2020, arrest B.7.3, www.const-court.be Zie ook M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2017, 37.
(20)F. VAN VOLSEM, “Over de beperkte informatieplicht die rust op de vonnisrechter in strafzaken”, RABG 2018, 69.
(21)Cass. 22 februari 2015, AR P.14.1764.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150225.4, AC 2015, nr. 142; Cass. 23 mei 2017, AR P.16.0719.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170523.1, AC 2017, nr. 345; Cass. 15 januari 2019, AR P.18.0790.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.3, AC 2019, nr. 22.
(22)L. HUYBRECHTS, Fiscaal strafrecht, APR 2002, 132.
(23)L. DUPONT, “Valsheid in geschriften”, in Bijzonder strafrecht voor rechtspractici, Acco, 1990, 148; L. HUYBRECHTS, Fiscaal strafrecht, APR 2002, 133; E. BAEYENS, “Valsheid in geschriften: misdrijf tegen de openbare trouw”, T. Strafr. 2020, 208.
(24)Cass. 22 oktober 2019, AR P.19.0407.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191022.2, AC 2019, nr. 536, T. Strafr. 2020, 207, RO 5; Cass. 15 januari 2019, AR P.18.0790.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.3, AC 2019, nr. 22, RO7; Cass. 23 mei 2017, AR P.16.0719.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170523.1, AC 2017, nr. 345; Cass. 22 februari 2015, AR P.14.1764.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150225.4, AC 2015, nr. 142; Cass. 16 juni 1999, AR P.98.0738.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990616.7, AC 1999, nr. 362 met concl. van advocaat-generaal. J. SPREUTELS op datum in Pas.; Cass. 27 september 1988, AC 1988-89, nr. 53; Cass. 18 juni 1985, AR nr. 9287, AC 1984-85, nr. 633.
(25)Cass. 25 oktober 1988, AC 1988-89, 226. Zie alg. J. VANHALEWYN en L. DUPONT, Valsheid in geschriften, APR 1975, 23; L. HUYBRECHTS, Fiscaal strafrecht, APR 2020, 133; A. DE NAUW, Fiscaal strafrecht en strafprocesrecht, Intersentia, 2007, 7; M. MAUS en S. DE MEULENAER, Everest handboek fiscaal strafrecht, Kluwer, 2010, 98; E. DIRIX en G.L. BALLON, Factuur, APR 2012, 368-369; S. VAN DYCK, Valsheid in geschriften en gebruik van valse geschriften, Intersentia, 2007, 294; E. BAEYENS, “Valsheid in geschriften: misdrijf tegen de openbare trouw”, T. Strafr. 2020, 209.
(26)Cass. 23 september 2015, AR P.13.1451.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150923.7, AC 2015, nr. 545, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 22 januari 2013, AR P.12.0625.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130122.10, AC 2013, nr. 43, RABG 2013, 1144; Cass. 14 december 2010, AR P.10.1079.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101214.8, AC 2010, nr. 742, RABG 2011, 588 noot L. DELBROUCK; Cass. 5 mei 2004, AR P.04.0063.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040505.17, AC 2004, nr. 235, RDP 2004, 1076; Cass. 19 september 1995, AR P.94.0377.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950919.1, AC 1995, nr. 388, RW 1995-96, 1209 noot M. GELDERS; Cass. 15 juni 1994, AR P.94.0231.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940615.14, AC 1994, nr. 309; Cass. 25 oktober 1988, AR 2183, AC 1988-89, nr. 112.
(27)B. SPRIET, “Strafrechtelijke mogelijkheden (waarmee zich te beschermen tegen insolventie van een schuldenaar)”, in Jaarboek insolventierecht 2000. Gids voor het innen van uw facturen, Kluwer, 131-141, rubriek H; S. VAN DYCK, Valsheid in geschriften en gebruik van valse geschriften, Intersentia, 2007, 296; A. WEYEMBERGH en L. KENNES, Droit pénal spécial, Anthemis, 2011, 210; E. BAEYENS, “Valsheid in geschriften: misdrijf tegen de openbare trouw”, T. Strafr. 2020, 209.
