← België

AANNEMINGSBEDRIJF NORRE-BEHAEGEL BVBA c. MINISTER VAN F

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.4 Rolnummer: P.20.1031.N Zaak: AANNEMINGSBEDRIJF NORRE-BEHAEGEL BVBA c. MINISTER VAN F Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-01-21 Raadplegingen: 1154 - laatst gezien 2026-06-20 04:47 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het correct en toereikend bijhouden van een voorraadadministratie is geen constitutief bestanddeel van het misdrijf bedoeld in artikel 437 Programmawet van 27 december 2004, wanneer dat enkel bestaat in het onterecht indienen van in artikel 429, § 5, 2), van deze Programmawet vermelde aanvragen tot terugbetaling van de verhoging van bijzondere accijns op gasolie met een zwavelgehalte van niet meer dan 10mg/kg, gebruikt als motorbrandstof, en het ten onrechte ontvangen van die accijns; dat misdrijf kan immers bestaan ongeacht of de dader zijn voorraadadministratie correct en toereikend bijhoudt. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Bijzondere accijns op gasolie gebruikt als motorbrandstof - Aanvraag tot terugbetaling van de verhoging van de accijns - Indienen van een aanvraag met valse vermeldingen - Materieel bestanddeel van het misdrijf - Voorraadadministratie - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 227 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 429, § 5 - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 437 - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Fiches 2 - 5 De legaliteit van een strafbepaling vereist dat ze voldoende toegankelijk is en als dusdanig of in samenhang met andere bepalingen gelezen, op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is; aan het vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan als het voor de persoon op wie de strafbepaling van toepassing is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling en, zo nodig, met behulp van de uitlegging ervan gegeven door de rechtspraak, de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen meebrengen

(1).
(1)Cass. 15 januari 2019, AR P.18.0722.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.2, AC 2019, nr. 21; Cass. 16 mei 2017, AR P.15.0807.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170516.4, AC 2017, nr. 336. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 Vrije woorden: Legaliteit van de strafbepaling - Omschrijving van de strafbaar gestelde gedraging - Vereiste van de redelijke voorzienbaarheid van de draagwijdte van de strafbaarstelling - Begrippen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 15 - Legaliteit van de strafbepaling - Omschrijving van de strafbaar gestelde gedraging - Vereiste van de redelijke voorzienbaarheid van de draagwijdte van de strafbaarstelling - Begrippen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 12 Vrije woorden: Legaliteit van de strafbepaling - Omschrijving van de strafbaar gestelde gedraging - Vereiste van de redelijke voorzienbaarheid van de draagwijdte van de strafbaarstelling - Begrippen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 14 Vrije woorden: Legaliteit van de strafbepaling - Omschrijving van de strafbaar gestelde gedraging - Vereiste van de redelijke voorzienbaarheid van de draagwijdte van de strafbaarstelling - Begrippen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiche 6 Artikel 437 Programmawet 27 december 2004 heeft volgens zijn bewoordingen een algemene draagwijdte en stelt de onjuiste toepassing strafbaar van alle bepalingen van hoofdstuk XVIII van die wet; aldus is ook het indienen van een onjuiste aanvraag tot terugbetaling van de verhoging van bijzondere accijns strafbaar; daarvoor is niet vereist dat artikel 429, § 5, 2), Programmawet uitdrukkelijk erop wijst dat de erin bedoelde aanvraag correct moet zijn; bovendien zijn deze bepalingen gericht op personen die vertrouwd zijn met de materie; de personen tot wie artikel 437 Programmawet zich richt, moeten dan ook worden geacht de toepasselijke wetsbepalingen te kennen en te weten dat zij strafbaar zijn met de in dat artikel bepaalde straffen wanneer zij de terugbetaling vragen van accijnzen voor brandstoffen die daarvoor niet in aanmerking komen; hieruit volgt dat artikel 437 Programmawet voor al degenen op wie ze toepasselijk is, op een klaarblijkelijk voldoende nauwkeurige wijze de strafbaarstelling inhoudt van het indienen van een onterechte vraag tot terugbetaling van de verhoging van bijzondere accijns, bedoeld in artikel 429, § 5, 2), Programmawet; bijgevolg schendt artikel 437 Programmawet klaarblijkelijk niet de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet, artikel 7.1 EVRM en artikel 15.1 IVBPR. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Accijnzen - Onjuiste aanvraag tot het terugbetalen van de verhoging van de bijzondere accijns op gasolie gebruikt als motorbrandstof - Artikelen 429 en 437 Programmawet 27 december 2004 - Omschrijving van de strafbaar gestelde gedraging - Vereiste van een voldoende nauwkeurige wijze van de strafbaarstelling - Beoordeling Fiche 7 De laattijdige betaling van invoerrechten, accijnzen of andere belastingen, die volgens art. 331, § 1 AWDA aanleiding geeft tot een betaling van een interest tegen 9,60% per jaar, slaat zowel op de betaling van verschuldigde accijns als op de betaling van onverschuldigd terugbetaalde accijns; in beide gevallen kan de administratie immers als gevolg van de laattijdige betaling niet beschikken over de haar verschuldigde accijnzen op het moment van hun opeisbaarheid. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Accijnzen - Laattijdige betaling van accijnzen - Onverschuldigd terugbetaalde accijns - Verschuldigde interest - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 331, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1031.N 1. AANNEMINGSBEDRIJF N B nv, beklaagde, 2. N B N, beklaagde, 3. J J G N, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur van de douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, administratief centrum "Ter Plaeten", Sint-Lievenslaan 27, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, alsook bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 16 september 2020. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het arrest hecht voor wat betreft het recht van verdediging van de eisers ten onrechte geen gevolg aan het feit dat de verweerder niet is ingegaan op hun sommering om stukken à décharge bij te brengen, namelijk verslagen over een controle in 2013; aan de hand van die verslagen wilden de eisers aantonen dat de verweerder hun handelwijze in het verleden steeds heeft aanvaard en dat hij, door daarop terug te komen bij een controle van 19 februari 2016, onder meer het vertrouwensbeginsel heeft miskend; dit was relevant om uit te maken of er hier sprake is van een strafbaar feit; enkel de verweerder beschikte over die verslagen; anders dan het arrest oordeelt, konden de eisers ze zelf niet bijbrengen; geen enkele wettelijke bepaling voorziet in een recht voor de gecontroleerde om een kopie van dergelijke verslagen te ontvangen. 2. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de eisers zelf niet beschikten of konden beschikken over een exemplaar van de controleverslagen waarvan zij de voorlegging door de verweerder vroegen, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. 3. Het arrest dat oordeelt dat de eisers de door hen gevraagde stukken zelf konden bijbrengen, miskent hun recht van verdediging niet door geen gevolg te hechten aan het feit dat de verweerder die stukken niet heeft bijgebracht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 4. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM: de appelrechters weigeren de vroegere controleur als getuige à décharge op de rechtszitting te horen omdat deze niet bij naam is gespecificeerd; dit is geen aanvaardbare reden; bepalend is of de getuige identificeerbaar is en of zijn verhoor noodzakelijk is in het kader van de waarheidsvinding; de appelrechters stellen niet eens vast dat zij de naam van de betrokkene hebben gevraagd. 5. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt. Het (ro f, p. 22-23) oordeelt ook dat de eisers zich niet kunnen beroepen op een gerechtvaardigd vertrouwen uit het verleden als grondslag voor onoverwinnelijke dwaling, in essentie omdat uit de feiten blijkt dat de eisers wetens en willens niet-conforme en onterechte aanvragen tot teruggave van verhogingen van de bijzondere accijns op gasolie hebben ingediend en de verweerder daardoor hebben verschalkt. 6. Door zodoende het uitgangspunt te verwerpen dat de eisers met het gevraagde getuigenverhoor wilden aantonen, geeft het arrest te kennen dat die onderzoeksmaatregel niet relevant is voor de waarheidsvinding. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel 7. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de regels inzake motivering: enerzijds oordeelt het arrest "Aangezien het om een zelfstandige rechtsvordering gaat, moet de strafrechter die de beklaagde - zoals in casu - vrijspreekt, niettemin toch uitspraak doen op de burgerlijke rechtsvordering tot betaling van de ontdoken rechten (...)"; anderzijds oordeelt het arrest dat de eisers schuldig zijn aan de respectieve telastleggingen; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd. 8. De enkele tegenstrijdigheid tussen redenen van een rechterlijke beslissing levert nog geen schending op van artikel 6 EVRM. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 9. Het Hof kan een verschrijving in het bestreden arrest rechtzetten wanneer uit de context van de stukken waarop het vermag acht te slaan, zonder twijfel blijkt dat het een materiële vergissing betreft. 