id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.16 Rolnummer: F.19.0009.N Zaak: BELGISCHE STAAT, FIN c MULTI CONSTRUCTION bvba Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-05-02 Raadplegingen: 899 - laatst gezien 2026-06-16 04:10 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Ook in geval van verlegging van de heffing moet voldaan zijn aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek; wanneer het ontbreken van een regelmatige factuur, als formele vereiste voor de uitoefening van dat recht, verhindert dat het zekere bewijs wordt geleverd dat aan de materiële voorwaarden is voldaan, kan de administratie wettig het recht op aftrek van de voorbelasting weigeren, ook al heeft de belastingplichtige in zijn aangifte de btw als verschuldigd opgegeven. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Verlegging van de heffing - Onregelmatige factuur - Bewijs dat aan de materiële voorwaarden voor recht op aftrek is gedaan - Vereiste Wettelijke bepalingen: KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde - 1 - 29-12-1992 - Art. 20 - 48 ELI link Pub nr 1992003823 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 45, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 2 Wanneer de aankoop van een goed of dienst fictief is, kan deze niet gekoppeld worden aan transacties van de belastingplichtige die in een later stadium worden belast; er ontstaat daarom geen recht op aftrek wanneer er geen daadwerkelijke levering van goederen of daadwerkelijke verrichting van diensten plaatsvindt. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Fictieve transactie - Recht op aftrek van voorbelasting Wettelijke bepalingen: KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde - 1 - 29-12-1992 - Art. 20 - 48 ELI link Pub nr 1992003823 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 45, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Annotaties Publicaties: BJS-Bulletin juridique social - 2021, n° 669, p.
- - COUTUREAU, François; Note'Droit à déduction et factures fictives en TVA' Tekst van de beslissing Nr. F.19.0009.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de rekenplichtige ambtenaar van het Team Invordering Rechtspersonen Gent 1, met kantoor te 9050 Ledeberg (Gent), Gaston Crommenlaan 6/101, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67/14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen MULTI CONSTRUCTION bv, met zetel te 9070 Destelbergen, Molenweidestraat 24, verweerster, met als raadsman mr. Mark Crommen, advocaat bij de balie provincie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 215, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 18 september
- Advocaat-generaal Johan Vander Fraenen heeft op 27 oktober 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid
- De verweerster voert een eerste grond van niet-ontvankelijkheid aan: het middel gaat er ten onrechte vanuit dat de gewone regeling van toepassing is op de in het geding zijnde facturen.
- Het middel gaat ervan uit dat de verleggingsregeling van toepassing is op de bedoelde facturen. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
- De verweerster voert een tweede grond van niet-ontvankelijkheid aan: het middel berust op een onjuiste, dan wel onvolledige lezing van het arrest.
- Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid is onlosmakelijk verbonden met het onderzoek van het middel. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Gegrondheid
- Krachtens artikel 45, § 1, 1° Wetboek-btw, mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek brengen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. De aftrekregeling heeft tot doel, de belastingplichtige geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw. Het gemeenschappelijke btw-stelsel waarborgt bijgevolg een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteiten, mits die activiteiten in beginsel zelf aan de btw zijn onderworpen. Als materiële voorwaarde van het recht op aftrek geldt aldus onder meer dat de verworven goederen of diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van de belastingplichtige in een later stadium. Wanneer de aankoop van een goed of dienst fictief is, kan deze niet gekoppeld worden aan transacties van de belastingplichtige die in een later stadium worden belast. Er ontstaat daarom geen recht op aftrek wanneer er geen daadwerkelijke levering van goederen of daadwerkelijke verrichting van diensten plaatsvindt (zie o.m. HvJ. 27 juni 2018, SGI en Valériane, C 459/17 en C 460/17, punt 36; HvJ 8 mei 2019, EN.SA, C-712/17). Het is inherent aan het mechanisme van de btw dat een fictieve transactie geen recht op aftrek van die belasting kan doen ontstaan.
- Artikel 20 van het KB nr. 1 bepaalt: “§
- In afwijking van artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek moet de medecontractant van de in België gevestigde belastingplichtige die een van de in § 2 aangeduide handelingen verricht de belasting die over die handeling verschuldigd is voldoen, wanneer hij zelf een in België gevestigde belastingplichtige is en gehouden tot het indienen van een in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte of een niet in België gevestigde belastingplichtige die hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2 van het Wetboek. Hij moet deze belasting voldoen op de in § 4 hierna voorgeschreven wijze. (..) §
- De in § 1 bedoelde medecontractant moet de ter zake van die handelingen verschuldigde belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting verschuldigd is”.