(28)Cass. 21 januari 2020, AR P.19.0693.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.3, AC 2020, nr. 59, RO 4, NC 2020, 288, RABG 2020, 719; Cass. 11 december 2018, AR P.18.0791.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.5, AC 2018, nr. 702, T. Strafr. 2019, 73 noot B. MEGANCK. In dezelfde zin Cass. 2 juni 2015, AR P.14.1080.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150602.3, AC 2015, nr. 360, RABG 2016, 26 noot V. VEREECKE; Cass. 17 februari 2015, AR P.14.1526.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.6, AC 2015, nr. 123; Cass. 21 januari 2014, AR P.12.1840.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.10, AC 2014, nr. 47; Cass. 4 december 2012, AR P.12.0781.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121204.2, AC 2012, nr. 660, T. Strafr. 2013, 189 noot G. SCHOORENS; Cass. 4 maart 1997, AR P.96.1072.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970304.5, AC 1997, nr. 119; Cass. 2 oktober 1996, AR P.96.0807.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961002.5, AC 1996, nr. 346; Cass. 7 december 1982, AC 1982-83, 487.
(29)Cass. 6 oktober 2010, AR P.10.0723.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101006.7, AC 2010, nr. 579 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.
(30)H.D. BOSLY, “L’escroquerie”, in Les infractions contre les biens, Larcier, 2008, 260; L. HUYBRECHTS, “Oplichting”, in Comm. Sr., 2015, 8 en 13; M. BOCKSTAELE, “Oplichting”, in Postal Memorialis, Kluwer, 2016, 11; S. LOSSY, “Misbruik van vennootschapsgoederen”, in Comm. Sr. 2019, 23; E. BAEYENS, “Over oplichting en eigendomsoverdracht”, T. Strafr. 2020, 367.
(31)Cass. 4 december 2012, AR P.12.0781.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121204.2, AC 2012, nr. 660.
(32)Cass. 25 januari 2017, AR P.16.1021.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.8, AC 2017, nr. 54, RW 2018-19, 261 noot R. VERHEYDEN en J. VANROYE; Cass. 17 februari 2015, AR P.14.1526.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.6, AC 2015, nr. 123, RW 2016-17, 708; Cass. 15 april 1997, AR P.97.0469.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970415.10, AC 1997, nr. 187; Cass. 17 februari 1988, AC 1987-88, 775, RDP 1988, 695; Zie ook B. SPRIET, “Gemeenrechtelijke fraudemisdrijven m.b.t. onroerende goederen”, in Het onroerend goed in het straf(proces)recht, Intersentia, 2012, 47; M. BOCKSTAELE, “Oplichting”, in Postal Memorialis, Kluwer, 2016, 11.
(33)Cass. 25 januari 2017, AR P.16.1021.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.8, AC 2017, nr. 54, RW 2018-19, 261 noot R. VERHEYDEN en J. VANROYE.
(34)Cass. 3 maart 2020, AR P.19.1021.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200303.2N.2, AC 2020, nr. 157, T. Strafr. 2020, 366 noot E. BAEYENS. Over het aspect van het zich bedrieglijk toe-eigenen van andermans zaak zie ook A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de droit pénal spécial, Kluwer, 2018, 916.
(35)Cass. 28 februari 2017, AR P.16.1015.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.4, AC 2017, nr. 140.
(36)Cass. 25 mei 2011, AR P.11.0660.F, AC 2011, nr. 350; Cass. 29 maart 1994, AR 6315, AC 1994, nr. 153.
