← België

B. contra B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210122.1N.12 Rolnummer: C.19.0625.N Zaak: B. contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2021-06-21 Raadplegingen: 867 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210122.1N.12 Fiche Uit artikel 13 WAM volgt niet dat de verzekeraar of haar schaderegelaar verplicht is een met redenen omkleed antwoord te geven omtrent de aansprakelijkheid en de schade binnen de termijn van drie maanden, indien de aansprakelijkheid of de toepassing van artikel 29bis niet wordt betwist en de schade niet wordt betwist en werd gekwantificeerd

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Vrije woorden: Verzoek tot schadeloosstelling - Met redenen omkleed antwoord van de verzekeraar - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen - 21-11-1989 - Artt. 13 en 29bis - 30 ELI link Pub nr 1989011371 Annotaties Publicaties: T.Verz.-Tijdschrift voor verzekeringen (vanaf 1987) - 2023, nr. 1, p. 66-
  1. - ROGGE, Jean; Noot'De sanctieregeling van artikelen 13 en 14 WAM wet gepreciseerd' Tekst van de beslissing Nr. C.19.0625.N R. B., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, tegen BELGISCH BUREAU VAN DE AUTOVERZEKERAARS vzw, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Liefdadigheidsstraat 33, bus 0002, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0409.280.711, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat
  2. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 20 februari
  3. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 17 juni 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat KBC, schaderegelaar van de Poolse verzekeraar van het voertuig bestuurd door P., aan Fidea, rechtsbijstandsverzekeraar van de eiser, verschillende brieven stuurde in antwoord op de herinneringsbrieven aan deze laatste, namelijk: - op 9 juli 2015: "wij stellen ons in verbinding met onze correspondent in Polen en vragen waarborg en aangifte"; - op 15 oktober 2015: "we wachten in deze zaak nog steeds op de versie van onze correspondent. Een rappel wordt verstuurd"; - op 8 december 2015: "ik wens u hierbij mee te delen dat wij nog steeds in onderhandeling zijn met onze Poolse correspondent. Zij gaan, op dit moment, echter niet akkoord met de aansprakelijkheid van hun klant. Ik heb hen nogmaals uitgelegd waarom hun klant wel aansprakelijk is. Ik wacht nog even hun reactie af. Ik begrijp dat we intussen meer dan 3 maanden ver zijn, maar het feit is dat wij zeker moeten zijn om onze uitgaven terug te vorderen. Ik volg dit dossier nauwgezet op"; - op 18 december 2015: "in het kader van de regeling van het schadegeval met het hierboven vermelde kenmerk hebben wij een bedrag van 1.389,68 betaald...".
  5. De appelrechters oordelen dat de eerste rechter op basis van de feitelijke gegevens van het dossier en het nazicht van de voorgaande briefwisseling uitgaande van KBC terecht heeft geoordeeld dat deze laatste noch de aansprakelijkheid van de verzekerde noch de schade heeft betwist en dat deze betwisting uit geen enkel stuk van het dossier blijkt. Met deze redenen geven de appelrechters van de brieven van KBC een uitleg die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is en miskennen bijgevolg de bewijskracht ervan niet. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, mist het feitelijke grondslag.
  6. De artikelen 13 en 14 WAM verplichten de verzekeraar of haar schaderegelaar tot het voorleggen binnen een termijn van drie maanden na de datum waarop de benadeelde zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, van hetzij een met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding of, wanneer de schade niet volledig gekwantificeerd werd maar kwantificeerbaar is, een voorstel tot voorschot, hetzij een met redenen omkleed antwoord wanneer de aansprakelijkheid of de toepassing van artikel 29bis wordt betwist of niet duidelijk werd vastgesteld of wanneer de schade wordt betwist of niet volledig is gekwantificeerd of kwantificeerbaar is. Uit artikel 13 WAM volgt niet dat de verzekeraar of haar schaderegelaar verplicht is een met redenen omkleed antwoord te geven omtrent de aansprakelijkheid en de schade binnen de termijn van drie maanden, indien de aansprakelijkheid of de toepassing van artikel 29bis niet wordt betwist en de schade niet wordt betwist en werd gekwantificeerd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - het verkeersongeval zich voordeed op 22 mei 2015 waarbij de wagen van P. het voertuig van de eiser aanreed; - Fidea bij brief van 1 juli 2015 een verzoek tot schadeloosstelling van de eiser overmaakte aan KBC; - KBC op 18 december 2015 overging tot betaling van de schade aan de eiser; - uit de gegevens van het dossier en de briefwisseling blijkt dat KBC de aansprakelijkheid van P., noch de schade betwistte.
  8. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de sanctieregeling bepaald in artikel 13 WAM van toepassing is, verantwoorden hun beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 221,86 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 22 januari 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210122.1N.12 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210122.1N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.