← België

D. contra BELGISCHE STAAT Financien

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.1 Rolnummer: F.17.0016.N Zaak: D. contra BELGISCHE STAAT Financien Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Unierecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2022-01-10 Raadplegingen: 2093 - laatst gezien 2026-06-19 02:54 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit artikel 327, §1, eerste lid, WIB92 volgt niet dat de ambtenaar die belast is met de vestiging of de invordering van de belastingen, om de daarin vermelde akten, stukken, registers en bescheiden te kunnen raadplegen of daarvan afschriften te kunnen nemen, een bijzondere graad moet kunnen aantonen of moet bewijzen dat hij bevoegd is om de belasting te inkohieren; deze bepaling strekt er enkel toe op te leggen dat de ambtenaren die inlichtingen vragen of die inzage nemen met het oog op de vestiging of de invordering van de belastingen en niet met het oog op andere doeleinden. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslag en inkohiering Vrije woorden: Fiscaal onderzoek - Meewerkverplichting van openbare besturen en openbare instellingen - Ambtenaar belast met de vestiging of de invordering van de belastingen - Definitie Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 327, § 1 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiches 2 - 7 De vraag wordt gesteld of artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie aldus dient te worden uitgelegd dat het zich, in zaken van belasting over de toegevoegde waarde, in alle omstandigheden verzet tegen de aanwending van bewijselementen die werden verkregen met miskenning van het recht op eerbiediging van het privéleven zoals gewaarborgd door artikel 7 van het Handvest, dan wel of het ruimte laat voor een nationale regeling waarbij door de rechter die moet oordelen of een dergelijk bewijselement kan worden aangewend als grondslag voor een btw-heffing, een afweging volgens het "zozeer indruist-criterium" dient te worden gemaakt. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Hof van Justitie van de Europese Unie - Aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 7 - Eerbiediging van het privéleven - Bewijselementen verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven - Mogelijkheid tot aanwending Wettelijke bepalingen: Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Artt. 7 en 47 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Miskenning van artikel 8 EVRM en artikel 7 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Bewijselementen verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven - Mogelijkheid tot aanwending - Aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie Wettelijke bepalingen: Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Artt. 7 en 47 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: Recht op eerbiediging van het privéleven - Artikel 7 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Bewijselementen verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven - Mogelijkheid tot aanwending - Aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie Wettelijke bepalingen: Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Artt. 7 en 47 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - BELASTINGZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Miskenning van artikel 8 EVRM en artikel 7 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Bewijselementen verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven - Mogelijkheid tot aanwending - Aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie Wettelijke bepalingen: Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Artt. 7 en 47 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Europese Unie - Miskenning van artikel 8 EVRM en artikel 7 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Bewijselementen verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven - Mogelijkheid tot aanwending - Aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie Wettelijke bepalingen: Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Artt. 7 en 47 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Miskenning van artikel 8 EVRM en artikel 7 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Bewijselementen verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven - Mogelijkheid tot aanwending - Aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie Wettelijke bepalingen: Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Artt. 7 en 47 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 8 - 9 Bij de beoordeling of bewijsmiddelen werden verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht en of dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt, kan de rechter ook rekening houden met de omstandigheid dat het bewijs ook zou zijn verkregen indien de onregelmatigheid niet werd begaan

(1).