- Ook bij verlegging van de heffing bij toepassing van voormeld artikel 20 van het KB nr.1, dient de belastingplichtige, voor de uitoefening van het recht op aftrek, overeenkomstig artikel 3, § 1, 1° van het KB nr. 3 van 10 december 1969, in het bezit te zijn van een factuur.
- In de zaak C-90/02, Bockemühl, oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Unie bij arrest van 1 april 2003 met betrekking tot de verlegging van heffing dat: - wanneer de belastingadministratie over de nodige gegevens beschikt om vast te stellen dat de belastingplichtige als ontvanger van de betrokken dienstverrichting tot voldoening van de btw gehouden is, zij voor het recht van genoemde belastingplichtige op aftrek van deze btw geen andere voorwaarden mag stellen die tot gevolg kunnen hebben dat de uitoefening van dat recht wordt verhinderd; - wanneer een belastingplichtige, als ontvanger van diensten, wordt aangewezen als degene die tot voldoening van de btw daarover gehouden is, de belastingadministratie voor het recht op aftrek bijgevolg niet de bijkomende voorwaarde kan stellen dat hij in het bezit is van een in overeenstemming met artikel 22, lid 3, van de Zesde richtlijn opgestelde factuur. Een dergelijk vereiste zou immers tot gevolg kunnen hebben dat een belastingplichtige als ontvanger van de diensten tot voldoening van de btw gehouden is, doch het risico loopt deze belasting niet te kunnen aftrekken. In de zaak C-590/13 Idexx Laboratories Italia srl, die eveneens betrekking had op een geval van verlegging van de heffing, voegde het Hof van Justitie van de Europese Unie bij arrest van 11 december 2014 daaraan toe dat dit anders kan zijn indien de schending van dergelijke formele vereisten het leveren van het zekere bewijs dat aan de materiële voorwaarden is voldaan, heeft verhinderd (r.o. 38 en 39). Hieruit volgt dat ook in geval van verlegging van de heffing voldaan moet zijn aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek en dat wanneer het ontbreken van een regelmatige factuur, als formele vereiste voor de uitoefening van dat recht, verhindert dat het zekere bewijs wordt geleverd dat aan de materiële voorwaarden is voldaan, de administratie wettig het recht op aftrek van de voorbelasting kan weigeren, ook al heeft de belastingplichtige in zijn aangifte de btw als verschuldigd opgegeven.
- Inzake de facturen uitgereikt door Cars Construct sprl overwegen de appelrechters dat: - de verweerster terecht laat gelden dat haar als ontvanger van de diensten het recht op aftrek van de btw niet kan worden geweigerd op grond van de enkele vaststelling dat de facturen die door de dienstverstrekker zijn uitgereikt, niet de nodige gegevens bevatten om afdoende controle te kunnen uitoefenen, waardoor “het misschien zelfs niet bewezen is of de gefactureerde diensten werkelijk geleverd zijn”; - niet wordt betwist dat “de [verweerster] de betreffende facturen in haar btw-aangiften verwerkt heeft volgens de geldende vormvoorschriften (wat inhoudt dat de btw zowel als verschuldigd is aangegeven als aftrekbaar)”; - in de gegeven omstandigheden de verweerster met betrekking tot die facturen het recht op aftrek van de btw niet kan worden ontzegd. Inzake de facturen uitgereikt door Le Logis Wallon sarl oordelen de appelrechters eveneens dat: - de verweerster het recht op aftrek niet kan worden ontzegd “op grond van het neutraliteitsbeginsel” en aangezien “zij de formaliteiten vervuld heeft”; - het recht op aftrek ten onrechte werd verworpen “gelet op wat hoger onder hoofdstuk 3.3.1.3.1., met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie in de zaak Bockemühl, is aangenomen”. Inzake de facturen uitgereikt door Barone Rocco (BRM) komen de appelrechters tot hetzelfde besluit.
- De appelrechters die vaststellen dat de facturen niet de nodige gegevens bevatten om afdoende controle te kunnen uitoefenen, waardoor “het misschien zelfs niet bewezen is of de gefactureerde diensten werkelijk geleverd zijn”, maar die oordelen dat aan de verweerster het recht op aftrek van de voorbelasting niet kan worden ontzegd, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het voor recht zegt dat het dwangbevel moet worden verminderd met 67.739,91 euro, met overeenkomstige herberekening van interest en proportionele boete, in zoverre het de eiser dienaangaande beveelt om het eventueel reeds teveel betaalde, te vermeerderen met de moratoriuminteresten, terug te betalen aan de verweerster en in zoverre het oordeelt over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 29 januari 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Vander Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div