← België

ENGIE CC cvba contra BELGISCHE STAAT, FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.17 Rolnummer: F.18.0140.N Zaak: ENGIE CC cvba contra BELGISCHE STAAT, FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2022-03-30 Raadplegingen: 1239 - laatst gezien 2026-06-18 18:28 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210129.1N.17 Fiche 1 Een akte wordt geacht in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle voor de regelmatigheid ervan vereiste vermeldingen in die taal zijn gesteld; hieraan doet niet af het gebruik van in de rechtstaal algemeen gekende en aanvaarde uitdrukkingen of adagia, zoals de uitdrukking "at arm's length" die een algemeen gekende en aanvaarde uitdrukking is in het fiscaal recht en die in een groot aantal landen van de Europese Unie deel uitmaakt van de rechtstaal van die landen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Andere zaken Vrije woorden: Aanhaling in een andere taal - Uitdrukking "At arm's length" - In de rechtstaal algemeen gekende uitdrukking Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 24 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Fiche 2 Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging wordt niet miskend wanneer een rechter zijn beslissing steunt op elementen die door één van de partijen werden aangevoerd of waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, mochten verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover zij tegenspraak hebben kunnen voeren
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: Rechtspleging - Taak van de rechter - Beslissing - Redenen - Verwachting van de partijen - Mogelijkheid tot tegenspraak Fiche 3 Voor de belastbaarheid van ontvangen gelden als abnormale of goedgunstige voordelen maakt artikel 5, § 1, koninklijk besluit nr. 187 geen onderscheid naargelang de inkomsten al dan niet in een later tijdperk moeten worden terugbetaald; sommen die de belastingplichtige in een belastbaar tijdperk ontvangt en die hij in een later belastbaar tijdperk moet terugbetalen, kunnen bijgevolg als belastbare abnormale of goedgunstige voordelen worden aangemerkt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Allerlei Vrije woorden: Coördinatiecentrum - Abnormale of goedgunstige voordelen - Begrip Wettelijke bepalingen: KB nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra - 187 - 30-12-1982 - Art. 5 - 69 ELI link Pub nr 1983021381 Annotaties Publicaties: BJS-Bulletin juridique social - 2021, n° 681, p. 13. - WATELET, Sébastien; Note'Recette indue taxable à l'ISoc?' Tekst van de beslissing Nr. F.18.0140.N ENGIE CC cv, met zetel te 1000 Brussel, Simon Bolivarlaan 34, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Daniel Garabedian, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Goedheidsstraat 5, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 oktober 2015. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 7 december 2020 een schriftelijk conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Overeenkomstig artikel 24 Taalwet Gerechtszaken, waarvan de bepalingen, krachtens artikel 40, eerste lid, van dezelfde wet, zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid die van ambtswege door de rechter wordt uitgesproken, wordt voor al de rechtscolleges in hoger beroep, voor de rechtspleging de taal gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld. Een akte wordt geacht in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle voor de regelmatigheid ervan vereiste vermeldingen in die taal zijn gesteld. Hieraan doet niet af het gebruik van in de rechtstaal algemeen gekende en aanvaarde uitdrukkingen of adagia. 2. De uitdrukking “at arm’s length” is een algemeen gekende en aanvaarde uitdrukking in het fiscaal recht, die in een groot aantal landen van de Europese Unie deel uitmaakt van de rechtstaal van die landen. 3. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (…) Tweede middel Eerste onderdeel 8. De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop toepasselijke rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent. 9. Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging wordt niet miskend wanneer een rechter zijn beslissing steunt op elementen die door één van de partijen werden aangevoerd of waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, mochten verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover zij tegenspraak hebben kunnen voeren. 10. