id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201204.1N.3 Rolnummer: F.19.0126.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra OTIS nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht - Unierecht Invoerdatum: 2022-06-21 Raadplegingen: 1177 - laatst gezien 2026-06-20 14:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201204.1N.3 Fiche 1 Artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek vereist niet dat in het verzoekschrift tot cassatie, naast de schending van rechtstreeks werkende internationale verdragsbepalingen, ook de Belgische wet tot goedkeuring van dit verdrag wordt vermeld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Vereiste vermeldingen Vrije woorden: Wettelijke bepalingen - Rechtstreeks werkende internationale verdragsbepalingen - Belgische goedkeuringswet - Noodzaak tot vermelding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1080 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 2 - 3 Het beginsel van de Unietrouw, vervat in artikel 10 EG-Verdrag, vereist dat de nationale rechter artikel 53, 6°, WIB 1992 in die zin uitlegt dat het aftrekverbod ook van toepassing is op de door de Europese Commissie krachtens artikel 23, lid 2, a), Verordening 1/2003 opgelegde geldboeten wegens een inbreuk op artikel 81 of 82 EG-Verdrag, opdat de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unierechtelijke verbods- en sanctiebepalingen inzake het mededingingsrecht niet in gevaar wordt gebracht
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Beroepskosten Vrije woorden: Door Europese Commissie opgelegde geldboete wegens inbreuk op artikel 81 of 82 EG-Verdrag - Kartelboeten - Aftrekbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 53, 6° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Vrije woorden: Beginsel van de Unietrouw - Nationale rechter - Uitlegging nationale bepalingen in overeenstemming met het Unierecht - Vereiste Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 53, 6° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Annotaties Publicaties: Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] - 2021, nr. 7, p. 552-
- - DE SMET, Liesbeth; VETTERS, Wim; Noot'Interessante rechtspraak inzake fiscale aftrekbarheid Europese kartelboete en minnelijke schikking... maar recente westwijziging beperkt relevantie voor de toekomst' NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2021, nr. 449, p. 732-
- - DE KONINCK, Constant; Noot'Kartelboetes zijn niet fiscaal aftrekbaar' JT-Journal des tribunaux - 2021, n° 39, p. 848-
- - FORIERS, Alain; Note'La recevabilité des moyens de cassation pris de la violation d'une convention internationale: un pas vers moins de formalisme?' Tekst van de conclusie F.19.0126.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
- Situering De Europese Commissie heeft bij beschikking van 21 februari 2007 in een procedure op grond van artikel 81 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (thans artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) aan een aantal ondernemingen, waaronder verweerster, een boete opgelegd wegens hun deelname aan kartelafspraken inzake de installatie en het onderhoud van liften en roltrappen in België, Duitsland, Luxemburg en Nederland. Aan verweerster werd een boete opgelegd van 47.713.050,00 euro. In de aangifte in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2006 nam verweerster de door haar aangelegde voorziening ter betaling van de opgelegde boete op als een van vennootschapsbelasting vrijgestelde voorziening. In de aangifte voor het aanslagjaar 2007 werd het bedrag van de boete verwerkt als een aftrekbare beroepskost. De fiscale administratie was evenwel van mening dat de EG-kartelboete zelf niet aftrekbaar was als een bedrijfsuitgave op grond van hetgeen bepaald is in artikel 53, 6° WIB
- Derhalve kon voor het aanslagjaar 2006 geen van vennootschapsbelasting vrijgestelde voorziening worden aangelegd. Voor aanslagjaar 2007 werd de aftrek als bedrijfsuitgave van de kartelboete verworpen en werd de volgens de fiscale administratie belastbare voorziening wel in mindering van de reserves gebracht. Onderhavige zaak betreft enkel de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar
- Het hof van beroep te Brussel oordeelde bij arrest dd. 3 april 2019 dat de aftrekbeperking van artikel 53, 6° WIB92 zich niet uitstrekt tot de hier bedoelde kartelboete en dat niet werd aangetoond door eiser dat de aftrekbaarheid van de kartelboete en het belastingvrij zijn van de geboekte voorziening op grond van artikel 49 WIB92 uitgesloten zou moeten worden. Eiser komt op tegen dit arrest met vier middelen tot cassatie.
- Bespreking van het tweede middel ONTVANKELIJKHEID 2.
- Verweerster werpt in de memorie van antwoord vier gronden van niet-ontvankelijkheid op. 2.1.
