← België

N. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 203

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Hoger beroep in strafzaken - Bewijs van het hoger beroep - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 203

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Appelrechter - Hoger beroep in strafzaken - Bewijs van het hoger beroep - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 203

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 6 Artikel 6 EVRM noch het recht op een eerlijk proces beletten dat de appelrechter het debat over de ontvankelijkheid van het hoger beroep afsplitst van het debat over de grond van de zaak en uit die afsplitsing kan niet worden afgeleid dat het appelgerecht reeds over de ontvankelijkheid zou hebben beslist. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Hoger beroep in strafzaken - Debat over de ontvankelijkheid van het hoger beroep - Afsplitsing van het debat over de grond - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Vrije woorden: Debat over de ontvankelijkheid van het hoger beroep - Afsplitsing van het debat over de grond - Recht op een eerlijk proces - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0937.N M. N., beklaagde, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg, tegen H. D., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 26 augustus

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cassatieberoep werd betekend aan de verweerster. In zoverre het cassatieberoep ook gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster, is het niet ontvankelijk. Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 1353 oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 2 en 870 Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat niet is bewezen dat de eiser tijdig hoger beroep heeft ingesteld; op basis van de door eiser aangebrachte gegevens kon het appelgerecht niet anders dan oordelen dat er sprake was van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens waaruit bleek dat de eiser tijdig en regelmatig hoger beroep heeft ingesteld; er wordt van de verklaring van hoger beroep, die enkel bestaat in het ondertekenen van de akte ter griffie, geen afschrift gegeven; de eiser heeft via WhatsApp-berichten aangetoond dat hij binnen de beroepstermijn opdracht gaf tot het aantekenen van hoger beroep en dat hij de burgerlijke partij daarover ook heeft ingelicht; de eiser kon niet meer bewijs bijbrengen.
  4. Artikel 870 Gerechtelijk Wetboek en artikel 1353 oud Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op de bewijsregeling in strafzaken.
  5. Artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Behoudens de uitzondering van artikel 205 hierna, vervalt het recht van hoger beroep, indien de verklaring van hoger beroep niet gedaan is op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van de uitspraak en indien het vonnis bij verstek is gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van de betekening ervan aan de veroordeelde partij of aan haar woonplaats. (...)"
  6. Uit deze bepaling volgt dat, behoudens in hier niet toepasselijke gevallen, hoger beroep wordt ingesteld door een verklaring van hoger beroep door de betrokkene of zijn advocaat op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen. Deze vorm is op straffe van niet-ontvankelijkheid voorgeschreven en levert het bewijs op van het hoger beroep.
  7. Indien een partij voorhoudt dat, hoewel uit griffiegegevens van het rechtscollege dat de beslissing heeft gewezen niet blijkt dat een verklaring van hoger beroep werd afgelegd, zij wel degelijk een dergelijke verklaring heeft afgelegd, staat het aan die partij die bewering te bewijzen. De appelrechter oordeelt daar onaantastbaar over. Uit het enkele feit dat een partij aantoont dat binnen de beroepstermijn opdracht aan een advocaat is gegeven om hoger beroep in te stellen en dat de burgerlijke partij daarvan is ingelicht, volgt niet dat de appelrechter moet aannemen dat er door die raadsman tijdig en regelmatig hoger beroep is ingesteld. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden aangenomen.
  8. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  9. Het arrest oordeelt als volgt: - de loutere mededeling door de raadsman van de eiser aan zijn cliënt en aan de raadsman van de verweerster dat hij als raadsman van de eiser op een niet nader aangeduide datum hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 20 januari 2020, volstaat niet als bewijs van het daadwerkelijk instellen van hoger beroep binnen de wettelijk bepaalde termijn en volgens de wettelijk bepaalde voorwaarden; - op vraag van het hof van beroep op de rechtszitting op welke datum het hoger beroep door de raadsman ter griffie zou zijn ingesteld, kon de raadsman van de eiser niet antwoorden, behalve dat dit dan ergens tussen de datum van het vonnis en 27 januari 2020 zou moeten zijn geweest; - nazicht van de WhatsApp-conversatie tussen de eiser en zijn raadsman leert dat ook de eiser op 3 februari 2020 aan zijn raadsman vroeg of er al hoger beroep was aangetekend en wanneer dit was aangetekend, waarop de raadsman bevestigend heeft geantwoord, zonder evenwel te antwoorden op de vraag van de eiser naar de datum waarop dit hoger beroep werd aangetekend; - op de rechtszitting kon de raadsman van de eiser evenmin antwoorden op de vraag op welke datum exact het verplichte grievenformulier ter griffie werd ingediend en welke concrete grieven in dat beweerdelijk ingediende grievenformulier werden ontwikkeld; - de raadsman van de eiser beschikte niet over een eigen exemplaar van het grievenformulier en had klaarblijkelijk voor zichzelf de in het formulier aangevoerde grieven niet genoteerd; - uit geen enkel element blijkt dat er sprake zou zijn van overmacht, waardoor de beweerdelijk tijdig opgestelde akte van hoger beroep evenals het beweerdelijk tijdig ingediende grievenformulier verloren zouden zijn gegaan en derhalve niet in het dossier van de rechtspleging zouden zijn opgenomen. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat niet is aangetoond noch aannemelijk gemaakt dat de raadsman van de eiser tijdig hoger beroep heeft ingesteld en tijdig een grievenformulier heeft ingediend. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 147 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet eisers verzoek tot vrijwillige verschijning opdat ook het eerste tijdig aangetekend hoger beroep samen met het tweede hoger beroep kon worden behandeld.
  11. De appelrechters die, nadat de eiser ter zake standpunt heeft kunnen innemen, oordelen dat het bestaan van een eerste beweerd hoger beroep niet blijkt en het hoger beroep van 24 juni 2020 laattijdig is, dienen niet uitdrukkelijk te antwoorden op het bedoelde verzoek tot vrijwillige verschijning. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  12. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest beperkt het debat tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep; daardoor ontstaat voor de eiser het vermoeden dat de appelrechters reeds voorafgaand aan het debat een beslissing hebben genomen over de ontvankelijkheid van het hoger beroep; het recht op een eerlijk proces door een onafhankelijk en onpartijdig rechter vereist dat het debat over de ontvankelijkheid van het hoger beroep moet worden gevoegd bij de behandeling van de grond van de zaak.
  13. Artikel 6 EVRM noch het recht op een eerlijk proces beletten dat de appelrechter het debat over de ontvankelijkheid van het hoger beroep afsplitst van het debat over de grond van de zaak. Uit die afsplitsing kan niet worden afgeleid dat het appelgerecht reeds over de ontvankelijkheid zou hebben beslist. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 12 januari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210112.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.13 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990924.4 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001025.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240910.2N.21 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241029.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.