← België

W. contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210126.2N.14 Rolnummer: P.21.0088.N Zaak: W. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-03 Raadplegingen: 646 - laatst gezien 2026-06-20 00:58 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Aangezien de geldigheidsduur van de bestuurlijke beslissing van vrijheidsberoving inzake vreemdelingen in de tijd beperkt is en artikel 5.4 EVRM vereist dat elkeen die van zijn vrijheid is beroofd het recht heeft voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding, wordt de behandeling van dergelijke cassatieberoepen binnen een korte termijn vastgesteld. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Vreemdelingenwet - Termijn voor het neerleggen van de memorie - Dringende zaak - Gevolg Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: Bestuurlijke vasthouding - Beroep bij de rechterlijke macht - Beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling - Cassatieberoep - Termijn voor het neerleggen van de memorie - Dringende zaak - Gevolg Fiches 3 - 4 Het niet kunnen voldoen door de eiser in cassatie van de termijn van artikel 429, eerste lid, Wetboek van strafvordering houdt evenwel niet in dat de raadsman van de eiser, die als houder van een getuigschrift van cassatieprocedures in strafzaken weet of moet weten dat de behandeling van het cassatieberoep inzake vreemdelingen snel zal worden vastgesteld, mag wachten met het indienen van een memorie tot hij de door artikel 1106, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde kennisgeving van de rechtsdagbepaling ontvangt en hij dient zo snel als mogelijk na het instellen van zijn cassatieberoep de memorie in te dienen, anders zijn de advocaat-generaal bij het Hof en het Hof in de onmogelijkheid om de memorie ernstig op haar merites te toetsen

(1); de memorie die slechts één dag vóór de rechtszitting is neergelegd terwijl eiser reeds in de mogelijkheid was een memorie in te dienen op een tijdstip dat de voormelde beoordeling mogelijk maakt, is niet ontvankelijk.
(1)Zie Cass. 7 februari 2018, AR P.18.0116.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180207.1, AC 2018, nr. 83; Cass. 21 juni 2017, AR P.17.0617.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170621.1, AC 2017, nr.
  1. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Vreemdelingenwet - Dringende zaak - Laattijdige neerlegging van de memorie - Termijn Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: Bestuurlijke vasthouding - Beroep bij de rechterlijke macht - Beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling - Cassatieberoep - Laattijdige neerlegging van de memorie - Termijn Tekst van de beslissing Nr. P.21.0088.N K. N. W. W., vreemdeling, vastgehouden, eiser, met als raadsman mr. Mathias Carrein, advocaat bij de balie Brussel, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris bevoegd voor Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, vrijwillig tussenkomende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 december
  2. De eiser voert grieven aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie
  3. Ingeval van een cassatieberoep tegen een beslissing met betrekking tot de bestuurlijke vrijheidsberoving van een vreemdeling zijn de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering van toepassing.
  4. Volgens artikel 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kan de eiser in cassatie in beginsel zijn middelen slechts aanvoeren in een memorie die hij uiterlijk vijftien dagen vóór de rechtszitting ter griffie van het Hof doet toekomen. Die termijn is voorgeschreven opdat de advocaat-generaal bij het Hof en het Hof de in de memorie aangevoerde middelen op een gedegen manier zouden kunnen onderzoeken en beoordelen.
  5. Aangezien de geldigheidsduur van de bestuurlijke beslissing van vrijheidsberoving in de tijd beperkt is en artikel 5.4 EVRM vereist dat elkeen die van zijn vrijheid is beroofd het recht heeft voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding, wordt de behandeling van dergelijke cassatieberoepen binnen een korte termijn vastgesteld. Het is daardoor, zoals in deze zaak met een cassatieberoep dat dateert van 13 januari 2021 en een rechtszitting die is vastgesteld op 26 januari 2021, voor de eiser niet altijd mogelijk om de termijn van artikel 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering te respecteren.
  6. Dit houdt evenwel niet in dat de raadsman van de eiser, die als houder van een getuigschrift van cassatieprocedures in strafzaken weet of moet weten dat de behandeling van het cassatieberoep snel zal worden vastgesteld, mag wachten met het indienen van een memorie tot hij de door artikel 1106, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde kennisgeving van de rechtsdagbepaling ontvangt. Hij dient zo snel als mogelijk na het instellen van zijn cassatieberoep de memorie in te dienen. Anders zijn de advocaat-generaal bij het Hof en het Hof in de onmogelijkheid om de memorie ernstig op haar merites te toetsen.
  7. Eisers memorie werd slechts op maandag 25 januari 2021 neergelegd ter griffie van het Hof, dit is één dag vóór de rechtszitting van 26 januari
  8. De eiser heeft op 13 januari 2021 cassatieberoep ingesteld en was derhalve in de mogelijkheid om een memorie in te dienen op een tijdstip dat de vermelde beoordeling mogelijk maakt. De memorie is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 26 januari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210126.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170621.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180207.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.