- Vooreerst werpt verweerster op dat het middel niet voldoet aan de vereisten van artikel 1080 Ger.W., nu het nalaat de wet te vermelden waarbij de als geschonden aangevoerde Unierechtelijke verdragsbepalingen werden goedgekeurd in de Belgische rechtsorde. Verweerster baseert zich hiertoe wellicht op het beginsel dat in sommige rechtsleer wordt vermeld, namelijk dat Uw Hof slechts kennis neemt van de schending van een internationaal verdrag, wanneer eveneens de Belgische wet wordt vermeld waardoor dit verdrag werd goedgekeurd
(1). Er wordt daarbij verwezen naar een arrest van Uw hof van 30 juni 1994
(2)waarin werd geoordeeld dat "niet ontvankelijk is het middel ten betoge dat een internationale overeenkomst, te dezen de overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting, op 11 april 1967 gesloten tussen België en de Bondsrepubliek Duitsland, is geschonden, zonder de Belgische wet tot goedkeuring van die overeenkomst te vermelden". Artikel 1080 Ger. W. lijkt nochtans niet te vereisen dat, naast de schending van rechtstreeks werkende internationale verdragsbepalingen, ook de Belgische wet tot goedkeuring van dit verdrag wordt vermeld. Artikel 1080 Ger. W. vereist immers dat in het verzoekschrift tot cassatie "de wettelijke bepalingen worden vermeld waarvan de schending wordt aangevoerd". De rechtspraak van Uw Hof is thans in die zin gevestigd dat een middel tot cassatie ontvankelijk is wanneer het de wetsbepalingen vermeldt waarvan de schending op zichzelf tot cassatie kan leiden indien het middel gegrond zou zijn
(3). Op grond van artikel 1080 Ger. W. volstaat het dus om de geschonden wetsbepaling aan te voeren waarop de betrokken grief slaat
(4). 2.1.1.1. In de voorliggende zaak volgen de grieven van eiser uit de aangevoerde schending van de op het geschil toepasselijke Unierechtelijke verdragsbepaling inzake het beginsel van de Unietrouw, namelijk artikel 10 EG-Verdrag, die volstaat om tot vernietiging te leiden als het middel gegrond is. De grieven van eiser volgen niet uit een schending van de Belgische wet tot goedkeuring van die verdragen, zodat eiser die wet m.i. niet moest vermelden. Uw Hof oordeelt in dit licht in vaste rechtspraak dat het niet noodzakelijk is om tevens de wettelijke bepaling te vermelden die de bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd, op het geval toepasselijk maken
(5). Zo oordeelde Uw Hof in een arrest van 10 februari 1995
(6)dat het middel dat de schending aanvoert van de Zesde btw-richtlijn en de betreffende bepalingen van het btw-Wetboek, zonder de artikel 100 en 189 EG-Verdrag te vermelden, die de bevoegdheid van de Gemeenschap omschrijven om de wetgeving te harmoniseren en die de werking van de richtlijnen bepalen, ontvankelijk is. Volgens Uw Hof "betoogt eiser te dezen niet dat de artikelen 100 en 189 van het Verdrag zouden zijn geschonden en volstaat de schending van de genoemde bepalingen van de richtlijn en van het btw-wetboek om tot vernietiging te leiden als het middel gegrond is". Bovendien oordeelde Uw Hof in een arrest van 11 december 1995
(7)dat het middel dat de wet niet vermeldt die de als geschonden aangevoerde bepaling op het geval toepasselijk maakt, ontvankelijk is, daar "het middel geen schending van die wet aanvoert, zodat het daarvan geen melding behoefde te maken". In andere rechtspraak oordeelde Uw Hof dat het niet noodzakelijk is de volledige ketting van bepalingen te vermelden die op het geding toepasselijk zijn
(8). Verder oordeelde Uw Hof in een arrest van 21 februari 2011
(9)dat de aanvoering van de schending van het Unierecht volstaat om tot cassatie te leiden, zonder dat het noodzakelijk is om tevens het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van het Unierecht op de nationale normen te vermelden. De verweerders hadden aangevoerd dat het cassatiemiddel van de eiser niet ontvankelijk was nu dit in wezen gesteund was op een strijdigheid van een nationale norm (het door artikel 53 WHPC bepaalde verbod van aankondigingen van prijsverminderingen gedurende de sperperiodes) met een Europese richtlijn (Richtlijn 2005/29 van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt), en noch de schending aanvoerde van de artikelen 10 en 249 EG-Verdrag noch van het algemeen rechtsbeginsel van voorrang van het Unierecht op de nationale normen. Het Hof oordeelde dat dit middel wel ontvankelijk was, nu de grieven van de eiser volgen uit de aangevoerde schending van de Europese richtlijn en niet uit een schending van de artikelen 10 en 249 EG-Verdrag of van het vernoemde algemeen rechtsbeginsel. In lijn met de hierboven besproken rechtspraak lijkt het mij op grond van artikel 1080 Ger. W. dan ook te volstaan dat de schending van de rechtstreeks werkende internationale verdragsbepalingen wordt aangevoerd, opdat het middel tot cassatie kan leiden en aldus ontvankelijk is. Het lijkt mij niet noodzakelijk om tevens de Belgische wet tot goedkeuring van die verdragen te vermelden. 2.1.1.2. Verder lijkt het mij dat Uw Hof zelfs geen kennis zou kunnen nemen van een aangevoerde schending van de goedkeuringswet zelf, aangezien deze geen "wet" uitmaakt in de zin van artikel 608 Ger. W. Een goedkeuringswet vormt immers geen rechtsregel met een algemene draagwijdte en verbindend karakter die een bepaalde gedraging voorschrijft
(10). Uw Hof oordeelde in die zin in een arrest van 26 oktober 1995 dat "de wet houdende de goedkeuring van het akkoord tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zaïre betreffende bepaalde goederen en rechten van Zaïre, geen wet is in de zin van artikel 608 Gerechtelijk Wetboek"
(11). Ook in de rechtsleer wordt erop gewezen dat een wet tot goedkeuring van een internationaal verdrag geen normatief karakter heeft en dat de kern van de norm niet in zulke goedkeuringswet, maar in het goedgekeurde verdrag zelf ligt. De vraag rijst volgens die rechtsleer dan ook wat de actuele verantwoording nog is van het formele vereiste om die goedkeuringswet te vermelden, zeker wanneer de geschonden wetsbepaling is vervat in de EU-Verdragen of in het EVRM
(12). 2.1.1.3 Tenslotte dient er ook nog op gewezen dat, specifiek met betrekking tot de EU-Verdragen, het beginsel van de Unietrouw - waarvan het doeltreffendheidsbeginsel een aspect is - vervat in voormalig artikel 10 EG-Verdrag en huidig artikel 4, lid 3, VEU, vereist dat de interne procesrechtelijke regels, waaronder artikel 1080 Ger. W., de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken
(13). Welnu, indien een middel gegrond op de schending van een rechtstreeks werkende Unierechtelijke verdragsbepaling niet ontvankelijk wordt verklaard om de enkele reden dat de goedkeuringswet van het verdrag niet wordt vermeld, zou dit de uitoefening van de rechten die voortvloeien uit de Unierechtelijke bepalingen in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken
(14). Gelet op het bovenstaande, dient de eerste grond van niet-ontvankelijkheid naar mijn mening te worden verworpen. 2.1.
