← België

L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.13 Rolnummer: P.20.1321.N Zaak: L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-01-07 Raadplegingen: 781 - laatst gezien 2026-06-20 02:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De afstand van een hoger beroep in het kader van de voorlopige hechtenis heeft niet tot gevolg dat de zaak daardoor van rechtswege wordt onttrokken aan de kamer van inbeschuldigingstelling, zodat het onderzoeksgerecht overeenkomstig artikel 30, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet binnen de termijn van vijftien dagen nadat het hoger beroep is ingesteld, akte moet verlenen van de afstand

(1).
(1)Cass. 23 augustus 2005, AR P.05.1216.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050823.4, AC 2005, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Vrije woorden: Afstand - Gevolgen Fiche 2 Een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat de afstand van een inverdenkinggestelde van zijn hoger beroep tegen een beslissing van de raadkamer die de voorlopige hechtenis handhaaft, heeft dezelfde gevolgen heeft als een arrest dat de voorlopige hechtenis handhaaft in de zin van artikel 30, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Vrije woorden: Arrest waarbij akte van de afstand wordt verleend - Gevolgen Fiche 3 Artikel 822 Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op de rechtspleging inzake voorlopige hechtenis, die wat de rechtsmiddelen een eigen regeling kent. Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN PROCESHANDELING Vrije woorden: Artikel 822, Gerechtelijk Wetboek - Voorlopige hechtenis - Rechtsmiddelen - Eigen regeling - Gevolg Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor strafrecht [T.Strafr.] - 2021, nr. 4, p. 228-
  2. - DAENINCK, Philip; Noot'Afstand van hoger beroep blijft dezelfde gevolgen hebben als een uitspraak waardoor de voorlopige hechtenis gehandhaafd wordt' Tekst van de beslissing Nr. P.20.1321.N A. L. V., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Christophe Daerden, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 december
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5 EVRM, artikel 12 Grondwet en artikel 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet: het bestreden arrest oordeelt ten onrechte dat het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 16 oktober 2020, dat de afstand vaststelt van het hoger beroep van de eiser van 7 oktober 2020 tegen de beschikking tot handhaving van 6 oktober 2020, dezelfde gevolgen heeft als een handhavingsbeslissing en dit voor een termijn van twee maanden; het arrest van 16 oktober 2020 stelt enkel de afstand van het hoger beroep vast en oordeelde niet over de ontvankelijkheid ervan; het kan dan ook geen handhavende beslissing zijn in de zin van artikel 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet; die stellingname vindt bevestiging in de rechtspraak van het Hof betreffende de onontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen een arrest dat uitspraak doet over de afstand of de onontvankelijkheid van een hoger beroep door de inverdenkinggestelde; de vrijheidsberoving van de eiser heeft dan ook geen wettelijke basis meer.
  5. Volgens artikel 30, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet dient de kamer van inbeschuldigingstelling binnen de vijftien dagen nadat het hoger beroep is ingesteld te beslissen over het hoger beroep en wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld als de beslissing niet is gewezen binnen die termijn.
  6. De afstand van een hoger beroep heeft niet tot gevolg dat de zaak daardoor van rechtswege wordt onttrokken aan de kamer van inbeschuldigingstelling. Het onderzoeksgerecht moet binnen de termijn van vijftien dagen akte verlenen van de afstand.
  7. Daaruit volgt dat een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat de afstand van een inverdenkinggestelde van zijn hoger beroep tegen een beslissing van de raadkamer die de voorlopige hechtenis handhaaft, dezelfde gevolgen heeft als een arrest dat de voorlopige hechtenis handhaaft in de zin van artikel 30, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet. De omstandigheid dat in artikel 30, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet enkel melding wordt gemaakt van beslissingen van de kamer van inbeschuldigingstelling tot handhaving van de voorlopige hechtenis belet dit niet.
  8. De in artikel 31 Voorlopige Hechteniswet uitgewerkte regeling van het cassatieberoep inzake voorlopige hechtenis, welke verschillend is van de regeling van het hoger beroep, laat niet toe anders te oordelen.
  9. Uit het voormelde volgt dat een voorlopige hechtenis op grond van een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat akte verleent van de afstand van het hoger beroep van een inverdenkinggestelde tegen een raadkamerbeslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis wel degelijk een wettelijke basis heeft.
  10. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5 EVRM, artikel 12 Grondwet en artikel 22 Voorlopige Hechteniswet: het bestreden arrest kon de voorlopige hechtenis niet handhaven; die hechtenis was niet gehandhaafd met het arrest van 16 oktober 2020, waardoor de raadkamerbeschikking van 6 oktober 2020 haar volledige uitwerking kreeg; de raadkamer had binnen de twee maanden opnieuw over de handhaving van de voorlopige hechtenis moeten oordelen, dit wil zeggen ten laatste op 6 december 2020; dat is niet gebeurd, zodat vanaf die datum er geen wettelijke basis meer is voor eisers vrijheidsberoving.
  12. Het onderdeel, dat geheel is afgeleid uit de vergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid, is niet ontvankelijk. Derde middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 822 Gerechtelijk Wetboek: aangezien de afstand van een proceshandeling tot gevolg heeft dat de afstanddoende partij afziet van de gevolgen die voor haar eruit voortvloeien en die afstand werd vastgesteld, kan het bestreden arrest niet oordelen dat het arrest dat de afstand vaststelt dezelfde gevolgen heeft als een handhavingsbeslissing.
  14. Artikel 822 Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op de rechtspleging inzake voorlopige hechtenis, die wat de rechtsmiddelen een eigen regeling kent. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Eerste middel
  15. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 5, eerste en tweede lid, 21, § 5, en 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet: het bestreden arrest beantwoordt het door de eiser in zijn appelconclusie aangevoerde verweer over de gevolgen van een afstand van hoger beroep voor de handhaving van de voorlopige hechtenis niet; het neemt weliswaar op dit punt de verwijzing over in de beroepen beschikking naar een arrest van het Hof, maar de eiser had in zijn appelconclusie een uitgebreid verweer gevoerd betreffende de onjuistheid van de in dit arrest ingenomen stellingname; hij verwees in dat verband naar de strijdigheid met artikel 5.3 EVRM en artikel 12 Grondwet, alsook naar artikel 822 Gerechtelijk Wetboek betreffende de afstand van een proceshandeling; met de overname van de reden van de beroepen beschikking aangevuld met het oordeel dat de door de eiser in zijn appelconclusie ontwikkelde beschouwingen hieraan geen afbreuk doen en er dan ook geen schending voorligt van artikel 5 EVRM en artikel 12 Grondwet, beantwoordt het bestreden arrest het bedoelde verweer niet; het bestreden arrest beantwoordt evenmin het in de appelconclusie ontwikkelde verweer over de afwezigheid van gevaar voor collusie en recidive.
  16. Uit het antwoord op het tweede en het derde middel volgt dat het verweer dat de eiser heeft gevoerd voor het appelgerecht betreffende de gevolgen van het arrest van 16 oktober 2020 uitgaat van onjuiste rechtsopvattingen. De eiser heeft dan ook geen belang meer bij het op dit punt aangevoerde motiveringsgebrek. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  17. Uit de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling moet antwoorden op de conclusie van een inverdenkinggestelde. Gelet evenwel op de korte termijn waarbinnen het onderzoeksgerecht moet beslissen over het hoger beroep, dient het dit verweer niet tot in al zijn bijzonderheden te beantwoorden.
  18. Met de redenen die het bevat betreffende het recidive- en het collusiegevaar beantwoordt en verwerpt het bestreden arrest het bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 41,80 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 5 januari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050823.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.