id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201207.3N.12 Rolnummer: C.19.0390.N Zaak: V. contra V. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-06-21 Raadplegingen: 780 - laatst gezien 2026-06-18 13:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201207.3N.12 Fiches 1 - 2 Uit artikel 595, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek volgt dat in geval van verhuring door een vruchtgebruiker de blote eigenaar bij het einde van het vruchtgebruik volle eigenaar wordt van het goed waarop het vruchtgebruik was gevestigd en vanaf dat ogenblik verhuurder van dat goed wordt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VRUCHTGEBRUIK. GEBRUIK EN BEWONING Vrije woorden: Onroerend goed - Verhuring door de vruchtgebruiker - Naakte eigenaar - Einde van het vruchtgebruik - Gevolg Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - ALGEMEEN Vrije woorden: Onroerend goed - Verhuring door de vruchtgebruiker - Naakte eigenaar - Einde van het vruchtgebruik - Gevolg Fiches 3 - 4 De blote eigenaar kan, in geval van verhuring door een vruchtgebruiker, vorderen dat de duur van de huurovereenkomst verminderd wordt tot de duur van de periode van negen jaar die bij het eindigen van het vruchtgebruik was ingegaan; hij moet zijn wil tot het uitoefenen van dat recht ter kennis brengen van de huurder voor het verstrijken van de bij het einde van het vruchtgebruik lopende periode van negen jaar of binnen een redelijke termijn na het verstrijken van die periode
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VRUCHTGEBRUIK. GEBRUIK EN BEWONING Vrije woorden: Onroerend goed - Verhuring door de vruchtgebruiker - Verhuring voor meer dan negen jaar - Einde van het vruchtgebruik - Naakte eigenaar - Vordering tot vermindering van de huurtermijn - Modaliteiten Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 595, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - ALGEMEEN Vrije woorden: Onroerend goed - Verhuring door de vruchtgebruiker - Verhuring voor meer dan negen jaar - Einde van het vruchtgebruik - Naakte eigenaar - Vordering tot vermindering van de huurtermijn - Modaliteiten Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 595, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 5 In geval van verpachting van een in vruchtgebruik gegeven goed, is de blote eigenaar die zijn recht op vermindering van de duur van de pachtovereenkomst wil uitoefenen, niet gebonden is aan de door de Pachtwet bepaalde grond- en vormvoorwaarden voor de beëindiging van de pacht en kan de huurder zich tegen de beëindiging niet verzetten op grond van artikel 4, tweede lid, Pachtwet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Einde (Opzegging. Verlenging. Terugkeer. Enz) Vrije woorden: Pacht toegestaan door de vruchtgebruiker - Pachttijd langer dan negen jaar - Einde van het vruchtgebruik - Volle eigenaar - Verkorten van de pacht - Voorwaarden voor de opzegging van de pacht door de verpachter - Toepasselijkheid Tekst van de conclusie C.19.0390.N Conclusie van advocaat-generaal H. Vanderlinden:
- Eisers tot cassatie komen op tegen de vonnissen, in graad van beroep, gewezen door de Nederlandstalig rechtbank van eerste aanleg de Brussel d.d. 10 januari 2017 en 18 maart
- Door eisers wordt er één middel aangevoerd.