- Als tweede grond van niet-ontvankelijkheid voert verweerster aan dat het middel niet nauwkeurig is, nu het niet preciseert welke als geschonden aangevoerde Unierechtelijke verdragsbepaling van toepassing zou zijn, namelijk huidig artikel 4, lid 3, VEU of voormalig artikel 10 EG-Verdrag. Deze grond van niet-ontvankelijkheid dient m.i. te worden verworpen. De voorziening geeft immers zowel op p. 2 onder "geschonden wetsbepalingen" als op p. 14 bij de hoofding van het tweede middel aan dat het gaat om de schending van voormalig artikel 10 EG-Verdrag, zoals van toepassing voor aanslagjaar
- Er wordt slechts volledigheidshalve tussen haakjes verwezen naar huidig artikel 4, lid 3, VEU. 2.1.
- Verweerster voert als derde grond van niet-ontvankelijkheid aan dat het middel niet nauwkeurig is, nu het niet preciseert hoe het bestreden arrest de als geschonden aangevoerde Unierechtelijke verdragsbepalingen inzake het beginsel van de Unietrouw zou schenden. De derde grond van niet-ontvankelijkheid moet m.i. worden verworpen. Het middel voert immers duidelijk aan dat het bestreden arrest de verdragsbepalingen inzake het beginsel van de Unietrouw heeft geschonden door te oordelen dat de Unierechtelijke bepalingen, met name de artikelen 81 tot 83 EG-Verdrag, zoals uitgelegd door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geen invulling kunnen geven aan artikel 53, 6°, WIB
- 2.1.
- In de vierde grond van niet-ontvankelijkheid wordt aangevoerd dat het middel niet nauwkeurig en onvolledig is nu het niet in de uiteenzetting van het middel zelf preciseert volgens welke Europese rechtspraak kartelboeten niet fiscaal aftrekbaar zouden mogen zijn. Naar mijn mening dient ook deze vierde grond van niet-ontvankelijkheid te worden verworpen. Uw Hof oordeelt in vaste rechtspraak dat een middel de mogelijkheid moet bieden om de grief te ontwaren die de eiser tegen het arrest wil aanvoeren. Ook al mag de toelichting een onduidelijkheid met betrekking tot het middel verhelpen door een element dat reeds aanwezig is in de uiteenzetting te verduidelijken, zij mag geen aanvulling vormen op de leemtes in de uiteenzetting
(15). In casu biedt het middel wel degelijk de mogelijkheid om de aangevoerde grief te ontwaren. Het middel zelf is weliswaar zeer bondig, maar bevat wel een duidelijke grief. Het voert aan dat het bestreden arrest het beginsel van de Unietrouw, vervat in voormalig artikel 10 EG-Verdrag en huidig artikel 4, lid 3, VEU, miskent, door te oordelen dat geen enkele Unierechtelijke bepaling invulling kan geven aan artikel 53, 6°, WIB92, terwijl het beginsel van de Unietrouw juist wil dat de nationale bepalingen zoveel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht worden uitgelegd. Het is duidelijk dat de bedoelde Unierechtelijke bepalingen die mede invulling moeten geven aan artikel 53, 6°, WIB 1992, de artikelen 81 tot 83 EG-Verdrag betreffen, waarvan het middel eveneens de schending aanvoert. Volgens het middel schuift het arrest de Unietrouw hierdoor onterecht ter zijde en weigert het de Europese rechtspraak toe te passen die evenwel bindend is voor de nationale rechtscolleges. Dit lijkt mij een duidelijke en volledige grief. In de toelichting geeft eiser uitgebreid weer welke rechtspraak van het Hof van Justitie betreffende de artikelen 81 tot 83 EG-Verdrag van belang is voor de invulling van artikel 53, 6°, WIB
- Dit vormt een verduidelijking van een gegeven dat al in het middel zelf was aangehaald en vormt m.i. geen aanvulling op een leemte. TEN GRONDE 2.
- Krachtens artikel 53, 6°, WIB92, zoals van toepassing op het geschil, worden niet als aftrekbare beroepskosten aangemerkt, geldboeten, met inbegrip van transactionele geldboeten, verbeurdverklaringen en straffen van alle aard, zelfs indien die geldboeten of straffen worden opgelopen door een persoon die van de belastingplichtige bezoldigingen ontvangt als vermeld in artikel
- In de voorliggende zaak rijst de vraag of de door de Europese Commissie krachtens artikel 23, lid 2, a), Verordening 1/2003 van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (hierna "Verordening 1/2003") opgelegde geldboeten - dit zijn boeten opgelegd wegens een inbreuk op de mededingingsrechtelijke bepalingen die kartelvorming of misbruik van machtspositie verbieden - "geldboeten" uitmaken in de zin van artikel 53, 6°, WIB92, die aldus niet als beroepskost van de belastbare winst kunnen worden afgetrokken. 2.