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat de eiseres in haar syntheseberoepsconclusie heeft aangevoerd dat zij geen abnormaal of goedgunstig voordeel had ontvangen, aangezien zij een onverschuldigde betaling ontving en dat bij onverschuldigde betaling de terugbetalingsplicht onmiddellijk ontstaat, ook al zijn de partijen niet onmiddellijk op de hoogte van het feit dat te veel was betaald, zodat het vermogen van de eiseres vanaf de ontvangst van de teveel ontvangen vergoeding met een schuld tot terugbetaling bezwaard was. 11. De appelrechter oordeelt dat het excessief gedeelte van de wederbeleggingsvergoeding die door de eiseres verkregen werd, onmiskenbaar een abnormaal en goedgunstig voordeel is in de zin van artikel 26 WIB92 en artikel 5, § 1, tweede lid c, koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra en dat, zelfs in de hypothese van materiële vergissing die door de eiseres wordt vooropgesteld, het een misvatting is dat de terugbetalingsplicht onmiddellijk ontstaat, aangezien de solvens pas een terugvorderingsrecht krijgt van zodra het onverschuldigd karakter vaststaat. Aldus miskent de appelrechter het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging niet. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel Eerste subonderdeel 12. Krachtens artikel 5, § 1, koninklijk besluit nr. 187 betreffende de oprichting van coördinatiecentra wordt het belastbaar inkomen van het centrum, in afwijking van de artikelen 96 tot 115, 142 en 144 tot 148 WIB92, op forfaitaire wijze vastgesteld. Die vaststelling geschiedt op basis van de uitgaven en werkingskosten, met uitsluiting van de personeels- en de financiële kosten, zonder dat het aldus vastgestelde inkomen lager mag zijn dan het bedrag gevormd door het totaal van:
  1. a)de niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten;
  2. b)de andere tantièmes dan die bedoeld in artikel 108, 1°, van hetzelfde Wetboek;
  3. c)de abnormale of goedgunstige voordelen die aan het centrum worden verleend. 13. Voor de belastbaarheid van ontvangen gelden als abnormale of goedgunstige voordelen maakt artikel 5, § 1, koninklijk besluit nr. 187 geen onderscheid naargelang de inkomsten al dan niet in een later tijdperk moeten worden terugbetaald. Sommen die de belastingplichtige in een belastbaar tijdperk ontvangt en die hij in een later belastbaar tijdperk moet terugbetalen, kunnen bijgevolg als belastbare abnormale of goedgunstige voordelen worden aangemerkt. De omstandigheid dat betalingen in een later belastbaar tijdperk moeten worden terugbetaald, doet geen afbreuk aan het feit dat die gelden effectief het vermogen van degene die de gelden heeft ontvangen, heeft verrijkt in het belastbaar tijdperk waarin die betalingen werden ontvangen. In het belastbaar tijdperk waarin de teruggaveverplichting wordt gerealiseerd, vormt de terugbetaling van aan belasting onderworpen betalingen een fiscaal aftrekbare kost, voor zover de belastingplichtige kosten kan aftrekken en voor zover op dat moment aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 49 WIB92 is voldaan. Het subonderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht. 14. Krachtens het éénjarigheidsbeginsel vervat in artikel 360 WIB92 wordt de voor een aanslagjaar verschuldigde belasting op de inkomsten die de belastingplichtige in het belastbaar tijdperk heeft verkregen. De Koning bepaalt het belastbare tijdperk en de inkomsten die daartoe behoren. 15. Aldus verantwoordt de appelrechter die vaststelt dat de teruggaveverplichting op het einde van het litigieuze aanslagjaar 2006 niet werd gerealiseerd noch gematerialiseerd in een zekere en vaststaande schuld, die pas ontstond toen het onverschuldigd karakter vaststond in het aanslagjaar 2009, zodat de verweerder zich terecht beroept op het éénjarigheidsbeginsel, en vervolgens oordeelt dat, gelet op het éénjarigheidsbeginsel, het enkele feit dat een inkomen voorspruit uit een onverschuldigde betaling de belastbaarheid in het jaar van ontvangst niet verhindert, zijn beslissing naar recht. In zoverre het subonderdeel schending aanvoert van artikel 360 WIB92 kan het niet worden aangenomen. Tweede subonderdeel 16. Uit het antwoord op het eerste subonderdeel volgt dat het subonderdeel dat aanvoert dat de appelrechter artikel 5, § 1, tweede lid, c, koninklijk besluit nr. 187 heeft geschonden door te oordelen dat een terugbetalingsplicht en een terugbetaling van het verkregene er niet aan in de weg staan dat dit bedrag een voordeel vormt indien de terugbetalingsplicht geen aanleiding gaf tot het boeken van een schuld voor het boekjaar waarin het bedrag werd verkregen, faalt naar recht. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 252,76 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Koenraad Moens en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 29 januari 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.17 Gerelateerde publicatie(
  4. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210129.1N.17 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.