← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.3 Rolnummer: P.20.1206.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-01-07 Raadplegingen: 681 - laatst gezien 2026-06-19 23:37 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Verschillende aan een beklaagde ten laste gelegde misdrijven komen uit eenzelfde opzet voort wanneer zij onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking, en in die zin door één feit, te weten een complexe gedraging, zijn opgeleverd; het in de wet bedoelde opzet kan omschreven worden als eenheid van drijfveer, waarbij elk van de door de dader gestelde handelingen een welomschreven plaats inneemt in het systeem dat hij heeft bedacht om zijn doel te bereiken; uit de enkele omstandigheid dat de beklaagde identieke misdrijven heeft gepleegd als het hem ten laste gelegde, volgt niet noodzakelijk dat deze misdrijven de voortgezette en opeenvolgende uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet. Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Gescheiden berechting Vrije woorden: Identieke misdrijven - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Identieke misdrijven - Gevolg Fiche 3 De rechter oordeelt onaantastbaar of er eenheid van opzet bestaat tussen de feiten waaraan hij een beklaagde schuldig verklaart en deze waarvoor diezelfde beklaagde bij een eerder in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke beslissing tot straf is veroordeeld; het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten al dan niet die eenheid van opzet naar recht heeft kunnen afleiden. Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Eenheid van opzet - Controle door het Hof - Draagwijdte Tekst van de beslissing Nr. P.20.1206.N M. B., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Crépine Uwashema, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Kolenmarkt 83, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 17 september

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, alsmede miskenning van de algemene motiveringsplicht: het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser de beslissing heeft genomen om op meerdere tijdstippen het stuur te nemen en dat deze gedragingen derhalve niet kunnen worden beschouwd als de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet; de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet sluit evenwel niet uit dat op meerdere tijdstippen het stuur wordt genomen; de aan de eiser ten laste gelegde feiten en deze waarvoor de eiser werd veroordeeld bij vonnis van de politierechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, van 20 maart 2017, vloeien voort uit hetzelfde misdadig opzet en strafbare gedraging, namelijk het rijden zonder geldige verzekering en sturen tijdens verval zonder onderzoek.
  3. Artikel 65, tweede lid, Strafwetboek bepaalt: "Wanneer de feitenrechter vaststelt dat misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die, in de veronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, houdt hij bij de straftoemeting rekening met de reeds uitgesproken straffen. Indien deze hem voor een juiste bestraffing van al de misdrijven voldoende lijken, spreekt hij zich uit over de schuldvraag en verwijst hij in zijn beslissing naar de reeds uitgesproken straffen. Het geheel van de straffen uitgesproken met toepassing van dit artikel mag het maximum van de zwaarste straf niet te boven gaan."
  4. Verschillende aan een beklaagde ten laste gelegde misdrijven komen uit eenzelfde opzet voort wanneer zij onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking, en in die zin door één feit, te weten een complexe gedraging, zijn opgeleverd. Het in de wet bedoelde opzet kan omschreven worden als eenheid van drijfveer, waarbij elk van de door de dader gestelde handelingen een welomschreven plaats inneemt in het systeem dat hij heeft bedacht om zijn doel te bereiken.
  5. Uit de enkele omstandigheid dat de beklaagde identieke misdrijven heeft gepleegd als het hem ten laste gelegde, volgt niet noodzakelijk dat deze misdrijven de voortgezette en opeenvolgende uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet.
  6. De rechter oordeelt onaantastbaar of er eenheid van opzet bestaat tussen de feiten waaraan hij een beklaagde schuldig verklaart en deze waarvoor diezelfde beklaagde bij een eerder in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke beslissing tot straf is veroordeeld. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten al dan niet die eenheid van opzet naar recht heeft kunnen afleiden.