- Wat betreft het middel. A. Probleemstelling. Aan de orde in het middel zijn de toepassingsvoorwaarden van artikel 595, tweede lid Burgerlijk Wetboek bij een verpachting door de vruchtgebruiker voor meer dan negen jaar. De vraag die zich stelt is op welke wijze de pacht, bij het einde van het vruchtgebruik, door de naakte eigenaar dient te worden beëindigd. Meer concreet, eindigt deze pacht van rechtswege bij het aflopen van de negenjarige termijn die loopt op het moment dat het vruchtgebruik stopt of dient de naakte eigenaar die, door het einde van het vruchtgebruik, volle eigenaar is geworden, een handeling te stellen waarmee de pachter in kennis wordt gesteld van de wil om de pacht te beëindigen. B. Beoordeling. Het middel van eisers tot cassatie gaat ervan uit dat er van rechtswege een einde komt aan deze pacht zonder dat er door de naakte eigenaar, die volle eigenaar is geworden, enige handeling dient te worden gesteld Ik deel deze visie niet. Betreffende de problematiek van de beëindiging van de pacht die voor meer dan negen jaar was toegestaan door de vruchtgebruiker heeft Uw Hof, inzake de toepassing van artikel 595, tweede lid Burgerlijk Wetboek, reeds enkele bakens uitgezet. Uw arrest van 2 april 1998
(1)maakt een einde aan de controverse over de vraag of de naakte eigenaar, na het einde van het vruchtgebruik, gebonden is door artikel 4 van de Pachtwet en zowel de grond- alsook vormvoorwaarden van de opzegging dient na te leven om de pacht te beëindigen
(2). Uw Hof oordeelt dat: - in het geval van verhuring van een goed door een vruchtgebruiker alleen, de blote eigenaar vanaf het ogenblik van het eindigen van het vruchtgebruik krachtens de wet zelf verbonden is door de huurovereenkomst en verhuurder wordt; - in het geval de vruchtgebruiker een verhuring heeft toegestaan van meer dan negen jaar, de blote eigenaar die volle eigenaar is geworden door het eindigen van het vruchtgebruik, kan eisen dat de huur verkort wordt tot aan het verstrijken van de theoretisch berekende negenjaarlijkse periode waarin de huur zich bij het eindigen van het vruchtgebruik bevindt; - die blote eigenaar dit recht kan uitoefenen ook al is de verhuring onderworpen aan de Pachtwet, zonder dat hij daarbij gebonden is door de grond- en vormvoorwaarden die de Pachtwet voor de opzegging van pacht door de verpachter bepaalt en zonder dat de pachter zich daartegen kan verzetten op grond van artikel 4, tweede lid van de Pachtwet. Het standpunt van Uw Hof is derhalve dat, niettegenstaande de naakte eigenaar bij het einde van het vruchtgebruik de verhuurder wordt, hij niet gehouden is om de voor de beëindiging van de pacht de grond- en vormvoorwaarden van de Pachtwet na te leven. De problematiek komt terug aan bod in Uw arresten van 30 april 2004
(3)en 17 oktober 2005
(4). Uw Hof stelt in het kader van dit geschil, in het arrest van 30 april 2004, een prejudiciële vraag aan het toenmalige Arbitragehof over de verenigbaarheid van de voormelde interpretatie van artikel 595, tweede lid Burgerlijk Wetboek die tot gevolg heeft dat de pachter in die hypothese niet beschikt over de bescherming van artikel 4 van de Pachtwet, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het toenmalige Arbitragehof oordeelt dat er geen sprake is van een schending van de Grondwet. Uw Hof handhaaft, in het arrest van 17 oktober 2005, zijn visie met betrekking tot deze problematiek. In onderhavige zaak wordt evenwel een probleem aangekaart dat nog niet aan bod is gekomen in Uw rechtspraak. Zo het duidelijk is dat de naakte eigenaar bij het einde van het vruchtgebruik niet de grond- en vormvoorwaarden dient na te leven om een einde te stellen aan de lopende pacht, blijft de vraag of hij zijn wil desbetreffend dient ter kennis te brengen van de pachter, of is dit niet vereist, en komt er bij het aflopen van de lopende negen jaar van rechtswege een einde een de pacht. Hier moet het standpunt ingenomen worden dat er een wilsuiting dient te zijn van de naakte eigenaar die volle eigenaar is geworden. Artikel 595, tweede lid Burgerlijk Wetboek beschermt de naakte eigenaar. Geen andere partij, dus noch de vruchtgebruiker, noch de pachter kunnen zich beroepen op deze bepaling om de lopende termijn in te korten