- De materie van de directe belastingen behoort weliswaar tot de bevoegdheid van de lidstaten, maar het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in vaste rechtspraak dat de lidstaten niettemin verplicht zijn om deze bevoegdheid in overeenstemming met het recht van de Unie uit te oefenen
(16). Deze verplichting vloeit met name voort uit het beginsel van de Unietrouw, vervat in voormalig artikel 10 EG-Verdrag en huidig artikel 4, lid 3, VEU, krachtens hetwelk nationale regels geen afbreuk mogen doen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie. Dit beginsel geldt ook voor nationale bepalingen betreffende materies waarin de regelgevende bevoegdheid niet aan de Europese Unie is overgedragen (zoals de bepalingen inzake directe belastingen) die aldus niet in die zin mogen worden uitgelegd of toegepast dat zij de doeltreffendheid van het rechtstreeks werkend Unierecht zouden ondermijnen (in casu van de mededingingsrechtelijke verbodsbepalingen vervat in de voormalige artikelen 81 en 82 EG-Verdrag en de huidige artikelen 101 en 102 VWEU en de sanctiebepalingen van artikel 23 Verordening 1/2003). Krachtens het beginsel van de Unietrouw - of het beginsel van de loyale samenwerking - treffen de lidstaten immers alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit dit Verdrag of uit handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Zij vergemakkelijken de vervulling van haar taak (artikelen 10, lid 1, EG-Verdrag en 4, lid 3, alinea 2, VEU). Daarnaast onthouden zij zich van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag in gevaar kunnen brengen (artikelen 10, lid 2, EG-Verdrag en 4, lid 3, alinea 3, VEU). Deze verplichting tot loyale samenwerking geldt voor alle overheidsinstanties, dus ook voor de rechterlijke instanties, die de plicht hebben om de nationale bepalingen die zij moeten toepassen, zoveel mogelijk in overeenstemming met de eisen van het Unierecht uit te leggen
(17). De rechter moet dus nagaan of het nationale recht niet zodanig kan worden uitgelegd of toegepast dat er geen conflict ontstaat met het Unierecht. Dit houdt zo nodig de verplichting in om vaste rechtspraak te wijzigen wanneer deze berust op een onverenigbare uitleg van het nationale recht. Deze verplichting tot een "Unierechtsconforme" uitlegging van het nationale recht vindt echter zijn begrenzing in onder meer het legaliteitsbeginsel, dat een algemeen rechtsbeginsel van Unierecht uitmaakt: de rechter is niet verplicht om een nationale bepaling contra legem uit te leggen, dit is in strijd met de duidelijke bedoeling van de wetgever
(18). Enkel indien geen met het Unierecht strokende uitlegging mogelijk is - en een conflict aldus niet kan worden vermeden - geldt het beginsel van voorrang van het Unierecht als conflictregel
(19). Zo oordeelt het Hof van Justitie sinds het arrest Simmenthal
(20)dat krachtens het beginsel van de voorrang van het Unierecht, de verdragsbepalingen en de rechtstreeks toepasselijke handelingen van de instellingen, in hun verhouding tot het nationale recht van de lidstaten, tot gevolg hebben dat zij door het enkele feit van hun inwerkingtreding elke strijdige bepaling van de bestaande nationale wetgeving van rechtswege buiten toepassing doen treden. De nationale rechter, die verplicht is zorg te dragen voor de volle werking van de toepasselijke Unienormen, moet derhalve zo nodig, op eigen gezag, elke met die Unienormen strijdige bepaling van de nationale wetgeving buiten toepassing laten
(21). Uit het bovenstaande volgt dat de nationale rechter de verplichting heeft om artikel 53, 6°, WIB92 zoveel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen, dit is op een wijze die verzekert dat de mededingingsrechtelijke verbodsbepalingen, verankerd in de voormalige artikelen 81 en 82 EG-Verdrag en de huidige artikelen 101 en 102 VWEU, en de sanctiebepaling vervat in artikel 23 Verordening 1/2003, hun volle werking behouden, doordat hun doelstellingen ten volle kunnen worden gerealiseerd. 2.4. Het Hof van Justitie oordeelt in vaste rechtspraak dat een krachtens artikel 23, lid 2, a), Verordening 1/2003 opgelegde geldboete wegens een inbreuk op artikel 81 of 82 EG-Verdrag enerzijds tot doel heeft de ongeoorloofde gedragingen van de betrokken ondernemingen tegen te gaan en, anderzijds, zowel die ondernemingen als andere deelnemers aan het economisch verkeer ervan te weerhouden om in de toekomst de Unierechtelijke mededingingsregels te schenden, zodat een dergelijke geldboete zowel een bestraffende als een afschrikkende werking heeft
(22). 2.5. Het Hof van Justitie oordeelde verder in een arrest van 11 juni 2009
(23)dat de doeltreffendheid van de krachtens artikel 83, lid 2, sub a, EG-Verdrag door de nationale of Unierechtelijke mededingingsautoriteiten opgelegde sancties een voorwaarde is voor de coherente en doeltreffende toepassing van de mededingingsrechtelijke verbodsbepalingen van de artikelen 81 en 82 EG-Verdrag (r.o. 37). Er moet worden opgemerkt dat Verordening 1/2003 uitgevaardigd is op grond van artikel 83, lid 1, EG-Verdrag en in artikel 23 betreffende de geldboeten verder uitvoering geeft aan voormeld artikel 83, lid 2, sub a, EG-Verdrag. Het Hof van Justitie oordeelde vervolgens dat wanneer het principiële verbod van mededingingsverstorende praktijken zou worden losgekoppeld van de voor de niet-eerbiediging hiervan voorziene sancties, de doeltreffendheid zou worden ontnomen aan het handelen van de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de naleving van dit verbod en met het opleggen van sancties voor dergelijke praktijken. De artikelen 81 en 82 EG-Verdrag zouden dus onwerkzaam zijn indien zij niet met de in artikel 83, lid 2, sub a, EG-Verdrag voorziene dwangmaatregelen gepaard zouden gaan. Tussen de geldboeten en de toepassing van de artikelen 81 en 82 EG-Verdrag bestaat dus een wezenlijk verband (r.o. 36). In een kernoverweging overwoog het Hof van Justitie ten slotte dat "het duidelijk is dat de uitkomst van het geding inzake de fiscale aftrekbaarheid van een gedeelte van een door de Commissie opgelegde geldboete kan raken aan de doeltreffendheid van de door de [Unierechtelijke] mededingingsautoriteit opgelegde sanctie. De beschikking van de Commissie waarbij zij aan een vennootschap een geldboete heeft opgelegd, zou namelijk aanzienlijk aan doeltreffendheid inboeten indien deze boete voor de betrokken vennootschap (...) volledig of gedeeltelijk aftrekbaar zou zijn van haar belastbare winst, aangezien een dergelijke mogelijkheid tot gevolg zou hebben dat de last van de betrokken boete door een verlaging van de belastindruk gedeeltelijk zou worden gecompenseerd" (r.o. 39). De fiscale aftrekbaarheid van een krachtens artikel 23, lid 2, a), Verordening 1/2003 door de Commissie opgelegde geldboete zou de afschrikkende werking van de opgelegde sanctie - dit is het ontradend effect ervan - aldus kunnen ondermijnen. 2.
