id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210126.2N.10 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210126.5 Rolnummer: P.21.0027.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2022-09-15 Raadplegingen: 2145 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De toetsing van de door de veroordeelde gedane inspanningen om de burgerlijke partijen te vergoeden overeenkomstig artikel 47, § 2, 4°, Wet Strafuitvoering moet niet louter gebeuren aan de vermogenstoestand van de veroordeelde, maar wel aan de vermogenssituatie zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij is veroordeeld; bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moet de strafuitvoeringsrechtbank die de tegenaanwijzing van de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partijen te vergoeden overeenkomstig artikel 47, § 2, 4°, Wet Strafuitvoering in aanmerking neemt, niet uitdrukkelijk vaststellen dat rekening is gehouden met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij is veroordeeld. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsmodaliteiten - Tegenindicaties - Gedane inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden - Toetsing aan de vermogenssituatie van de veroordeelde - Motivering - Draagwijdte Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Strafuitvoering - Strafuitvoeringsmodaliteiten - Tegenindicaties - Gedane inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden - Toetsing aan de vermogenssituatie van de veroordeelde - Motivering - Draagwijdte Fiches 3 - 5 Geen enkele bepaling belet de strafuitvoeringsrechtbank bij de beoordeling van een strafuitvoeringsmodaliteit vast te stellen dat de veroordeelde naast een vrijheidsstraf ook tot de bijkomende straf van de terbeschikkingstelling is veroordeeld en dat de strafuitvoeringsrechtbank over de uitvoering ervan zal moeten beslissen; dat de uitvoeringsfase van de terbeschikkingstelling een aanvang neemt met een advies van de directeur of van het openbaar ministerie doet daaraan geen afbreuk; uit de voormelde vaststelling kan geen blijk van vooringenomenheid worden afgeleid. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsmodaliteiten - Beoordeling door de strafuitvoeringsrechtbank - Vaststelling van veroordeling tot de bijkomende straf van de terbeschikkingstelling - Gevolg Strafuitvoeringsrechtbank - Beoordeling van een strafuitvoeringsmodaliteit - Onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie - Vaststelling van veroordeling tot de bijkomende straf van de terbeschikkingstelling - Geen blijk van vooringenomenheid - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie - Strafuitvoeringsrechtbank - Beoordeling van een strafuitvoeringsmodaliteit - Vaststelling van veroordeling tot de bijkomende straf van de terbeschikkingstelling - Geen blijk van vooringenomenheid - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.21.0027.N A. S., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 29 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 47, § 1, 6°, Wet Strafuitvoering: het vonnis neemt de tegenaanwijzing aan betreffende de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partijen te vergoeden, maar onderzoekt niet of die in verhouding staan met de vermogenssituatie van de eiser; het vonnis houdt bovendien enkel rekening met betalingen vanaf maart 2019, terwijl de eiser zijn eerste betaling al in december 2018 heeft gedaan.
- In zoverre het middel de aanvangsdatum van de betalingen betwist, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
- De te beoordelen tegenaanwijzingen voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied zijn bepaald in artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering en niet in artikel 47, § 1, van die wet.
- De toetsing van de door de veroordeelde gedane inspanningen om de burgerlijke partijen te vergoeden overeenkomstig artikel 47, § 2, 4°, Wet Strafuitvoering moet niet louter gebeuren aan de vermogenstoestand van de veroordeelde, maar wel aan de vermogenssituatie zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij is veroordeeld.
- Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moet de strafuitvoeringsrechtbank die de tegenaanwijzing van de de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partijen te vergoeden overeenkomstig artikel 47, § 2, 4°, Wet Strafuitvoering in aanmerking neemt, niet uitdrukkelijk vaststellen dat rekening is gehouden met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij is veroordeeld.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het vonnis stelt vast dat de eiser te weinig inspanningen heeft gedaan om de burgerlijke partijen te vergoeden aangezien hij slechts een aantal afbetalingen heeft gedaan voor een totaal bedrag van 960,00 euro, zijnde 40,00 euro per maand sedert maart
- Aldus neemt het naar recht de tegenaanwijzing van artikel 47, § 2, 4°, Wet Strafuitvoering aan als grondslag om het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied af te wijzen en verantwoordt het die beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 47, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering: het vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat een analyse van de feiten en criminogene domeinen grotendeels onmogelijk is en hangt anderzijds een bijzonder negatief hypothetisch beeld op van de persoonlijkheid van de eiser om ten slotte te oordelen dat de psychosociale dienst te weinig informatie heeft om hierover uitspraak te doen; het vonnis steunt de tegenaanwijzing bovendien op de ontkennende houding van de eiser, die dan nog wordt gekoppeld aan een puur hypothetisch beeld van de eiser waarover de psychosociale dienst geen uitspraak heeft gedaan; het vonnis vermeldt overigens niet de bijzondere voorwaarden om aan die tegenaanwijzing tegemoet te komen.
- De te beoordelen tegenaanwijzingen voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied zijn bepaald in artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering en niet in artikel 47, § 1, van die wet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het oordeel betreffende de tegenaanwijzing van artikel 47, § 2, 4°, Wet Strafuitvoering, die vergeefs met het eerste middel wordt bekritiseerd, verantwoordt de afwijzing van eisers verzoek om voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied. Het middel dat het oordeel betreffende de tegenaanwijzing van artikel 47, § 2, 2°, Wet Strafuitvoering over het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten bekritiseert, kan dan ook niet tot cassatie leiden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert miskenning aan van het recht op een eerlijk proces en het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter: het vonnis verwijst naar de in het motiverend gedeelte van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen vermelde terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank, terwijl de strafuitvoeringsrechtbank enkel mag steunen op de uitgesproken straf en niet op de bijkomende maatregel; bovendien oordeelt het vonnis dat de rechtbank zich zeker zal moeten uitspreken over de terbeschikkingstelling terwijl het aan de directeur is om de zaak aanhangig te maken; daardoor is de strafuitvoeringsrechtbank vooringenomen; bovendien heeft de eiser een stuk neergelegd, waarvan het vonnis geen melding maakt.
- De rechter is niet verplicht in zijn vonnis melding te maken van de neerlegging van stukken.
- Volgens artikel 34bis Strafwetboek is de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank een bijkomende straf die ingaat bij het verstrijken van de hoofdgevangenisstraf of van de opsluiting en is het dus geen loutere veiligheidsmaatregel.
- Artikel 95/2 Wet Strafuitvoering bepaalt dat de terbeschikkingstelling een aanvang neemt bij het verstrijken van de hoofdstraf. Het staat aan de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de in de wet bepaalde voorwaarden en procedures te beslissen over de uitvoering van deze bijkomende straf.
- Geen enkele bepaling belet de strafuitvoeringsrechtbank bij de beoordeling van een strafuitvoeringsmodaliteit vast te stellen dat de veroordeelde naast een vrijheidsstraf ook tot de bijkomende straf van de terbeschikkingstelling is veroordeeld en dat de strafuitvoeringsrechtbank over de uitvoering ervan zal moeten beslissen. Dat de uitvoeringsfase van de terbeschikkingstelling een aanvang neemt met een advies van de directeur of van het openbaar ministerie doet daaraan geen afbreuk. Uit de voormelde vaststelling kan geen blijk van vooringenomenheid worden afgeleid.
- Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 26 januari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210126.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220420.2F.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div