(37)Cass. 3 december 2019, AR P.19.0652.N, T. Strafr. 2020, 144 noot E. BAEYENS; Cass. 9 februari 2016, AR P.14.0777.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160209.1, AC. 2016, nr. 88 met concl. van advocaat-generaal M. DE SWAEF; Cass. 3 juni 2014, AR P.13.0283.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140603.1, AC 2014, nr. 397, RW 2014-15, 1463 noot L. VAN DEN STEEN; Cass. 25 juni 2008, AR P.07.1873.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080625.6, AC 2008, nr. 396, RDP 2009, 79; Cass. 9 februari 2005, AR P.04.0887.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050209.7, AC 2005, nr. 82; Cass. 29 november 2000, AR P.00.1098.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001129.12, AC 2000, nr. 655, JLMB 2001, 1383; Cass. 13 januari 1999, AR P.98.0653.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990113.10, AC 1999, nr. 16, RW 1999-00, 917; Cass. 29 maart 1994, AR 6315, AC 1994, nr. 153.
(38)Cass. 10 januari 2017, AR P.16.0380.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170110.2, AC 2017, nr. 21; Cass. 22 september 2015, AR P.15.0143.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.1, AC 2015, nr. 542, RW 2016-17, 258; Cass. 17 september 2014, AR P.14.0690.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140917.4, AC 2014, nr. 530; Cass. 9 februari 2005, AR P.04.0405.N, AC 2005, nr. 82. Zie S. VAN DYCK, “Misbruik van vertrouwen: het verduisteren of verspillen van ‘de la chose d’autrui”, T. Strafr. 2001, 139-142; H.D. BOSLY, “L’abus de confiance”, in Les infractions contre les biens, Larcier, 2008, 214; B. SPRIET, “Gemeenrechtelijke fraudemisdrijven m.b.t. onroerende goederen”, in Het onroerend goed in het straf(proces)recht, Intersentia, 2012, 52-53; L. HUYBRECHTS, “Misbruik van vertrouwen”, in Comm. Sr., Kluwer, 2013, 6; I. DELBROUCK, “Misbruik van vertrouwen”, in Postal Memorialis, 2018, punt. 2.2; L. VAN DEN STEEN, “De grondslag van het precair bezit bij misbruik van vertrouwen, of waar strafrecht en burgerlijk recht elkaar (soms) vinden”, RW 2014-15, 1464-1467; Concl. van M. DE SWAEF, in Cass. 9 februari 2016, AR P.14.0777.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160209.1, AC 2016, nr. 88; A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de droit pénal spécial, Kluwer, 2018, 873; E. VAN DOOREN, “Misbruik van vertrouwen ten nadele van de eigen vennootschap”, NC 2018, 381-384.
(39)Cass. 22 september 2015, AR P.15.0143.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.1, AC 2015, nr. 542, RW 2016-17, 258.
(40)Cass. 17 januari 2018, AR P.17.0975.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180117.8, AC 2018, nr. 36.
(41)Cass. 27 oktober 2010, AR P.09.1245.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101027.2, AC 2010, nr. 638, RDP 2011, 143; Cass. 14 september 2004, AR P.04.0530.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040914.6, AC 2004, nr. 408; Cass. 9 april 1991, AR 2941, AC 1990-91, 813, RW 1991-92, 461 noot A. VANDEPLAS.
(42)Cass. 25 september 2012, AR P.12.0444.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120925.4, AC 2012, nr. 486, T. Strafr. 2013, 244 noot T. BAUWENS; Cass. 8 september 1998, AR P.97.0662.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980908.10, AC 1998, nr. 391; Cass. 29 maart 1994, AR 6315, AC 1994, nr. 153.
(43)Cass. 9 februari 2016, AR P.14.0777.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160209.1, AC 2016, nr. 88, met concl. van advocaat-generaal M. DE SWAEF; Cass. 22 september 2015, AR P.15.0143.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.1, AC 2015, nr. 542, RW 2016-17, 258. Zie alg. E. VAN DOOREN, “Misbruik van vertrouwen ten nadele van de eigen vennootschap”, NC 2018, 381-384.