10. Uit de plaats en de bewoordingen van de in het middel aangehaalde reden blijkt dat het arrest daarmee beoogt een algemene toelichting te geven over de bijzondere aard van de burgerlijke rechtsvordering bij douanemisdrijven, te weten dat de strafrechter zich ook in geval van vrijspraak moet uitspreken over de burgerlijke rechtsvordering tot betaling van de ontdoken rechten. Met die reden doet het arrest geen afbreuk aan de beslissingen waarbij het de feiten van de telastleggingen bewezen verklaart, de eisers daaraan schuldig verklaart en hen tot straf en de betaling van rechten en interesten aan de verweerder veroordeelt. De toevoeging van de woorden "in casu" in die reden berust dan ook op een kennelijke vergissing, die het Hof vermag recht te zetten. Aldus rechtgezet, levert de vermelde reden geen tegenstrijdigheid op met de beslissingen tot schuldigverklaring van de eisers. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Vierde middel Eerste onderdeel 11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 227 AWDA en de artikelen 419, f, 429, § 5, en 437 van de Programmawet van 27 december 2004, zoals van toepassing (hierna Programmawet), alsmede miskenning van de regels van de motivering: het arrest verklaart de eisers schuldig aan de telastlegging A, omschreven als "zich schuldig te hebben gemaakt aan het ten onrechte indienen van aanvragen met valse vermeldingen tot de teruggave van de verhogingen van de bijzondere accijns op gasolie die na 1 januari 2004 gebruikt werd als motorbrandstof voor motorvoertuigen in het kader van artikel 429 § 5 van de Programmawet van 27 december 2004, én het ten onrechte ontvangen van die terugbetalingen inzake bijzondere accijns voor een totaal bedrag van 122.042,66 EUR, te weten (...)"; die telastlegging toont geen verband aan tussen het onterecht indienen van de aanvragen tot terugbetaling met valse vermeldingen en het ontvangen van die terugbetalingen eensdeels en het niet toereikend en correct bijhouden van de voorraadadministratie anderdeels; de strafbaarheid van de vervolgde feiten hangt nochtans samen met het bijhouden van een voorraadadministratie; nergens is vermeld dat dit constitutief bestanddeel aanwezig is; aldus is het strafbare feit niet omschreven in al zijn wettelijke bestanddelen. 12. Krachtens artikel 429, § 5, 1), Programmawet is de gasolie bedoeld in artikel 419, f,
  1. i)van die wet - dit is gasolie van de GN-code 2710 19 41 met een zwavelgehalte van niet meer dan 10 mg/kg, gebruikt als motorbrandstof - vrijgesteld van de verhoging van de bijzondere accijns na 1 januari 2004, aan de hand van een terugbetaling, indien deze gasolie wordt gebruikt voor onder meer het onder de letter
  2. c)bedoelde goederenvervoer. Artikel 429, § 5, 2), eerste lid, Programmawet bepaalt: "In afwijking van het artikel 10 van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen, wordt de terugbetaling bedoeld onder 1) toegestaan aan de persoon die het beoogde vervoer uitvoert en dit op schriftelijke aanvraag ingediend bij de diensten aangeduid door de administrateur-generaal van de douane en accijnzen." Het tweede lid vereist dat deze persoon zich laat registreren vóór de aanvraag tot terugbetaling. Het derde lid bepaalt dat het bewijs van de betaling van de bijzondere accijns wordt geleverd door de factuur opgesteld door de leverancier van de gasolie. Indien de bevoorrading van gasolie gebeurt bij een tankstation, dient de factuur van de leverancier bepaalde elementen te bevatten (artikel 429, § 5, 3)). Indien de bevoorrading van gasolie gebeurt aan een opslagtank met brandstof die in verbruik werd gesteld en die toebehoort aan de persoon die de beoogde transporten uitvoert, dient deze persoon een administratie van de voorraden en bewegingen van de gasolie bij te houden. Die voorraadadministratie dient eveneens bepaalde elementen te bevatten (artikel 429, § 5, 4)). Krachtens artikel 437 Programmawet wordt elke overtreding van de bepalingen van hoofdstuk XVIII bestraft met een geldboete van 625,00 euro tot 3.125,00 euro. De voormelde bepalingen behoren tot dat hoofdstuk. 13. Het correct en toereikend bijhouden van een voorraadadministratie is geen constitutief bestanddeel van het misdrijf bedoeld in artikel 437 Programmawet, wanneer dat enkel bestaat in het onterecht indienen van in artikel 429, § 5, 2), Programmawet vermelde aanvragen tot terugbetaling van de verhoging van bijzondere accijns en het ten onrechte ontvangen van die accijns. Dat misdrijf kan immers bestaan ongeacht of de dader zijn voorraadadministratie correct en toereikend bijhoudt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 14. Het arrest (p. 19-23) verklaart de eisers schuldig aan de telastlegging A omdat uit een geheel van feitelijke gegevens blijkt dat zij wetens en willens de terugbetaling van de verhoging van bijzondere accijns hebben gevraagd en ontvangen voor verwarmingsbrandstoffen en motorbrandstoffen voor industriële en commerciële doeleinden, die daarvoor niet in aanmerking kwamen op grond van artikel 419, f), i), Programmawet. Deze schuldigverklaring is naar recht verantwoord zonder dat het arrest het verband moest leggen met de wijze waarop de eisers de voorraadadministratie bijhielden, aangezien dit geen voorwerp van de telastlegging uitmaakte. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de regels inzake motivering: het arrest beantwoordt niet het zelfstandige verweer van de eisers dat er geen enkel verband bestond tussen de onterechte aanvraag tot terugbetaling van de verhoging van bijzondere accijns en het onterecht ontvangen van deze terugbetaling eensdeels en het correct en toereikend bijhouden van de voorraadadministratie anderdeels, zodat de telastlegging A hoe dan ook niet bewezen kon worden verklaard. 16. In hun verweer voor de appelrechters hebben de eisers aangevoerd dat zij niet konden worden gestraft omdat hun voorraadadministratie wel degelijk correct was bijgehouden, terwijl het de administratie is die onzorgvuldig is opgetreden door van standpunt te veranderen. 17. Het arrest oordeelt dat de eisers wetens en willens onterecht de terugbetaling van de verhoging van bijzondere accijns hebben gevraagd en ontvangen, wat onder meer blijkt uit stukken uit hun voorraadadministratie. Het oordeelt verder dat de eisers zich niet kunnen beroepen op onoverkomelijke dwaling wegens onzorgvuldigheid van de administratie. Bovendien oordeelt het (ro c, p. 18-19) dat de voorraadadministratie van de eisers niet correct was bijgehouden. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel 18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR en de artikelen 12 en 14 Grondwet: mocht worden aangenomen dat er ook sprake zou zijn van een strafbare handeling in de zin van de artikelen 419, f), 429 en 437 Programmawet wanneer er geen verband bestaat tussen het onterecht aanvragen en ontvangen van de terugbetaling van de verhoging van bijzondere accijns en het correct en toereikend bijhouden van de voorraadadministratie, is het arrest onwettig door enkel te veroordelen op basis van de niet-correcte vraag tot terugbetaling en het niet-correct ontvangen van de terugbetaling; voor de schuldigverklaring op basis van die feiten bestaat namelijk geen wettelijke basis; bij lezing van de voormelde bepalingen kan de rechtsonderhorige immers onvoldoende inschatten wat het gevolg is van het loutere feit van het indienen een verkeerde schriftelijke aanvraag tot terugbetaling; de wetgever heeft immers nagelaten het woord "correcte" toe te voegen aan de "schriftelijke aanvraag", zodat ook vergissingen worden bestraft; dit geldt des te meer voor de strafbaarstelling van het ontvangen van de gevraagde terugbetaling, aangezien "ontvangen" als dusdanig niet voorkomt in artikel 429, § 5, 2), Programmawet; bijgevolg is artikel 437 Programmawet in die lezing in strijd met het legaliteitsbeginsel. Gevraagd wordt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt art. 437 van de Programmawet van 27 december2004, samengelezen met de artikelen 419, f, i. en art. 429 van dezelfde Programmawet, artikel 12 en 14 van de Grondwet, art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR doordat deze bepalingen enerzijds in onvoldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld zodat degene die louter een niet correcte teruggave ingevolge artikel Art. 429, §5, 2) van de Programmawet van 27 december 2004 vroeg, en/of onterecht een teruggave ontvangt, vooraf niet op een afdoende wijze kon inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dit niet correct verzoek tot teruggave of het onterecht ontvangen van de teruggave kon zijn en, anderzijds, aan de rechter een al te grote beoordelingsvrijheid laat." 19. Het in de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet vervatte legaliteitsbeginsel in strafzaken is een grondrecht dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze wordt gewaarborgd door artikel 7.1 EVRM en artikel 15.1 IVBPR. 20. Het Hof kan overeenkomstig artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof onderzoeken of de betwiste strafbepaling de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet klaarblijkelijk niet schendt. 21. De legaliteit van een strafbepaling vereist dat ze voldoende toegankelijk is en als dusdanig of in samenhang met andere bepalingen gelezen, op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is. Aan het vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan als het voor de persoon op wie de strafbepaling van toepassing is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling en, zo nodig, met behulp van de uitlegging ervan gegeven door de rechtspraak, de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen meebrengen. 