id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.3 Rolnummer: P.20.1041.N Zaak: ADVICES for TECHNICAL SYSTEMS N.V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-01-21 Raadplegingen: 925 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210119.2N.3 Fiche 1 Een beklaagde die van oordeel is dat de redelijke termijn is overschreden als gevolg van een langdurig beraad, kan dit verweer aan de vonnisrechter voorleggen door te verzoeken om een heropening van het debat; de beklaagde kan bij die gelegenheid verweer voeren over de concrete gevolgen die hij ondervindt als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Vereiste van de redelijke termijn - Vertraging als gevolg van een langdurig beraad - Verzoek tot heropening van het debat - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 2 De vonnisrechter die de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, moet weliswaar steeds aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak nagaan welke impact die overschrijding heeft op het recht van verdediging van de beklaagde of, indien dat recht is gevrijwaard, op de strafmaat overeenkomstig artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moet die rechter niet uitdrukkelijk melding maken van alle concrete omstandigheden waarop zijn beslissing over de redelijke termijn steunt; evenmin moet hij ambtshalve het debat heropenen om de beklaagde toe te laten daarover verweer te voeren; dat de overschrijding van de redelijke termijn te wijten is aan langdurig beraad, doet daaraan geen afbreuk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Vereiste van de redelijke termijn - Langdurig beraad - Impact op het recht van verdediging of strafmaat - Beoordeling Tekst van de beslissing Nr. P.20.1041.N ADVICES FOR TECHNICAL SYSTEMS nv, met zetel te 9820 Merelbeke, Karel De Roosestraat 15, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 22 september
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Op 4 januari 2021 heeft advocaat-generaal Bart De Smet zijn schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. De eiser heeft op 13 januari 2021 ter griffie van het Hof een noot overeenkomstig artikel 1107, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek neergelegd. Op de rechtszitting van 19 januari 2021 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.b EVRM en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: na te hebben vastgesteld dat de redelijke termijn voor de uitspraak in de zaak van de eiseres is overschreden ingevolge de lange beraadtermijn, oordeelt het arrest zonder aan de eiseres mogelijkheid tot tegenspraak te bieden dat haar schade "beperkt (bleef) tot het te lang in de onzekerheid blijven nopens het lot dat aan huidige strafvordering uiteindelijk zou worden beschoren, zodat zij blootstond aan onzekerheid veroorzaakt door het te lang blijven onder de dreiging van huidige vervolging"; met die algemene reden voldoet het arrest niet aan het vereiste dat de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn moeten worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak; bovendien moet de beklaagde zich kunnen uitspreken over de concrete gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn op zijn eigen en specifieke situatie; dat is des te meer het geval wanneer die overschrijding volgt uit het verstrijken van een lange beraadtermijn.
- Een beklaagde die van oordeel is dat de redelijke termijn is overschreden als gevolg van een langdurig beraad, kan dit verweer aan de vonnisrechter voorleggen door te verzoeken om een heropening van het debat. De beklaagde kan bij die gelegenheid verweer voeren over de concrete gevolgen die hij ondervindt als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn.
- De vonnisrechter die de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, moet weliswaar steeds aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak nagaan welke impact die overschrijding heeft op het recht van verdediging van de beklaagde of, indien dat recht is gevrijwaard, op de strafmaat overeenkomstig artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.
- Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moet die rechter echter niet uitdrukkelijk melding maken van alle concrete omstandigheden waarop zijn vermelde beslissing steunt. Evenmin moet hij ambtshalve het debat heropenen om de beklaagde toe te laten daarover verweer te voeren. Dat de overschrijding van de redelijke termijn te wijten is aan langdurig beraad, doet daaraan geen afbreuk. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt niet enkel zoals voormeld, maar ook als volgt: - aan het recht op daadwerkelijk rechtsherstel van de eiseres wegens de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn kan worden voldaan door de vaststelling van die overschrijding; - die overschrijding noch enige andere omstandigheid eigen aan de zaak hebben een andere miskenning van het recht van verdediging van de eiseres veroorzaakt; - het is inderdaad mogelijk gebleken de eiseres een eerlijk proces te garanderen onder meer omdat door de overschrijding van de redelijke termijn geen bewijsmiddelen teloor gingen, het voorliggende bewijs niet werd aangetast en de uitoefening van het recht van verdediging op geen enkele wijze werd beperkt of bemoeilijkt, laat staan onherstelbaar werd belemmerd, zodat de strafvordering niet onontvankelijk moet worden verklaard; - rechtsherstel kan jegens de eiseres worden bereikt door de geldboete van 7.500,00 euro, waartoe zij zou worden veroordeeld indien de zaak was behandeld binnen een redelijke termijn, te bepalen op 3.000,00 euro. Met die redenen is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: het arrest bevestigt, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, de door de eerste rechter opgelegde geldboete van 3.000,00 euro; het oordeelt dat het de eiseres zonder die overschrijding zou veroordelen tot een geldboete van 7.500,00 euro; dit maakt een strafverzwaring uit waarvoor eenparigheid van stemmen was vereist, wat het arrest niet vaststelt.
- Volgens artikel 211bis, tweede zin, Wetboek van Strafvordering is eenstemmigheid vereist voor het gerecht in hoger beroep om de tegen de beklaagde uitgesproken straffen te verzwaren.
- Er is slechts strafverzwaring in de zin van die bepaling indien het gerecht in hoger beroep de werkelijk uitgesproken straf verzwaart in vergelijking met de door de eerste rechter uitgesproken straf. Er is geen strafverzwaring indien het gerecht in hoger beroep oordeelt dat bij niet-overschrijding van de redelijke termijn een zwaardere straf zou moeten worden opgelegd dan de door de eerste rechter uitgesproken straf, maar dat ter remediëring van de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn een lagere of gelijke straf wordt opgelegd in vergelijking met de door eerste rechter opgelegde straf. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 4, § 3, eerste lid, en 10 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 maart 2017 en in werking getreden op 1 mei
- Artikel 4, § 3, eerste lid, van de voormelde wet van 19 maart 2017 bepaalt dat, behalve indien hij van de juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet of indien de rechter oordeelt dat hij zich op het vlak van zijn bestaansmiddelen in een situatie bevindt waarbij hij beroep zou kunnen doen op juridische tweedelijnsbijstand of op rechtsbijstand, iedere door een strafgerecht veroordeelde verdachte, inverdenkinggestelde, beklaagde, beschuldigde of voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke persoon wordt veroordeeld tot het betalen van een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Artikel 10 van de voormelde wet bepaalt dat deze wet in werking treedt op de door de Koning bepaalde datum en dat de bepalingen ervan van toepassing zijn op de in deze wet bedoelde zaken die vanaf deze datum zijn ingeleid. Artikel 6 van het koninklijk besluit van 26 april 2017 tot uitvoering van de voormelde wet van 19 maart 2017 bepaalt dat deze wet in werking treedt op 1 mei
- Uit die bepalingen volgt dat in appelprocedures de bijdrageplicht slechts van toepassing is wanneer het rechtsmiddel is ingesteld na 30 april
- Met een verklaring van 9 februari 2017 heeft de eiseres hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 13 januari
- Het arrest veroordeelt haar niettemin tot betaling van een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand van 20,00 euro. Deze veroordeling schendt de in het middel vermelde bepalingen. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing bevat geen onwettigheid die de eiseres kan grieven. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiseres veroordeelt tot betaling aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand van een bijdrage van 20,00 euro. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot negen tienden van de kosten van haar cassatieberoep. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 19 januari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210119.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div