← België

M. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210112.2N.4 Rolnummer: P.20.0970.N Zaak: M. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2021-06-21 Raadplegingen: 1316 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Zonder inschrijving wegens valsheid is een cassatiemiddel onontvankelijk als het opkomt tegen de authentieke vaststellingen van het proces-verbaal van een terechtzitting

(1).
(1)Cass. 25 april 1984, AR 3576, AC 1983-84, nr. 494. Thesaurus CAS: BETICHTING VAN VALSHEID Vrije woorden: Authentieke akten - Proces-verbaal van terechtzitting - Cassatiemiddel - Ontvankelijkheid Fiche 2 Zonder inschrijving wegens valsheid is een cassatiemiddel onontvankelijk als het opkomt tegen de authentieke vaststellingen van het proces-verbaal van een terechtzitting
(1).
(1)Cass. 25 april 1984, AR 3576, AC 1984, nr.
  1. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Middel gegrond op een bewering in strijd met de authentieke vaststellingen van het proces-verbaal van de terechtzitting - Geen betichting van valsheid - Ontvankelijkheid Fiches 3 - 4 Artikel 10.1.3°, Wegverkeersreglement verplicht elke bestuurder van een voertuig om zijn snelheid zodanig te regelen dat hij kan stoppen voor een hindernis die kan worden voorzien en een hindernis is onvoorzienbaar wanneer het opduiken of juist inschatten ervan voor elke normale, voorzichtige en redelijke persoon onmogelijk is; de hindernis die een bestuurder op voorhand heeft waargenomen en die overeenstemt met die waarneming, is voor hem in de regel niet onvoorzienbaar en de bestuurder die een dergelijke hindernis wil voorbijrijden, moet alle nodige voorzorgsmaatregelen treffen opdat hij dit redelijkerwijze kan doen zonder een ongeval te veroorzaken en hij dient zijn rijgedrag aan te passen aan de aard van de waargenomen hindernis en moet zo nodig stoppen om zich te verzekeren van een veilige doortocht; de rechter oordeelt op grond van de concrete omstandigheden die hij vaststelt onaantastbaar of een hindernis voorzienbaar is maar het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 10 Vrije woorden: Artikel 10.1.3° - Snelheid - Voorzienbare hindernis - Begrip Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 10.1.3° - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Wegverkeer - Wegverkeersreglement - Reglementsbepalingen - Artikel 10 - Artikel 10.1.3° - Snelheid - Voorzienbare hindernis - Begrip Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 10.1.3° - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0970.N S. M., burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Patrick Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen T. A. D. O. D., beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 4 september
  2. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. In zoverre de eiseres, die niet is veroordeeld tot de kosten op strafgebied, opkomt tegen de beslissing over de strafvordering, is haar cassatieberoep bij gebrek aan hoedanigheid niet ontvankelijk. Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van de artikelen 779, 782, eerste lid, 782bis, tweede lid, en 785, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, artikel 10 van de wet van 1 mei 1849 betreffende de politierechtbanken en correctionele rechtbanken en de artikelen 155, 189 en 190ter Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis vermeldt dat de kamer is voorgezeten door rechter M. Desloover en bevat op de laatste bladzijde een vermelding "M. Desloover", waaronder een onleesbare handtekening voorkomt; die handtekening stemt overeen met deze die onder de vermelding "de Voorzitter" voorkomt op het proces-verbaal van de rechtszitting van 4 september 2020; die handtekeningen wijken totaal af van de onderling overeenstemmende handtekeningen die onder de vermeldingen "de Voorzitter" voorkomen op het proces-verbaal van de rechtszitting van 12 juni 2020 en op een op die rechtszitting neergelegde conclusie; het kan niet worden uitgemaakt of die handtekeningen, dan wel welke ervan, toebehoren aan voorzitter M. Desloover; bijgevolg is het bestreden vonnis nietig; minstens zijn de processen-verbaal van de rechtszittingen van 4 september 2020 en 12 juni 2020 of alleszins dat laatste proces-verbaal nietig; dit leidt tot de nietigheid van het bestreden vonnis omdat daaruit niet blijkt dat alle in acht te nemen vormen zijn nageleefd; het blijkt niet dat de drie rechters die het bestreden vonnis hebben gewezen, ook aanwezig waren op de rechtszitting van 12 juni 2020 en dus de vordering van het openbaar ministerie en de pleidooien hebben bijgewoond.
  5. De vermelde akten, die niet van valsheid zijn beticht, stellen op authentieke wijze vast dat de betwiste handtekeningen of parafen die zij bevatten, toebehoren aan rechter Marc Desloover in de hoedanigheid van voorzitter van de kamer B.11 van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Het middel dat opkomt tegen die authentieke vaststellingen, is niet ontvankelijk. Vierde middel Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 10.1.3°, Wegverkeersreglement: het bestreden vonnis stelt vast dat de verweerder volgens zijn eigen verklaring "vertraagde en probeerde onder de mast door te rijden" en dat hij dus wist dat de mast van de hoogtewerker die over de rijweg hing, voor hem een hindernis vormde die bij verder rijden een gevaar of risico op aanrijding inhield; op grond van die vaststelling kan het bestreden vonnis niet wettig oordelen dat de mast voor de verweerder een onvoorzienbare hindernis was en dat de verweerder werd verschalkt in zijn normale verwachting dat hij onder de mast zou kunnen doorrijden; in zulk geval mag een bestuurder niet ervan uitgaan dat hij bij afwezigheid van een gevaarsignalisatie of waarschuwing veilig onder de hindernis kan doorrijden; het principe van onbelemmerd gebruik van de openbare weg, waarvan het bestreden vonnis uitgaat, doet niets af aan de wettelijke verplichting te kunnen stoppen voor een hindernis die kan worden voorzien; evenmin neemt het gebrek aan correcte signalisatie van het hinderend voertuig de voorzienbaarheid ervan weg.