(5). Uit Uw rechtspraak blijkt, zij het impliciet, dat er een handeling van de naakte eigenaar, volle eigenaar geworden, vereist is. In het arrest van 2 april 1998 stelt Uw Hof "... de blote eigenaar die volle eigenaar geworden is door het einde van het vruchtgebruik kan eisen dat de huur verkort wordt ..." en verder "Dat die blote eigenaar dit recht kan uitoefenen ook als is de verhuring onderworpen aan de Pachtwet... " (eigen onderlijning). Een gelijkluidend standpunt werd ingenomen in Uw arrest van 30 april 2004. Hier luidt het "... hij die de blote eigendom heeft en volle eigenaar is geworden bij het einde van het vruchtgebruik kan eisen dat de pachtduur wordt beperkt tot aan het verstrijken van de negenjarige periode waarin de pacht zich bij het eindigen van het vruchtgebruik bevindt, ..." (eigen onderlijning). In het arrest van 16 oktober 2014
(6)oordeelt Uw Hof: "Die wetsbepaling geeft de blote eigenaar, die bij het eindigen van het vruchtgebruik eigenaar is geworden het recht te vorderen dat de duur van de huurovereenkomst verminderd wordt tot de duur van de periode van negen jaar die bij het einde van het vruchtgebruik was ingegaan, zelfs als de huurovereenkomst onderworpen is aan de pachtwet, ..." (eigen onderlijning). Uit de, in Uw arresten, gebruikte bewoordingen kan inderdaad afgeleid worden dat er geen einde komt louter door de werking van de wet, maar dat er een actief optreden van de naakte eigenaar dient plaats te hebben. Van een beëindiging van rechtswege kan er dus geen sprake zijn. Bovendien dient, een einde aan de pacht door louter de werking van de wet, niet in alle gevallen de belangen van de naakte eigenaar. Enkel het hebben van een optie om het recht al dan niet uit te oefenen geeft aan de bescherming van artikel 595, tweede lid Burgerlijk Wetboek, die de naakte eigenaar toekomt, zijn volle werking. Dus daar de naakte eigenaar, aan het einde van het vruchtgebruik, niet gehouden is door de vorm- en grondvoorwaarden van de Pachtwet, zal hij, vorm vrij, zijn wil ter kennis dienen te brengen van de pachter opdat de inkorting van de pacht zijn uitwerking krijgt. De bewijslast ter zake rust bij de eigenaar. Wat betreft het tijdstip van deze kennisgeving. Dit moet de naakte eigenaar doen voor het verstrijken van de, bij het einde van het vruchtgebruik, lopende periode van negen jaar. Indien echter dit, door specifieke omstandigheden, niet mogelijk is dan dient dit plaats te hebben zo spoedig mogelijk na het aflopen van deze termijn van negen jaar. Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt niet dat eisers, na het einde van het vruchtgebruik aan de pachter kennis hebben gegeven van hun beslissing om bij toepassing van artikel 595, tweede lid Burgerlijk Wetboek over te gaan tot inkorting van de pacht en dit voor het verstrijken van de lopende negenjarige termijn. De appelrechter die in die omstandigheden de vordering tot ontruiming van de eisers afwijst en oordeelt dat er tussen partijen een pachtovereenkomst bestaat, diende in die omstandigheden niet ambtshalve toepassing te maken van artikel 595, tweede lid Burgerlijk Wetboek en verantwoordt naar recht zijn beslissing. Het middel kan niet worden aangenomen. 4. Conclusie: verwerping. __________________________
(1)Cass, 2 april 1998, AR C.94.0275.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980402.11, AC 1998, nr. 186.
(2)F. BLONTROCK, "De precaire situatie van de pachter die pacht houdt van de vruchtgebruiker" (noot onder Cass. 2 april 1998), T. Not. 2000, 90.
(3)Cass. 30 april 2004, AR C.01.0591.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051017.2, AC 2004, nr. 229.
(4)Cass. 17 oktober 2005, AR C.01.0591.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051017.2, AC 2005, nr. 514.
(5)R. DERINE, F. VAN NESTE en H. VANDENBERGHE, Zakenrecht, Deel II, A. in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Gent, Story, 1984, 447.
(6)Cass. 16 oktober 2014, AR C.12.0406.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141016.4-C.12.0573.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141016.4, AC 2014, nr. 614. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201207.3N.12 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201207.3N.12 citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980402.11 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051017.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141016.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div