← België

K. contra FEDERAAL CENTRUM VOOR DE ANALYSE VAN DE

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.8 Rolnummer: P.20.1095.N Zaak: K. contra FEDERAAL CENTRUM VOOR DE ANALYSE VAN DE Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-01-07 Raadplegingen: 945 - laatst gezien 2026-06-20 04:37 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210105.2N.8 Fiches 1 - 2 Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer verschillende misdrijven die gelijktijdig aan dezelfde feitenrechter worden voorgelegd en die volgens de rechter de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken; de rechter kan in dat geval voor het geheel van de bestrafte feiten slechts die hoofd- en bijkomende straffen opleggen waarin de strafwet voorziet die de zwaarste straf bepaalt en hij moet de andere hoofd- en bijkomende straffen buiten beschouwing laten

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Eéndaadse Vrije woorden: Verschillende misdrijven - Eenheid van opzet - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ZWAARSTE STRAF Vrije woorden: Hoofd-en biijkomende straffen - Ontzetting van de rechten genoemd in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 3 Voor het bepalen van het misdrijf waarop de zwaarste straf is gesteld, worden de maximumhoofdgevangenisstraffen vergeleken en indien die gelijk zijn de maximumgeldboeten, waarbij het niet van belang is of die geldboeten een verplicht dan wel een facultatief karakter hebben. Thesaurus CAS: STRAF - ZWAARSTE STRAF Vrije woorden: Begrip Tekst van de beslissing Nr. P.20.1095.N K. K., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen FEDERAAL CENTRUM VOOR DE ANALYSE VAN MIGRATIESTROMEN, BESCHERMING VAN DE GRONDRECHTEN VAN VREEMDELINGEN EN DE STRIJD TEGEN MENSENHANDEL, met kantoor te 1000 Brussel, Koningsstraat 138, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 7 oktober
  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft op 29 december 2020 ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op de openbare rechtszitting van 5 januari 2021 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres haar cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerster, zoals vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing betreffende de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet: het arrest motiveert op geen enkele wijze waarom niet wordt ingegaan op het in ondergeschikte orde in de appelconclusie geformuleerde verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen voor de bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen.
  4. Artikel 8, § 1, derde lid, Probatiewet bepaalt thans dat geen uitstel van tenuitvoerlegging kan worden verleend voor een straf van verbeurdverklaring. De onmogelijkheid van uitstel van tenuitvoerlegging voor deze vermogensstraf was op het ogenblik van de feiten waaraan het arrest de eiseres schuldig verklaart evenwel nog niet van toepassing en kan aldus als strengere strafwet niet beletten dat de rechter uitstel van tenuitvoerlegging voor de verbeurdverklaring kon verlenen.
  5. De eiseres heeft in haar appelconclusie gevraagd dat voor zover lastens haar een bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen zou worden bevolen, dit met uitstel zou zijn. Het arrest beantwoordt dit verzoek niet. Het middel is gegrond. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 65, eerste lid, en 382, § 1, eerste lid, Strafwetboek.
  6. Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer verschillende misdrijven die gelijktijdig aan dezelfde feitenrechter worden voorgelegd en die volgens de rechter de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken. De rechter kan in dat geval voor het geheel van de bestrafte feiten slechts die hoofd- en bijkomende straffen opleggen waarin de strafwet voorziet die de zwaarste straf bepaalt. De rechter moet de andere hoofd- en bijkomende straffen buiten beschouwing laten.
  7. Voor het bepalen van het misdrijf waarop de zwaarste straf is gesteld, worden de maximumhoofdgevangenisstraffen vergeleken en indien die gelijk zijn de maximumgeldboeten, waarbij het niet van belang is of die geldboeten een verplicht dan wel een facultatief karakter hebben.
  8. Het arrest verklaart de eiseres schuldig aan de feiten van deelneming aan het nemen van welke beslissing dan ook in het raam van de activiteiten van een criminele organisatie, terwijl zij wist dat haar deelneming bijdroeg tot de oogmerken van deze organisatie (telastlegging B: inbreuk op artikel 324ter, § 3, Strafwetboek, strafbaar met opsluiting van 5 tot 10 jaar en of een geldboete van 500,00 tot 100.000,00 euro, na aanneming van verzachtende omstandigheden strafbaar met 1 maand tot 5 jaar gevangenisstraf en of een geldboete van 500,00 tot 100.000,00 euro), alsook aan het teneinde eens anders driften te voldoen, aanwerven, meenemen, wegbrengen of bij zich houden, zelfs met hun toestemming, van meerderjarigen met het oog op het plegen van prostitutie en het houden van een huis van ontucht (telastleggingen F10-F11 en G11-G12, inbreuken op artikel 380, § 1, 1° en 2°, Strafwetboek, strafbaar met gevangenisstraf van 1 tot 5 jaar en met geldboete van 500,00 tot 25.000,00 euro).
  9. De zwaarste straf is bijgevolg die welke is gesteld op de feiten van de telastlegging B, zijnde een inbreuk op artikel 324ter, § 3, Strafwetboek. De rechter kan voor het geheel van de bewezen verklaarde feiten geen hoofd- of bijkomende straffen opleggen welke zijn bepaald voor de feiten van de telastleggingen F10-F11 en G11-G12, zoals de verplichte ontzetting van de in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek genoemde rechten waarin artikel 382, § 1, eerste lid, Strafwetboek voorziet.
  10. Het arrest (p. 88, ro 111) bevestigt de beslissing van de eerste rechter (beroepen vonnis, p. 83) om gelet op artikel 382 Strafwetboek lastens de eiseres de verplichte ontzetting van de in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek genoemde rechten uit te spreken. Die beslissing is niet naar recht verantwoord. Omvang van de cassatie
  11. De vernietiging van de beslissingen tot verbeurdverklaring van vermogensvoordelen en tot de ontzetting van rechten, laat de overige beslissingen van het arrest onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de door de eerste rechter lastens de eiseres uitgesproken bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen ten bedrage van 36.603,15 euro en de ontzetting van de in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek genoemde rechten gedurende een termijn van vijf jaar bevestigt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot zeven achtsten van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten op 41,80 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 5 januari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210105.2N.8 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210323.2N.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210907.2N.5 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.