- Deze rechtspraak is in lijn met een ouder arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 10 maart 1992, T-10/89, Hoechst, waarin het Gerecht reeds van oordeel was dat "de Commissie bij de vaststelling van de aan de verzoekster opgelegde geldboete ongetwijfeld rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat die geldboete uit de winst na belasting moest worden betaald. Indien de boete uit de winst vóór belasting moest worden betaald, zou in feite een deel van de boete zijn gedragen door de lidstaat waaronder de onderneming fiscaalrechtelijk ressorteert, aangezien daardoor voor de onderneming de maatstaf van heffing zou zijn verminderd. Bij de vaststelling van het bedrag van de aan Hoechst opgelegde geldboete kan de Commissie evenwel onmogelijk van die hypothese zijn uitgegaan" (r.o. 369). 2.
- Uit voormelde rechtspraak volgt aldus kennelijk dat het beginsel van de Unietrouw, vervat in voormalig artikel 10 EG-Verdrag, zoals van toepassing op het geschil, vereist dat de nationale rechter artikel 53, 6°, WIB92 in die zin uitlegt dat het aftrekverbod ook van toepassing is op de door de Europese Commissie krachtens artikel 23, lid 2, a), Verordening 1/2003 opgelegde geldboeten wegens een inbreuk op de artikelen 81 of 82 EG-Verdrag, thans 101 of 102 VWEU, opdat de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unierechtelijke verbods- en sanctiebepalingen inzake het mededingingsrecht niet in gevaar wordt gebracht. 2.
- In die zin heeft het Grondwettelijk Hof in een arrest van 20 december 2012
(24)op grond van het Unierecht geoordeeld dat geldboeten opgelegd door de Europese Commissie wegens de schending van de artikelen 81 of 82 EG-Verdrag, thans 101 of 102 VWEU, niet als aftrekbare beroepskosten kunnen worden aangemerkt en aldus mede begrepen zijn in het begrip "geldboeten" in artikel 53, 6°, WIB
- 2.8.
- Het Grondwettelijk Hof werd in deze zaak gevat door een eerste prejudiciële vraag of voornoemd artikel 53, 6°, WIB92 bestaanbaar was met de artikelen 10 en 11 Grondwet, in de interpretatie dat deze bepaling betrekking heeft op strafrechtelijke geldboeten, doch niet op boeten opgelegd door de Europese Commissie krachtens Verordening 1/2003 in het kader van inbreuken begaan op de artikelen 81 en 82 EG-Verdrag, thans 101 en 102 VWEU. Krachtens artikel 23, lid 5, Verordening 1/2003 hebben zulke geldboeten immers geen strafrechtelijk karakter. Het Grondwettelijk Hof oordeelde, met verwijzing naar de hiervoor besproken rechtspraak van het Hof van Justitie, dat "de mogelijkheid om de door de Europese Commissie wegens de schending van de artikelen 101 of 102 VWEU opgelegde geldboeten fiscaal af te trekken, een maatregel zou zijn die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kan brengen." Krachtens het beginsel van de Unietrouw, vervat in artikel 10 EG-Verdrag, thans artikel 4, lid 3, VEU, dienen de lidstaten zich evenwel te onthouden van zulke maatregelen (B.14.2). Volgens het Grondwettelijk Hof "dient de in het geding zijnde bepaling bijgevolg aldus te worden geïnterpreteerd dat de geldboeten die de Europese Commissie oplegt wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU, niet aftrekbaar zijn als beroepskosten" (B.14.3). Aangezien de door de verwijzende rechter gegeven interpretatie, volgens dewelke artikel 53, 6°, WIB92 enkel betrekking zou hebben op strafrechtelijke geldboeten, niet bestaanbaar is het met recht van de Europese Unie, behoefde de prejudiciële vraag volgens het Grondwettelijk Hof geen antwoord (B.15). 2.8.
- In een tweede prejudiciële vraag wenste de verwijzende rechter te vernemen of artikel 53, 6°, WIB92 bestaanbaar was met de artikelen 10 en 11 Grondwet, in de interpretatie dat deze bepaling betrekking heeft op alle straffen in de zin van artikel 6 EVRM, met inbegrip van boeten opgelegd door de Europese Commissie krachtens Verordening 1/2003 in het kader van inbreuken begaan op de artikelen 81 en 82 EG-Verdrag, thans 101 en 102 VWEU, die fiscaal bijgevolg niet als beroepskosten aftrekbaar zouden zijn. Deze interpretatie heeft volgens het Grondwettelijk Hof "tot gevolg dat twee categorieën van belastingplichtigen op identieke wijze worden behandeld: enerzijds de belastingplichtigen aan wie de Europese Commissie een geldboete oplegt wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU en, anderzijds, de belastingplichtigen aan wie de rechter een strafrechtelijke geldboete oplegt" (B.16). Het Grondwettelijk Hof oordeelde evenwel dat "de mogelijkheid om de door de Europese Commissie wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboeten fiscaal af te trekken, zou raken aan hun doeltreffendheid en aan de coherente toepassing van de verbodsbepalingen van het mededingingsrecht, en niet verenigbaar zou zijn met het Unierecht" (B.18). Derhalve oordeelde het Grondwettelijk Hof dat "aangezien het Unierecht verhindert dat de door de Europese Commissie wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboeten fiscaal aftrekbaar zijn, het redelijk verantwoord is dat de in het geding zijnde bepaling een dergelijke aftrekbaarheid niet toestaat, net zoals die aftrekbaarheid niet wordt toegestaan voor de strafrechtelijke geldboeten" (B.19). Het Grondwettelijk Hof besliste op die gronden dat artikel 53, 6°, WIB92, geïnterpreteerd in overeenstemming met het Unierecht, niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 Grondwet. 2.