(44)Cass. 31 mei 2016, AR P.15.1507.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160531.3, AC 2016, nr. 360, NC 2018, 379 noot E. VAN DOOREN.
(45)Cass. 25 juni 2008, AR P.07.1873.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080625.6, AC 2008, nr. 396, RDP 2009, 79.
(46)D. VAN GERVEN, Handboek vennootschappen, Larcier, 2017, 742.
(47)Cass. 22 september 2015, AR P.15.0143.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.1, AC 2015, nr. 542, RO 33, RW 2016-17, 258.
(48)Cass. 23 oktober 2018, AR P.18.0052.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181023.2, AC 2018, nr. 576, RO 4 en 6.
(49)Cass. 30 oktober 2018, AR P.18.0516.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181030.1, AC 2018, nr. 592.
(50)Cass. 30 oktober 2018, AR P.18.0516.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181030.1, AC 2018, nr. 592; Cass. 31 mei 2016, AR P.15.1507, AC 2016, nr. 360, NC 2018, 379 noot E. VAN DOOREN.
(51)E. VAN DOOREN, “Misbruik van vertrouwen ten nadele van de eigen vennootschap”, NC 2017, 384.
(52)Cass. 19 september 2017, AR P.15.0539.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170919.1, AC 2017, nr. 480.
(53)Cass. 17 januari 2017, AR P.16.1084.N, AC 2017, nr. 34; Cass. 25 oktober 2016, AR P.15.1312.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161025.3, AC 2016, nr. 596, NC 2017, 374 noot E. VAN DOOREN. Zie alg. M.L. CESONI en D. VANDERMEERSCH, “Le recel en le blanchiment”, in Les infractions contre les biens, Larcier, 2008, 478 en 489.
(54)F. DERUYCK, “Witwassen”, in Comm. Sr. 1997, 12; E. VAN DOOREN, “Witwas op eigen bankrekeningen?”, RABG 2014, 958.
(55)Cass. 5 juni 2013, AR P.13.0313.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130605.3, AC 2013, nr. 341, RDP 2014, 83, RABG 2014, 956 noot E. VAN DOOREN, T. Strafr. 2014, 119 noot G. SCHOORENS.
(56)Cass. 25 oktober 2016, AR P.15.1312.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161025.3, AC 2016, nr. 596, NC 2017, 374 noot E. VAN DOOREN, “Actieve witwas noodzaakt geen geldcirculatie”, RO 7. “Uit de tekst van deze bepaling en de wetgeschiedenis ervan volgt dat het plaatsen van door artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde vermogensvoordelen bestaande in cash gelden, cheques of buitenlandse overschrijvingen op een bankrekening van hij die deze gelden plaatst, de cheques incasseert of de buitenlandse overschrijvingen doet, wel degelijk een door artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek bedoelde verrichting kan zijn, voor zover zij geschiedt met het door die bepaling vereiste bijzonder opzet”.
(57)E. VAN DOOREN, “Actieve witwas noodzaakt geen geldcirculatie”, NC 2017, 376-378.
(58)Cass. 4 september 2007, AR P.07.0219.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070904.2, AC 2007, nr.
- Over dit arrest zie B. SPRIET, “Gemeenrechtelijke fraudemisdrijven m.b.t. onroerende goederen”, in Het onroerend goed in het straf(proces)recht, Intersentia, 2012,
- PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201201.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940615.14 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950919.1 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961002.5 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970304.5 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970415.10 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980908.10 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990113.10 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990616.7 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001031.7 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001129.12 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010523.4 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040505.17 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040914.6 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050209.7 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070904.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080304.19 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080625.6 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091216.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101006.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101027.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101214.8 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110405.8 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120613.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120925.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121016.6 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121204.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130122.10 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130605.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.10 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.9 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140603.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140917.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140930.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141223.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150225.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150602.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150923.7 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160209.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160531.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161025.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170110.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.8 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170523.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170919.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180117.8 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181023.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181030.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191022.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200303.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div