Obsah (4)
Art. 127Art. 479Art. 481Art. 434id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 127
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 479
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 481
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Vrije woorden: Voorrecht van rechtsmacht - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 127
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 479
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 481
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Algemeen Vrije woorden: Rechtstreekse dagvaarding voor het vonnisgerecht - Voorrecht van rechtsmacht - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 127
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 479
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 481
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 4 De vernietiging van het arrest over de ontvankelijkheid van de strafvordering leidt tot vernietiging van het arrest van schuldigverklaring met inbegrip van de beslissing tot onmiddellijke aanhouding; de vernietiging dient te worden uitgebreid tot de voorafgaande rechtspleging en met name de oudste nietige akte, dit is de rechtstreekse dagvaarding door de procureur des Konings. Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Beklaagde en verdachte Vrije woorden: Vernietiging van een arrest dat de strafvordering ontvankelijk verklaart, na rechtstreekse dagvaarding door de procureur des Konings - Uitbreiding naar de oudste nietige akte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 434
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Annotaties Publicaties: Nullum Crimen [NC] - 2021, nr. 3, p. 258-
- - DE COSTER, Tim; Noot'Procedureregels bij doorbreking van de samenhang in geval van voorrecht van rechtsmacht' Tekst van de beslissing Nr. P.19.0811.N I en II F G C G M S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent, tegen
- A D, burgerlijke partij,
- P D, burgerlijke partij,
- F H, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement UNO nv, burgerlijke partij,
- ERLYMO nv, met zetel te 8552 Zwevegem (Moen), Den Helder 13, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 13 maart 2014 (hierna arrest I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 28 juni 2019 (hierna arrest II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan tegen het arrest I en een middel tegen het arrest II. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. FEITELIJKE GEGEVENS EN VOORAFGAANDE PROCEDURE Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende: - er werd naar aanleiding van een klacht op 4 juli 2008 lastens de eiser een opsporingonderzoek onder leiding van de procureur des Konings gevoerd; - aangezien bleek dat een houder van voorrecht van rechtsmacht in de zaak was betrokken, heeft de procureur-generaal op 28 januari 2009 een vordering genomen en op 30 januari 2009 heeft de eerste voorzitter van het hof van beroep een raadsheer-onderzoeksmagistraat aangesteld; - dit onderzoek werd gevoerd lastens de houder van het voorrecht van rechtsmacht en bij samenhang lastens onder meer de eiser; - de raadsheer-onderzoeksmagistraat heeft op 13 december 2011 het dossier meegedeeld aan de procureur-generaal; - de procureur-generaal heeft wat betreft de houder van het voorrecht van rechtsmacht deels beslist tot een seponering en voor het overige een minnelijke schikking voorgesteld die op 4 juni 2012 werd uitgevoerd; - de procureur-generaal heeft wat betreft de eiser het dossier terug overgemaakt aan de procureur des Konings te Gent; - de procureur des Konings te Gent heeft de eiser gedagvaard voor de vonnisrechter, zonder dat er een gerechtelijk onderzoek werd gevorderd en zonder dat er een regeling van de rechtspleging heeft plaatsgevonden; - de correctionele rechtbank Gent heeft bij vonnis van 21 oktober 2013 de strafvordering ontvankelijk verklaard; - tegen dit vonnis