- De uitleg van artikel 53, 6°, WIB92 die in overeenstemming is met het Unierecht, namelijk dat de door de Europese Commissie opgelegde geldboeten wegens een inbreuk op de artikelen 81 of 82 EG-Verdrag, thans 101 of 102 VWEU, worden omvat door de term "geldboeten" en aldus niet als beroepskost fiscaal aftrekbaar zijn, lijkt mij niet strijdig te zijn met het legaliteitsbeginsel. Deze uitleg is m.i. niet contra legem, dit is in strijd met de bedoeling van de wetgever. Noch uit de bewoordingen van artikel 53, 6°, WIB92 noch uit de wetsgeschiedenis blijkt immers dat de wetgever de toepassing van het aftrekverbod in alle omstandigheden zou hebben willen beperken tot strafrechtelijke geldboeten, derwijze dat de door de Europese Commissie opgelegde geldboeten wegens inbreuken op de artikelen 81 of 82 EG-Verdrag, thans 101 of 102 VWEU, van die toepassing uitgesloten zouden zijn. 2.9.
- Vooreerst hanteert de wetgever de ruime term "geldboeten" en worden in de zinsnede "met inbegrip van" slechts op niet-exclusieve wijze drie strafrechtelijke voorbeelden gegeven, namelijk transactionele geldboeten, verbeurdverklaringen en straffen van alle aard. In de volgende zin in diezelfde wetsbepaling wordt opnieuw ruim over "geldboeten of straffen" gesproken. 2.9.
- De oorsprong van artikel 53, 6°, WIB92 is terug te vinden in artikel 11, §3, 5°, van de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen. Betreffende die bepaling wordt in de parlementaire voorbereiding gepreciseerd dat "door de term ‘straffen van alle aard' niet bedoeld worden de belastingverhogingen betreffende die belastingen en taksen welke, volgens hetgeen voorafgaat, de aard van bedrijfsuitgaven zullen behouden. Zoals thans zullen deze verhogingen, evenals de hoofdsom, van de inkomsten mogen worden afgetrokken, daar zij een integrerend deel van de belasting of de taks uitmaken"
(25). In artikel 11, §3, 3° en 4°, van voornoemde wet werd afgestapt van het principe van de aftrekbaarheid als bedrijfslast van bepaalde belastingen, met name in hoofdzaak de personenbelasting, de provincie- en gemeentebelastingen gevestigd op de grondslag of op het bedrag van die belasting, evenals de provincie- en gemeenteopcentiemen op de onroerende voorheffing. Deze belastingen werden niet langer als bedrijfslasten beschouwd, zodat noch deze belastingen noch de vermeerderingen of verhogingen van die belastingen, van de inkomsten aftrekbaar waren. De wetgever heeft benadrukt dat deze uitsluiting evenwel slechts de hierboven vermelde uitdrukkelijk aangeduide belastingen en verhogingen betreft, derwijze dat de overige belastingen, die wel nog als bedrijfslasten worden beschouwd, wel nog mochten worden afgetrokken, evenals de verhogingen die op deze belastingen betrekking hebben
(26). Met deze verduidelijking lijkt de wetgever de term "geldboeten" dus niet in elk geval te hebben willen beperken tot louter strafrechtelijke geldboeten. Hij heeft daarentegen slechts willen verduidelijken dat belastingverhogingen niet de aard van geldboeten hebben en slechts als beroepskosten aftrekbaar zijn in de mate dat de belastingen zelf aftrekbare beroepskosten zijn
(27)
(28). In dit licht heeft Uw Hof in een arrest van 12 januari 1995
(29)geoordeeld dat "uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de bewoordingen ‘straffen van alle aard' geen betrekking hebben op de sancties die bestaan in belastingverhogingen, maar op sancties die het karakter van straffen hebben; dat, nu de in artikel 70 van het btw-Wetboek bedoelde administratieve geldboeten, zoals te dezen, bestaan in een verhoging van de verschuldigde belasting, ze geen straffen zijn." Dit arrest lijkt mij te moeten worden begrepen tegen de achtergrond van de parlementaire voorbereiding, die vermeldt dat verhogingen van als bedrijfslast aftrekbare belastingen geen "straffen van alle aard" zijn, maar de bestemming van die belastingen zelf volgen en dus eveneens aftrekbaar zijn. Het lijkt mij te verregaand om uit dit arrest af te leiden dat Uw Hof de term "geldboeten" in die zin heeft willen uitleggen dat deze uitsluitend strafrechtelijke geldboeten omvat, derwijze dat administratieve geldboeten - zoals in casu een door de Europese Commissie opgelegde geldboete wegens kartelinbreuken - in elk geval van de toepassing van artikel 53, 6°, WIB92 uitgesloten zijn. 2.9.3. Verder moet erop worden gewezen dat artikel 53, 6°, WIB92 gewijzigd is bij artikel 8, 1° en 2°, van de wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting
(30)die in werking is getreden op 1 januari 2020 en van toepassing is vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari
- In deze wet wordt onder de term "geldboeten" uitdrukkelijk vermeld "met inbegrip van (...) administratieve geldboeten opgelegd door overheden, zelfs wanneer deze geldboeten niet het karakter van een strafrechtelijke sanctie hebben en zelfs wanneer hun bedrag is berekend op basis van een aftrekbare belasting." Voortaan strekt het aftrekverbod van artikel 53, 6°, WIB92 zich dus uit tot alle administratieve geldboeten, alsook tot de verhogingen van als bedrijfslast aftrekbare belastingen. Zeker m.b.t. deze verhogingen, vormt deze wetswijziging een verstrenging ten opzichte van het oude artikel 53, 6°, WIB
- In de parlementaire voorbereiding wordt vermeld dat er in de rechtspraak onduidelijkheid bestaat omtrent de huidige formulering van artikel 53, 6°, WIB92 en dat "ook met betrekking tot de aftrekbaarheid van geldboeten opgelegd door de mededingingsautoriteiten (zgn. kartelboeten) in het verleden onenigheid bestond, gezien dergelijke boeten niet worden opgelegd op grond van een strafwet. (...) Artikel 53, 6°, WIB 92 wordt thans verduidelijkt zodat alle administratieve geldboeten opgelegd door overheden niet meer worden aangemerkt als beroepskosten, zelfs indien zij betrekking hebben op aftrekbare belastingen en ongeachte de kwalificatie van deze boeten of verhogingen als strafsanctie op grond van het Belgisch recht of van artikel 6 EVRM"
(31). Nu de wetgever aangeeft dat het om een verduidelijking gaat, lijkt hij ook in het verleden niet te hebben willen uitsluiten dat kartelboeten onder het aftrekverbod van artikel 53, 6°, WIB92 kunnen vallen. 2.9.
