id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210112.2N.12 Rolnummer: P.21.0017.N Zaak: PROCUREUR-GENERAAL TE GENT contra J. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-06-21 Raadplegingen: 896 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer de raadkamer, met aanneming van verzachtende omstandigheden, een verdachte naar de correctionele rechtbank heeft verwezen voor een correctionaliseerbare misdaad en het vonnisgerecht in beroep de herkwalificatie in een niet correctionaliseerbare misdaad bevestigt en zich derhalve onbevoegd verklaart om van de zaak kennis te nemen, regelt het Hof het rechtsgebied door de beschikking van de raadkamer te vernietigen en de zaak te verwijzen naar de kamer van inbeschuldigingstelling
(1).
(1)Het Hof verwijst hier de zaak, na regeling van rechtsgebied en vernietiging van de beschikking tot verwijzing naar de correctionele rechtbank, naar de kamer van inbeschuldigingstelling. Er bestaat soms discussie over het feit of de verwijzing dient te gebeuren naar de raadkamer of naar de KI, maar wanneer het gaat om een niet-correctionaliseerbare misdaad wordt doorgaans verwezen naar de kamer van inbeschuldigingstelling omdat de omweg langs de raadkamer nutteloos is. Zie R. DECLERCQ, "Regeling van rechtsgebied", Comm. Straf., nrs. 45-46, pp. 20-21. Thesaurus CAS: REGELING VAN RECHTSGEBIED - STRAFZAKEN - Tussen onderzoeksgerecht en vonnisgerecht - Aard van het misdrijf Vrije woorden: Verwijzing door het onderzoeksgerecht wegens een correctionaliseerbare misdaad - Herkwalificatie door het vonnisgerecht in een niet correctionaliseerbare misdaad - Bevestiging door het appelgerecht - Arrest van onbevoegdverklaring - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 526 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 2 De vernietiging door het Hof, dat het rechtsgebied regelt, van de beschikking tot verwijzing van de raadkamer, maakt de afzonderlijke beschikking tot handhaving van de voorlopige hechtenis van de verdachte, die diezelfde dag door de voormelde raadkamer is gewezen, doelloos
(1).
(1)In deze zaak had de raadkamer de beklaagde op 14 januari 2020 in vrijheid gesteld onder voorwaarden, maar na hoger beroep van het OM werd bij arrest van de KI te Gent van 28 januari 2020 de hechtenis vooralsnog gehandhaafd voor een termijn van twee maanden. Op het ogenblik van de beschikking tot verwijzing naar de correctionele rechtbank te Brugge van 28 februari 2020, heeft de raadkamer bij afzonderlijke beschikking van dezelfde datum de hechtenis gehandhaafd. Door de vernietiging evenwel ingevolge de regeling van rechtsgebied van de beschikking tot verwijzing, heeft de afzonderlijke beschikking tot handhaving van dezelfde datum geen bestaansreden meer. Wat de verdere voorlopige hechtenis betreft is het de titel die gold op het ogenblik van de regeling van de rechtspleging, waarvan de gevolgen sedertdien als het ware werden opgeschort, die vanaf de dag van de vernietiging van de beschikking ingevolge de regeling van het rechtsgebied opnieuw van kracht wordt, in casu dus het arrest van de KI Gent van 28 januari
- Zie Cass. 16 juni 1999, AR P.99.0694.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990616.11, AC 1999, nr.
- en R. DECLERCQ, "Regeling van rechtsgebied", Comm. Straf., nr. 55, p.
- AW. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Raadkamer - Beschikking tot verwijzing - Afzonderlijke beschikking tot handhaving - Regeling van rechtsgebied - Vernietiging van de beschikking tot verwijzing - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 26, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0017.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, verzoeker tot regeling van rechtsgebied, in de zaak van PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG WEST-VLAANDEREN, afdeling Brugge, tegen T. K. J. J., inverdenkinggestelde, aangehouden. mede in de zaak E. V., burgerlijke partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het verzoek strekt tot regeling van rechtsgebied ingevolge: - de beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 28 februari 2020 (hierna de beschikking); - het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 25 november 2020 (hierna het arrest). In een verzoekschrift dat ter griffie is ingediend op 5 januari 2021 en dat aan dit arrest is gehecht, worden de redenen van het verzoek uiteengezet. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Bij de beschikking werd de inverdenkinggestelde verwezen naar de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, met aanneming van verzachtende omstandigheden, voor het feit van de enige telastlegging, te Oostende, op 6 oktober 2018, opzettelijk verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan W. D., (...), met de omstandigheid dat de slagen of verwondingen werden toegebracht zonder het oogmerk om te doden, en toch zijn dood hebben veroorzaakt (artikelen 392, 398 en 401, eerste lid, Strafwetboek).
- De correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, heeft bij vonnis van 22 juni 2020 de feiten heromschreven als te Oostende op 6 oktober 2018, doodslag, zijnde het doden met het oogmerk om te doden, gepleegd te hebben op de persoon van W. D. (inbreuk op de artikelen 392 en 393 Strafwetboek) en heeft zich vervolgens onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de strafvordering en de burgerlijke rechtsvordering.
- Het arrest heeft dit vonnis bevestigd.
- Tegen de beschikking staat vooralsnog geen rechtsmiddel open. Het arrest heeft kracht van gewijsde.
- De onderlinge tegenstrijdigheid tussen de beschikking en het arrest doen een geschil van rechtsmacht ontstaan dat de rechtsgang belemmert.
- Artikel 2 Wet Verzachtende Omstandigheden, na de vernietiging van de artikelen 6 en 121 van de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie bij het arrest nr. 148/2017 van het Grondwettelijk Hof van 21 december 2017, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 12 januari 2018, voorziet niet in de mogelijkheid voor de raadkamer om een inverdenkinggestelde met aanneming van verzachtende omstandigheden te verwijzen naar de correctionele rechtbank voor een misdaad als bedoeld door de artikelen 392 en 393 Strafwetboek.
- Er is bijgevolg grond om de beschikking te vernietigen.
- Door die vernietiging heeft de op 28 februari 2020 gewezen beschikking door de raadkamer West-Vlaanderen, afdeling Brugge, waarbij de voorlopige hechtenis van T. J. wordt gehandhaafd, geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Regelt het rechtsgebied. Vernietigt de beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 28 februari
- Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beschikking. Verwijst de zaak naar het hof van beroep Gent, kamer van inbeschuldigingstelling. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 12 januari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210112.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250430.2F.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990616.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div