(1)Het Hof velde op 29 januari 2021 ook arrest in de zaken F.17.0017.N en F.18.0124.N waarin dezelfde rechtsvraag aan bod komt. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Algemeen Vrije woorden: Onrechtmatig verkregen bewijs - Toelaatbaarheidsvoorwaarden Thesaurus CAS: BEWIJS - BELASTINGZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Onrechtmatig verkregen bewijs - Toelaatbaarheidsvoorwaarden Fiche 10 Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is niet van toepassing op de vraag of onregelmatig verkregen bewijselementen kunnen worden gebruikt in een fiscaal geding met betrekking tot de personenbelasting. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 7 - Bewijselementen verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven - Fiscaal geding inzake personenbelasting - Toepassing Wettelijke bepalingen: Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 7 Fiche 11 Uit artikel 8 EVRM, dat het recht op eerbiediging van het privé-, het gezinsleven, de woning en de briefwisseling waarborgt, volgt niet dat bewijs dat met miskenning van dit grondrecht werd verkregen, altijd ontoelaatbaar is. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: Bewijselementen verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven - Fiscaal geding inzake personenbelasting - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Annotaties Publicaties: Fiscale actualiteit [Fisc.Act.] - 2021, nr. 9, p. 5-
  1. - DESTERBECK, Francis; Noot'Correcte inning van belasting en fraudebestrijding primeren (soms?) op bescherming privéleven' Dr.pén.entr.-Droit pénal de l'entreprise - 2022, n° 4, p. 383-
  2. - MAUFORT, Pauline; SCARNA, Sabrina; Note sous cassation. Tekst van de beslissing Nr. F.17.0016.N T. D. G., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der directe belastingen, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 5 april 2016 (2015/AR/441). Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 9 november 2017 een schriftelijke conclusie neergelegd. Met een arrest van 28 juni 2018 heeft het Hof aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag gesteld. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geantwoord in het arrest nr. C-469/18 en C-470/18 van 24 oktober
  3. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  4. De fiscale wetgeving bevat geen algemene bepaling die het gebruik verbiedt van onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van een belastingschuld en, zo daartoe gronden aanwezig zijn, voor het opleggen van een verhoging of een boete.
  5. Het gebruik door de administratie van onrechtmatig verkregen bewijs dient te worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces.
  6. Behoudens wanneer de wetgever ter zake in bijzondere sancties voorziet, kan het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken slechts worden geweerd indien de bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht, of indien dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt. De rechter kan bij die afweging onder meer rekening houden met één of meer van volgende omstandigheden: het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid, de weerslag ervan op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm worden beschermd, het al dan niet opzettelijk karakter van de door de overheid begane onrechtmatigheid en de omstandigheid dat de ernst van de inbreuk veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt.
  7. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - bankdirecteur V. O. de stukken gehecht aan het proces-verbaal 55752 van 16 juli 1999 waarop de aanslagen gevestigd zijn, heeft afgegeven om gevolg te geven aan de beschikking tot huiszoeking en inbeslagname die aan de bank was betekend; - deze stukken niet vrijwillig werden afgegeven en er bijgevolg slechts gebruik van kon worden gemaakt op voorwaarde dat dit bij toepassing van de artikelen 20 en 24 van het Benelux-verdrag van 27 juni 1962 aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden werd goedgekeurd door de raadkamer van de arrondissementsrechtbank van Luxemburg. Vervolgens oordelen zij dat: - bij een behoorlijk handelende overheid wel het besef moet hebben bestaan dat de stukken met concrete informatie over de bankverrichtingen van een klant, afgegeven door een Luxemburgse bank, normaal gezien niet zomaar en dus niet vrijwillig door die bankier worden overhandigd; - er evenwel geen aanwijzingen zijn dat het besef bestond dat het gebruik van die stukken in die omstandigheden had moeten toegelaten worden door een bijkomende beslissing van de raadkamer van de arrondissementsrechtbank van Luxemburg; - het gebruik van de stukken, ongeacht of er sprake is van een zuiver formele onregelmatigheid, hoe dan ook niet geacht moet worden “onder alle omstandigheden ontoelaatbaar” te zijn; - de stukken immers pasten in een onderzoek waarbij zeer ernstige inbreuken ten laste werden gelegd van de eiser en zijn broer in verband met btw carrouselfraude; - het betreffende bankgeheim niet absoluut was; - het tegen de achtergrond van artikel 458 van de Luxemburgse Code Pénal, dat krachtens artikel 41 van de Luxemburgse wet van 3 april 1993 van toepassing is op medewerkers in de financiële sector en het daarin neergelegde principe dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid niet geldt wanneer iemand door het gerecht als getuige wordt gehoord, hoe dan ook onwaarschijnlijk is dat de raadkamer haar toelating niet zou hebben gegeven aan de Belgische onderzoekers om de stukken als bewijsstukken mee te nemen; - in verhouding tot de ernst van de tenlasteleggingen uit het strafonderzoek, de onregelmatigheid onvoldoende zwaar weegt om het gebruik van de betreffende stukken te beletten; - vermits de stukken niets meer hebben bijgebracht dan werkelijke feiten waarvan de eiser kennis heeft kunnen krijgen en hij trouwens als geen ander van de verrichtingen op de hoogte was, niet valt in te zien dat hij zich niet heeft kunnen wapenen tegen de gevolgen die verbonden werden aan de informatie die erin vervat zat en hij zich in het bezwaar en de gerechtelijke fase van het huidige fiscale geschil met alle middelen heeft kunnen verweren, zodat ook zijn rechten van verdediging zijn gerespecteerd.