- Ten slotte moet worden opgemerkt dat het in het licht van een Unierechtsconforme interpretatie van artikel 53, 6°, WIB92, op grond van het beginsel van de Unietrouw, niet vereist is dat op een positieve wijze wordt aangetoond dat de wetgever kartelboeten opgelegd door de Europese Commissie uitdrukkelijk heeft willen viseren met het aftrekverbod, zoals de appelrechter lijkt te veronderstellen (bestreden arrest, p. 13 onderaan). Het volstaat daarentegen dat de wetgever kartelboeten niet heeft willen uitsluiten van het toepassingsgebied van artikel 53, 6°, WIB
- De uitdrukkelijke, op positieve wijze vastgestelde wil van de wetgever wordt dan aangevuld met de verplichting om de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie te vrijwaren, op grond van het beginsel van de Unietrouw, vervat in de artikelen 10 EG-Verdrag en 4, lid 3, VEU, en om de nationale bepalingen in het licht van die doelstellingen uit te leggen en toe te passen. 2.
- De appelrechter oordeelt dat artikel 53, 6°, WIB92 noch moet worden ingevuld aan de hand van Unierechtelijke bepalingen noch aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie die deze bepalingen uitlegt en toepast, aangezien België zijn regelgevende bevoegdheden inzake directe belastingen niet heeft overgedragen aan de EU; het beginsel van de Unietrouw niet toelaat aan te nemen dat de wetgevende bevoegdheid inzake de fiscale aftrekbaarheid van kartelboeten zou zijn overgedragen aan de EU zonder uitdrukkelijke bepaling; het niet aan een andere macht dan de wetgevende macht staat om de Belgische fiscale bepalingen ruimer te interpreteren dan zoals bedoeld door de Belgische fiscale wetgever; uit het cassatiearrest van 12 januari 1995 kan worden afgeleid dat in artikel 53, 6°, WIB 1992 enkel boeten van strafrechtelijke aard bedoeld zijn; niet op een positieve wijze is aangetoond dat de wetgever uitdrukkelijk heeft bedoeld dat de aftrekbeperking van voormelde bepaling ook uitwerking heeft voor administratieve geldboeten, waaronder de door de Europese Commissie opgelegde kartelboeten, gelet op het legaliteitsbeginsel en de noodzaak van strikte interpretatie van de belastingwet. De appelrechter laat aldus na bij de uitleg van artikel 53, 6°, WIB92 rekening te houden met het beginsel van de Unietrouw, en oordeelt op die grond dat de toepassing van het aftrekverbod in voormelde bepaling zich niet uitstrekt tot de door de Europese Commissie krachtens artikel 23, lid 2, a), Verordening 1/2003 opgelegde geldboeten wegens een inbreuk op artikel 81 of 82 EG-Verdrag. Derwijze schendt de appelrechter naar mijn mening het beginsel van de Unietrouw vervat in artikel 10 EG-Verdrag, zoals van toepassing op onderhavig geschil. Het middel lijkt mij gegrond. De overige grieven kunnen m.i. niet tot een ruimere cassatie leiden.
- Besluit: Vernietiging. ____________________________
(1)Zie P. GERARD, H. BOULARBAH en J.-F. VAN DROOGHENBROECK, Pourvoi en cassation en matière civile, Brussel, Bruylant, 2012, nrs. 342 en 368; P.A. FORIERS, "La rédaction et la recevabilité des moyens en cassation en matière civile" in B. MAES en P. WOUTERS (eds.), Procederen voor het Hof van Cassatie, Antwerpen, Knops Publishing, 2016, 408, nr. 15.
(2)Cass. 30 juni 1994, AR F.93.0129.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940630.19, AC 1994, nr. 343.
(3)Zie bv. Cass. 13 juni 2014, AR C.12.0575.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140613.5, AC 2014, nr. 426; Cass. 6 januari 2012, AR C.10.0384.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120106.3, AC 2012, nr. 14; Cass. 31 mei 2010, AR C.09.0240.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100531.2, AC 2010, nr. 377; Cass. 29 oktober 2009, AR C.08.0448.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091029.10, AC 2009, nr. 627; Cass. 21 december 2007, AR C.06.0155.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071221.2, AC 2007, nr. 660.
(4)F. BAUDONCQ, "Artikel 1080 Ger.W." in Gerechtelijk recht. Bijzondere Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2017, 38, nr. 30; B. MAES, "Het formalisme van de cassatieprocedure opnieuw in de kijker" (noot onder EHRM 29 maart 2011), RABG 2011, 816; B. VANLERBERGHE en J. VERBIST, "Artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek en de verplichte vermelding van de geschonden wettelijke bepalingen in het middel tot cassatie: een excessief formalisme?" in Liber spei et amicitiae Ivan Verougstraete, Brussel, Larcier, 2011, 124.
(5)F. BAUDONCQ, "Artikel 1080 Ger.W." in Gerechtelijk recht. Bijzondere Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2017, 38, nr. 30; J. KIRKPATRICK, "Dans les moyens de cassation en matière civile, doivent seules être invoquées les dispositions légales dont la violation est invoquée" in Liber amicorum Bernard Glansdorff, Brussel, Bruylant, 2008, 341, nr. 9.