werd door de eiser hoger beroep ingesteld; - met het arrest I heeft het hof van beroep te Gent dit vonnis bevestigd en de zaak terug verzonden naar de correctionele rechtbank Gent; - de correctionele rechtbank Gent heeft bij vonnis van 29 juni 2016 een exceptie van niet-toelaatbaarheid van de strafvordering ontoelaatbaar verklaard en uitspraak gedaan over de tegen de eiser ingestelde strafvordering en de tegen hem gerichte burgerlijke rechtsvorderingen; - tegen dit vonnis werd door de eiser en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld; - het hof van beroep te Gent heeft bij arrest van 25 april 2018 de strafvordering niet ontvankelijk verklaard; - dit arrest werd vernietigd bij arrest P.18.0546.N van het Hof van 16 oktober 2018 en de zaak werd verwezen naar het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, anders samengesteld; - het hof van beroep heeft met het arrest II uitspraak gedaan over de tegen de eiser ingestelde strafvordering en de tegen hem gerichte burgerlijke rechtsvorderingen. Bij arrest van 26 november 2019 heeft het Hof aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld: “
- Schenden de artikelen 479, 482bis en 483 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat wanneer een gerechtelijk onderzoek werd gevoerd op vordering van de procureur-generaal lastens een houder van het voorrecht van rechtsmacht en lastens andere personen wegens misdrijven die samenhangend zijn met de misdrijven waarvan de ambtenaar wordt verdacht, en de strafvordering lastens de houder van het voorrecht van rechtsmacht vóór de aanhangigmaking van de zaak bij de vonnisrechter is vervallen door een minnelijke schikking en of door een buitenvervolgingstelling door de procureur-generaal, de procureur des Konings als enige bevoegd is om te beslissen of de zaak lastens de andere personen al dan niet middels rechtstreekse dagvaarding naar het vonnisgerecht moet worden verwezen, zonder dat er sprake is van een optreden van een onderzoeksgerecht dat in het kader van een op tegenspraak gevoerde procedure overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt, dit terwijl een dergelijke filterprocedure na gerechtelijk onderzoek wel gewaarborgd is in de gemeenrechtelijke procedure overeenkomstig artikel 127 Wetboek van Strafvordering, zelfs wanneer de onderzoeksrechter werd ontlast wegens territoriale bevoegdheid, in de procedure tot berechting van hogere magistraten overeenkomstig de artikelen 479 tot 482bis Wetboek van Strafvordering, zoals uitgelegd door het Grondwettelijk Hof en in de procedure tot berechting van ministers en leden van een gemeenschaps- of gewestregering overeenkomstig de artikelen 9, 16 en 29 van de wetten van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers, enerzijds, en van die van leden van een gemeenschaps- of gewestregering, anderzijds?
- Schendt artikel 479 juncto de artikelen 480 en 482bis Wetboek van Strafvordering, in samenhang gelezen met de artikelen 127 en 130 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat een verdachte, ten aanzien van wie de procureur des Konings een gerechtelijk onderzoek heeft gevorderd dat na ontslag van onderzoek door de raadkamer gevoegd werd aan een onderzoek dat wordt gevoerd door een raadsheer-onderzoeksmagistraat met betrekking tot een misdrijf gepleegd door een persoon met een van de hoedanigheden vermeld in artikel 479 Wetboek van Strafvordering, indien de procureur-generaal beslist om de titularis van het voorrecht van rechtsmacht niet te vervolgen, slechts kan worden verwezen naar de bodemrechter mits een beslissing van het onderzoeksgerecht, terwijl een verdachte ten aanzien van wie de procureur-generaal een gerechtelijk onderzoek heeft gevorderd door een raadsheer-onderzoeksmagistraat rechtstreeks kan worden gedagvaard voor de bodemrechter, zelfs wanneer de procureur-generaal beslist om de titularis van het voorrecht van rechtsmacht niet te vervolgen?
