← België

P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.5 Rolnummer: P.20.1314.N Zaak: P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-01-21 Raadplegingen: 805 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De wetgever heeft het bepalen van de door artikel 68, § 5, tweede lid, Wet Strafuitvoering bedoelde periode overgelaten aan de onaantastbare beoordeling van de strafuitvoeringsrechtbank

(1); het staat aan de veroordeelde om de strafuitvoeringsrechtbank door middel van een conclusie desgevallend te verplichten standpunt in te nemen over de op dit punt te hanteren berekeningswijze en de feitelijke gegevens die bij die beoordeling in aanmerking moeten worden genomen; bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de strafuitvoeringsrechtbank de door artikel 68, § 5, tweede lid, Wet Strafuitvoering bedoelde beslissing niet nader met redenen te omkleden.
(1)Cass. 19 december 2012, AR P.12.1931.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121219.2, AC 2012, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Herroeping - Bepalen van de nog te ondergane vrijheidsstraf - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 68, § 5, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Voorwaardelijke invrijheidstelling - Herroeping - Bepalen van de nog te ondergane vrijheidsstraf - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 68, § 5, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Voorwaardelijke invrijheidstelling - Herroeping - Bepalen van de nog te ondergane vrijheidsstraf - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 68, § 5, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1314.N M A G P, veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 16 december
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 68 Wet Strafuitvoering, alsmede miskenning van de regels inzake motivering: het vonnis vermeldt niet hoe de strafuitvoeringsrechtbank het totaal van 670 dagen heeft bepaald als periode waarin de voorwaardelijke invrijheidstelling wel een goed verloop kende en de eiser inspanningen heeft gedaan om de hem opgelegde voorwaarden na te leven en dat die bijgevolg op het strafrestant in mindering moet worden gebracht; het vonnis verwijst niet naar enig stuk uit het dossier of naar enige overweging uit het vonnis zelf, het vermeldt geen demarcatiemoment en het reikt geen berekeningswijze aan; het Hof kan bijgevolg zijn wettigheidstoezicht op dit punt niet uitoefenen; dit totaal lijkt niet te kunnen worden verantwoord in het licht van de gegevens opgenomen in het evolutieverslag van 6 april
  4. In zoverre het middel de miskenning aanvoert van "de regels inzake motivering", zonder te preciseren welke die regels zijn, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  5. In zoverre het middel verplicht tot een kennisname van gegevens uit dossierstukken, welke niet zijn opgenomen in het vonnis zelf of enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
  6. Artikel 68, § 5, tweede lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat ingeval van herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling de strafuitvoeringsrechtbank het gedeelte van de vrijheidsstraf bepaalt dat de veroordeelde nog moet ondergaan rekening houdend met de periode van de proeftijd die goed is verlopen en met de inspanning die de veroordeelde heeft geleverd om de voorwaarden te respecteren die hem werden opgelegd.
  7. De wetgever heeft het bepalen van de door artikel 68, § 5, tweede lid, Wet Strafuitvoering bedoelde periode overgelaten aan de beoordeling van de strafuitvoeringsrechtbank. De strafuitvoeringsrechtbank oordeelt daar onaantastbaar over.
  8. Het staat aan de veroordeelde om de strafuitvoeringsrechtbank door middel van een conclusie desgevallend te verplichten standpunt in te nemen over de op dit punt te hanteren berekeningswijze en de feitelijke gegevens die bij die beoordeling in aanmerking moeten worden genomen.
  9. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de strafuitvoeringsrechtbank de door artikel 68, § 5, tweede lid, Wet Strafuitvoering bedoelde beslissing niet nader met redenen te omkleden.
  10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 19 januari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.12 precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121219.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.16 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250219.2F.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.