  7. Het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser telkens opnieuw wetens en willens kiest om het stuur te nemen ondanks het gegeven dat dit voertuig niet geldig is verzekerd is en hij is vervallen van het recht tot sturen. Op grond daarvan kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat deze beslissingen om op meerdere tijdstippen het stuur te nemen, niet verbonden zijn door een eenheid van doel en verwezenlijking en aldus niet uit eenzelfde opzet voortkomen. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de algemene motiveringsplicht: de door het bestreden vonnis vermelde redenen over de straftoemeting houden geen rekening met eisers situatie, zoals aangegeven in het grievenformulier, het neergelegde stukkenbundel en de concrete gegevens in het strafdossier; uit de gegevens van het strafdossier blijkt dat de eiser sinds 2019 andere effectieve gevangenisstraffen uitzit in de gevangenis; op het moment van het bestreden vonnis was hij bijgevolg reeds door deze veroordelingen voor enige duur uit het verkeer gebannen en kon hij zich niet opnieuw schuldig maken aan gelijkaardige feiten; het bestreden vonnis bevestigt zodoende niet enkel een disproportionele straf, maar houdt evenmin rekening met de reeds uitgesproken effectieve straffen; het houdt evenmin rekening met de concrete situatie van de eiser.
  9. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  10. De rechter moet niet antwoorden op stukken, maar alleen op een voor hem genomen conclusie.
  11. De rechter bepaalt onaantastbaar binnen de door de wet opgelegde grenzen de strafmaat. Uit de omstandigheid dat een beklaagde reeds tot effectieve gevangenisstraffen werd veroordeeld, kan niet worden afgeleid dat de opnieuw opgelegde effectieve gevangenisstraf disproportioneel is.
  12. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  13. Het bestreden vonnis oordeelt met betrekking tot de straftoemeting als volgt: - bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de feiten, met het rijkelijk gevulde strafverleden van de eiser en zijn persoonlijkheid; - daarnaast beoogt de rechtbank met haar bestraffing uiting te geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de begane overtreding en het beschermen van de maatschappij, in het bijzonder de andere weggebruikers; - andermaal dient de eiser zich te verantwoorden voor het rijden met een voertuig dat niet geldig is verzekerd en ingeschreven. Dergelijk handelen is asociaal en maatschappelijk verwerpelijk. Dit getuigt van een bijzondere nonchalance en een gebrek aan verantwoordelijkheidszin, daar de eiser zich geen rekenschap geeft van de consequenties voor derden indien hij met dit voertuig in een verkeersongeval betrokken raakt; - daarbovenop stuurde hij weerom spijts verval en zonder met gunstig gevolg de opgelegde herstelonderzoeken en examens te hebben afgelegd, in staat van herhaling. Dit gedrag getuigt van een misprijzen van de regelgeving en de rechterlijke beslissingen en kan niet worden getolereerd. Een strenge bestraffing is dan ook op zijn plaats; - de vele ook specifieke voorgaanden op het strafregister van de eiser tonen aan dat hij duidelijk lak heeft aan de verkeerswetgeving en niets heeft geleerd uit de eerdere veroordelingen. Erger nog, hij legt deze simpelweg naast zich neer. Ondanks alle waarschuwingen en kansen is de eiser niet tot inkeer gekomen en heeft hij zijn houding in het verkeer niet aangepast; - gelet op de aard en de ernst van de feiten, de vele specifieke antecedenten van de eiser en de herhaling vormden de door het beroepen vonnis opgelegde straffen naar aard en omvang een wettige en gepaste sanctie; - alleen een effectieve gevangenisstraf en een effectief rijverbod zoals door het beroepen vonnis bepaald zullen de eiser er minstens voor die tijd van weerhouden om zich opnieuw schuldig te maken aan gelijkaardige feiten; slechts door de eiser een tijdlang daadwerkelijk uit het verkeer te bannen, kan de verkeersveiligheid worden gegarandeerd. De rechtbank kan maar hopen dat de eiser die tijd ook nuttig aanwendt om tot inzicht te komen en zich in de toekomst normconform te gaan gedragen. Met deze redenen, die rekening houden met eisers concrete situatie, is de aan de eiser opgelegde bestraffing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,90 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 5 januari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.