- Schendt artikel 127 Wetboek van Strafvordering betreffende de regeling van de rechtspleging door de raadkamer, in die zin geïnterpreteerd dat het niet van toepassing is op een gerechtelijk onderzoek dat werd gevoerd door een raadsheer-onderzoeksmagistraat overeenkomstig artikel 480 Wetboek van Strafvordering, wanneer na de beschikking tot mededeling maar voor de aanhangmaking van de zaak bij de vonnisrechter, door het verval van de strafvordering wegens minnelijke schikking en of buitenvervolgingstelling door de procureur-generaal de samenhang wegvalt tussen de feiten die aan een houder van het voorrecht van rechtsmacht worden verweten en aan andere personen, zodat het de procureur des Konings toegestaan is om die andere personen rechtstreeks te dagvaarden voor de feitenrechter en in voorkomend geval te steunen op onderzoekhandelingen die zijn verricht door de raadsheer-onderzoeksmagistraat, de artikelen 10 en 11 Grondwet?” Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 124/2020 van 24 september 2020 deze vragen beantwoord. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel tegen het arrest I
- Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet en de artikelen 127, 130, 182, 480, 482bis en 502 Wetboek van Strafvordering: het arrest I dat vaststelt dat lastens de eiser een gerechtelijk onderzoek werd gevoerd op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep en dat de strafvordering vervolgens, na de beschikking tot mededeling door de raadsheer-onderzoeksmagistraat, regelmatig werd aanhangig gemaakt bij de correctionele rechtbank door een rechtstreekse dagvaarding is niet naar recht verantwoord; uit de in het onderdeel vermelde bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, zoals uitgelegd door het Grondwettelijk Hof, volgt dat indien een gerechtelijk onderzoek wordt gevorderd door de procureur-generaal lastens een houder van voorrecht van rechtsmacht en bij samenhang lastens andere personen en er na de beschikking tot mededeling door de raadsheer-onderzoekmagistraat wordt beslist om de houder van het voorrecht van rechtsmacht niet te vervolgen of om hem een minnelijke schikking voor te stellen die leidt tot het verval van de strafvordering alvorens de zaak bij de vonnisrechter is aanhangig gemaakt, de strafvordering lastens die andere personen niet door de procureur des Konings zelf kan worden aanhangig gemaakt bij de correctionele rechtbank door middel van een rechtstreekse dagvaarding; het arrest I, dat erkent dat een regeling van rechtspleging noodzakelijk is ingeval de eiser aanvankelijk het voorwerp zou hebben uitgemaakt van een gerechtelijk onderzoek, heeft een beslissing gecreëerd die niet verenigbaar is met de artikelen 10 en 11 Grondwet; er is immers geen verantwoording voor het verschil in behandeling tussen enerzijds de situatie waarbij de procureur des Konings een onderzoeksrechter heeft gevorderd, vervolgens de procedure van voorrecht van rechtsmacht werd gevolgd en beslist wordt om de houder van dat voorrecht niet te vervolgen, en, anderzijds, de situatie waarbij zonder dat voorafgaandelijk een gerechtelijk onderzoek werd gevorderd door de procureur des Konings, een raadsheer-onderzoeksmagistraat wordt aangesteld en vervolgens wordt beslist om de houder van dat voorrecht niet te vervolgen; in beide gevallen wordt immers een gerechtelijk onderzoek gevoerd door een onafhankelijk en onpartijdig onderzoeksrechter die beschikt over verregaande dwangmaatregelen en in beide gevallen bestaat er na afloop van dat onderzoek niet langer samenhang met een vervolging en berechting van de houder van voorrecht van rechtsmacht, zodat het afwijken van de gemeenrechtelijke procedure niet kan worden verantwoord omwille van redenen die te maken hebben met de goede rechtsbedeling. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet en de artikelen 127, 130 en 182 Wetboek van Strafvordering: het arrest I dat oordeelt dat de strafvordering door middel van een rechtstreekse dagvaarding regelmatig is aanhangig gemaakt, schendt de regels inzake de aanhangigmaking van de zaak bij de correctionele rechtbank; aangezien op het ogenblik van de aanhangigmaking niet langer sprake is van samenhang zijn de bepalingen inzake voorrecht van rechtsmacht immers niet langer van toepassing; de situatie is die beschreven in artikel 127, § 1, Wetboek van Strafvordering zodat na de beschikking tot mededeling van het dossier een regeling van de rechtspleging moet volgen; het oordeel van het arrest I dat de eiser terug wordt geplaatst in de toestand daterend van vóór het door de raadsheer-onderzoeksrechter bedoelde onderzoek, namelijk in die van een opsporingsonderzoek, is niet verenigbaar met de artikelen 10 en 11 Grondwet; uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof betreffende de onttrekking van een zaak wegens territoriale onbevoegdheid van de onderzoeksrechter volgt dat de procureur des Konings gelet op het niet langer samenhangend zijn met feiten verweten aan een houder van voorrecht van rechtsmacht, de raadkamer had moeten vorderen de rechtspleging te regelen en niet langer de zaak aanhangig kon maken door middel van een rechtstreekse dagvaarding.
- Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 124/2020 van 24 september 2020 de door het Hof bij arrest van 26 november 2019 gestelde prejudiciële vragen als volgt beantwoord: - De artikelen 127, 130, 479, 480, 482bis en 483 Wetboek van Strafvordering schenden de artikelen 10 en 11 Grondwet, indien zij zo worden geïnterpreteerd dat zij, voor de in artikel 482bis Wetboek van Strafvordering beoogde daders van samenhangende misdrijven, niet voorzien in een regeling van de rechtspleging of een daarmee vergelijkbare filterprocedure bij de afsluiten van het gerechtelijk onderzoek, in het bijzondere geval dat de strafvordering lastens de houder van het voorrecht van rechtsmacht op dat moment reeds is vervallen door een minnelijke schikking of een sepotbeslissing van de procureur-generaal. - Dezelfde bepalingen schenden niet de artikelen 10 en 11 Grondwet, indien zij zo worden geïnterpreteerd dat artikel 127 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op het gerechtelijk onderzoek dat werd gevoerd door een raadsheer-onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 480 Wetboek van Strafvordering wanneer na de beschikking tot mededeling maar voor de aanhangigmaking van de zaak bij vonnisrechter, door het verval van de strafvordering wegens minnelijke schikking of sepotbeslissing van de procureur-generaal, de samenhang wegvalt tussen de feiten die een houder van het voorrecht van rechtsmacht en andere personen worden verweten.
- Uit het voormelde volgt dat indien, na de mededeling door een raadsheer-onderzoeksrechter van een overeenkomstig artikel 480 Wetboek van Strafvordering gevoerd gerechtelijk onderzoek de strafvordering vervalt wegens een minnelijke schikking of de procureur-generaal een sepotbeslissing neemt voor wat betreft de houder van het voorrecht van rechtsmacht en de samenhang bijgevolg wegvalt tussen de feiten die aan een houder van het voorrecht van rechtsmacht en aan andere personen worden verweten, waarna het dossier door de procureur-generaal aan de procureur des Konings wordt toegezonden: - de procureur des Konings de zaak niet met een rechtstreekse dagvaarding kan aanhangig maken bij het vonnisgerecht, maar, - over het verdere verloop van het gerechtelijk onderzoek lastens die andere personen moet worden beslist overeenkomstig artikel 127 Wetboek van Strafvordering.
- Het arrest I dat oordeelt dat, na de seponeringsbeslissing en het verval van de strafvordering ingevolge een minnelijke schikking wat betreft de houder van het voorrecht van rechtsmacht, de procureur des Konings de zaak bij de correctionele rechtbank rechtsgeldig aanhangig kon maken door middel van een rechtstreekse dagvaarding, is niet naar recht verantwoord. De onderdelen zijn in zoverre gegrond. Overige grieven
- Het grieven die niet kunnen leiden tot een cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van het arrest I leidt tot de vernietiging van het arrest II met inbegrip van de beslissing waarbij de onmiddellijke aanhouding van de eiser is bevolen, die er een gevolg van is. Bovendien dient de vernietiging overeenkomstig artikel 434, tweede lid, Wetboek van Strafvordering te worden uitgebreid tot de voorafgaande rechtspleging en met name tot de oudste nietige akte, dit is de door de procureur des Konings te Gent uitgebrachte rechtstreekse dagvaarding om te verschijnen voor de correctionele rechtbank. Dictum Het Hof, Vernietigt de bestreden arresten I en II met inbegrip van de beslissing waarbij de onmiddellijke aanhouding van de eiser is bevolen, evenals de voorafgaande rechtspleging tot en met de oudste nietige akte, namelijk de door de procureur des Konings te Gent uitgebrachte rechtstreekse dagvaarding om te verschijnen voor de correctionele rechtbank. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde arresten I en II. Houdt de beslissing over de kosten aan. Verwijst de zaak naar de procureur des Konings Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 19 januari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.4 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191126.2N.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250219.2F.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div