  8. Op grond van deze overwegingen, waarmee de appelrechters oordelen dat de in het strafonderzoek begane onregelmatigheid niet een dermate zware en niet te verontschuldigen fout uitmaakt dat zij hoe dan ook tot bewijsuitsluiting diende te leiden, konden de appelrechters naar recht oordelen dat ondanks deze onregelmatigheid gebruik kan worden gemaakt van het verkregen bewijs. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (…) Derde onderdeel
  9. Bij de beoordeling of bewijsmiddelen werden verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht en of dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt, kan de rechter ook rekening houden met de omstandigheid dat het bewijs ook zou zijn verkregen indien de onregelmatigheid niet werd begaan. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt naar recht. Vierde onderdeel
  10. Overeenkomstig artikel 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 zijn de bepalingen van dit Handvest gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Het Handvest is bijgevolg slechts van toepassing ten aanzien van unierecht of wanneer unierecht door de lidstaten ten uitvoer wordt gebracht. De personenbelasting behoort tot het bevoegdheidsdomein van de lidstaten. Bijgevolg is het Handvest niet van toepassing op de vraag of onregelmatig verkregen bewijselementen kunnen worden gebruikt in een fiscaal geding met betrekking tot de personenbelasting. In zoverre het onderdeel schending van bepalingen van het Handvest aanvoert, is het niet ontvankelijk.
  11. Zoals het Hof in het arrest van 28 juni 2018 heeft geoordeeld, volgt uit artikel 8 EVRM, dat het recht op eerbiediging van het privé-, het gezinsleven, de woning en de briefwisseling waarborgt, niet dat bewijs dat met miskenning van dit grondrecht werd verkregen, altijd ontoelaatbaar is. Behoudens wanneer de wet zelf de rechtsgevolgen bepaalt van de miskenning van een wettelijke pleegvorm die de bescherming van het privéleven beoogt, heeft de omstandigheid dat bewijselementen werden verkregen met miskenning van een dergelijke pleegvorm in fiscale zaken niet automatisch en in alle omstandigheden tot gevolg dat die bewijselementen werden verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Om dit te beoordelen moet de rechter, ook wanneer een pleegvorm werd miskend die de bescherming van het privéleven waarborgt en derhalve een schending van artikel 8 EVRM voorligt, het publiek belang van de correcte inning van de wettelijk verschuldigde belasting en de bestrijding van fiscale fraude enerzijds en het particuliere belang van de belastingplichtige op de bescherming van zijn grondrechten anderzijds tegenover elkaar afwegen. Hij kan daarbij rekening houden met één of meer van de hiervoor onder randnummer 3 vermelde omstandigheden.
  12. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat wanneer bij de bewijsgaring een grondrecht is miskend, het gebruik van deze stukken door de fiscale administratie altijd en in alle omstandigheden ontoelaatbaar is, faalt het naar recht. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 1.428,53 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Koenraad Moens en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 29 januari 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180628.12 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250619.1F.7 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251124.3F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.