(6)Cass. 10 februari 1995, AR C.93.0072.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950210.8, AC 1995, nr. 83.
(7)Cass. 11 december 1995, AR S.95.0039.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951211.1, AC 1995, nr. 539.
(8)Zie Cass. 19 december 2008, AR C.07.0281.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081219.1, AC 2008, nr. 746, besproken in I. VEROUGSTRAETE, M. DE SWAEF, P. LECROART en S. LIERMAN, "Hoofdstuk II - Belangrijke arresten van het Hof, Afdeling 6 - Uitspraken in het gerechtelijk recht, § 1. Ontvankelijkheid van het cassatiemiddel", Jaarverslag van het Hof van Cassatie van België 2008, 127.
(9)Cass. 21 februari 2011, AR C.09.0436.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121102.7, AC 2011, nr. 586.
(10)Zie voor deze definitie: F. BAUDONCQ, "Artikel 1080 Ger.W." in Gerechtelijk recht. Bijzondere Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2017, 31, nr. 24; M. MAHIEU, "La Cour de cassation et le droit international, évolution récente" in Mélanges Philippe Gérard, Brussel, Bruylant, 2002, 429 en 435.
(11)Cass. 26 oktober 1995, AR C.94.0168.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951026.7, AC 1995, nr. 455.
(12)Zie M. MAHIEU, "La Cour de cassation et le droit international, évolution récente" in Mélanges Philippe Gérard, Brussel, Bruylant, 2002, 435.
(13)HvJ 16 december 1976, Rewe-Zentralfinanz eG en Rewe-Zentral AG t. Landwirtschaftskammer für das Saarland, 33/76, r.o. 5; HvJ 16 december 1976, Comet BV t. Produktschap voor Siergewassen, 45/76, r.o. 13; K. LENAERTS, I. MASELIS en K. GUTMAN, EU Procedural Law, Oxford, Oxford University Press, 2014, 109.
(14)Zie in die zin: J. ETIENNE, "Cassation, effet direct, primauté et responsabilité" (noot onder Cass. 4 april 2009, RCJB 2009, 266, nr. 26 en 269-270, nr. 31.
(15)Zie bv. Cass. 21 mei 2015, AR F.14.0155.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150521.17, AC 2015, nr. 332; Cass. 18 december 2014, AR F.14.0022.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141218.17, AC 2014, nr. 807.
(16)HvJ 4 maart 2004, C-334/02, Commissie t. Frankrijk, r.o. 21; HvJ 18 januari 2007, C-104/06, Commissie t. Zweden, r.o. 12; HvJ 17 januari 2008, C-152/05, Commissie t. Duitsland, r.o. 16; HvJ 20 januari 2011, C-155/09, Commissie t. Helleense Republiek, r.o. 39.
(17)HvJ 10 april 1984, 14/83, Von Colson en Kamann, r.o. 26; HvJ 8 oktober 1987, 80/86, Kolpinghuis Nijmegen, r.o. 12; HvJ 13 november 1990, C-106/89, Marleasing, r.o. 8; HvJ 14 juli 1994, C-91/92, Faccini Dori, r.o. 26; HvJ 26 september 2000, C-262/97, Engelbrecht, r.o. 38-40; HvJ 27 oktober 2009, C-115/08, Land Oberösterreich / ČEZ as, r.o. 138; K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Antwerpen, Intersentia, 2017, 97, nr. 131 en 515, nr. 678.
(18)K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, o.c., 515, nr. 678; zie bv. HvJ 5 oktober 2004, gevoegde zaken C-397/01 tot en met C-403/01, Pfeiffer, r.o. 110-116; HvJ 19 januari 2010, zaak C-555/07, Kücükdeveci, r.o. 47-48; HvJ 7 augustus 2018, zaak C-122/17, Smith, r.o. 38-40.
(19)K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, o.c., 515-516, nr. 679.
(20)HvJ, 9 maart 1978, 106/77, Simmenthal; r.o. 17
(21)HvJ 4 februari 1988, 157/86, Murphy, r.o. 11; HvJ 22 juni 2010, gevoegde zaken C-188/10 en C-189/10, Melki, r.o. 43.
(22)HvJ 15 juli 1970, 41/69, ACF Chemiefarma nv, r.o. 173; HvJ 29 juni 2006, C-289/04 P, Showa Denko, r.o. 16 en C-308/04 P, SGL Carbon, r.o. 37; HvJ 7 juni 2007, C-76/06, Brittania Alloys & Chemicals, r.o. 30.
(23)HvJ, 11 juni 2009, C-429/07, Inspecteur van de Belastingdienst / X BV.
(24)GwH, 20 december 2012, nr. 161/2012.
(25)MvT, Parl. St., Kamer, 1961-1962, nr. 264/1, 71.
(26)MvT, Parl. St., Kamer, 1961-1962, nr. 264/1, 71.
(27)Zie ComIB. 1995, nr. 53/110.
(28)Een andere visie is te vinden bij D. DE SCHRIJVER, "Over de aftrekbaarheid als beroepskosten van E.G. en andere geldboeten", TRV, 1997, 145-148. Deze auteur meent dat het begrip "geldboeten" in artikel 11, § 3, 5° naast de strafrechtelijke geldboeten enkel zou slaan op de geldboeten mbt. de niet aftrekbare inkomstenbelastingen.
(29)Cass. 12 januari 1995, AR F.94.0046.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950112.15, AC 1995, nr. 22.
(30)BS 29 december 2017.
(31)MvT, Parl. St., Kamer, 2017-18, doc. 54, nr. 2864/001, 33. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201204.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201204.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940630.19 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950112.15 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950210.8 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951026.7 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951211.1 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071221.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081219.1 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091029.10 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100531.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120106.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121102.7 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140613.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141218.17 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150521.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div