← België

D. contra L'Entr'Aide Financière du Tournaisis

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210111.3N.4 Rolnummer: C.20.0264.N Zaak: D. contra L'Entr'Aide Financière du Tournaisis Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-07-11 Raadplegingen: 708 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche Diegene die over een uitvoerbare titel beschikt die voldoet aan de vereisten van artikel 1494 Gerechtelijk Wetboek dient zijn aanspraken niet nader te bewijzen en het staat aan de schuldenaar die tegen de tenuitvoerlegging zwarigheden aanvoert om de gegrondheid hiervan te bewijzen; indien aldus de schuldenaar een schorsingsgrond aanvoert, draagt deze de bewijslast dat deze schorsingsgrond voorhanden is en nog steeds voortduurt. Thesaurus CAS: BESLAG - ALGEMEEN Vrije woorden: Beslag en executie - Zwarigheden - Omvang bewijslast Tekst van de beslissing Nr. C.20.0264.N

  1. R.D.M.,
  2. F.V., eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen L'ENTR'AIDE FINANCIERE DU TOURNAISIS, met zetel te 7601 Roucourt, Rue Neuve 2-4, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0402.492.491, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 19 november
  3. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 2 oktober 2020 verwezen naar de derde kamer. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  4. Krachtens artikel 1315 Oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing, dient hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan te bewijzen en omgekeerd dient hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs te leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht. Krachtens artikel 870 Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing, moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert.
  5. Krachtens artikel 1675/16bis, § 1, Gerechtelijk Wetboek kunnen natuurlijke personen die kosteloos een persoonlijke zekerheid hebben gesteld ten behoeve van de hoofschuldenaar die een verzoek tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling heeft ingediend, volledig of gedeeltelijk van hun verbintenis worden bevrijd indien de rechter vaststelt dat hun verbintenis onevenredig is met hun inkomsten en met hun vermogen. Om van deze bevrijding te genieten dient de natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid heeft gesteld, ter griffie van het gerecht waarbij het verzoek tot collectieve schuldenregeling is ingediend, een verklaring neer waaruit blijkt dat zijn verbintenis onevenredig is met zijn inkomsten en met zijn vermogen (§ 2). Krachtens artikel 1675/7, § 2, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek worden ten aanzien van de personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld, de middelen van tenuitvoerlegging geschorst tot de homologatie van de minnelijke aanzuiveringsregeling, tot de neerlegging van het in artikel 1675/11, § 1, bedoelde proces-verbaal of tot de verwerping van de aanzuiveringsregeling. Ten aanzien van personen die de in artikel 1675/16bis, § 2, bedoelde verklaring hebben neergelegd, worden de uitvoeringsmaatregelen geschorst tot de rechter uitspraak heeft gedaan over de bevrijding.
  6. Diegene die over een uitvoerbare titel beschikt die voldoet aan de vereisten van artikel 1494 Gerechtelijk Wetboek dient zijn aanspraken niet nader te bewijzen en het staat aan de schuldenaar die tegen de tenuitvoerlegging zwarigheden aanvoert om de gegrondheid hiervan te bewijzen. Indien aldus de schuldenaar een schorsingsgrond aanvoert, draagt deze de bewijslast dat deze schorsingsgrond voorhanden is en nog steeds voortduurt.
  7. De appelrechter stelt vast dat de notariële akte van de verweerster een regelmatige en niet-betwiste uitvoerbare titel uitmaakt en dat de eisers de schorsing hiervan vorderen onder verwijzing naar het door hen als persoonlijke zekerheidsverstrekkers overeenkomstig artikel 1675/16bis Gerechtelijk Wetboek neergelegde verzoekschrift. De appelrechter die vervolgens oordeelt dat de eisers niet bewijzen dat deze schorsingsgrond nog voortduurt, maar "[zich] vergenoegen met de bewijsloze bewering dat ‘blijkbaar' nog geen aanzuiveringsregeling (minnelijk of gerechtelijk) werd uitgewerkt en gehomologeerd dan wel opgelegd" en "dienaangaande geen enkel stuk bij[brengen]" en op die gronden de vordering tot schorsing afwijst, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 1004,18 euro en op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 11 januari 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210111.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.