  7. Artikel 10.1.3°, Wegverkeersreglement verplicht elke bestuurder van een voertuig om zijn snelheid zodanig te regelen dat hij kan stoppen voor een hindernis die kan worden voorzien.
  8. Een hindernis is onvoorzienbaar wanneer het opduiken of juist inschatten ervan voor elke normale, voorzichtige en redelijke persoon onmogelijk is.
  9. De hindernis die een bestuurder op voorhand heeft waargenomen en die overeenstemt met die waarneming, is voor hem in de regel niet onvoorzienbaar. De bestuurder die een dergelijke hindernis wil voorbijrijden, moet alle nodige voorzorgsmaatregelen treffen opdat hij dit redelijkerwijze kan doen zonder een ongeval te veroorzaken. Hij dient zijn rijgedrag aan te passen aan de aard van de waargenomen hindernis en moet zo nodig stoppen om zich te verzekeren van een veilige doortocht.
  10. De rechter oordeelt op grond van de concrete omstandigheden die hij vaststelt onaantastbaar of een hindernis voorzienbaar is. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  11. Met betrekking tot de telastlegging B (overtreding van artikel 10.1.3°, Wegverkeersreglement) oordeelt het bestreden vonnis dat: - de verweerder heeft verklaard dat hij, geconfronteerd met de vrachtwagen met hoogtewerker, die hem de doorgang belemmerde, vertraagde en onder de mast probeerde door te rijden terwijl hij ook het verkeer uit de tegengestelde richting in het oog hield en het zicht werd belemmerd door de vrachtwagen met hoogtewerker; - de mast van de hoogtewerker, meer bepaald het uiteinde ervan dat naar beneden liep, een hindernis uitmaakte voor het voertuig van de verweerder; - het niet bewezen is dat de mast, voorafgaand aan de aanrijding, voor de verweerder als aankomende bestuurder voorzienbaar was als zijnde een hindernis waarvoor hij zou moeten stoppen; - het uitgangspunt is dat de openbare weg geacht wordt geschikt te zijn tot het normaal en onbelemmerd gebruik door de deelnemers aan het wegverkeer die erop zijn toegelaten; - bovendien het vaste gedeelte van de mast hoog genoeg was om onder door te rijden, de uitvoerders van de werken geen maximale doorganghoogte onder de mast hadden aangeduid, er op de mobiele werf evenmin enig gevaarsteken was aangebracht dat aankomende bestuurders moest waarschuwen voor een beperkte doorganghoogte, het voertuig van de verweerder niet abnormaal hoog was en de collega van het slachtoffer, die zich op de grond bevond, het verkeer niet regelde en dus ook de aankomende bestuurders niet waarschuwde; - in die omstandigheden de verweerder werd verschalkt in zijn normale verwachting dat hij onder de mast zou kunnen doorrijden, zoals het verkeer dat voor hem onder de mast doorreed, en hij de aanwezigheid van de mast niet diende te aanzien als een hindernis die zijn doorgang zou belemmeren en waarvoor hij zou moeten stoppen; - de verweerder ervan mocht uitgaan dat, waar er een hindernis boven het wegdek werd aangebracht, deze voldoende hoog zou zijn aangebracht om voertuigen van normale afmetingen eronder te laten doorrijden en, indien dit niet het geval zou zijn, dat de verantwoordelijke voor de belemmering de bestuurders attent erop zou maken en informatie zou verschaffen over de aanwezigheid van een beperkte doorgang in de hoogte of van de exacte maximale hoogte; - een normaal en voorzichtig bestuurder daarbij mag verwachten dat hij ongehinderd zou kunnen passeren, nu er geen aanduidingen waren dat de doorganghoogte zeer beperkt was; - er van een normaal en voorzichtig bestuurder in de gegeven omstandigheden niet moet worden verwacht dat hij vlak voor de mast stopt en zelf opmetingen gaat doen vooraleer verder te rijden. Met betrekking tot de telastlegging A (overtreding van de artikelen 418 en 419 Strafwetboek) oordeelt het bestreden vonnis bovendien: - op de beelden ziet men de verweerder komen aanrijden aan een constante en matige snelheid; - "[De verweerder] gedroeg [zich] als een normaal en voorzichtig bestuurder en kwam aan een matige snelheid van ca 20 km/uur (deskundig verslag, p. 14) aangereden en had oog voor de aanwezigheid van de mast en voor de andere weggebruikers." Op grond van die redenen kan het bestreden vonnis niet wettig oordelen dat de verweerder is geconfronteerd met een onvoorzienbare hindernis. Het onderdeel is gegrond. Derde onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 418 en 419 Strafwetboek en artikel 10.1.3°, Wegverkeersreglement: het bestreden vonnis dat niet wettig kan oordelen dat de mast van de hoogtewerker voor de verweerder geen voorzienbare hindernis was, kan evenmin wettig oordelen "dat er geen fout in hoofde van [de verweerder] kan worden vastgesteld en dat hij niet onvoorzichtig noch zonder voldoende voorzorgen te hebben genomen, zijn voertuig op de plaats van het ongeval bestuurde".
  13. Elke fout volstaat om een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg op te leveren. Bijgevolg leidt de onwettigheid van de beslissing over de telastlegging B ook tot de onwettigheid van de beslissing over de telastlegging A. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  14. De grieven behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de burgerlijke rechtsvordering van de eiseres ongegrond verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot de helft van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 521,34 euro waarvan 250,31 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 12 januari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210112.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.5 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.27 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250326.2F.3 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250409.2F.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.