22. Artikel 437 Programmawet heeft volgens zijn bewoordingen een algemene draagwijdte en stelt de onjuiste toepassing strafbaar van alle bepalingen van hoofdstuk XVIII van die wet. Aldus is ook het indienen van een onjuiste aanvraag tot terugbetaling van de verhoging van bijzondere accijns strafbaar. Daarvoor is niet vereist dat artikel 429, § 5, 2), Programmawet uitdrukkelijk erop wijst dat de erin bedoelde aanvraag correct moet zijn. Bovendien zijn de hier bedoelde bepalingen gericht op personen die vertrouwd zijn met de materie. Zij strekken immers voornamelijk tot nut van professionele vervoerders. Daarnaast moet de indiener van de aanvraag tot terugbetaling zich vooraf laten registreren overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de administrateur-generaal van de douane en accijnzen. De personen tot wie artikel 437 Programmawet zich richt, moeten dan ook worden geacht de toepasselijke wetsbepalingen te kennen en te weten dat zij strafbaar zijn met de in dat artikel bepaalde straffen wanneer zij de terugbetaling vragen van accijnzen voor brandstoffen die daarvoor niet in aanmerking komen. 23. Hieruit volgt dat artikel 437 Programmawet voor al degenen op wie ze toepasselijk is, op een klaarblijkelijk voldoende nauwkeurige wijze de strafbaarstelling inhoudt van het indienen van een onterechte vraag tot terugbetaling van de verhoging van bijzondere accijns, bedoeld in artikel 429, § 5, 2), Programmawet. Bijgevolg schendt artikel 437 Programmawet klaarblijkelijk niet de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet, artikel 7.1 EVRM en artikel 15.1 IVBPR. In zoverre faalt het onderdeel naar recht. 24. De onterechte aanvraag tot terugbetaling volstaat voor de strafbaarheid van de eisers op grond van artikel 437 Programmawet. Dat de telastlegging A ook de onterechte ontvangst van die terugbetaling vermeldt, kan hen niet grieven. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 25. Gelet, eensdeels, op artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof en, anderdeels, op de niet-ontvankelijkheid van het middel om een reden die niet is ontleend aan een norm die het onderwerp uitmaakt van de voorgestelde prejudiciële vraag, dient deze laatste niet te worden gesteld. Vijfde middel Eerste onderdeel 26. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 50 Strafwetboek, de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 266 en 311 AWDA, alsmede miskenning van de regels inzake motivering: het arrest oordeelt dat de eisers overeenkomstig artikel 311 AWDA solidair gehouden zijn tot betaling van de nalatigheidsinteresten ten belope van 9,6 procent per jaar op de verschuldigde belastingen die het voorwerp uitmaken van de fiscale rechtsvorderingen van de verweerder; die interest kan slechts verschuldigd zijn bij een laattijdige betaling van onder meer accijnzen die worden ingevorderd door de administratie; dit is hier niet het geval aangezien de telastlegging A precies bestaat in het onterecht aanvragen en ontvangen van terugbetalingen van de verhoging van bijzondere accijns; zodoende houdt deze telastlegging geen overtreding in op een regel om accijnzen die worden ingevorderd door de administratie te betalen, waarbij dat laattijdig zou zijn gebeurd; artikel 311 AWDA is dan ook niet van toepassing. 27. Artikel 311, § 1, AWDA bepaalt: "Bij laattijdige betaling van invoerrechten, van accijnzen of van andere belastingen die worden ingevorderd door de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen, is interest verschuldigd tegen 9,60% per jaar." 28. De laattijdige betaling bedoeld in die bepaling slaat zowel op de betaling van verschuldigde accijns als op de betaling van onverschuldigd terugbetaalde accijns. In beide gevallen kan de administratie immers als gevolg van de laattijdige betaling niet beschikken over de haar verschuldigde accijnzen op het moment van hun opeisbaarheid. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel 29. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de regels inzake motivering: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eisers dat artikel 311 AWDA hier niet van toepassing is omdat het niet gaat over laattijdige betalingen zoals bepaald door dat artikel; de loutere stelling dat, "in tegenstelling" tot wat de eisers aanvoeren, de regeling van artikel 311 AWDA toch van toepassing is, is geen afdoende antwoord. 30. Het enkele feit van het niet beantwoorden van een conclusie levert nog geen schending op van artikel 6.1 EVRM. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 31. Met de bekritiseerde reden geeft het arrest te kennen dat het de rechtsopvatting van de eisers verwerpt en beantwoordt het hun bedoelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 32. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 19 januari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.4 Gerelateerde publicatie(
  3. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210521.1N.6 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.10 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170516.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.