id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 2 - 3 De omstandigheid dat de schade het gevolg is van een voortdurende fout, verhindert niet dat de schade dag per dag ontstaat en de vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid ontstaat naargelang de schade zich voordoet, zodat de verjaring van een vordering tot schadevergoeding ingeval van een voortdurende fout van de overheid niet pas begint te lopen zodra het foutief handelen van de overheid heeft opgehouden te bestaan
(1).
(1)Zie concl. OM in Cass. 22 januari 2021 AR C.19.0547.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210122.1N.2, AC 2021, nr. 53. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Voortdurende fout van de overheid - Ontstaan van de schade - Verjaring van de vordering - Aanvang Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Voortdurende fout van de overheid - Niet voorzien in een aangepaste en geschikte behandeling - Ontstaan van de schade - Verjaring van de vordering - Aanvang Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 4 - 5 De verjaring is slechts geschorst in geval van onbekwaamverklaring van degene tegen wie de verjaring loopt, ongeacht of deze in staat was om gedurende een periode van internering zijn wil met zekerheid kenbaar te maken
(1).
(1)Cass. 2 maart 2017, AR F.12.0056.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170302.2, AC 2017, nr. 149; Cass. 12 december 2013, AR C.12.0138.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131212.2, AC 2013, nr. 680; Cass. 15 februari 2013, AR F.11.0128.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130215.2, AC 2013, nr. 111; Zie ook: T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek Verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2019,
- Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Schorsing Vrije woorden: Onbekwaamverklaring - Schorsing van de verjaring - Toepassing Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Vrije woorden: Internering - Onbekwaamverklaring - Verjaring van de buitencontractuele vordering - Schorsing - Toepassing Tekst van de beslissing Nr. C.20.0187.N S. R., eiser, toegelaten tot de rechtsbijstand bij beschikking van 26 maart 2020 (nr. G.20.0007.N), vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kabinet te 1000 Brussel, Waterloolaan 115, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 oktober
- Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 6 oktober 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Een vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid ontstaat op het ogenblik dat alle constitutieve bestanddelen van deze aansprakelijkheid verenigd zijn, dit is op het ogenblik waarop de schade tot stand komt of haar toekomstige verwezenlijking naar redelijke verwachtingen vaststaat. De omstandigheid dat de schade het gevolg is van een voortdurende fout, verhindert niet dat de schade dag per dag ontstaat en de vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid ontstaat naargelang de schade zich voordoet.
- In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de verjaring van een vordering tot schadevergoeding ingeval van een voortdurende fout van de overheid pas begint te lopen zodra het foutief handelen van de overheid heeft opgehouden te bestaan, berust het op een onjuiste rechtsopvatting en faalt het bijgevolg naar recht.
- Voor het overige is het onderdeel afgeleid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 2219 Burgerlijk Wetboek is verjaring een middel om, door verloop van een zekere tijd, en onder de voorwaarden die de wet bepaalt, iets te verkrijgen of van een verbintenis bevrijd te worden. Krachtens artikel 2251 Burgerlijk Wetboek loopt de verjaring tegen alle personen, behalve tegen hen voor wie de wet uitzondering maakt. Krachtens artikel 2252 Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing, loopt de verjaring niet tegen minderjarigen en onbekwaamverklaarden, behoudens hetgeen in artikel 2278 bepaald is, en met uitzondering van de andere bij de wet bepaalde gevallen. Hieruit volgt dat de verjaring slechts geschorst is in geval van onbekwaamverklaring van degene tegen wie de verjaring loopt, ongeacht of deze in staat was om gedurende een periode van internering zijn wil met zekerheid kenbaar te maken.
- In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de verjaring op grond van de voormelde wetsbepalingen ook geschorst is wanneer de geestestoestand van degene tegen wie de verjaring loopt, het hem onmogelijk maakt met kennis van zaken te handelen, berust het op een onjuiste rechtsopvatting en faalt het mitsdien naar recht.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiser niet gevolgd kan worden waar hij laat gelden dat de schorsing bedoeld bij artikel 2252 (oud) Burgerlijk Wetboek niet slechts geldt voor onbekwaamverklaarden, maar ook voor geïnterneerden die ingevolge hun internering onbekwaam zijn om te handelen; - dat standpunt strijdt met de tekst van voormeld artikel 2252 dat enkel in een schorsing van de verjaring voorziet ten aanzien van onbekwaamverklaarden bedoeld bij artikel 489 (oud) Burgerlijk Wetboek, hetgeen de eiser niet is; - het Grondwettelijk Hof ondertussen bij arrest nr. 50/2018 van 26 april 2018 heeft geoordeeld dat artikel 2252 (oud) Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet niet schendt omdat het verschil in behandeling tussen onbekwaamverklaarden enerzijds en geïnterneerden die niet onbekwaam verklaard werden anderzijds berust op een objectief en pertinent criterium van onderscheid; - artikel 2252 (oud) Burgerlijk Wetboek niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten van de geïnterneerde, doordat het de schorsing van de verjaring afhankelijk maakt van de onbekwaamverklaring; - over de werkelijke geestestoestand van de eiser gedurende de kwestieuze periode het hof van beroep niet heeft te oordelen en de afwezigheid van onbekwaamverklaring in zijn hoofde in die tijdspanne op zich volstaat om de toepassing van artikel 2252 (oud) Burgerlijk Wetboek uit te sluiten; - het evenmin aan het hof van beroep toekomt de toepassingsvoorwaarden van artikel 489 (oud) Burgerlijk Wetboek te appreciëren; - artikel 2252 (oud) Burgerlijk Wetboek niet geldt voor geesteszieken die niet gerechtelijk onbekwaam verklaard zijn zodat de verjaring is blijven lopen tegen de eiser, ondanks zijn internering.
- In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechter oordeelt dat de eiser gedurende de volledige periode van zijn internering handelingsbekwaam was en hij voldoende mogelijkheden had om zijn aansprakelijkheidsvordering tegen de verweerder in te stellen en onder meer op die gronden weigert de werkelijke geestestoestand van de eiser in de relevante periode na te gaan, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. (...) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de rechtsplegingsvergoedingen in eerste aanleg. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 22 januari 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210122.1N.19 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130215.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131212.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170302.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210122.1N.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250117.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div